Menu

Premium

De vruchten van de wijnstok

Bij Johannes 15,1-8

Enige pretentie kun je Jezus niet ontzeggen. Johannes, zijn boezemvriend, schrijft dat Hij zich zevenmaal een eigenschap, titel, kwaliteit, beroep toeeigent, waarmee Hij zich wil profileren, zoals: het licht, van de wereld; de herder, de goede; het brood, het levende. We kennen deze classificatie als de ‘Ik-Ben-woorden’, daarmee verwijzend naar de Naam van de Eeuwige, de Heer van Israël (Ex. 3,14). Vandaag en volgende week betreft het de wijnclassificatie. ‘Ik ben de wáre wijnstok’ (vert. M. van der Zeyde[1]), met het accent op ‘ware’. Wijnstokken genoeg, in allerlei soorten. Jonge, oude, gemengde, geënte, pure. In de paastijd is het goed te proeven van de opwekkende wijn die het hart verheugt. Fris en fruitig, goed te drinken bij teleurstellende ervaringen, terneergeslagen gedachten, bij gebroken brood, daar waar de dood het – opnieuw? – voor het zeggen lijkt te hebben.

De wáre wijnstok

De uitspraak ‘Ik ben de wáre wijnstok’ dienen we te horen als: ‘Ik ben de enige echte’. Er zijn andere wijnstokken, ja, maar die stellen niets voor. Daar kun je geen goede druiven van verwachten. Natuurlijk geeft Jezus hier een sneer richting het conglomeraat van godsdienstig Israël, met wie Hij het regelmatig aan de stok heeft. Hij plant zichzelf als het ware in de plaats van Israël, dat van oudsher met een wijnstok wordt vergeleken (zie bijv. Ps. 80,9). Ooit geroepen uit Egypte, bevrijd tot nieuw leven, als een wijnstok overgeplant in Kanaän om te groeien en te bloeien voor velen, is de wijnstok verdroogd, komen er zure druiven vanaf, en is de wijn ten slotte niet te drinken. Je wordt niet vrolijk van Israël.[2] Het leven in verbondenheid met de Eeuwige, de wijngaardenier, de eigenaar en behoeder van de wijngaard, is verwaterd. Het verbond is uitgedund, ja, zelfs verbroken, de levenssappen opgedroogd. Het beeld is helder: de wijn is vertroebeld. Om dan te durven zeggen: ‘Ik ben de wáre wijnstok’ – dat vereist enerzijds moed, want je moet het ook maar laten zien. Tegelijkertijd is het riskant, want arrogantie wordt hoe dan ook afgestraft.

Verbondenheid met de wijnstok

Binnen drie regels wordt de verbondenheid vastgesteld: tussen Jezus en de Vader en tussen Jezus en zijn vrienden, die dan, door Hem, ook met de Vader verbonden zijn: ‘Ik ben de ware wijnstok’ (1. positionering) ‘en mijn Vader is de wijngaardenier’ (2. stelling: wijngaardenier en wijnstok horen bij elkaar) ‘elke rank aan mij’ (3. conclusie: wie aan Mij vastzit, zit aan de Vader vast), enzovoort. De posities zijn duidelijk. Ten eerste is de kwaliteit van de wijnstok een gegeven, de wijnstok die Jezus is. Die is goed en de enige die goed is. Zijn Vader is eigenaar van de wijngaard. Een wijngaard met zo’n wijnstok en met zo’n eigenaar als wijngaardenier zal veel vruchten opbrengen. Maar een wijnstok heeft ranken – de derde vorm van verbondenheid – en de ranken dat zijn … ja, wie zijn dat? Dat wordt nog niet gezegd. Eerst wordt het beeld uitgewerkt, gaat het over ranken die vrucht dragen en die geen vrucht dragen. De eigenaar, de Vader, blijft zijn werk voortzetten. Hij snijdt de ranken die weliswaar met de wijnstok – Jezus – verbonden zijn, maar die geen vrucht dragen, af. En andere, die wel vrucht dragen, die snoeit Hij terug, opdat ze meer vrucht dragen. Hier is een vakman aan het werk. Men kan eruit opmaken, dat verbondenheid op zichzelf nog niets betekent, zoals bijvoorbeeld de uitspraak: ‘Jezus is mijn herder of vriend’ op zich nog niets betekent. Verbondenheid, als rank met de wijnstok en die met de wijngaardenier, is alleen van betekenis, wanneer er vruchten, druiven door groeien. Daarbij levert onderhoud aan de ranken nog meer vrucht op. Snoeien is groeien.

De pijn van het snoeien

Het beeld van de wijnstok en de ranken, waaraan in de eerste twee verzen Jezus en de Vader zijn gekoppeld, wordt in vers 3 uitgebreid en concreter gemaakt. Want de uitspraak ‘Elke rank aan Mij’ (15,2) wordt toegespitst met: ‘Jullie bent al ingesnoeid’ Hier worden de leerlingen direct betrokken bij het werk van de Vader (snoeien) en de verbondenheid tussen de Vader en Jezus. Zij zitten dan nog steeds met Jezus aan tafel, aan de Pesachmaaltijd die in hoofdstuk 13 is begonnen. Het is allemaal reflectie, na Pasen, naar de tijd voor Pasen, hoe het zo gekomen is en hoe het nu – in ons heden – met ons verder kan komen. En dan wordt hun gezegd dat ze, juist doordat ze ingesnoeid zijn – dat met pijn, loslaten, strijd gepaard gaat – meer vrucht zullen opbrengen. Het prachtige beeld van de wijnstok, de wijngaardenier, de ranken wordt nu even doorbroken, maar komt telkens terug in de tekst (zo in 15,5 bijna letterlijk herhaald, doch opnieuw toegespitst). Want wat is uiteindelijk de scherpte van het snoeimes? Wat doet pijn? Waardoor levert hun verbondenheid meer vruchten op?

Het is, zoals in het evangelie van Johannes vanaf hoofdstuk 1: het woord. ‘Jullie bent al ingesnoeid door het woord, dat Ik tot je gesproken heb’ (15,3.7). Het is het tweesnijdend zwaard van het woord, dat snoeit en vruchten opbrengt. Wanneer de woorden van Jezus, het Woord, in hen blijven, wanneer de woorden van de Eeuwige (Ik Ben) in hen blijven en ze zo met Hem verbonden zijn (7), dan ligt de wereld voor hen open. Nou, misschien niet de wereld, maar wel het leven. ‘Vraag dan wat je maar wilt en je zult het ontvangen.’ En uiteindelijk gaat het allemaal om de verheerlijking, niet van Jezus, maar van de Vader. Die komt tot stand ‘wanneer jullie je kennen doet als mijn leerlingen’ (8). Het woord horen en doen is niet alleen het vruchtbeginsel, maar ook de uiteindelijke vrucht van het verbonden zijn met de wijnstok.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken