Menu

Premium

Dienen, ambt, diaken

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

Een ambt is een openbare taak in dienst van de gemeenschap; denk bijvoorbeeld aan een ambtenaar of een ambt als minister. In de protestantse kerken kent men ambtsdragers met de ambten van predikant, ouderling-oudste en diaken. De diaken in de Rooms-Katholieke Kerk is een lagere wijding, veelal als voorfase van het priesterschap. Sommige evangelische gemeenten hebben geen diakenen of zien hen niet als ambtsdragers. De gezagscrisis maakt het niet gemakkelijk een ambt te vervullen in kerk of maatschappij, omdat er weinig respect is voor ambtsdragers. Ook onder ambtsdragers zelf is soms onzekerheid over de invulling van hun taak en rol.

Woorden

Voor dienst aan God in de tempel door ‘gewone’ Israëlieten en de ambtsdragers, priesters en Levieten, gebruikt het Oude Testament vooral het woord ‘avoda. Voor het dienstwerk in het heiligdom wordt het werkwoord sjarat gebruikt.

In het Nieuwe Testament wordt het algemene woord diakonia (‘dienst’) vooral betrokken op de dienst en bediening van Christus, de apostelen, de diakenen, alsook op het dienen van de medemens door elke gelovige. Slaven en knechten dienen verplicht (Hebreeuws: ‘avad, Grieks: douleuein); in geestelijke zin wordt dit toegepast op de profeten, de Knecht des Heren en de apostelen als dienstknechten of ‘slaven’ van God. ‘Slaaf’ vertaalt preciezer het specifieke Griekse woord (in figuurlijke zin en daarom tussen aanhalingstekens). Andere woorden in het Nieuwe Testament zijn leitourgia (‘dienst verrichten voor God’, ‘eredienst’) en latreia (‘het dienen [van God]’, ‘eredienst’).

Betekenis in context

Oude Testament

Dienen

De woorden ‘dienen’ en ‘dienaar’ betreffen veelvuldig slaven of hen die ‘in dienst zijn’ van andere personen. Bijvoorbeeld: Jakob bij Laban (Gen. 29:27), Israël in Egypte (Ex. 20:2), dienstknechten en dienstmaagden (20:10) of een joodse slaaf (21:2).

Het dienen van God vindt onder andere plaats in de tempel tijdens feesten zoals de pascha-viering (12:25). In Deuteronomium en andere bijbelboeken betreft ‘dienen van God’ of van de afgoden een onderwerping die het gehele gezins- en volksleven bestrijkt (Gen. 26:5; Deut. 10:12; Joz. 24:14). God dienen is Hem respecteren, liefhebben en gehoorzamen.

Ambt

Aäron en zijn zonen zijn geroepen ‘om voor Mij (God) het priesterambt te bekleden’: een taak hun van Godswege opgelegd ten dienste van het volk (Ex. 28:1). Zij hebben speciale ambtskleding (31:10). Eveneens in tempeldienst, vervullen de poortwachters en zangers een ambt en doen zij dienst (1 Kron. 6:32). Ambt en dienst gaan dus samen (Lev. 8:36; Ezra 9:11).

Vooral koningen en priesters ontvangen een openbare aanstelling (1 Kon. 1:32-40; Ex. 40:13). Eenmaal lezen we: ‘En geheel Israël van Dan tot Berseba kwam tot de erkenning, dat aan Samuël door de Here het ambt van profeet was toevertrouwd’ (1 Sam. 3:20). Menselijke erkenning volgt hier op de goddelijke roeping.

Het Oude Testament kent geen apart woord voor ‘ambt’, maar de ambtelijke taak wordt wel aangeduid bij priester, Leviet, oudste, richter, koning en profeet door goddelijke roeping, zalving en/of handoplegging (Num. 8:10; 27:18-23; 1 Kon. 19:16). De ambtelijke dienst is wat de genoemde personen gemeenschappelijk hebben:

  • Deze ambtsdragers staan in dienst van God;

  • Zij vervullen een bepaalde taak met gezag hen door God verleend (en meermalen door het volk bevestigd);

  • In veel gevallen vindt ook een openbare aanstelling voor hun taak plaats;

  • Hun dienst aan God en dienst aan het volk (regeren, zegenen, dienst in het heiligdom, Gods Woord bekendmaken) gaan samen in wat wij ‘ambt’ noemen.

Sommige van deze ‘ambtsdragers’ hebben zeggenschap over andere (bijv. priesters over Levieten). Aan de andere kant zijn de genoemde functies of ambten niet allemaal ondergebracht in een omvattende hiërarchische ordening. Een voorbeeld: vooral de profeten moesten regelmatig de koningen en hettempelpersoneel met Gods Woord en wil confronteren. De verschillende roepingen functioneren naast elkaar in samenspel en tegenspel.

Nieuwe Testament

Christus als de dienaar bij uitstek

Veel van het eerdergenoemde woordgebruik wordt voorgezet, maar nieuw in het Nieuwe Testament is dat de Zoon van God ons komt dienen in de persoon van Jezus Christus. ‘Want ook de Zoon des Mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’ (Mar. 10:45). Heel zijn leven en vooral zijn sterven was dienst aan de mensen, om geestelijke slaven vrij te kopen.

In deze lijn wordt Christus aangeduid als dia-konos, dienaar: ‘Christus is ter wille van de waarachtigheid Gods een dienaar van besne-denen geweest…’ (Rom. 15:8). Hij heeft ‘Zichzelf ontledigd en de gestalte van een dienstknecht (of slaaf, doulos) aangenomen, en is aan de mensen gelijk geworden’ (Filp. 2:7).

Dienen

Het Nieuwe Testament roept de gelovigen nadrukkelijk op elkaar te dienen en dienst te verlenen aan de medemens in het algemeen. ‘Dient elkander door de liefde’ (Gal. 5:13). Dienen is hier: helpen, een vrijwillige dienst verlenen. De liefdevolle dienst van de Meester vraagt om navolging. Marcus 10:42-45, Johannes 13 en Filippenzen 2 benadrukken dat Hij ons een voorbeeld heeft nagelaten. De christen is daarom ‘aller dienaar’ (diakonos, Mar. 10:44).

‘Wie door deze (heilige) Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen. Zo laten wij dan najagen wat de onderlinge opbouwing bevordert’ (Rom. 14:18, 19). Iedere gelovige is dus een dienaar of ‘slaaf van Christus en dat uit zich onder andere in de dienst aan anderen. Voor deze dienst aan elkaar geeft God de genadegaven en de kracht; Hij wordt er door geëerd (1 Petr. 4:10, 11). De dienst aan de medemens vervangt de dienst aan God echter niet. Voor dit laatste gebruikt het Nieuwe Testament gewoonlijk latreia. Is leitourgia vooral priesterlijke dienst, latreia duidt op de dienst van allen aan God, in een eredienst en in het hele leven (zie o.a.: Luc. 2:37; 4:8; Hand. 24:14; 26:7; Rom. 12:1).

Ambt

Alleen in 1 Timoteüs 3:1 komt in de NBG-51 het woord ‘ambt’ voor in wat vertaald is als ‘opzienersambt’. Maar, zoals gezegd, de zaak komt met regelmaat naar voren. Meermalen wordt de term diakonia, dienst of bediening gebruikt voor het werk van ambtsdragers. Tegelijk is het moeilijk om in de veelheid van functies een scherp onderscheid tussen ambt en bediening te maken.

Hierboven zagen we al dat Christus de ‘ambtsdrager’ bij uitstek kan worden genoemd: in Hem komen de ambten van koning, profeet en priester samen en vanuit Hem vloeien de ambten en bedieningen voort in het vervolg van het Nieuwe Testament. De ambtsdragers handelen in zijn naam en gezag. Paulus duidt zijn apostolisch werk aan als ‘bediening der verzoening’ (2 Kor. 5:18; diakonia). Hij noemt zichzelf ‘dienaar der gemeente’ (Kol. 1:25, diakonos) en ‘een dienaar van Christus Jezus voor de heidenen in de heilige dienst van het evangelie Gods…’ (Rom. 15:16; leitourgos). In de aanhef van zijn brieven noemt hij zich meestal doulos, dat is: dienstknecht of slaaf van Christus. Ook Tychikus, Epafras en Apollos worden diakonos genoemd, dienaren of helpers die een belangrijke taak hebben in de verspreiding van het evangelie (Kol. 1:7; 47; 1 Kor. 3:5). Erastus en Timoteüs dienen met Paulus in het zendingswerk (Hand. 19:22 ‘helpers’). In Titus 1:5-16 zien we iets van wat het ambtelijk werk van Titus inhoudt. Paulus heeft hem op Kreta achtergelaten om oudsten aan te stellen en de verschillende groepen in de gemeente te vermanen. Ook moet hij over Christus’ komst en onze heiliging spreken, vermanen en weerleggen (2:15). Het ‘ambtelijk werk’ van de opzieners omvat: beheerders zijn van het huis Gods (1:7), op grond van de gezonde leer vermanen en tegensprekers weerleggen (1:9) en tucht oefenen over wie dat nodig heeft (1:10, 11).

Alle ambten en bedieningen zijn uitingen van de genadegaven (charisma) en vormen van dienstbetoon (diakonia, zie 1 Kor. 12:4-11 en Rom. 12:3-8). De geestelijke gaven zijn natuurlijk niet beperkt tot de ambtsdragers! De ambten zijn een gave en instelling van Christus voor zijn gemeente en bedoeld om de eenheid en onderlinge dienst te bevorderen en om de gemeente op te bouwen (Ef. 4:11, 12). In reformatorische kerken ligt meer nadruk op de ambtelijke structuur, in evangelische gemeenten meer op de genadegaven van alle gelovigen (charismatische structuur). Behalve verschillende aanduidingen (predikantvoorganger, ouderling-oudste) wordt er ook op verschillende wijze invulling gegeven aan uitleg en toepassing van de nieuwtestamentische gegevens. Het geheel wordt bemoeilijkt door het feit dat het Nieuwe Testament geen uitgebreide en precieze voorschriften biedt voor de gemeenteorganisatie. Er zijn principes en grondlijnen te onderscheiden, maar de precieze invulling kan per eeuw en continent variëren.

Diaken

Hoewel de diaken als taak en ambt geen directe oudtestamentische tegenhanger heeft, is deze dienst een vloeiende voortzetting van Gods zorg voor de behoeftigen. Hij bevrijdde zijn volk uit de slavernij en gaf vele aanwijzingen om de behoeftigen als weduwen, vreemdelingen en wezen te helpen (zie het boek Exodus, Ps. 146, sociale wetgeving zoals Lev. 25, Deut. 15). De profeten wezen koning en volk op hun sociale verantwoordelijkheid (Hosea, Amos, Micha).

Veelal wordt Handelingen 6:1-6 gezien als instelling van het diakenambt of een eerste stap hiertoe. Hoewel de zeven niet de titel diaken krijgen en zich ook bezighouden met preken en evangeliseren (vooral Filippus en Stefanus), is hun taak toch ‘diakonaal’: ze dienen de armen van de gemeente. Ook gebruikt het Grieks voor ‘verzorging’ (vs. 1) en ‘de tafels bedienen’ het woord diakonia. Deze mannen worden verkozen door de gemeente en aangesteld met handoplegging. Door deze taakverdeling kunnen de apostelen zich richten op het gebed en de bediening (diakonia) van het Woord.

We zien hier dus een algemeen gebruik van het woord (dienen, bediening aan de tafel, zoiets als een ober) en een meer specifiek gebruik (dienen aan tafel ten bate van de armen van de gemeente, verdeling van en toezicht op het gegevene), dat vervolgens een technische term wordt voor een christelijk ambt. Het hulpbetoon aan de armen wordt gezien als een vast onderdeel van het gemeentewerk. We lezen over diakenen in Filippi (1:1) die blijkbaar met de opzieners de leiding van de gemeente vormen, maar hun taak wordt niet verder omschreven.

1 Timoteüs 3:8-13 spreekt over de vereisten voor diakenen, maar niet over hun taken. (Net als in Handelingen 6 ligt sterke nadruk op hun karakter.) Er is discussie over vers 11: betreft het de vrouwen van de diakenen of betreft het vrouwen die diaken of diakones zijn? Maakt een opmerking over echtgenotes in vers 11 dan vers 12 niet overbodig? Ook omandere redenen is het waarschijnlijk dat het hier vrouwelijke dienaren of diakenen betreft. In elk geval kennen we één vrouwelijke dia-konos van de gemeente: Fébe (Rom. 16:1). Ook hier is discussie of het een dienares in algemene of een diakones in meer technische, ambtelijke zin betreft. Onder andere gezien de nogal officiële aanduiding ‘van de gemeente’ en haar belangrijke rol (vs. 2) valt aan de tweede optie te denken. Groot Nieuws lijkt het midden te houden: ‘dienstdoen in de gemeente’. Maar ook al was Fébe een ‘diaken’, dan wil dat nog niet zeggen dat ze ‘kerkenraadslid’ of ‘lid van de oudstenraad’ was. Het schept verwarring de huidige gemeentestructuur te projecteren op het Nieuwe Testament. De diakenen vervullen hun ambtelijke dienst in navolging van de grote Diaken Christus en bewijzen net als Hij barmhartigheid zonder onderscheid.

De heidenchristelijke gemeenten zamelen geld in om de armlastige moedergemeente in Jeruzalem te ondersteunen. Deze internationale hulp wordt aangeduid als diakonia (Rom. 15:25; 2 Kor. 8:19, 20) of als leitourgia, ‘dienst’ (Rom. 15:27 en 2 Kor. 9:12). Hier overlappen de termen dus, terwijl op andere plaatsen lei-tourgia meer duidt op dienst aan God als eredienst (Hand. 13:1).

Kern

Christus’ leven en sterven toont ons wat het is om God en de mensen volkomen te dienen. Zijn voorbeeld inspireert tot navolging en Hijzelf zet zijn dienst voort door de dienst van mensen. Dat doet Hij zowel door de dienst van alle gelovigen die elkaar en anderen dienen, als door de dienst van ambtdragers met een speciale taak en roeping. Er is veel te doen rond de definitie en invulling van het ambt. Dit lijkt voor een deel het gevolg van de democratisering en secularisatie. Ook ligt er een lange geschiedenis tussen de eerste christelijke gemeente en de organisatie van de gemeenten vandaag. Op grond van de gegevens die hier en in het artikel over ‘oudste’ zijn gepresenteerd, kunnen we tot de volgende conclusies komen: ‘ambt’ is dienst, maar is tegelijk meer: een bijzondere dienst of bediening omdat er geestelijk gezag en verantwoordelijkheid aan verbonden is. Het is dienst van Godswege, in zijn naam en op zijn gezag. Door de oudste/ouderling regeert God zijn kerk. Door de voorganger spreekt God tot zijn gemeente. Door de diaken verleent God liefdevolle dienst aan wie dat behoeft, binnen en buiten de gemeente. Het is niet de bedoeling dat de ambten de gemeente ‘buiten spel zetten’ maar juist voorgaan en toerusten. De ambtelijke dienst wil de gemeente en de haar geschonken geestelijke gaven laten functioneren naar Gods bedoeling: ten bate van de dienst aan God en de dienst aan de wereld.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: apostel, oudste.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken