Filemon
INLEIDING
De kortste van Paulus’ brieven werd geschreven ten gunste van een weggelopen slaaf van Filémon, een zekere Onésimus. De apostel verzoekt op een vriendelijke en bewogen manier deze slaaf, die door de prediking tot bekering kwam, weer in liefde te ontvangen. Aan het slot wordt de hoop uitgesproken ook persoonlijk Filémon spoedig te mogen ontmoeten (vs 22).
De brief werd in gevangenschap geschreven en dateert uit dezelfde tijd als de brieven aan de Efezieërs, de Filippenzen en de Kolossenzen, dwz. 61 of 62 n. Chr. Hoewel dit schrijven dus tot de zgn. gevangenschapsbrieven moet worden gerekend en niet tot de pastorale geschriften werd hij om zijn persoonlijke karakter en geringe omvang aan het slot van de brieven van Paulus opgenomen.
Inhoud van de brief
Schrijver, lezers, groet 1-3
Dankzegging 4-7
Paulus’ pleidooi voor Onesimus 8-20
Slot en groeten 21-25
VERKLARING
Schrijver, lezers, groet 1-3
Paulus introduceert zichzelf niet als een apostel, zoals in andere brieven, maar als een gevangene van Christus Jezus. Dit hangt samen met de bedoelingen van dit schrijven. Misschien was Filémon een zoon van Archippus (= paardendresseerder) en Apfia. Uit Kol. 4:17 kan de conclusie worden getrokken, dat Archippus in de kerk te Laodicéa werkte. De woorden van begroeting bevatten tegelijkertijd een bede dat zij, die aangesproken worden, zich in de zegen van God voortdurend mogen verheugen.
Dankzegging 4-7
De dankzegging is niet een opwelling die tijdens het schrijven van dit epistel opkwam, maar een vast onderdeel in de dagelijkse gebeden van de apostel. Ook de gemeenten worden daartoe opgeroepen. (Filp. 4:6; Kol. 4: 2; 1 Tess. 5:17, 18). Liefde en trouw (geloof) zijn onderling zeer nauw met elkaar verbonden. De liefde heeft zijn wortels in de verbondenheid met Christus. De resultaten worden zichtbaar in de verhouding tot de Here Jezus en zijn volk. Het geloof van Filémon in de Here is niet een louter persoonlijke ervaring, maar is een genade die in de gemeente met anderen wordt genoten. Dit zal weer leiden tot een groeiende kennis. Daarom bidt de apostel Filémon toe dat deze toename in kennis hem zal brengen tot een sterker vertrouwen op Christus en nog meer gehoorzaamheid jegens Hem. Paulus verblijdt zich erover dat andere gelovigen, naar hem bekend is, door het dienstbetoon van Filémon gezegend worden. Het heeft hem getroost en bemoedigd in zijn gevangenschap.
Paulus’pleidooi voor Onesimus 8-20
Op grond van de goede onderlinge verstandhouding komt Paulus nu met zijn verzoek voor de dag. Hoewel hij het zou kunnen doen, beroept hij zich daarbij niet op zijn apostolisch gezag (vgl. vs 1; 1 Kor. 9:1-18). De beslissing, of in de handschriften gelezen moet worden een oud man dan wel: een gezant, is moeilijk. De griekse woorden verschillen slechts één letter, terwijl er ook gevallen bekend zijn, waarin deze beide woorden op precies dezelfde manier werden geschreven. Gezanten zijn nogal eens mannen die een lange staat van dienst hebben en daarom tot de categorie van ouderen gerekend moeten worden. Op een enkele uitzondering na hebben de nederlandse vertalers gekozen voor: een oud man, wellicht om daarmee te beklemtonen wat in de vorige vss vanuit een andere gezichtshoek reeds werd opgemerkt. In de vertaling: gezant zou het gezag van de apostel opnieuw nadruk hebben gekregen. Dit zou aan het nederig en ootmoedig karakter van het komende verzoek afbreuk hebben gedaan. Op een zeer sympathieke wijze schrijft Paulus (10, 11) over Onésimus (= nuttig). De naam kan worden gebruikt voor een woordspeling. Was deze slaaf vroeger onnut, nu is hij erg nuttig dankzij het feit, dat hij tot het geloof is gekomen. Onésimus zal voortaan niet met tegenzin zijn heer dienen, maar met trouw en toewijding (vgl. Kol. 3:22, 23). Dit geldt ook voor de periode, waarin Onésimus Paulus verzorgde. De apostel heeft dit met ontroering en dankbaarheid geconstateerd. Onésimus was voor hem een zoon; hij zal voor Filémon een broeder in Christus zijn. En ik zend hem (12-14): Paulus had Onésimus wel bij zich willen houden. Deze beslissing heeft hij echter niet op eigen houtje willen nemen. De goede relatie tussen Filémon en hem zou daardoor schade kunnen leiden (vgl. 1 Kor. 9:7). Filémon had zich er misschien noodgedwongen bij neergelegd. Want hij is misschien (15). De argumentatie komt nu op een ander vlak. Is het niet een goddelijk wonder dat hier plaatsvond? (vgl. Ester 4:6). Paulus ziet een tegenstelling tussen de hoogst ongelukkige vlucht van Onésimus en de nieuwe situatie die een blijvende hereniging als broeder in de Here garandeert. Indien hij (17, 18): Paulus verzoekt Filémon zijn weggelopen slaaf vanuitdeze gezichtshoek weer in huis op te nemen. Daarbij wordt het verleden niet vergeten. Het lijkt erop dat de vluchteling zich ook aan diefstal had schuldig gemaakt. Wat ontvreemd werd zal worden vergoed. Paulus is daar zelf borg voor. Ik, Paulus (19,20): Indirect wordt te kennen gegeven dat de schuld van Onésimus meer dan weggevallen is tegenover de geestelijke ommekeer die zich door Gods genade in deze mens heeft voltrokken. Als Paulus er bij Filémon op aandringt Onésimus als een broeder in Christus te aanvaarden, is daarmee de slavernij in beginsel opgeheven, al mag het verschijnsel als zodanig zich nog heel lang weten te handhaven, ook in mensonterende en gruwelijke vormen.
Slot en groeten 21-25
Het gedane verzoek wordt op tweeërlei wijze onderstreept. De apostel gaat ervan uit, dat het door Filémon met instemming zal worden ontvangen. Voorts deelt hij mee binnen afzienbare tijd Filémon te kunnen begroeten en bij hem gastvrijheid te genieten (vgl. Rom. 12:13; 1 Tim. 3:2; Tit. 1:8; Heb. 13:2; 1 Petr. 4:9). Misschien ligt in de woorden: meer dan ik zeg een stille wenk om Onésimus nog vóór zijn komst vrij te laten. Evenals in andere brieven volgen dan de namen van enige medearbeiders: Epafras (afkorting van: Epafroditus = aan Afrodite onderdanig, Marcus (= hamer), Aristarchus (= voortreffelijke heerser), Demas (= man uit het volk), Lucas (= misschien een afkorting van Luci(an)us). De groet aan het slot bevat evenals die aan het begin (vs 3) een bede. Deze is voor de hele gemeente bestemd: met ulie-der geest.