Menu

Premium

Efeziërs

INLEIDING

De brief van Paulus die in de Bijbel staat als de brief aan de Efeziërs, is waarschijnlijk oorspronkelijk een rondzendbrief geweest aan de gemeenten in Klein-Azië (het huidige Turkije). In de belangrijkste handschriften ontbreekt de naam Efeze (1:1). Omdat een adres ontbreekt, hebben sommigen gedacht dat deze brief oorspronkelijk aan de gemeente te Laodicéa is geschreven (Kol. 4:16). Paulus schreef deze brief terwijl hij gevangen zat te Rome. De brief werd overgebracht door Tychicus, die ook de brieven aan de Kolossensen en aan Filémon heeft bezorgd.

Aanleiding

Een aanleiding voor het schrijven wordt in de brief niet expliciet genoemd. Omdat we aan mogen nemen dat deze brief gelijk met die aan de Kolossensen verzonden is, zal de aanleiding kunnen zijn dat Paulus er behoefte aan voelde, gezien de situatie in Kolosse, de naburige gemeenten ook een brief te schrijven. De overeenkomst met de brief aan de Kolossensen is frappant, hoewel in deze brief de dwaalleer die in Kolosse heerste, niet wordt genoemd (zie aldaar).-Wij mogen aannemen dat Paulus vermoedde, dat de dwaalleer van Kolosse toch wijder om zich heen greep dan alleen in deze stad en hij wilde van tevoren de gemeenten in Klein-Azië een hart onder de riem steken.

Inhoud van de brief

De inhoud van de brief aan de Efeziërs is positief en hooggestemd. Polemiek met afwijkende leringen komt er niet in voor. De brief ontwikkelt een wereldwijde visie over de betekenis van Gods komst in Christus Jezus en het verzoeningswerk in kruis en opstanding. Dit doel van Gods werk in Christus is om in de volheid van de tijd alles onder één hoofd Christus samen te vatten. Alle tegenstrijdige krachten in de wereld die teken zijn van de gebrokenheid, zullen in Christus één worden, delen in de vrede van Christus. Deze toekomstige eenheid van het heelal wordt in de werkelijkheid van heden voorgeleefd door de gemeente waarin Joden en heidenen het ene lichaam van Christus zijn. Uit deze eenheid blijkt dat vijandige groepen tot eenheid kunnen komen in Christus.

De eenheid van de gemeente is dus de voorafschaduwing van de toekomstige eenheid en vrede die door Christus wordt bewerkt. De eenheid van de gemeente als eschatologisch teken is gave en opgave.

De indeling van de brief

De brief begint met een lofprijzing op de verkiezing van de gemeente (1:1-14), gevolgd door een gebed dat zij hun rijkdom mogen beseffen. Het hoofddeel van de brief is dan een brede uiteenzetting van de betekenis van het ver-lossings- en verzoeningswerk van Christus, dat de gemeente van Joden en heidenen als het ene lichaam van Christus heeft opgericht (1:20-3:21). Het tweede grote gedeelte van de brief is een vermaning om als werktuig van God als de éne gemeente te leven naar zijn wil. Nadrukkelijk wordt gewezen op het verschil tussen de christelijke en de heidense levenswandel. Het wederzijdse dienstbetoon in allerlei maatschappelijke verbanden is het richtsnoer voor het leven van de gemeente. Dit vermanend gedeelte wordt afgesloten met het bekende beeld van de wapenrusting Gods (4:1-6:17). De brief wordt afgesloten met enkele persoonlijke aangelegenheden en een zegenbede (6.T 8-24).

Inhoud van de brief

Schrijver – lezers – groet 1:1-2

Rijkdom der uitverkorenen 1:3-14 ,

Voorbede 1:15-23

Alles is genade 2:1-10

De eenheid der gemeente 2:11-22

Het geheimenis van de roeping der heidenen 3:1-13

De grote liefde van Christus 3:14-21

Eenheid en verscheidenheid in de gemeente 4:1-16

De nieuwe levenswandel 4:17-32

Vermaningen 5:1-21

Het huwelijksleven 5:22-33

Gehoorzaamheid 6:1-9

De geestelijke wapenrusting 6:10-20

Mededeling – groet 6:21-24

VERKLARING

Schrijver – lezers – groet 1:1-2

1.Apostel van Christus Jezus: Paulus noemt bij het begin van een brief meestal zijn apostelschap om te laten zien uit welk gezag hij spreekt. Heiligen en gelovigen:

Twee synoniemen als aanduiding van de gemeente. Te Efeze: Deze woorden behoren niet tot de oorspronkelijke tekst (zie inleiding).

2.Onze Vader: God is de Vader van de gemeente, omdatHij de Vader is van Jezus Christus (zie vs 3).

Rijkdom der uitverkorenen 1:3-14

3.Gezegend: Aansluiting aan het oudtestamentische en joodse spraakgebruik waar het woord zegenen zowel gebruikt wordt van Gods zegen over mensen als van het lofprijzende antwoord door de mensen. In de hemelse gewesten: De zegen van Christus is als een schat in de hemel bewaard en wordt door de Geest op aarde uitgedeeld.

4.In Hem uitverkoren: De zegen vindt zijn grond in de uitverkiezing. Christus is de eigenlijke Uitverkorene, de gemeente is in Hem mee uitverkoren. Voor de grondlegging der wereld: Gods genade gaat aan elk menselijk antwoord en geloof vooraf. Heilig en onberispelijk: Het doel van de uitverkiezing en de zegen is het vernieuwde leven voor Gods aangezicht tot in eeuwigheid.

5.In liefde: Gods liefde is de grond voor de verkiezing (Deut. 7:6). Dit motief klinkt door de hele lofprijzing heen: Gods genade voor de gemeente vindt haar grond alleen in God zelf. Als zonen van Hem aangenomen: Ook de Christenen uit de heidenen delen in het zoonschap dat in de oude bedeling alleen Israel toekwam (Rom. 9:4). Eerst in de toekomst zal dit zoonschap tot volle werkelijkheid worden. Welbehagen: Gods liefde is vrij, onverdiend. De Geliefde: Christus. De woorden liefhebben en uitverkiezen liggen vlakbij elkaar (vgl. Mar. 9:7 en Luc. 9:35). In de liefde Gods tot Christus deelt de gemeente.

7.Verlossing: Loskoping, bevrijding. Hebben: De verlossing is een voldongen feit en een belofte. Door zijn bloed: Door zijn gewelddadige dood aan het kruis. Vergeving van de overtredingen: De macht van de zonde is verbroken, de schuld van de zonde is verzoend. Ook dit behoort bij de vrije daad van Gods welbehagen.

8.Wijsheid en verstand: De overvloedige rijkdom van Gods genade geeft de gemeente inzicht en de mogelijkheid met dit inzicht in de werkelijkheid te staan en Gods gebod in praktijk te brengen.

9.Geheimenis: Mysterie, verborgenheid. De prediking van het evangelie van Gods genade in Christus openbaart het geheim van Gods heilsbedoeling. Deze strekt zich uit over de gehele geschapen werkelijkheid. Dit weet de gemeente en daarom is zij geroepen in dit weten te handelen en te leven.

10. Volheid der tijden: Als alle tijden die God gesteld heeft, vervuld zullen zijn. Voorbereiding: Economia: God werkt volgens een vast plan naar zijn doel toe. Alles: Het al, al het geschapene. In Christus samenvatten: De door de zonde gebroken en tot chaos gemaakte schepping wordt weer één onder haar hoofd Christus. Dat betekent het volle heil en de ware vreugde en vrede voor de wereld.

11. Erfdeel: Zoals Israel het beloofde land bezat, mag de gemeente nu reeds delen in het bezit van de eenheid van de schepping als een belofte.

12. Tot lof zijner heerlijkheid: De uitverkiezing van Israel heeft tot doel de lof Gods. Wij: Christenen uit de Joden; voor de komst van Jezus verwachtte het ware Israel de Christus.

13. Gij: De gelovigen uit de heidenen. Verzegeld: Gewaarmerkt. Bedoeld is de doop. Daaruit blijkt dat heidenen ten volle kunnen delen in het beloofde heil.

14. Onderpand: Voorlopig deel van iets dat reeds gegeven is, met de zekerheid dat het ontbrekende zal volgen. Erfenis: Toekomstig heil. Verworven: De verlossing bestaat daarin dat de gemeente als volk van Gods eigendom ten volle zal openbaar worden.

Voorbede 1:15-23

15. Daarom: Wegens de in het voorgaande bezongen genade Gods. Gehoord: Paulus heeft berichten over de gemeente ontvangen. Liefde: Het geloof uit zich in broederlijke liefde. Al de heiligen: Van deze liefde wordt niemand uitgesloten.

16. Gedenken: Bij God tegenwoordig stellen in het gebed.

17. Heerlijkheid: Doxa: Leven en wezen van God waardoor Hij machtig is doden op te wekken (vgl. 5:20; Rom. 6:4; 1 Kor. 6:14). De geest van wijsheid en van openbaring: De Heilige Geest geeft de rechte kennis. Het ontvangen hebben van de Heilige Geest als onderpand sluit het voortdurend gebed om de Heilige Geest niet uit maar in.

18. Verlicht: Ander woord voor bekering. Hart: Aanduiding van de kern der persoonlijkheid, het ik. Weet: De bekering brengt een nieuwe kennis van de werkelijkheid onder Gods licht en belofte. Hoop: De nieuwe kennis stelt de werkelijkheid in het licht van de overmacht van Gods beloften.

19. Macht: Kracht. Het geloof weet van de overmacht Gods midden in de machten die de werkelijkheid lijken te beheersen.

20. Opwekken: De heilsmacht van God is gebleken in de opwekking van Christus en in zijn hemelvaart.

21. Boven alle overheid etc.: De heilsmacht van de verhoogde Christus staat boven alle machten die de werkelijkheid beheersen. Gedacht moet hierbij worden zowel aan demonische krachten als aan de reële machten die mensen ervaren. Alle naam: Alles wat naam, dat is macht, heeft. Deze eeuw: De huidige wereldperiode die door de zonde beheerst wordt. Toekomende eeuw: De tijd die aanbreeekt met Christus’ volkomen verheerlijking.

22. Hoofd boven al: Wat Christus eens zijn zal, ervaart de gemeente reeds nu: Christus is haar hoofd.

23. Lichaam: De gemeente vormt een levende eenheid met Christus, die gezien kan worden onder het beeld van hoofd en lichaam. Dit motief wordt verder in de brief uitgewerkt. Vervuld met Hem: Christus woont in de gemeente met de macht van zijn genade. Volmaakt: Letterlijk: vervuld. De vervulling van de gemeente door Christus zal leiden tot de voltooiing, tot volmaaktheid.

Alles is genade 2:1-10

1.Ook u: Weer zijn de gelovigen uit de heidenen bedoeld. Dood: Het tot geloof komen wordt beschreven als opstaan uit de dood.

2.Vroeger: Belangrijk woord in deze brief, waarin voortdurend de tegenstelling heden en verleden aan de orde is. Wandelen: Manier van leven, voortdurend bezig zijn in. Loop dezer wereld: (SV: eeuw dezer wereld): Buiten Christus staat het mensenleven onder de macht en de wetmatigheid van de door de zonde beheerste wereld.

Overste van de macht der lucht: De satan, gedacht te wonen in de onderste luchtlaag, vlak bij de wereld, die hij wil beheersen. Geest: Namelijk van de satan, die werkt waar Christus verworpen wordt.

3.Wij allen: Gelovigen uit de Joden en de heidenen. Daarin: In de kringen van de zonen der ongehoorzaamheid. Vlees: Het menselijk leven dat tegen God ingaat. Van nature: Werkelijk, door en door, geheel en al tegen God ingaan is onze natuur geworden. De overigen: Die nog niet tot het geloof in Christus gekomen zijn.

4.God echter: De beslissende omkeer tot geloof is door God tot stand gebracht. De grond daarvoor is alleen zijn barmhartigheid en liefde.

5.Mede levend gemaakt: Tot geloof gebracht worden is opstanding, delen in de opstanding van Jezus Christus. Door genade zijt gij behouden: Weer de nadruk op Gods heil zonder medewerking van mensen. De redding is in beginsel gegeven.

6.Een plaats in de hemelse gewesten: Christus is in de hemel, in zijn heil deelt de gemeente.

7.Om in de komende eeuwen te tonen: Doel van Gods heilshandelen in de tijd is de heerlijkheid van de genade op de nieuwe aarde.

8.Door het geloof: Het geloof is de weg waardoor het heil tot mensen komt, het is gave van God om het heil aan te nemen, het komt niet uit mensen op.

9.Opdat niemand roeme: God alleen komt de eer van de redding toe, niet de werken noch het geloof geven recht op genade.

10. Maaksel: de bekering is een nieuwe schepping van God in Christus uit niets. Goede werken: De redding is gave en opgave. Tevoren bereid: De goede werken van de Christenen zijn niet hun prestatie, maar wij worden door God bekwaam gemaakt om met Christus goed te doen.

De eenheid der gemeente 2:11-22

11. Bedenkt: In het nieuwe leven van heden mogen de gelovigen uit de heidenen niet vergeten wat zij vroeger waren. Onbesneden: Ze waren onderscheiden van Israel, het uitverkoren volk van God.

12. Zonder Christus: niet delend in de verwachting van de komende Messias. Burgerschap Israels: Buiten de verkiezing van het volk van het verbond. Verbonden der belofte: Buiten het beloofde heil in Christus.

13. Maar thans: Weer de tegenstelling vroeger en nu: In de vervulling van de Messias-belofte in Jezus is de werkelijkheid ook voor de heidenen principieel veranderd. Het offer van Christus heeft wereldwijde betekenis. Daardoor zijn de heidenen dichtbij gekomen, deel geworden van het volk Gods op grond van de verzoening.

14. Vrede: Het messiaanse heil, tussen God en mensen, Jood en heiden, mensen onderling, onlosmakelijk aan Christus gebonden. Deze vrede staat in verband met de eenheid van het geschapene die in Christus geopenbaard is en zal worden (1:10). De gemeente is van deze eenheid het zichtbare teken. De twee: Israel en heidenen. Tussenmuur: De onoverkomelijke scheiding die de wet maakte tussen Israel en de volkeren.

zijn vlees: Door zijn menswording en kruisdood heeft Jezus de Christus de vrijheid van de wet gebracht. Inzettingen: Detailgeboden.

Zichzelf: Christus is de nieuwe mens, de tweedeAdam in wie de scheidingen zijn opgeheven. Scheppen: De nieuwe mens in wie de twee één zijn wordt geschapen, zal definitief openbaar zijn als Christus is wedergekomen, maar wordt in beginsel openbaar in de kerk, in het lichaam van Christus. De eenheid kan niet door mensen gemaakt worden, maar is een scheppende daad van God in Christus. Grond voor de uiteindelijke kosmische eenheid en van de eenheid van de kerk is het kruis van Christus, waardoor alle scheidingen opgeheven zijn.

17. Bijzijn komst: In zijn aardse leven en werken; Christus, die de vijandschap van allen ervoer, is degene die de vrede brengt als nieuwe mens. De vrede van Christus is dezelfde voor Joden en heidenen (Jes. 57:19).

18. Toegang: Av. toebrenging. Christus heeft voor Joden en heidenen de weg tot gemeenschap met de Vader gebaand. In één geest: Av. door één Geest: De Heilige Geest bedoelt de eenheid van het geschapene, en daarom ook de eenheid van het lichaam van Christus.

19. Zo: Dientengevolge, krachtens de orde in Christus. Vreemdeling: Buiten de volksgemeenschap staande. Bijwoner: Woonde in Israel maar stond buiten de rechten van Israels godsdienst. Medeburger. Volledig delend in alle rechten en voorrechten van het verbond. Huisgenoten: Broeders en zusters, kinderen van God.

20. Gebouwd: De gemeente wordt vergeleken met een huis, een tempel. Fundament: Het door apostelen en profeten verkondigde evangelie. Profeten: Zie 3:5, 4:11; Hand. 11:27 enz.; naast de apostelen werkzame evangelieverkondigers. Hoeksteen: Een allessamenhoudende steen: Jezus Christus.

21. Wassen: Groeien. In het beeld vermengt zich groeien en bouwen. De gemeente is voortdurend in opbouw. Tempel: Woonplaats van God, beeld van de gemeente (1 Kor. 3:16; 2 Kor. 6:16). Heilig: De gemeente ontvangt haar heiligheid uit Christus door de Geest.

22. Ook gij: Opnieuw worden de gelovigen uit de heidenen aangesproken als volledig delend in het werk van Christus en de Geest.

Het geheimenis van de roeping der heidenen 3:1-13

1.Daarom: Neemt 1:15 weer op. Ik, Paulus: De bijzondere roeping van Paulus als apostel der heidenen komt ter sprake. In gevangenschap: Waarschijnlijk te Rome. Paulus werd gevangen genomen omdat hij het evangelie aan de heidenen verkondigde (vgl. Hand. 21:28vv).

2.Bediening: Oikonomia: Paulus heeft een bijzondere plaats in het heilsplan van Gods genade.

3.Openbaring: Paulus ontving de bijzondere roeping om met het evangelie tot de heidenen te gaan (Gal. 2:9; Rom. 1:5). Geheimenis: Het heil van Christus is voor de heidenen.

4.Bij het lezen: Als de brief in de gemeenten wordt voorgelezen. Mijn inzicht: Paulus was zich bewust meer dan vele anderen te beseffen, de wijdte van het heilswerk in Christus, ook voor de heidenen.

5.Ten tijde van vroegere geslachten: In de tijd voor de komst van Christus. Weer de tegenstelling heden verleden. Kinderen der mensen: De mensheid in het algemeen tegenover Israel. Israel wist van het heil voor de heidenen (Gen. 12:3; Jes. 2:1 t/m 5; Jes. 42:4). Nu: Na de komst van Jezus Christus. Heiligen: namelijk de apostelen en profeten, die het evangelie niet alleen aan Israel maarook aan de heidenen boodschappen.

6.Mede-erfgenamen: Samen met Israel worden de heidenen deel van de gemeente voor wie het heil bestemd is. Medeleden: Ook tót het lichaam behorend. Door het evangelie, door de prediking van de heilsboodschap van Christus aan allen.

7.Dienaar: Diakonos: Paulus ziet zijn hele leven in dienst van dit evangelie voor de heidenen, niet door eigen kracht, maar als genadegave Gods. Naar de werking zijner kracht: Voordat Paulus bereid was deze dienst te vervullen, moest heel wat weerstand overwonnen worden (Gal. 1:13-16). In de bekering en roeping van Paulus werkte de opstandingskracht van Christus.

8.Verreweg de geringste van alle heiligen: Zeer sterke uitdrukking die herinnert aan het vervolgen door Paulus van de gemeente (1 Kor. 15:9; 1 Tim. 1:15). De genade-grond van Paulus’ dienst wordt daardoor des te sterker benadrukt. Onnaspeurlijk: Onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk, onuitputtelijk.

9.In het licht testellen: De verkondiging van de rijkdom van Christus is het openbaar maken van het eeuwen lang verborgen geheim van de roeping der heidenen. Tegelijk ontstaat en groeit door de prediking de gemeente, die een teken is van de nieuwe tijd van de eenheid van Joden en heidenen. Schepper van alle dingen: De God die de aarde geschapen heeft is ook de God die de aarde en de mensen verlost.

10. Door middel van de gemeente: De gemeente getuigt door haar eenheid van Joden en heidenen, door haar getuigenis, prediking, belijdenis van de overmacht van Christus boven alle machten die tot de structuur van de werkelijkheid behoren. Veelkleurige wijsheid: Het bestaan en de dienst van de gemeente tegenover de machten is gegrond in het eeuwenoude goddelijke plan.

11. Eeuwig voornemen: Het begin van Gods weg tot heil begint in de eeuwigheid en wordt concreet in de openbaring van Christus Jezus.

12. Vrijmoedigheid: Vreesloosheid tegenover God, die te vrezen zou zijn als alleen gezien werd op de overtredingen en de zonde (Hebr. 4:16). Door het geloof in Hem: Geloof is het antwoord op Christus’ genade, waardoor de vrijmoedigheid en het vertrouwen beleefd wordt.

13. De moed niet opgeven: Door de gevangenschap van Paulus dient de gemeente niet te twijfelen aan de macht van Christus, maar integendeel te zien als een eer: deze gevangenschap is tot hun heil.

De grote liefde van Christus 3:14-21

14. Om die reden: Verwijzing naar 1:15 en 3:1; de voorbede voor de gemeente wordt voortgezet. Buig ik mijn knieën: Gebaar van onderwerping en overgave (Rom. 14:11; Filp. 2:10). Vader: De Vader van Jezus Christus is de Vader van de gemeente. Alle geslacht: Patria: Woordspeling op vader. In de hemelen: De engelen die Gods gezag erkennen. Op aarde: Joden en heidenen mogen in Christus God als Vader aanbidden.

16. Met kracht gesterkt worden: Om staande te blijven in de strijd van het geloof (3:13). In de inwendige mens: In het hart als bron van het persoonlijke leven.

17. Woning maken: Zijn intrek nemen, wonen, de inwoning van Christus is gebonden aan het geloof (Joh. 14: 23; Rom. 8:10; 2 Kor. 13:5). Het is de vrucht van het werk van de Heilige Geest. In de liefde: De liefde van God en van Christus. Deze liefde roept de onontbeerlijke onderlinge liefde op.

18. Vatten: Begrijpen van Gods heil en bedoeling. Met alle heiligen: In gemeenschap van alle gelovigen uit Joden en heidenen. Breedte, lengte, hoogte, diepte van de liefde van Christus, die door de ruimte en de tijd heengaat tot in de voleindiging.

19. De liefde van Christus: Hoezeer gezocht moet worden naar verbreding en verdieping van de kennis van God en Christus door de Geest, deze kennis (gnosis) is ten slotte niet de wortel van het heil, maar de liefde, de verkiezing van Christus. Deze liefde leidt tot alle volheid van God. Deze is het vervuld zijn met de liefde van Christus.

20. De kracht die in ons werkt: De Geest die vernieuwt, is de belofte van een toekomst die alle denken te boven gaat.

21. Heerlijkheid: Doxa: deze heeft en toont God in zijn werk nu. Mensen geven deze heerlijkheid niet aan God, maar erkennen deze en aanbidden ze. In de gemeente: De gemeente is teken en getuige van Gods heerlijkheid op de aarde (3:10) tot in alle geslachten. De verheerlijking Gods gaat tot in alle geslachten en alle tijden, totdat de nieuwe eeuw aanbreekt.

Eenheid en verscheidenheid in de gemeente 4:1-16

1.In de Here: Ter wille van Christus. Vermanen: Aansporen. Waardig: In overeenstemming met. Roeping: De nieuwe mens zijn in Christus.

2.Nederigheid: In het heidendom een verachtelijke houding, in de bijbel hooggeschat, zichzelf en de anderen als object van Gods liefde weten (Filp. 2:3; 1 Petr. 5:5). Zachtmoedig: Mild. Wordt ook van Jezus gezegd (Mat. 11:29; 2 Kor. 10.T). Ieder wordt een plaats in de gemeente gegund. Lankmoedigheid: Geduldige volharding in de omgang met elkaar en in het lijden dat bij de gehoorzaamheid aan Christus behoort. In liefde: De onderlinge liefde is gegrond in de liefde van Christus (1 Kor. 13:4). Elkaar verdragen: De gemeente bestaat niet uit heiligen, maar uit degenen die het willen worden.

3.Eenheid des Geestes: De levenswandel dient deze eenheid uit te drukken als getuigenis en belofte van de Heilige Geest. Band des vredes: De onderlinge vredesband van de gemeente is gegrond in Christus (2:14) en is model voor de vrede voor de wereld.

4.In dit vers en de volgende komt zeven maal het woord één voor. De levenswandel dient uitdrukking te zijn van de door God bedoelde eenheid. Eén lichaam: Van Christus, de eenheid van Joden en heidenen. Eén Geest: Tegenover de vele geesten die in de werkelijkheid werken. Eén hoop: Dezelfde roeping komt tot Joden en heidenen. Daaruit ontspringt een gemeenschappelijke hoop.

5.Eén Here: Tegenover de vele heren onder wie mensen kunnen leven (Deut. 6:4). Eén geloof: Heeft de ene Here tot inhoud. Eén doop: Allen ontvingen dezelfde doop en werden daardoor ingelijfd in het éne lichaam, de gemeente.

6.Eén God: Tegenover de vele goden van de heidense godsdiensten, Vader van allen, van Joden en heidenen. In dit vers komt vier maal het woord allen voor als contrapunt van één: De eenheid is gericht op het geheel.

7.Ieder afzonderlijk: Ieder lid van de gemeente heeft deel aan de genade, maar naar functie zijn de gaven onderscheiden.

8.Daarom heet het: Inleiding citaat Ps. 68:19, gehoord als profetie van de hemelvaart van Christus. Gaven: De buit die Christus in zijn strijd verworven heeft deelt hij vanuit de hemel uit.

9.Nedergedaald: Hij die ten hemel voer is eerst uit de hemel neergedaald. Gedacht wordt aan de menswording van de Zoon van God. Lagere aardse gewesten (SV benedenste delen der aarde): Het door de zonde verdorven aardse leven. Nadruk op de vernedering van Christus.

10. De verhoogde Christus is dezelfde als de vernederde. Doel van vernedering en verhoging is de volheid van de gemeente en daarin van de wereld.

11. Gegeven: De ambten en diensten zijn gaven van God aan kerk en wereld (vgl. 4:8). Apostelen: De twaalf discipelen van Jezus en Paulus.Profeten: Behoorden tot de eerste evangeliepredikers. Zij vormen samen het fundament van de kerk (2:20). Evangelisten: Vertegenwoordigers en opvolgers van de apostelen. Herders en leraars: Mensen die een leidinggevende plaats hadden in de plaatselijke gemeenten.

12. Toe te rusten: Doel van het werk van de ambtsdragers is de gemeenteleden zelf verantwoordelijk maken. Dienstbetoon: De dienst waartoe elk lid van de gemeente geroepen is. Opbouw: Beeld van huis- of tempelbouw (2: 20). Deze dienst houdt nooit op, ieder lid van de gemeente is daarbij betrokken.

13. Eenheid des geloofs: Het ambtelijk werk staat in dienst van de eenheid. Der volle kennis: Ook in de rechte kennis openbaart zich de eenheid van de gemeente. Wasdom: Groei, beeld van de gemeente als groeiende boom naast het beeld van de opbouw van een huis (Hebr. 5:14; Kol. 1:28). Mannelijke rijpheid: (Een volkomen man SV): Volwassenheid in geloven en dienen.

14. Onmondigen: Kinderen, vatbaar voor allerlei verkeerde invloeden. Heen en weer geslingerd: Als een schip op woelige golven. Wind van leer: Verkondigde opvattingen in strijd met de ware kennis van Christus die de eenheid van de gemeente verbreken. Vals spel: Dobbelspel, beeld van de beroepsspelers die uit zijn op bedrog en verleiding. Daartegen is standvastigheid nodig. Dwaling: Zowel op leerstelling als ethisch terrein.

15. Aan de waarheid houdende: Een wijze van leven op grond van het evangelie. Naar Hem toe: De groei is gericht op Christus, het Hoofd van de gemeente.

16. Aan Hem: Christus is de blijvende oorsprong van het groeien en leven van de gemeente, zijn lichaam. Welsluitend geheel: Iedere gelovige heeft zijn plaats in de opbouw en groei van de kerk (Kol. 2:19.) Geledingen: Banden, spieren, wat de pezen en spieren zijn voor het menselijk lichaam, zijn de ambten en gaven van ieder lid voor de eenheid van de gemeente. Zichzelf opbouwen van de gemeente: Het geloof en de liefde van de enkele leden van de gemeente staan in dienst van het geheel.

De nieuwe levenswandel 4:17-32

den Here: Paulus weet zich in zijn klemmende oproep te staan in het gezag en de gemeenschap van Christus. Wandelen: Wijze van leven. IJdelheid: Zonder inhoud, zonder zin.

18. Verduisterd in hun verstand: Onmachtig goed en kwaad te onderkennen. Tegenstelling van de verlichte ogen van het verstand door de kennis Gods (1:18). Vervreemd van het leven Gods: Verliezen van God is het verliezen van het werkelijke leven. Onwetendheid: Geen lot maar zonde (Rom. 1:21.) Verharding van het hart: Vrucht van een lange weg van ongehoorzaamheid. Het hart is voor God en zijn woord gevoelloos geworden.

19. Verdoving (SV ongevoelig): Afstomping. Overgegeven: De heidenen hebben zichzelf aan het boze uitgeleverd (vgl. Rom. 1:24, waar God de heidenen uitlevert). Losbandigheid: vaak sexueel toegespitst, hier ook in bredere zin bedoeld. Winst slaan: De zonde wakkert de begeerte aan, die bevredigd moet worden tot elke prijs.

20. Geheel anders: Scherpe tegenstelling van het christelijk leven tegenover het heidense. Christus leren kennen: Door de prediking van het evangelie en de bekering tot Hem.

21. Onderwezen: Na het horen van het evangelie hebben zij het catechetisch onderricht dat leidt tot de doop, ontvangen. De waarheid in Jezus: De aardse Jezus en de hemelse Christus is één en dezelfde Redder. Zijn waarheid leidt tot het nieuwe leven.

22. De oude mens afleggen: Beeld van een kleed dat men uitdoet. Gedacht wordt aan de doop, waarin men het oude leven heeft verlaten (4:25). Wat in de doop mogelijk is gemaakt moet in de daad worden omgezet. Die ten verderve gaat: Die bezig is te gronde te gaan. Misleidende begeerten: Staan tegenover de beloften van de waarheid in Christus.

23. Verjongd: Vernieuwd; de bekering is nieuw geboren worden (1 Petr. 2:2). De geest van uw denken: De vernieuwing uit zich in een andere manier van denken, verlangen, handelen (Rom. 12:2).

24. De nieuwe mens aandoen: Christus als Verlosser aannemen en zijn wil doen (Gal. 3:27; Rom. 13:14). Naar de wil van God: Av. naar het beeld van God: Gedacht wordt aan de mens voor de zondeval (Gen. 1:26), zie 2: 15, duidt op de eenheid van de gemeente. Geschapen: De radicale vernieuwing is een scheppende daad van God. Waarachtig: Letterlijk: van de waarheid. Gerechtigheid en heiligheid vloeien voort uit de waarheid; tegenstelling met vs 22.

25. Daarom: Praktische gevolgtrekking uit het voorafgaande. Leugen: Schaadt de eenheid van de gemeente. Dit betreft zowel de leugen in het onderlinge verkeer als de leugen in de verkondiging. Waarheid: Waar de waarheid heerst, kan alleen de waarheid gesproken worden (Zach. 8:16). Naaste: Allereerst de medegelovige.

26. Toorn: Toorn jegens een medebroeder kan op zichzelf terecht zijn, wordt echter tot zonde als ze verzwegen wordt en niet voordat de avond daalt wordt uitgepraat (Ps. 4:4; Jes. 1:19-20).

27. De duivel plaats: Waar getoornd wordt zonder het uit te spreken, krijgt de duivel in de wederzijdse wrok zijn kans.

28. Goed werk: Eerlijke arbeid weerhoudt van diefstal en stelt in staat diakonia te verrichten (1 Tess. 4:11; 1 Kor. 4:12).

29. Liederlijk woord: Woorden hebben macht. Vuile woorden roepen vuile gedachten en vuile daden op. Goede woorden zijn tot opbouw. Zij dragen genade.

30. Bedroeven: Krenken, vertoornen, beledigen. Nauw verband met het vorige vers: Wie lichtvaardig spreekt, vergrijpt zich aan de Heilige Geest in de gemeente. Verzegeld: Geschied in de doop als een merken voor de toekomst. Deze verzegeling mag men in zijn woorden niet ontrouw worden.

31. Bitterheid: Hardheid tegenover elkaar. Gramschap: Plotselinge woedeuitbarstingen. Toorn: Hetzelfde als in vs 26. Getier. Het onbeheerst schreeuwen in woede. Gevloek: Smadelijk spreken tegen God en mensen. Kwaadaardigheid: De gezindheid die de wortel is van het voorafgaande.

32. Vriendelijk: In tegenstelling tot bitter. Barmhartig: In tegenstelling tot de vele vormen van toorn.Vergeltend: In tegenstelling tot de blijvende wrok. De vergeving jegens elkaar is gegrond in de vergeving die in Christus geschonken is.

Vermaningen 5:1-21

1.Dan: Av. daarom: De in het voorafgaande vers besproken genade en vergeving van God. Navolgers Gods: In liefde die uit daden blijkt (Mat. 5:45, 48; Luc. 6:35; Luc. 5:36).Ab geliefde kinderen: De oproep tot liefde is gegrond in het geliefd-zijn door God. De kinderen dienen te lijken op de vader (4:24).

2.Christus: In de liefdedaad van Christus is de liefde van God gebleken. Overgegeven: Waarschijnlijk een citaat uit een oude belijdenisformule (5:25; Gal. 2:20). De overgave in de dood is de hoogste liefdedaad van Christus. Elders wordt gesproken van God die Christus overgaf (Rom. 4:25, 8:32; Mar. 9:31, 10:33, 14:41). Offergave: Slachtoffer, bloedig offer (Ps. 40:6; Dan. 3:38; Hebr. 10:5). Welriekende reuk: Mensvormige uitdrukking voor het aannemen van het offer (Gen. 8:21; Ex. 29:18; Filp. 4:18).

3.Maar. In contrast met het wandelen in de liefde wordt nu een aantal zonden genoemd waarin de zelfzucht tot uiting komt. Hoererij: Ontucht, vaak met de afgodendienst verbonden. Onreinheid: Zelfzuchtige uitleving van sexuele begeerten. Lichaam en ziel zijn in de heiliging één. Hebzucht: Gezien als bedreiging van de christelijke levenswandel (1 Tim. 6:10; Luc. 12:15; 2 Tim. 3:2).

4.Onwelvoeglijkheid: Sexueel geladen taal. Zotte taal: De taal van een dwaas die zegt: Er is geen God (Ps. 14:1). Losse taal: Zouteloze scherts ten koste van de naaste. Dankzegging: Goed spreken van Gods genade als kenmerk van het taalgebruik van de Christenen.

5.Afgodendienaar. De genoemde afwijkingen zijn zo ernstig dat ze als dienst aan de afgoden buiten het Koninkrijk Gods sluiten.

6.Drogredenen: Lege ijdele woorden, die de Christenen weer terug willen brengen naar hun vroegere levenswandel door de zonde daarvan te bagatelliseren. Kinderen der ongehoorzaamheid: Christenen die meedoen aan heidense gebruiken en daardoor de toorn Gods oproepen.

7.Waarschuwing voor terugval in het vroegere leven.

8.Dubternb: In de sfeer van onkunde en godsvervreemding. Licht: In de sfeer van het heil en de verlossing van Christus.

9.Vrucht des lichts: Levenswandel voortkomend uit de geschonken genade. Goedheid: Goed zijn en goed doen tegenover de naaste, ook flinkheid, gerechtigheid, rechtschapenheid, zoeken van de wil van God. Waarheid: Oprechtheid, trouw. Contrast met de zonden in 5:3.

10. Toets: De norm is de wil van God die door mensen moet worden toegepast in de praktijk.

11. Ontmaskeren: Weerleggen, weren, er voor zorgen dat ze in de gemeente geen voet krijgen.

12. Schandelijk: Christenen worden verleid aan erge dingen mee te doen en van het geloof een soort christelijke mysteriegodsdienst te maken met geheime riten.

13. Door het licht: Door de openbaring van de genade in Christus en het leven dat daaraan beantwoordt. Aan de dag: In strijd met het wezen van de christelijke gemeente.

14. Daarom: Op grond van deze dreiging. Heet het: Citaat, waarschijnlijk van een christelijke hymne. Gij die slaapt: Gericht tot christenen die meegesleept dreigden te worden, het punt van de christelijke levenswandel niet belangrijk achtten. Uit de doden: De bedoelde slaap is gelijk aan de dood. Chrbtus zal over u lichten: Beeld van de zon die opkomt: Christus verdrijft de dwaling, de onverschilligheid.

15. Nauwlettend toezien: Het tegenovergestelde van slapen.Ab wijzen: Zoekend de wil des Heren te kennen en daarnaar te handelen (1:17).

16. U de gelegenheid ten nutte makende (SV de tijd uitkopende): De gegeven tijd benutten om in Gods wegen te wandelen. De dagen zijn kwaad: De dreiging om te gaan slapen is voortdurend om hen heen (zie vs 14).

17. Onverstandig: Het gegeven inzicht niet gebruiken. Verstaan, kennen en doen van de wil des Heren maakt de mens tot wijze.

18. Bedrinken: In mysteriegodsdiensten een wijze om tot extase te komen. Bandeloosheid: Liederlijkheid als gevolg van op deze wijze de verrukking zoeken. Met de Geest: De ware gemeenschap met Christus en met elkaar schenkt de Heilige Geest zonder hulpmiddelen.

19. Spreekt onder elkaar: Zingen, in de liturgische samenkomst. Psalmen: Liederen uit het Oude Testament. Lofzangen: Hymnen, christelijke liederen. Geestelijke_ liederen: Door de Geest geïnspireerde spontane liederen. Deze drie liedvormen mogen niet scherp onderscheiden worden. Jubelen: De lofprijzing op Gods genade is het hart van het samenkomen van de gemeente.

20. Dankt te allen tijde: De dankbaarheid voor Gods genade is de bron van het christelijk leven (Kol. 3:17). Weest elkander onderdanig: Zich schikkend, elkaar toegewijd, dit wordt het eerst concreet in de samenkomst van de gemeente. In de vreze van Chrbtus: Hij bepaalt het leven, die zelf diende (Filp. 2:7).

Het huwelijksleven 5:22-33

22. Onderdanig: In de zin van vers 21, als aan de Here, zoals de gemeente aan Christus onderdanig is (zie vs 24).

23. Hoofd van zijn vrouw: Dit beeld wordt geheel gevuld vanuit de verhouding tussen Christus en zijn gemeente. Het Hoofd-zijn van Christus is gericht op het welzijn van de gemeente. Zijn lichaam in stand houdt: Letterlijk: redder (sotèr) van het lichaam. De gemeente dankt haar bestaan aan het verlossingswerk van Christus. Het hoofd-zijn van Christus is gericht op het behoud van de gemeente.

24. Welnu: Conclusie uit het voorafgaande. De huwelijksverhouding is analoog aan de verhouding van Christus tot de gemeente. De grond voor de onderdanigheid van de vrouw rust niet in natuurlijke gegevenheden.

25. Hebt uw vrouw lief: Zelfde analogie als hiervoor, nu gericht op de mannen. De liefde van Christus voor de gemeente is het voorbeeld voor de houding van mannen tegenover hun vrouwen. Overgegeven: De zelfverloochening van Christus als beeld van zijn liefde. De analogie is nu Christus als bruidegom en de gemeente als bruid.

26. Heiligen: Apart zetten, uitverkiezen tot heil. Reinigen: Andere zijde van de heiliging, verlossing van de zonde. Waterbad: De doop, analogie met de rituele wassingen bij een huwelijkssluiting. Met het woord: De bij de doop uitgesproken doopformule (Hand. 2:38; 1 Kor. 6:11; Mar. 16:16).

27. Gemeente: Beeld van de smetteloze bruid voor het aangezicht van de bruidegom (Ez. 16:9v; Ef. 1:4).

28. Zo: Als analogie. Wat Christus voor de gemeente is, kan een man niet voor zijn vrouw zijn. Vergelijkingspunt is de zelfverloochende liefde. Verplicht: Liefde is daad, niet in de eerste plaats gevoel. Als hun eigen lichaam: Zinspeling op het één vlees zijn (Gen. 2:24, zie vs 31).

29. Haat zijn eigen vlees: Verzet tegen de lichaamsverachting. Voeden en koesteren: Zorgen, analoog aan de zorg van Christus aan de gemeente door Woord en sacrament.

31. Vader en moeder verlaten: Zie Gen. 2:24, (Mat. 10:9; 1 Kor. 6:16). Dit citaat is betrokken op het wezen van het huwelijk en op de verhouding van Christus en zijn gemeente. Het duidt aan de overgave van Christus in zijn komen tot de wereld (Filp. 2:5v).

32. Geheimenis: De door de liefde gegronde gemeenschap van Christus en zijn gemeente, in analogie tot de liefdesgemeenschap van man en vrouw.

33. Ontzag: Vrees, hetzelfde woord als in vs 21 voor de houding tegenover Christus wordt gebruikt.

Gehoorzaamheid 6:1-9

1.Kinderen: Ook deze woonden de samenkomst der gemeente bij. Gehoorzaam in de Here: De houding tegenover de ouders is uitdrukking van geloof en gehoorzaamheid jegens Christus. Recht: In overeenstemming met Gods gebod.

2.Eerste gebod: Van de tweede tafel van de wet der Tien Geboden (Ex. 2:12; Deut. 5:16).

3.Op aarde: In plaats van Kanaän in Ex. 20:12.

4.Verbitterd: Toornig maken, zodat er verwijdering ontstaat. Tucht: Daadwerkelijke leiding. Terechtwijzing: Door middel van het woord. In de Here: Gericht op het leven met Christus.

5.Naar het vlees: Hun werkelijke Heer is Christus. Als aan Christus: De arbeid gebruiken als gelegenheid om Christus te dienen. Dit betekent niet dat de heren de plaats van Christus innemen. Ogendienst: De rechte houding is vrije keuze, zonder huichelarij en kruiperigheid. Slaaf van Christus: Eretitel. Paulus noemt zichzelf ook zo (Filp. 1:1; Rom. 1:1; Gal. 1:10).

7.Bereidwillig: Met ijver, lust en liefde voor de zaak van Christus.

8.Hetzij slaaf, hetzij vrije: Maatschappelijke onderscheidingen worden binnen de kerk gerelativeerd (1 Kor. 12:13).

9.Handelt evenzo: In dezelfde bereidwilligheid en eenvoud van het hart. Aanzien des persoons: Onpartijdigheid. Slaat op het gericht Gods (Rom. 2:11; Kol. 3:25; Jak. 6:9).

De geestelijke wapenrusting 6:10-20

10. Krachtig in de Here: Hoofdgedachte voor het volgende.

11. Wapenrusting: Volledige uitrusting van zwaarbewa-penden. Gods: God geeft de wapenen en de kracht om te strijden. Standhouden: De strijd is defensief. Verleidingen des duivels: ‘Kunstgrepen, listige trucs.

12. Vlees en bloed: Mensen in hun zwakheid en sterfelijkheid. Overheden: Machtige geesten (1:21, 3:10; Kol. 2:10, 15). Wereldbeheersers dezer duisternis: De boze machten houden de wereld in zonde en dood. Hemelse gewesten: Hier: De boze geesten zijn bovenaardse wezens (4:8; Ps. 82:2; Mat. 4:9).

13. Weerstand bieden: Door de verlossing van Christus is de duisternis te bestrijden. Zij is geen onontkoombaar lot. Boze dag: Waarop de machten pogen de wereld en de gemeente in hun greep te houden. Taak: De wapenrusting aandoen.

14. Omgord: De gordel gaf bescherming en bewegingsvrijheid. Waarheid: Dat in Christus het licht de duisternis heeft overwonnen. Pantser: Borstharnas. Gerechtigheid: De in Christus geschonken gerechtigheid tegenover « de boosheid (Jes. 59:17; 1 Tess. 5:8).

15. Bereidvaardigheid: Bereidheid om het evangelie te verkondigen. Vrede: Inhoud van het evangelie en doel van de strijd des geloofs (Jes. 52:7; Nah. 1:15; Rom. 10: 15; Ef. 2:14).

16. Schild: Langwerpig zodat het hele lichaam bedekt wordt. Geloof: Genadegave van God.

17. Helm: Het hoofd omsluitend en dus beschermend. Heil: In Christus volbracht, zekerheid van de overwinning (Jes. 59:17; 1 Tess. 5:8). Zwaard: Verdedigings- en aanvalswapen. Woord van God: Het evangelie dat de macht van het kwaad ontkracht door de Geest (Jes. 11:4, 49:2; Hos. 6:5; Hebr. 4:12).

18. Bidt: De voorbede is een onmisbaar deel van alle bidden.

19. Voor mij: Paulus wist zich in zijn evangelieverkondiging afhankelijk van het gebed om de Geest.

20. Vrijmoedig: Onverschrokken, onverhuld.

Mededeling – groet 6:21-24

21. Tychicus: Medewerker van Paulus op vele zendingsreizen (Hand. 20:4; Kol. 4:7; Tit. 3:12; 2 Tim. 4:12).

22. Vertroosten: Door de verkondiging van het evangelie.

23. Liefde: Onderlinge liefde.

24. Onvergankelijk: In onverderfelijkheid. De door Christus geschonken liefde is onaantastbaar voor de machten van het kwaad.

Wellicht ook interessant

None

Kierkegaards taak

Søren Kierkegaard (1813-1855) beschouwde het als zijn voornaamste taak om mensen opmerkzaam te maken. Dat klinkt vrij bescheiden. Hij zegt niet dat hij mensen wijzer wil maken of veranderen, hij wil niets uitleggen, geen beweging starten, geen revolutie in de theologie of in de maatschappij in gang zetten – hij wil alleen maar opmerkzaam maken. Maar Kierkegaard zelf ziet dat opmerkzaam maken helemaal niet als een bescheiden opgave, integendeel. Als hij in 1855 op 42-jarige leeftijd op straat in Kopenhagen in elkaar zakt, en een paar weken later overlijdt, is hij ‘op’. Wat ook precies de lichamelijke oorzaak van zijn overlijden is geweest, hij had alles gegeven om zijn lezer, de ‘ene lezer’5 waar het hem altijd om ging, opmerkzaam te maken.

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Premium

Het stromen van de Geest

In de orthodoxe traditie is er een bijzondere verbinding tussen de Pinksterdag en het Loofhuttenfeest. De evangelielezing voor het Pinksterfeest is uit Johannes 7, de enige nieuwtestamentische verhalende passage die zich expliciet tijdens het Loofhuttenfeest afspeelt. We horen de woorden die Jezus sprak op de ‘laatste en grote dag’ van het feest, dus op hosianna rabba. Maar nu zijn ze uit de context van het grote najaarsfeest getransponeerd naar het begin van de zomer, voor het feest van de grote vervulling.

Nieuwe boeken