Een verdeeld huis kan niet bestaan
2e zondag na Trinitatis (Rechters 12,1-6 en Marcus 3,20-35)
Vandaag, de tweede zondag na Trinitatis en de derde na Pinksteren, in de periode van de heilige Geest, lezen we bij Marcus dat Jezus thuiskwam en dat de menigte daar weer samenkwam, zodat het hun volstrekt onmogelijk was om brood te eten. Zijn verwanten, toen zij dit hoorden, gingen eropuit om Hem in bedwang te houden, want ze zeiden dat Hij niet bij zinnen was. De schriftgeleerden, afgedaald vanuit Jeruzalem, zeiden ‘dat Hij Beëlzebul had’, en door de aanvoerder der demonen de demonen uitdreef.
Jezus zegt dan tot hen ‘in gelijkenissen’ (Gr.: en parabolais): ‘Hoe kan satan satan uitdrijven?’ Zoals een koninkrijk (Gr.: basileia) of een huis dat innerlijk verdeeld is, niet kan bestaan, zo kan satan, als hij opstaat tegen zichzelf, niet bestaan (3,23-26).
De lastering tegen de heilige Geest
Jezus zegt vervolgens dat alle zonden aan de mensenkinderen vergeven zullen worden, zelfs godslasteringen, maar wie ‘lastert’ (Gr.: blasfèmeoo) tegen de heilige Geest, krijgt in eeuwigheid geen vergeving, maar is schuldig aan eeuwige zonde (3,28-29).
De heilige Augustinus (354-430) gaat in een lange preek over een paralleltekst van deze verzen (Mat. 12,31-32; vgl. ook Luc. 12,10) in op deze strenge uitspraak van Jezus.1 Hij noemt het moeilijke verzen. Tegenover de satan stelt Jezus de heilige Geest: Hij zegt dat Hij de boze geesten uitdrijft door de Geest Gods (Mat. 12,28). Volgens Augustinus ontkennen niet alleen de heidenen en de joden (de sadduceeën) het bestaan van de Geest, of dat de Geest in Jezus Christus was (de farizeeën), maar doen ook ketters als arianen, eunomianen en macedonianen dat. Ook zijn er ketters zoals de sabellianen of de photonianen die weigeren aan te nemen dat God een Drie-eenheid is. Niet degene die de heilige Geest hoe dan ook lastert krijgt in eeuwigheid geen vergeving, maar degene die dat op een bepaalde manier doet.
De gemeenschap in de Drie-eenheid
In dit verband bespreekt Augustinus de heilige Drie-eenheid. De Drie-eenheid bestaat niet uit drie goden, zegt hij, maar is één God, vanwege haar ongedeelde en ondeelbare wezen of natuur: haar eeuwigheid, waarheid en goedheid. ‘Voor zover ik het begrijp, krijgen wij, zoals we nu nog zijn, in onze aardse situatie, hierin door middel van een spiegel en in raadselen (1 Kor. 13,12) de gelegenheid iets te zien.
We krijgen ingegeven dat het kenmerkend voor de Vader is dat Hij de oorsprong is, voor de Zoon dat Hij geboren wordt, voor de Heilige Geest dat Hij de gemeenschap is van de Vader en de Zoon, en voor alle drie dat ze aan elkaar gelijk zijn.’ Door middel van die gemeenschap hebben zij beschikt dat wij een gemeenschap vormen met elkaar en met hen. Door ons dat te geven wilden zij ons bijeenbrengen en één maken in die Geest. ‘Dat is de Heilige Geest, tegelijk God en gave van God, waarin we met God verzoend
worden. Daar vinden we vreugde.
Wat zouden we er immers aan hebben om al het goede te kennen als we het niet ook beminden? Zoals we leren door de waarheid, zo beminnen we door de liefde. Dan zullen we niet alleen tot diepere kennis komen, maar er in een toestand van geluk met volle teugen van genieten. Daar komt nog bij dat de liefde in ons hart is uitgestort door de Heilige Geest die ons werd geschonken (Rom. 5,5). De liefde bedekt tal van zonden (1 Petr. 4,8) omdat we door onze zonden vervreemd raakten van wat werkelijk goed is.’ Met Pinksteren werden de leerlingen gedoopt met vuur van de heilige Geest. De volmaakte gave van de heilige Geest is de volmaakte liefde. Met hulp van de heilige Geest die Gods volk bijeenbrengt, wordt de onreine geest die innerlijk verdeeld is, uitgedreven.
Weigering Gods liefde te aanvaarden
Een onboetvaardige gezindheid gaat in tegen deze onbaatzuchtige gave van God, tegen zijn genade. Voor Augustinus is die onboetvaardigheid de lastering tegen de Geest die niet vergeven zal worden. Het is de weigering tot bekering waartoe het evangelie oproept, al bij monde van Johannes de Doper. Hij doopte met water de doop der bekering tot vergeving van zonden (Marc. 1,4) en wijst naar Jezus die na hem komt: ‘Hij zal u dopen met heilige Geest’ (1,8). Het is het eerste wat Jezus zegt als Hij begint te prediken: ‘De tijd is vervuld en het koningschap (Gr.: basileia) van God is gekomen. Bekeert jullie en gelooft het evangelie’ (1,15).
Het doet denken aan de bekering van Blaise Pascal (1623-1662) in 1654, waaraan hij zichzelf bleef herinneren middels een stukje perkament dat hij zijn verdere leven bij zich droeg met de woorden: ‘Vuur. God van Abraham, God van Izaäk, God van Jakob, niet van de filosofen en geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel, Vreugde. Vrede. God van Jezus Christus.’
Je lastert de heilige Geest ook door de gemeenschap met Gods volk, je naasten, te weigeren: niet per se je bloedverwanten, maar al diegenen die Gods wil doen (Marc. 3,35). Al in het Oude Testament is die weigering een grote zonde. In het boek Rechters raakt het Godsvolk Israël steeds meer innerlijk verdeeld.
Onder de Gileadiet Jefta leidt dat ertoe dat een broedertwist ontaardt in een broederstrijd. Efraïm en Manasse zijn de meest verbroederde noordelijke stammen; beide zijn zonen van Jozef (Gen. 48), maar de eerstgezegende Efraïm is afgunstig en bindt zelfs de strijd aan met de clan in Manasse: Gilead. Om een klein verschil in uitspraak vermoordt Jefta vervolgens bij de Jordaan 42.000 Efraïmieten.2
Deze exegese is opgesteld door Lidwien van Buuren.