Menu

None

De eeuwige mens van Chesterton laat zich verwonderen

Historicus Wouter Hofland recenseert De eeuwige mens van G.K. Chesterton

De eeuwige mens

Honderd jaar na de publicatie van G.K. Chestertons The Everlasting Man (1925) is er een nieuwe Nederlandse uitgave verzorgd: De eeuwige mens. Ditmaal in de vertaling van Vincent van Vught en met een inleiding van Anton de Wit. Historicus Wouter Hofland recenseert het boek. ‘Chesterton bepleit dat we ons opnieuw moeten laten verwonderen’.

Een belangrijk boek voor C.S. Lewis

Al bij het bekijken voor de voorkant van het boek met daarop het citaat van C.S. Lewis wordt duidelijk dat een belangrijke reden van de bekendheid van dit boek de invloed op deze Britse bestsellerauteur is. Lewis noemt dit boek zelfs als een van de boeken die het meest hebben bijgedragen aan zijn bekering. En het complexe maar zeer interessante bekeringsverhaal van Lewis laat zien wat de waarde van De eeuwige mens is. Want Lewis raakte zeker niet plotsklaps overtuigd van het christelijk geloof. Het was in eerste instantie de schoonheid van de mythologieën waar hij zo van hield die hem ertoe brachten om zijn starre atheïsme te nuanceren met de gedachte dat er misschien toch schoonheid en waarheid buiten onze fysieke realiteit schuilt.

C.S. Lewis raakte niet plotsklaps overtuigd van het christelijk geloof

Maar dit betekende nog niet dat hij overtuigd was van de waarheid van de ‘christelijke mythe’. Sterker nog, waar hij mythologische verhalen waardeerde omdat ze in hem een verlangen opwekten naar een onbereikbare maar desondanks nastrevenswaardige schoonheid, had het Bijbelse verhaal erg lang helemaal geen aantrekkingskracht op hem – hij had het al snel afgeschreven als onzinnig. Zijn goede vriend en Oxford-collega J.R.R. Tolkien wees hem erop dat het hypocriet was dat hij zich wel kon laten raken door het Noorse verhaal over de stervende god Balder, maar bij het aanhoren van het verhaal van de stervende Jezus alleen maar wetenschappelijke argumenten opvoerde om aan te tonen dat het verhaal niet waar kon zijn. Lewis had last van een afkeer van het christelijke geloof, waardoor hij zich niet kon laten raken door de ultieme schoonheid van de christelijke mythe. De kans is groot dat De eeuwige mens in deze laatste stap van Lewis’ bekering een belangrijke rol heeft gespeeld. Het is precies deze combinatie van aantrekkelijkheid en waarheid van het evangelie die Chesterton met verve weet te benadrukken.

De eeuwige mens

De mens als diersoort

Chesterton is erg duidelijk over de vraag wat hij met dit boek wil bereiken en voor wie hij dit boek schrijft. Er waren volgens hem in de wetenschap van zijn tijd twee ontwikkelingen gaande, die allebei worden verdedigd in het boek The Outline of History (1920) van H.G. Wells. In dit boek pleit Wells ervoor om de mens te beschouwen als een diersoort die, gedreven door een ordinaire strijd om macht en voedsel, zich heeft ontwikkeld tot de moderne mens. Daarnaast beschrijft hij “het christendom (…) als slechts een van de vele mythologieën die uiteindelijk allemaal door de ‘vrije intelligentie’ overwonnen zou worden”, aldus De Wit in de inleiding.

Voor Chesterton vertegenwoordigde dit boek een aantal denkbeelden die steeds prominenter werden in het denken van zijn tijd. Enerzijds werd de mens steeds meer beschouwd als slechts een diersoort, waarmee het zijn bijzondere plaats tussen alle andere wezens op aarde verloor. Anderzijds begon de religiewetenschap de nadruk te leggen op de overeenkomsten tussen elementen uit het christelijke geloof met elementen uit andere religies of mythologieën. Jezus zou bijvoorbeeld lijken op de Egyptische god Horus of de Perzische god Mithras. Dit soort wetenschappers zagen het christendom als slechts een variatie op andere religies, een religie die verklaarbaar is als men Jezus in zijn context bekijkt. Hiermee verloor het christendom zijn bijzondere, en nog belangrijker, zijn gezaghebbende plaats. In De eeuwige mens wil Chesterton de strijd aangaan met deze denkbeelden, en werpt hij zich op als verdediger van de bijzondere plaats die de mens en het verhaal van Jezus in werkelijkheid hebben.l

Jezus zou bijvoorbeeld lijken op de Egyptische god Horus of de Perzische god Mithras

Kritiek van de verwondering

De kritiek die Chesterton opvoert tegen schrijvers als Wells (en eigenlijk ook tegen de nog niet bekeerde C.S. Lewis) is dat men zich veel te veel laat leiden door verkeerde aannames. Ze geloven zo sterk in bepaalde theorieën, bijvoorbeeld over hoe de mens van een dier is geëvolueerd of waarom het christendom ontstaan is, dat ze niet meer in staat zijn zich te laten verwonderen, en tegenspreken, door bewijzen die helemaal niet in lijn zijn met hun theorie. ‘Doordat men een theorie heeft verzonnen om een bepaalde uitkomst te verklaren, worden alle andere uitkomsten ontkend opdat men de theorie niet hoeft tegen te spreken’.

Het euvel van het moderne denken zit er volgens Chesterton in dat we door het optuigen van allerlei theorieën bepaalde zaken als bekend zijn gaan beschouwen, waardoor we ze enerzijds snel als saai gaan zien en anderzijds (en nog kwalijker) als niet-bijzonder. Chesterton stelt dat onze bekendheid met het evangelie ervoor zorgt dat we vervuld worden ‘met storende aannames en associaties’, wat ertoe leidt dat ‘niemand die uit de westerse beschaving komt’ het evangelie nog kan lezen alsof hij er nooit eerder van heeft gehoord (volgens mij is dit precies waar Lewis aan leed voordat hij zich bekeerde). Chesterton benadrukt in veel van zijn werk het kinderlijke perspectief: de ogen die zich nog laten verrassen en verwonderen door zaken waarvoor volwassenen al zijn afgestompt. En het is precies dit kinderlijke, voor verwondering ontvankelijke, perspectief dat De eeuwige mens tot een bijzonder en waardevol boek maakt.

Chesterton benadrukt in veel van zijn werk het kinderlijke perspectief

Deel I: de bijzonderheid van het schepsel genaamd mens

In het eerste deel wordt het fenomeen genaamd ‘de mens’ weer voor het eerst bekeken. Het eerste verwijt dat Chesterton maakt jegens de evolutionaire wetenschappers is dat ze wegduiken voor wonderlijke zaken door er de term ‘evolutie’ op te plakken. Dat er een aarde bestaat met mensen erop, is iets wonderlijks. Maar doordat evolutionairen van de ontstaansgeschiedenis een traag proces van evolutie maken, hoeven ze niet te geloven in wonderen, en dus in een hogere macht die wonderen doet. Het denken in termen van trage evoluties heeft iets geruststellends voor de van religie onafhankelijke wetenschap.

Evolutie van de mens
Het trage idee van evolutie. (Bron: Overearth via iStock)

In tegenstelling tot het maken van aannames over hoe primitief, dierlijk en ondemocratisch de prehistorische mens was voor zijn evolutie tot de moderne mens, richt Chesterton zich op de dingen die we daadwerkelijk over deze prehistorische mens weten: ze maakten muurschilderingen. Hij laat zich verwonderen door deze uitingen van kunstzinnigheid, en concludeert dat we al vanaf het eerste begin fundamenteel anders waren dan dieren. Je zou het samen kunnen vatten door te stellen dat waar andere wezens slechts een schepsel zijn, de mens beide een schepsel en een schepper is. Dit idee is later opgepakt door de auteur J.R.R. Tolkien, die in zijn wereldbeeld veel nadruk legt op de mens als sub-creator van God: een mens die de scheppende daad van God navolgt door zijn kunstzinnige, poëtische en religieuze eigenschappen aan te wenden om zelf kunst, poëzie en mythologie te scheppen.

Na de kunstzinnigheid van de prehistorische mens benadrukt te hebben, richt hij zich op allerlei mythologieën die in de oudheid ‘gemaakt’ zijn: ‘Al deze vormen van heidendom kunnen worden samengevat als pogingen om het goddelijke te beschrijven door middel van het menselijke voorstellingsvermogen’. Op deze manier komt hij bij het belangrijkste punt van dit eerste deel van zijn boek: de hele geschiedenis door heeft de mensheid zich verwonderd over zijn bestaan op aarde, en heeft het idee gehad dat hier een plan achter moest zitten. Chesterton overbrugt hiermee de kloof die wetenschappers hebben geslagen tussen ‘de primitieve mens’ en de moderne mens. De prehistorische mens was niet dierlijker, niet despotischer en niet minder ontwikkeld. Het was een mens, een niet-dier, beschikkend over religieuze gevoelens zoals de moderne mens dat ook doet. De menselijke geschiedenis is niet een progressieve lijn, maar een romantisch verhaal, waarvan we de eerste hoofdstukken missen.

Chesterton overbrugt de kloof tussen de primitieve en moderne mens

Deel II: over de bijzonderheid van de Mens genaamd Christus

In het tweede deel komt de apologetische aard van dit boek pas echt duidelijk naar voren. Hier verdedigt Chesterton namelijk de bijzondere plaats van het christendom ten opzichte van alle andere vormen van religie en mythologie. Dit doet hij opnieuw door te proberen het onderwerp te bekijken alsof hij het voor het eerst aanschouwt. Wat valt ons op als we het evangelie weer als nieuw bekijken? Duidt dit er dan op dat Jezus slechts een product van zijn tijd was, een verklaarbaar fenomeen dat slim heeft gekopieerd van andere mythologieën?

Volgens Chesterton moet de oprecht onpartijdige lezer concluderen dat het evangelie allerminst op een dergelijke manier te verklaren is. Tegen de mensen die zeggen dat Jezus een product van zijn tijd is, zegt hij dat Jezus bij geen enkele tijd past. Zijn morele boodschap was in zijn context net zo opzienbarend als die nu is. Dit maakt volgens Chesterton dat de hoorders van Jezus’ boodschap, toen en nu, er altijd op eenzelfde manier naar zullen kijken: als een willekeurig en transcedent dogma dat nergens vandaan kwam, behalve van hemzelf. En dit transcedent dogma was precies wat de wereld nodig had toen Hij verscheen. Het vervulde de verlangens die de drijfveren waren achter mythologie en filosofie. De mythologie vond een betovering die ook rationeel was, en de filosofie vond een waarheid die de wereld niet kleiner maar juist groter maakt. Chesterton beschrijft bijvoorbeeld hoe de christelijke visie op het kwaad zoveel bevredigender en menselijker is dan die van alle filosofische alternatieven van optimisme en pessimisme. Het vreemde verhaal van de Bijbel ‘heeft één klein voordeel boven de diagrammen en dualistische aannames: het is net als het leven’. In zijn verklaring voor het menselijk bestaan, met al haar fratsen, blijft het christelijke verhaal enerzijds heel dicht bij de mens en neemt het anderzijds kosmische proporties aan: ‘het opent voor ons niet alleen ongelofelijke hemelse sferen, maar ook wat voor sommigen een even ongelofelijke aarde lijkt en het maakt van beide iets geloofswaardigs’.

Het christelijke verhaal blijft dichtbij de mens en neemt kosmische proporties aan

Verstand, ziel en religie

Nadenkend over de relevantie van dit boek zou men kunnen stellen dat het wat gedateerd is. Chesterton reactie op Wells boek is met name een reactie op het negentiende en begin twintigste-eeuwse denken. Maar, zoals De Wit in zijn introductie stelt: ‘[Wells] zienswijze verrast niemand meer omdat vrijwel iedereen tegen de dingen aankijkt zoals hij dat deed; zijn materialistische wereldbeeld is al als – voorlopige – winnaar (…) boven komen drijven’. Dat De Wit hier gelijk heeft, wordt duidelijk onderstreept door het recent verschenen boek The Arrogant Ape (2025) van Christine Webb. In dit boek wordt gesteld dat de mens zich onterecht verheven voelt boven dieren, en dat dieren minstens zo bijzonder zijn als mensen aangezien ze ook gereedschap gebruiken (gieren) en een verfijnde taal hebben (dolfijnen). Ze verwijt de mens antropodenial: blindheid voor dierachtige kenmerken in jezelf. Deze stelling onderstreept exact waarom Chesterton nog immer relevant is. Chesterton geeft duidelijk aan dat het verschil tussen mens en dier niet zit in secundaire eigenschappen, zoals het gebruik van gereedschap en taal, maar in primaire eigenschappen zoals verstand, de ziel en religieuze gevoelens. Waar de secundaire eigenschappen ervoor hebben gezorgd dat wetenschappers theorieën zijn gaan optuigen over de ontwikkeling van dier naar mens, kunnen we met Chesterton concluderen dat het vele malen belangwekkender is om onszelf weer te laten verwonderen door de bijzonderheid van de mens, en zijn religieuze verhouding tot de Mens genaamd Christus.

Schilderij De schepping van Adam van Michelangelo
De bijzonderheid van de mens en zijn religieuze verhouding tot de mens genaamd Christus. (Bron: Gistel Cezary Wojtkowski via iStock.)

Overtuigingskracht

Als er iets is dat de lezer bijblijft na het lezen van De Eeuwige Mens, in ieder geval ondergetekende lezer, is het de grote overtuigingskracht van Chesterton. Hij schrijft met een absolute zekerheid, en de enorme reikwijdte van de voorbeelden die hij in zijn argumentatie noemt laten de lezer geloven dat deze auteur daadwerkelijk weet waar hij het over heeft. Daarnaast is hetgeen Chesterton bepleit, namelijk het bekijken van de wereld op een manier die je laat verwonderen, ook in zichzelf heel aantrekkelijk. De onpartijdige lezer wordt jaloers op Chestertons capaciteit om zich van de typische volwassen afgestomptheid te ontdoen en zich door alles ter wereld te laten verwonderen, en de christelijke lezer wordt jaloers op de manier hoe voor Chesterton de hele geschiedenis getuigt van de waarheid van het evangelie. Hoewel je je soms afvraagt of hij niet wat te snel zijn punt poneert als onomstotelijk bewijs voor zijn betoog, is geen van zijn argumenten echt makkelijk te weerleggen. Dit maakt dat de lezer makkelijk wordt meegevoerd door zijn romantische betoog. De meeste lezers zullen toch moeten beamen dat ‘als er inderdaad een God is, Zijn schepping nauwelijks een betere bekroning kon hebben gehad dan het geschenk van zo’n romantiek aan de wereld’.

Wouter Hofland heeft een bachelor in Politicologie en Geschiedenis, en volgt nu een onderzoeksmaster Ancient History aan de Universiteit Leiden. In zijn onderzoek richt hij zicht met name op de transitie van de Romeinse naar de post-Romeinse wereld in de Late Oudheid.

Lees ook deze artikelen over Chesterton

En luister deze podcastaflevering met Anton de Wit

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken