Korte Metten: Wondertjes
Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.
De onverwachte gesprekken zijn voor mij altijd het meest leerzaam, zoals de gesprekken die ik voerde met asielzoekers en daklozen. Interessant, maar niet altijd even opwekkend. Want uit deze gesprekken begreep ik hoe onze harde samenleving niet bepaald gericht is op naastenliefde en op begrip voor een ander. Zeker als het gaat om buitenstaanders, zonder aanzien, zonder connecties, die worden algauw van het kastje naar de muur gestuurd. De maatschappij lijkt voor velen op een labyrint van onverbiddelijke muren, bestierd door hen die regels boven mensen stellen.
Het geloof zegt dat we zo niet met elkaar moeten omgaan. Als God zijn zon gelijkelijk laat schijnen over alle mensen, zoals in Matteüs 5 staat, dan zouden wij ook ons kleine lichtje niet moeten reserveren voor hen die we als onze vrienden en familie beschouwen, maar juist openstaan voor al Zijn kinderen. En dat kan, zo moeilijk is dat niet. Een mens kan altijd luisteren vanuit vertrouwen, kan altijd van mens tot mens met een ander spreken. Goed, dat vertrouwen is niet altijd gerechtvaardigd, dat staat ook in Matteüs 5. Maar als je mensen bij voorbaat wegzet, niet eerst wat ruimte geeft, wordt het nooit wat. Terwijl, als je een ander open tegemoet treedt, dan bloeit er heel geregeld wat op. Soms gebeurt er dan zelfs een klein wonder.
Eén van die wondertjes vond plaats in een daklozenopvang waar ik werkte. Een norse man liep binnen. Het verbaasde me wel dat hij zijn zonnebril ophield in de vrij donkere kerk. Hij was kortaf, op het onbeleefde af, nam zwijgend brood en soep in ontvangst en at die op in een hoekje van de kerk. Het irriteerde me, maar ik sprak mezelf toe dat we hier voor deze mensen zijn, en niet andersom. Ik had geen tijd om er veel langer over na te denken, want er werd op luide toon geruzied tussen twee bezoekers. Medewerkers probeerden de boel te sussen, het viel niet mee. Tijdens dit gekrakeel begon ook nog de organist te spelen, die blijkbaar was komen oefenen, het pandemonium was compleet.
De muziek die de organist speelde was geen reguliere kerkmuziek, eerder deed het denken aan psychedelische muziek uit de jaren zestig. De klanken begonnen laag en donker, dreigend. Langzamerhand kwam de melodie tot bloei en ontwikkelde zich en eindigde in stralende, lichte klanken. Iedereen zweeg. Het was alsof de zon opging in de kerk. Na afloop applaudisseerden we geestdriftig. Vanachter het orgel verscheen de man die zojuist nog nors zijn soep had zitten eten, zijn zonnebril stond nog altijd op zijn neus.
God laat Zijn zon opgaan over alle mensen, Hij laat het graan met het onkruid opschieten. Op zo’n moment begrijp ik al te goed waarom. Wij mensen weten niet eens of een ander woekert als onkruid of opschiet als voedzaam graan. Niemand die kan voorspellen of de tengere halm niet vrucht zal dragen, uit zal groeien tot gele maïs of rode wintertarwe. Wie de ander bij voorbaat veroordelend en kritisch tegemoet treedt, loopt al dit ontluiken mis. Maar wie een ander de ruimte geeft, vanuit het geloof, in vertrouwen, wordt geregeld met dit soort wondertjes beloond.
Bernd Hirschfeldt is filosoof en theoloog. Hij is predikant van de Nederlandse Protestantse Kerk van Luxemburg en werkt als ziekenhuispastor bij het AZ Sint-Lucas in Brugge.