Lewis en Tolkien: een wonderlijke vriendschap
Over The Mythmakers van John Hendrix
Tussen C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien bestond een bijzondere geestverwantschap. Ze trokken intensief met elkaar op, scherpten elkaars ideeƫn aan en wisten elkaar intellectueel en creatief te voeden. John Hendrix maakte van deze vip-vriendschap een graphic novel: The Mythmakers, onlangs in het Nederlands verschenen in de vertaling van Daan Savert. Historicus Wouter Hofland las het boek.
Een wonderlijke vriendschap
The Mythmakers is het verhaal over de vriendschap tussen C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien. Deze markante figuren, allebei opgegroeid in het Verenigd Koninkrijk rond 1900, zijn twee van de meest succesvolle schrijvers die de moderne tijd gekend heeft. Met name Tolkiens boeken The Lord of the Rings en The Hobbit en Lewisā The Chronicles of Narnia hebben de wereld (en filmindustrie) veroverd. Daarnaast waren beide heren ook invloedrijk vanuit hun academische carriĆØres in de Engelse taalkunde, en is Lewis met zijn theologische boeken misschien wel de belangrijkste apologeet van de 20e eeuw geworden. Toen de heren na hun studie allebei aan de universiteit van Oxford gingen werken, raakten ze snel bevriend. Ze richtten uiteindelijk een literaire vriendenkring op, de Inklings, wat een broeinest bleek voor de werken die deze heren en hun literaire vrienden schreven. Maar dat ze het zo goed konden vinden, en dat Lewis zoān belangrijke apologeet is geworden, was zeker niet vanzelfsprekend. Lewis was tot ongeveer zijn dertigste levensjaar een overtuigd atheĆÆst. Deze ommekeer in het denken van Lewis, de invloed van Tolkien daarop, en hun diepgaande vriendschap staan centraal in John Hendrixā graphic novel The Mythmakers.

Germaanse goden en northerness
Voordat Hendrix over de vriendschap zelf begint, schetst hij de ontwikkeling die Lewis en Tolkien in hun jonge jaren doormaakten. Hierin valt met name op dat ze al heel jong een fascinatie kregen voor de oude mythes van het koude noorden. Vooral de manier waarop Lewis hiervan in de ban raakte is bijzonder, en mooi weergegeven door Hendrix. Lewis wierp ooit als kind een toevallige blik op een illustratie over Richard Wagners opera Die Ring des Nibelungen. Zonder dat hij bekend was met Wagner of met de Noorse of Germaanse mythologie, ervoer hij dat āpure noordsheidā, in het Engels northerness, hem overspoelde. Dat gaf hem een fascinatie voor de Noorse goden en een āsteek van vreugdeā, die hem als een intens verlangen naar Ć©chte schoonheid doorkliefde.

Zo beleefde Lewis in zijn jeugd meer van dit soort (al dan niet aan mythologie gerelateerde) steken van vreugde. En deze steken zijn cruciaal voor zijn bekeringsverhaal en voor zijn latere schrijverswerk. Hendrix beschrijft een aantal van deze momenten, maar hij is wat mij betreft een heel belangrijke vergeten te noemen. In zijn religieuze autobiografie Surprised by Joy beschrijft Lewis hoe hij intens werd geraakt bij het lezen van een zin uit een Noorse saga over de stervende god Balder: āI heard a voice that cried, Balder the beatiful is dead, is deadā. Aangezien deze intense ervaring met Balder later in het verhaal, bij de gesprekken met Tolkien die ik hieronder zal bespreken, nog van belang zal zijn, had Hendrix dit zeker mogen noemen.
De mythe een leugen?
Om Lewis en Tolkien goed te begrijpen moet je het nodige weten over mythes, en Hendrix besteedt hier dan ook veel aandacht aan. Hij vertelt dat op het meest oppervlakkige niveau mythes gewoon verhalen zijn, en hij laat goed zien hoe bepaalde invloedrijke wetenschappers uit Tolkien en Lewisā tijd een dergelijke oppervlakkige kijk op mythologie hadden. Mensen als James Frazer, Max Müller en Andrew Lang zagen mythes als onderontwikkeld en inferieur aan wetenschap. Tolkien en Lewis verzetten zich sterk tegen deze reducerende visies. Of eigenlijk: vooral Tolkien.
Voor een lange periode was ook Lewis overtuigd dat mythes ondergeschikt waren aan wetenschap. En dat had te maken met zijn atheĆÆstische wereldbeeld. Zonder dat dit een heel bewust proces was geweest, raakte hij er tijdens zijn adolescentie van overtuigd dat er geen god is, en dat alles slechts materie is.
Alles was slechts materie.
Achteraf ziet hij zichzelf in deze periode als een pessimist, niet gelovend in intrinsieke waarde achter het bestaan. De gruwelijke ervaringen aan het front van de Eerste Wereldoorlog droegen hier ook sterk aan bij. Hendrix omschrijft hoe deze oorlogservaring van Lewis een verbitterde atheĆÆst maakte, terwijl Tolkien het katholieke geloof van zijn jeugd behield en nog meer in zijn zelfgemaakte fantasiewereld Midden-Aarde trok. Maar zijn atheĆÆstische pessimisme leverde Lewis ook een geestesstrijd op: een strijd tussen enerzijds een wereldvisie waarin alles slechts materie is en moraal slechts een construct, en anderzijds de āsteken van vreugdeā die hem in zijn jeugd juist boven de materie uit hadden getild. Hij vond de mythes echter goedkoop en bedrieglijk, en was bang dat zijn meest diepe verlangen naar vreugde berustte op een leugen.
De meeste neerslachtige en onwillige bekeerling van heel Engeland
Het zijn deze overtuigingen die Lewis had toen hij de christelijke Tolkien ontmoette. Tolkien was overigens niet de enige christelijke vriend in zijn kring van Oxford-geleerden. Tijdens zijn studie ontmoette hij al Owen Barfield, een filosoof waarmee hij debatten voerde over de waarde van verbeelding. En hoewel Barfield een heel andere, meer spirituele vorm van het christendom aanhing dan de toegewijd katholieke Tolkien, hanteerden zij vergelijkbare argumenten: verbeelding en mythologie zijn niet slechts fantasie, het zijn poorten naar daadwerkelijk begrip van het universum.
Verbeelding en mythologie zijn niet slechts fantasie.

BeĆÆnvloed door deze studievrienden en onder de grote aantrekkingskracht van de āsteken van vreugdeā uit zijn eigen jeugd, kwam Lewis uiteindelijk tot de conclusie dat er wel een diepere waarheid moet zitten achter de materie. Op dit punt noemde hij zichzelf theĆÆst, zich aansluitend bij het Idealisme van Hegeliaanse filosofen. Beetje bij beetje begon Lewis overtuigd te raken van de waarheid van God. Op een zeker moment voelt Lewis dat hij geen andere optie heeft dan op de knieĆ«n te gaan voor deze God. Hij verklaart zichzelf tot de meest neerslachtige en onwillige bekeerling van heel Engeland.

Addisonās Walk
Hoewel Lewis nu in God geloofde, betekende dit nog niet dat hij het hele Bijbelse verhaal voor waar aannam. Hij had met name moeite om te geloven dat het verhaal over de kruisiging en opstanding van een bepaald historisch persoon van betekenis was voor de hele wereldgeschiedenis. Dat Lewis dat later wel begreep had veel te maken met een specifiek gesprek dat hij ooit voerde met Tolkien. In het park Addisonās Walk in Oxford, in de nacht van 19 op 20 september 1931, bespraken ze, samen met hun christelijke vriend en mede-academicus Hugo Dyson, de themaās mythe en religie.

Lewisā standpunt over mythes was intussen, na zijn bekering tot het theĆÆsme, dat ze wel degelijk symbolen waren voor tijdloze waarheden en fundamentele vreugde. Maar hij vond ze, hoe wonderschoon ook, toch leugenachtig: āLies breathed through silverā. Ze hebben volgens hem over onze aardse realiteit, onze geschiedenis, niks waardevols te zeggen.
Tolkien reageert hier fel op: mythes zijn gƩƩn leugens. Dit legt hij uit door zijn fundamentele visie op de verhouding tussen taal en mythe ā een visie die hij na dit gesprek uitwerkte in het gedicht genaamd āMythopoeiaā, Grieks voor āmythe makenā. Als mensen iets een āboomā noemen, dan is dat niet rechttoe rechtaan een betekenis. Woorden zijn niet slechts feitelijk en neutraal, maar dragen altijd ideeĆ«n met zich mee. Mensen kunnen hetzelfde woord āboomā gebruiken, maar daar andere associaties bij hebben. Laat staan als het niet gaat over iets āsimpelsā als een boom, maar over een mythe waarin zaken als dood, liefde, goden en hemelen voorbijkomen – dan wordt het spel tussen taal, betekenis en realiteit nog complexer.
Woorden zijn niet slechts feitelijk en neutraal.
Voor Tolkien is iedere mens een subcreator van God: door talen en mythes scheppen wij betekenis in de aan ons geschonken schepping, waarbij we gebruikmaken van de aan ons geschonken creativiteit. Deze visie relativeert enerzijds de feitelijkheid van de geschiedenis en wetenschap ā een feitelijkheid die Lewis nodig heeft om mythes leugenachtig te noemen ā en benadrukt anderzijds dat mythes juist veel hogere waarheden vertegenwoordigen dan dat historische of wetenschappelijke kennis dat doet. Deze hogere waarheden moeten volgens Tolkien hun oorsprong kennen in een Eeuwige Waarheid: God. En op basis van de glimpen die wij in ons bestaan opvangen van deze Eeuwige Waarheid, en de verlangens naar vreugde die wij hieruit krijgen, maken wij onze mythes. Met andere woorden: dat mythes verzonnen verhalen zijn betekent niet dat mythes leugens zijn, ze zijn voor Tolkien juist de best mogelijke uiting van de Eeuwige Waarheid.
Naast zijn gedicht Mythopoeia verwerkte Tolkien, jaren later, veel van bovenstaande ook in een van zijn bekendste essays: On Fairy Stories. Hier vat Tolkien de werkelijke waarde van mythes mooi samen. Mythes zijn geen goedkope manier om de aardse realiteit te ontvluchten (escapisme), maar zijn uitingen van een diep verlangen om de gevangenis van onze oppervlakkige aardse realiteit te ontsnappen en de werkelijkheid in haar volle glorie te zien. Deze ontsnapping levert ons troost omdat ze ons een blik op waarachtige vrede geeft. Vanuit een ogenschijnlijk miserabele toestand biedt een mythe namelijk altijd een een eucatastrophe: een plotselinge goede wending, met als ultieme voorbeeld de opstanding van Christus. Ook geneest ze uiteindelijk onze blik op de materiƫle werkelijkheid zodat we ons er weer door kunnen laten verwonderen.
Mythes laten ons ontsnappen uit de oppervlakkige aardse realiteit.
Na de waarde van de mythe in het algemeen verdedigd te hebben, bevroegen Tolkien en Dyson deze septemberavond Lewisā sceptische houding jegens het christendom. Waar hij zich door de mythe over het offer van de Noorse god Balder intens kon laten raken, had hij een veel apathischer relatie met het offer van Jezus Christus. Zolang een mythe buiten de geschiedenis blijft, kon hij de mythe waarderen om zijn schoonheid. Maar als een verhaal claimt in de geschiedenis te zijn, dan negeerde hij de schoonheid en beoordeelde hij het verhaal met louter historische scepsis. En door deze scepsis kwam hij tot de conclusie dat het verhaal van Jezus tĆ© wonderlijk en mythisch was om onderdeel uit te maken van onze geschiedenis. Tolkien reageerde door te benadrukken dat het christelijke verhaal jĆŗĆst een mythe is, waarmee hij Lewis enerzijds probeerde te overtuigen dat hij zich op eenzelfde manier moest laten raken door Jezus als door Balder, en anderzijds de mogelijkheid te opperen dat mythe en realiteit ā net zoals hij met āMythopoeiaā al beargumenteerde ā geen gescheiden werelden zijn. Tolkien getuigde van zijn geloof in een mythe die werkelijkheid geworden was, de mooiste en waarachtigste mythe van allemaal.

Ik moet zeggen dat Hendrix zijn reconstructie van het gesprek op Addisonās Walk ietwat rommelig heeft weergegeven. Alle belangrijke elementen zitten erin (de mythe als leugen, Mythopoeia, Balder, Christus als waargebeurde mythe) maar zijn in een iets te willekeurige volgorde gezet, zodat de argumentatielijnen van Tolkien niet direct duidelijk worden. Maar Hendrix slaagt er wel in om duidelijk te maken dat Tolkien niet met sluitende logische redeneringen, maar met een beroep op Lewisā romantische geest Lewisā laatste obstakels voor het christendom probeerde weg te halen.
In Surprised by Joy omschrijft Lewis zijn allerlaatste overwegingen voordat hij zich, ongeveer een week na bovenstaand gesprek, christen noemt. Hij schrijft dat hij intussen heidense godsdiensten, en hun mythes, niet meer als vals of leugenachtig zag, maar als verschillende āonvolwassenā uitingen van het fenomeen āreligieā, een fenomeen dat hij nu juist met een hogere waarheid verbond. Lewis zegt ook dat het G.K. Chestertonās boek The everlasting man was die hem hielp inzien dat het juist de mythe van Jezus was die met zijn menselijk geworden God en zijn universele filosofie de volwassen, en dus ware, manifestatie van alle andere alle religie en mythologie is (lees hier mijn bespreking van dit boek, en de verdere uitleg over de invloed op Lewis).
Hendrix heeft ervoor gekozen om deze laatste stap, en de rol van Chesterton, niet te beschrijven. Deze laatste stap is echter cruciaal, aangezien Lewis anders ook bij andere religies uit had kunnen komen. Zelf beschrijft Lewis bijvoorbeeld hoe het hindoeĆÆsme voor hem de laatste concurrent van het christendom was. Maar bij deze religie voelde het mythologische en het filosofische aspect als een āoil-and-water coexistenceā, terwijl dit bij de Bijbelse mythe, zoals Chesterton hem leerde, in perfecte harmonie was. Hendrix pakt het verhaal weer op bij de allesbeslissende conclusie die Lewis uit dit alles trekt:

Inspiratie en bekoelde vriendschap
Ondanks dat we intussen al op de helft van het boek zitten, begint hier het verhaal over de mythemakers pas echt. Hendrix omschrijft hoe Lewis en Tolkiens gedeelde geloof in de waarde van mythes, en in de waarheid van de mythe van Christus, hen motiveerde om zelf mythes te gaan schrijven. Waar Tolkien voor Lewis belangrijk was geweest om bij deze gezamenlijke overtuiging te komen, was Lewis voor Tolkien belangrijk door hem uit te dagen en te stimuleren om zijn rijke fantasieƫn over Midden-Aarde uit te geven: zo verschenen de fantasy-werken waar Tolkien beroemd mee is geworden.

Deze rol als uitdager en inspirator was vooral voor Tolkien van belang, want, zoals Hendrix duidelijk uitlegt, de heren hadden een heel andere werkwijze. Waar de uiterst productieve Lewis, zonder veel externe motivatie nodig te hebben, in een mum van tijd een nieuw boek geschreven had, was Tolkien veel perfectionistischer en kostte het hem erg veel moeite om tevreden te zijn met zijn werk. Hendrix legt ook uit dat dit soort karakterverschillen barsten in de relatie opleverden. Tolkien vond het bijvoorbeeld pretentieus dat Lewis, zonder een gedegen theologische achtergrond, veel christelijke apologetiek publiceerde. Ook reageerde Tolkien bijzonder negatief op Lewisā Narnia: hij vond dat de mythische wereld in de verhalen logischer geordend en veel langer doordacht moest zijn.
Dit soort karakterverschillen leverden barsten in de relatie op.
Ook vertelt Hendrix hoe Lewisā vriendschap met Charles Williams, iemand waar Tolkien het slecht mee kon vinden, en het huwelijk dat Lewis buiten de kerk en zijn vrienden om sloot, zorgden voor nog grotere barsten in de vriendschap. Voor Tolkien, die grote waarde hechtte aan de kerkelijke sacramenten, was dit huwelijk onbegrijpelijk. Hendrix geeft goed weer hoe de eens bloeiende en elkaar inspirerende vriendschap in de laatste decennia van hun leven op een tragische manier bekoelde. De auteur had echter wel wat meer mogen benadrukken dat we Lewis en Tolkien niet per se moeten typeren als āhartsvriendenā ā voor Lewis waren zijn broer Warnie en zijn jeugdvriend Arthur daar betere kandidaten voor ā maar eerder als intellectuele en artistieke geestverwanten. Vrienden met een gezamenlijke waardering voor de inspiratie uit oude mythes, het schrijven van nieuwe mythes en het geloof in de hemelse Mythemaker.
We moeten Tolkien en Lewis niet typeren als hartsvrienden.
Een mythe over mythemakers
De auteur heeft ervoor gekozen om over deze wonderlijke vriendschap te vertellen middels een graphic novel. Wat mij betreft een goede keuze: de afwisseling tussen paginaās met veel tekst, uitbundige illustraties en vermakelijke striptekeningen maken The Mythmakers tot een informatief en meeslepend geheel.
Het gekozen format kent echter ook zijn beperkingen. Ten eerste kan de auteur minder woorden gebruiken dan een traditionele biograaf, en daarmee minder rechtdoen aan deze gelaagde vriendschap. Daarnaast is een graphic novel in de eerste plaats een vertelling, waarbij de auteur de vrijheid neemt om al speculerend gaten in het verhaal zelf in te vullen zodat hij de verhaallijn kan behouden. Dit zorgt ervoor dat The Mythmakers op sommige plekken onvolledig is, en op andere plekken sterk geromantiseerd. Ik had deze laatste kritiek in eerste instantie met name toen ik het allerlaatste deel las, waarin Hendrix het tragisch afgelopen verhaal een nieuwe episode geeft. Hij beschrijft namelijk een hypothetische verzoening in de hemel, waarbij hij beide heren excuses laat maken voor de bovengenoemde meningsverschillen. De auteur lijkt hier op het eerste gezicht zich boven Tolkien en Lewis te plaatsen en hen op hun fouten te wijzen.
Maar, zoals de auteur zelf aangeeft, dit boek is veel meer een interpretatie van de vriendschap dan een wetenschappelijk naslagwerk. Hendrix wil graag aan een groot publiek overbrengen hoe oude mythes, nieuwe verhalen, de Ware Mythe en vriendschappen inspiratiebronnen kunnen zijn in een tijdgeest waarin mythes vooral als leugenachtig worden gezien. Vanuit die drijfveer had Hendrix zijn boek niet passender kunnen schrijven dan in de vorm van een eigen mythe, inclusief de zelf verzonnen eucatastrophe. De niet-gelovige Lewis had het mythische perspectief van Tolkien bij Addisonās Walk nodig om via zijn momenten van vreugde bij Christus te komen. Ik hoop dat dit boek de Addisonās Walk zal zijn voor de vele niet-gelovigen die eens iets van vreugde hebben ervaren bij het lezen van The Lord of the Rings en Narnia.

Wouter Hofland heeft een bachelor in Politicologie en Geschiedenis, en volgt nu een onderzoeksmaster Ancient History aan de Universiteit Leiden. In zijn onderzoek richt hij zicht met name op de transitie van de Romeinse naar de post-Romeinse wereld in de Late Oudheid. Daarnaast leest en schrijft hij graag over schrijvers en denkers als G.K. Chesterton, J.R.R. Tolkien en TomÔŔ HalĆk.
Wil je De Mythmakers bestellen?
In de graphic novel-biografie The Mythmakers brengt de door The New York Times bekroonde bestsellerauteur John Hendrix de opmerkelijke vriendschap van C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien tot leven. In dit boek kom je meer te weten over hun ontmoeting, hun gedeelde liefde voor mythologie en hoe ze elkaar inspireerden tot het schrijven van hun meesterwerken Narnia en In de ban van de Ring. Met levendige illustraties en meeslepend vertelwerk laat John Hendrix zien hoe fantasie de werkelijkheid kan verrijken. Een ode aan verbeelding, vriendschap en de magie van woorden.
Schrijf je in voor de nieuwsbrief
Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast.
Word lid van Theologie.nl
Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid vanĀ Theologie.nlĀ en sluit een basisabonnement af voor slechts ā¬5,83 per maand.Ā
