Een intocht uitlopend op een valpartij
Bij Exodus 15,27-16,7, Filippenzen 2,5-11 en Johannes 12,12-24
Intocht van Christus
Hoe vaak in het jaar horen lutheranen het verhaal van de intocht in de stad Jeruzalem? Twee keer! Op één dag? Nee, op de eerste dag van het nieuwe kerkelijk of liturgisch jaar, en op de eerste dag van de Goede Week (Palmzondag).
Lutheranen vieren de intocht van Christus in hun leven op de eerste zondag van Advent. Deze keuze delen ze met de anglicanen, teruggaand op een karolingisch of voor-middeleeuws lectionarium. Daarmee wordt uitgedrukt dat ‘van het begin af aan’ de verlossing van de mens loopt via het kruis van Christus: het is zijn intocht, die der Heiden Heiland, naar het kruis. Het hele komende feestjaar van de gedachtenis des Heren, zijn woorden en werken, wordt ingezet met het verhaal van zijn intocht in Jeruzalem, dat de intocht in ons leven weerspiegelt. Het ‘Hosianna, Hosianna dem Sohne Davids! Gezegend die daar komt in de naam van de Heer!’ dat op de eerste Adventszondag (ook in vele composities) weerklinkt, betreft de voorbereiding op het feest van de geboorte. Maar die geboorte wordt ervaren en geloofd als een kruis-teken, aangezien er voor Hem in deze wereld geen plaats is.
Vanwege het teken aan Lazarus
Aangezien het intochtsverhaal naar de beschrijving van Matteüs daarmee al vergeven is, klinkt op Palmzondag volgens dit eenjarige lectionarium het desbetreffende gedeelte uit Johannes, met een geheel eigen vervolg, anders dan bij de synoptici. Op de achtergrond speelt namelijk nu al mee dat het besluit om Jezus te doden al was genomen (Johannes 11,45-57, letterlijk in 11,53). Met dat gegeven, die ‘kennis’, wordt Jezus gezalfd en wordt Hem een onthaal gegeven (12,1-9) voordat Hij naar Jeruzalem gaat (12,12). Ook dat is een verschil met de synoptici, waar Hij zelf bewust die intocht maakt, deze zelf regisseert. Bij Johannes, die de intocht heel kort beschrijft (12,12-15) zijn het anderen die ‘er iets van maken’. Er was zelfs onzekerheid of Jezus wel op het ‘Pascha der Joden’ aanwezig zou zijn (11,55-57).
Zes dagen voor het Pascha was Hij nog in Betanië, voor een maaltijd in aanwezigheid van de levende Lazarus, die dood had moeten zijn (11,11; 12,1-2). En op de zevende dag… (12,12) hoorde men dat Jezus naar Jeruzalem kwam. En zij namen palmtakken en gingen uit, Hem tegemoet. Wat de grote menigte dan uitroept, die frase uit de Hallelpsalm 118(,25-26), ‘Gezegend hij die komt in de naam van de Heer’, dat hebben de synoptici ook. Maar wat zij niet hebben, is dat de menigte ook roept: ‘De koning van Israël!’ (12,13). Lucas (19,38) heeft alleen ‘koning’, Marcus (11,10) heeft: ‘het komende koninkrijk van onze vader David’. Johannes heeft dit statement, een provocatie. En het opmerkelijke is ook dat de schare hier niet voor een zogenaamde intocht kwam, maar om Jezus te zien vanwege het teken dat Hij aan Lazarus had verricht (12,18). Niet Jezus, maar zíj gaven er, ook door hun uitroepen, betekenis aan.
Sterven als de graankorrel
Johannes grijpt op dit moment terug op wat Jezus zei te Kana, op de bruiloft (2,4): ‘Het uur is gekomen’ (12,23). En hij plaatst de verheerlijking van de Mensenzoon in het teken van de stervende graankorrel (12,24). Dat is wat Jezus zegt. Verheerlijkt worden is sterven. Niet zomaar, maar op deze wijze, zich overgevende, vallen. Goed beschouwd geeft het evangelie hier ook een toepassing op de belofte uit Exodus 16,7 (zie de eerste lezing): ‘Morgen zult ge de heerlijkheid van de HEER zien!’ Maar de vraag blijft: wie is deze Zoon des mensen? (Johannes 12,34). Wie nog even doorleest tot 12,36 merkt dat het bij Johannes klaarlichte dag is in de hof van Getsemane. De doodsstrijd, het gebed tot de Vader om verlossing (‘laat deze beker aan Mij voorbijgaan’), de ontroering (de zweetdruppels van bloed), het komt hier ter sprake midden op de dag wanneer Jezus spreekt over het sterven van de graankorrel en de verheerlijking van de Mensenzoon (12,27-30), Niet op de avond, na het Pesachmaal, zoals bij de synoptici. Johannes beschrijft niet zozeer, hij legt uit, voegt uitgebreid woorden van Jezus toe. Je zou overdreven kunnen zeggen dat hij de evangelist is die Jezus alle kans geeft om aan het woord te komen, in verhalende verzamelingen van verklarende en onderwijzende teksten. Maar Hij is dan ook het Woord zelf (Johannes 1).
Gehoorzaam tot de dood
Filippenzen geeft een mooie illustratie van de messiaanse dialectiek: de verheerlijking die in de ontleding schuilt, de opstanding die verborgen/omhuld geopenbaard wordt in het sterven.
Als die gezindheid, schrijft Paulus, onder jullie ook aanwezig is, die was in Christus, gemeente, in dat lichaam van Christus dat wij zijn, dan schrijf ik jullie eerdaags weer een brief, met volle vreugde! Want dan zal ook vanwege jullie de hele kosmos, alle knie in hemel en op aarde en onder de aarde zich buigen – niet gedwongen, maar vrijwillig, want tot inzicht gekomen. Gehoorzaam als we zijn geworden tot het sterven, tot de dood, met het beeld van de graankorrel op ons netvlies. Honderdvoudige vrucht. Tot eer van God. Dit lied zul je op de lippen nemen, het lied van de Mensenzoon!
Dít moet je horen
Het zal in de eerste christengemeente veelvuldig rondgezongen hebben. Van gemeente naar gemeente, van voorzanger naar citerspeler, van kerkmusicus naar kerkmusicus, van orgelbank naar cantorij: dít moet je horen, dít moeten je zingen, wij allen, het lied van de geknechte slaaf, die vrijwillig, voor ons allen, namens ons allen gehoorzaam is geworden (en daarin klinkt uiteraard door het ge-hoor-geven aan de woorden van de Schriften, van de Tora, van Mozes en de Profeten) tot het beeld van de graankorrel, tot de dood op het kruis, en in wie wij allen de Eeuwige, de Naam boven alle naam horen.