Driekoningen
Bij Matteüs 2,1-12 / Matteüs 2:1-12
Bij ons vieren de kinderen Driekoningen. Ze zetten een kroon op en doen een mantel aan, hebben een lantaarntje en een liedje. Dan gaan ze langs de deuren en krijgen snoepjes. Een paar moeders vinden het maar gebedel. ‘We bedenken wat anders,’ zeggen ze, ‘we doen een spel, op het pleintje bij de kerk.’ Bij de deur van de kerk staat ieder jaar een grote kerststal. En een grote kerstboom. Voor het spel worden de poppen uit de stal weggehaald. Er komen nu een levende Maria en Jozef in en een paar herdertjes. Alleen het kindje is een pop. Drie kinderen, Cas en Bas en Melly, mogen de drie koningen zijn. Ze doen heel geheimzinnig, want ze mogen nog niet vertellen wat er zal komen. Er komen heel veel mensen kijken. Ze zingen een lied en het spel begint. Als de koster de ster boven de stal wil aandoen, horen ze ‘PENGG!’ Alles is donker. Kortsluiting. De stal donker, de boom uit. Sommigen proberen een kaarsje aan te steken, maar het waait te hard. ‘Sst, sst,’ klinkt er opeens, ‘er komt wat!’ In de verte komen er drie lichtjes aan: een hoog lichtje en twee lage. Ze komen dichterbij. Het zijn Cas en Bas en Melly. Cas zit op een echte kameel en Bas en Melly op een ezeltje. Iedereen klapt en zingt: ‘Dreikeunige, dreikeunige, geef mich e nuie hoed.’ Plotseling gaat het licht weer aan, de ster straalt en de boom fonkelt. ‘Wij zijn de drie koningen,’ zegt Cas. ‘Wij zoeken de kleine koning,’ zegt Bas. ‘Wij zijn voor de duvel niet bang,’ zegt Melly. Later bleek dat iedereen dacht dat die kortsluiting expres gedaan was. ‘Nee, eerlijk,’ zei de koster, ‘het was per ongeluk. Gelukkig is er geen brand van gekomen.’