Menu

None

Preview: De eeuwige mens

Is het christendom nog relevant? Was Jezus echt meer dan een rondtrekkende prediker? Heeft de mens een unieke positie boven alle dieren? Dit zijn existentiële vragen die nu nog veel stof doen opwaaien, maar ze hielden G.K. Chesterton een eeuw geleden ook al bezig. In een betoog vol originele paradoxen en fonkelende humor baant Chesterton zich een weg door de gehele (pre)historie, van de tijd van de holbewoners tot aan zijn eigen tijd (de periode van het interbellum), om zelfs in de donkerste tijden lichtende sporen van de waarheid te zoeken. Daardoor weet hij zelfs de heidense beschavingen, zoals het oude Egypte en Babylon, en de Griekse en Romeinse mythes aan te wenden om het evangelie te verkondigen.

Chestertons rondleiding door het evangelie mag gerust het hoogtepunt van het boek worden genoemd. Chesterton brengt het mysterie van Christus’ woorden opnieuw naar buiten, en maakt het goede nieuws voor ons weer tot iets nieuws, alsof we er in de eerste eeuw bij waren. Dit alles maakt De eeuwige mens tot het meest volledige apologetische werk binnen Chestertons oeuvre.

Anton de Wit, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad en Chestertonkenner, verzorgde de inleiding bij deze uitgave.

De eeuwige Chesterton: polemist, hagiograaf, drakendoder

Anton de Wit

I. Een bijzonder soort

De evolutie heeft wonderlijke schepselen voortgebracht en een van de wonderlijkste is ongetwijfeld de kritische biograaf (biographicus criticus). Hij stamt af van de gewone biograaf (biographicus familiaris), die op zijn beurt weer een loot aan de stam van de hagiograaf (hagiographicus ecclesiasticus) is. Deze laatste soort – de schrijver van heiligenlevens – wordt door de meeste kenners voor uitgestorven gehouden; al dook er onlangs een korrelige foto op uit Madagaskar, waar een heuse hagiograaf in het wild gezien zou zijn. De wetenschappelijke consensus lijkt echter over te hellen naar de opvatting dat het een knappe vervalsing betreft. In het huidige klimaat zouden hagiografen namelijk helemaal niet meer kunnen overleven.

Kritische biografen wel, die gedijen juist in ons hedendaagse klimaat. Wat de kritische biograaf zo bijzonder maakt, is zijn zeer ver doorgeëvolueerde vermogen om zijn onderwerp niet zo bijzonder te laten lijken. Daarvoor spaart hij kosten noch moeite; de kritische biograaf doet er soms wel decennia over om zijn prooi te besluipen, die dan doorgaans ook allang dood en begraven is. En als hij werkelijk alle informatie heeft opgeduikeld die er over hem of haar te vinden is, schrijft hij in een woeste, ja haast demonische razernij een vuistdik boek over zijn prooi. Dat doet hij opdat ook de allerlaatste mensen die per ongeluk nog enige bewondering zouden koesteren voor die ongelukkige gebiografeerde, daar ogenblikkelijk mee ophouden.

Chestertons rondleiding door het evangelie mag gerust het hoogtepunt van het boek worden genoemd

Zo zal de kritische biograaf met sardonisch genoegen aantonen dat zijn onderwerp, hoewel ooit door velen bewierookt, eigenlijk een heel nare man was. Hij sloeg zijn kinderen en bedroog zijn maîtresse. Zijn gelauwerde opus magnum stond stijf van het plagiaat en voormalige collega’s zijn nog altijd in therapie vanwege zijn fameuze driftbuien. In ’s mans sokkenlade – die trouwens, dat moet deze biografensoort ook nog even opmerken, wel erg zurig riekt, wat een morbide vorm van teenschimmel doet vermoeden – trof hij een vergeelde lidmaatschapspas van de NSB aan. En een schoenendoos die uitpuilt van bonnetjes van een louche bordeel.

Vanwege zijn kundige spitwerk mag de biographicus criticus na de publicatie van zijn werk in alle praatprogramma’s opdraven en wordt hij door alle kranten en opiniebladen geïnterviewd. Hij grijpt de gelegenheid graag nog even aan om te klagen dat het in alle media-aandacht over zijn boek wel érg veel gaat over die ene schoenendoos, terwijl hij toch ook nog andere opzienbarende ontdekkingen deed. Maar goed, hij mag niet mopperen, want zijn boek is al aan z’n derde druk toe. Wat hij vindt van het feit dat de weduwe van zijn prooi zich van de biografie distantieert? Nou ja, don’t shoot the messenger, de waarheid is hard. Eerdere biografen die positiever oordeelden? Ach, dat waren gewóne biografen, of nee, primitiever nog: hagiografen die niet over de schaduw van hun eigen dweepzucht heen konden stappen…

II. Chesterton versus de kritische biografen

Bij mijn weten is Gilbert Keith Chesterton (1874-1936) nog niet ten prooi gevallen aan zo’n kritische biograaf. Wel aan critici; daaraan heeft deze zeer productieve Engelse schrijver en journalist nooit een gebrek gehad, maar die namen dan doorgaans niet de moeite om een biografie over hem te schrijven. Wie dat wel deden, waren vrienden en bewonderaars. Er zijn prima biografieën over hem geschreven, die heus ook niet allemaal kritiekloze hagiografieën waren, maar echt kritische biografieën? Ik ken ze niet.

Maar hoe zou de kritische biograaf een levensbeschrijving van G.K. Chesterton aanvliegen? Hoe zou hij de mythe van een man die in mythevorming grossierde, doorprikken?

Hem op al te alledaagse zonden en onhebbelijkheden betrappen zal alvast niet moeilijk zijn. Hij kan eigenlijk een doodgewone Engelsman schetsen, iemand van niet bijzonder hoge komaf, maar toch blakend van het white privilege. Een gesjeesde kunstacademiestudent die met horten en stoten doorbrak in het journalistieke milieu van Londen rond het fin de siècle. Een verstrooide figuur die moeite had met afspraken en deadlines. Iemand die maar moeilijk afscheid kon nemen van de negentiende eeuw en zijn plek nooit helemaal vond in de twintigste. Iemand die uit dwarsigheid christen, ja zelfs katholiek werd in een tijd dat kerk en geloof allang de onvermijdelijke neergang hadden ingezet.

Een wilde polemist die nogal eens van mening veranderde, maar toch ook een heel aantal stellingen vurig verdedigd heeft die nu écht niet meer kunnen – zelfs de hagiografen van de Rooms-Katholieke Kerk zagen er een reden in om hem toch maar beter niet heilig te verklaren.

Hij zou hem ook wat tragisch kunnen maken, ja een sneu figuur, een zwaarlijvige reus, ongewenst kinderloos, nooit echt serieus genomen. Een man die op het obsessieve af enorme hoeveelheden artikelen en boeken schreef, maar toch nooit écht toekwam aan het schrijven van zijn ene, definitieve, tijdloze meesterwerk. Iemand die zich verschool achter meesterlijk geformuleerde spitsvondigheden, maar nooit echt het achterste van zijn tong liet zien. Een belegen humorist van wie nu nog slechts een treurig, slecht onderhouden graf in het niksige Engelse dorp Beaconsfield resteert.

Dat alles zou de kritische biograaf kunnen schrijven, en hij zou niets onwaars schrijven. Maar het is toch maar de vraag of het echt de waarheid is. Doet het de man recht? Natuurlijk niet. Dat is sowieso het probleem met dit type biografen: ze zijn zo wars van eenzijdige ver-ering dat ze vervallen in eenzijdige ont-ering. Ze presenteren een even eenzijdige waarheid, een demasqué van de kleinmenselijke kanten die ieder mens onvermijdelijk heeft – een open deur van jewelste, maar ze weten dat toch keer op keer als een hele ontdekking te vermarkten.

Het leven en werk van G.K. Chesterton leent zich niet voor zulke kritische biografieën. En niet alleen omdat er over de man zulke mooie verhalen bestaan dat het doodzonde is om die kapot te factchecken. Het is fundamenteler dan dat. Zijn persoon, zijn werk, ja zijn hele wezen stond haaks op dat moderne klimaat waarin de kritische biograaf kon gedijen. En het boek dat u nu in handen hebt, is misschien wel zijn sterkste manifest tegen dat klimaat – maar daarover verderop meer.

Om Chesterton op waarde te schatten moet je leren kijken als Chesterton. Moeilijk is dat niet; het is zelfs vrij letterlijk kinderspel. Zich verwonderen zoals een kind zich zou verwonderen: dat is in wezen het genie van deze schrijver. Hij was het type dat zich kon verkneukelen en verheugen als hij een vlinder door de lucht zag dansen, hij kon de kleurenpracht op de vleugels lezen als een geheime boodschap van het universum aan hem alleen, hij kon er een fee in zien die hem de weg naar haar in het loof verborgen koninkrijk kwam tonen, haar gefladder als kunstige pirouettes die door jaloerse sterren en planeten onhandig geïmiteerd werden.

Hij had echter de pech te leven in een tijd van klinische natuurvorsers, die diezelfde vlinder met een netje wilden vangen, op een speld wilden prikken in een kabinet met soortgenoten, met een vignetje ‘aglais urticae’ erbij, en die vervolgens geleerde boeken volschreven over de precieze rol van deze papilionoidea in de bestuiving van anthophyta. Dat werd – en wordt nog steeds, daarom blijft Chesterton actueel – ‘echter’ gevonden, ‘objectiever’, ‘wetenschappelijker’. Maar de poëzie, de geest, ja het léven werd zo uit de werkelijkheid geperst.

G.K. Chesterton was – en blijft – een icoon van het verzet tegen die reductionistische geest. Dat deed hij met polemische scherpte en humor, en vooral ook in een taal die niet louter in eigen kring begrepen werd. Hij was zeker geen katholieke apologeet van het type dat slechts door trouwe kerkgangers verstaan en toegejuicht wordt. Hij drukte zich niet uit in plechtig maar voor buitenstaanders onbegrijpelijk Kerklatijn, hij was geen prediker voor eigen parochie, maar juist iemand die vrijmoedig de wereld in trok en met een vrolijke ridderlijkheid de draken opzocht in hun eigen holen.

Thomas Aquinas meets Eddie Van Halen,’ zo typeerde The Atlantic Chesterton eens kort maar treffend; een diepe denker die toch nooit lijdt aan de inherente taaiheid en saaiheid van de academische filosofie of theologie, maar juist schrijft met een lichtvoetigheid en virtuositeit die inderdaad eerder doet denken aan de manier waarop een rockster zijn gitaarhals bespeelt.

Toegegeven, dit is de taal van de hagiografen, maar die verdient G.K. Chesterton. Niet omdat hij nou zo nodig heilig verklaard moet worden; ik weet niet of Chesterton een heilige was, maar ik weet wel heel zeker dat hij ten diepste zelf hagiograaf was. En dan doel ik niet eens zozeer op de aanstekelijke heiligenlevens die hij schreef van Thomas van Aquino en Franciscus van Assisi, maar juist ook op dit boek, dat niets meer en niets minder is dan een hagiografie van de mensheid.

III. De eeuwige mens

En die was nodig. Enkele jaren voordat The Everlasting Man voor het eerst verscheen in 1925, was er namelijk ook al een kritische biografie van de mensheid verschenen. Dat boek heette The Outline of History (1920) en was geschreven door Herbert George Wells (1866-1946). Hoewel wij Wells nu nog vooral kennen als grondlegger van het sciencefictiongenre – met klassieke romans als The Time Machine en The War of the Worlds – was hij indertijd ook zeer productief en gerenommeerd als non-fictieschrijver.

G.K. Chesterton was – en blijft – een icoon van het verzet tegen die reductionistische geest

The Outline of History – een encyclopedische schets van de geschiedenis van de mensheid van de oertijd tot en met de Eerste Wereldoorlog – werd een bestseller, die herdruk op herdruk beleefde, in vele talen vertaald werd (niet in het Nederlands overigens, voor zover ik kon nagaan) en al in 1922 een soort gepopulariseerde samenvatting kreeg in A Short History of the World (wel ook in het Nederlands verschenen, in 1929, als Een korte geschiedenis der wereld).

De grote geschiedenis zoals H.G. Wells die beschreef, was doordrenkt van darwinisme en vooruitgangsdenken. De mensheid moest zich vooral geen illusies maken; ze was uiteindelijk ook maar een doodgewone diersoort, onderworpen aan het recht van de sterke en blinde vooruitgang door natuurlijke selectie. Het hele project van de beschaving was in feite een ordinaire strijd om macht en voedsel. Het christendom beschreef hij als slechts een van de vele mythologieën die uiteindelijk allemaal door de ‘vrije intelligentie’ overwonnen zouden worden.

Het was precies deze zienswijze die Chesterton tegenstond en in De eeuwige mens diende hij die grondig van repliek. Hoe kan Wells menen – zo vroeg Chesterton zich af – een outline, een contourschets, te hebben gemaakt van de menselijke geschiedenis, als hij in feite niets anders heeft gedaan dan lijnen vervagen? Mensen en dieren, mythologieën en godsdiensten – alles gooit Wells nu net op één grote, vormeloze hoop, waarin alles hetzelfde is en dus niets bijzonder.

Dat kan en moet anders, meende Chesterton. Hoewel hij uiteindelijk zelf niet zo tevreden was over het resultaat – hij voegde een nawoord plus twee appendices toe aan het boek, waarin hij zich nogal onkarakteristiek verontschuldigt voor onzorgvuldigheden – schetst hij in De eeuwige mens de menselijke geschiedenis wél in klare contourlijnen.

Het boek valt in twee delen uiteen. In het eerste deel weerspreekt Chesterton de door Wells gepopulariseerde opvatting dat de mens ‘maar’ een dier is. De oertijd van het menselijk geslacht wordt nu juist bepaald door iets waarin wij ons wezenlijk onderscheiden van het dierenrijk, namelijk door beeldende kunst – het was ook een tijd waarin wetenschappers talloze ‘primitieve’ grotschilderingen (her)ontdekten. Chesterton ziet daarin een verre van primitieve geest. Die oeroude kunstwerken tonen juist aan dat de mensen met een in het dierenrijk volmaakt ongekende verwondering naar de wereld om zich heen konden kijken. De geboortegrond van de mensheid is tevens de geboortegrond van de kunst, de poëzie, de mythologie; zaken die ons nu net volstrekt uniek maken in het dierenrijk.

Het tweede deel veegt de vloer aan met de eveneens modieuze opvatting dat Christus ‘maar’ een mens is – de zoveelste profeet of oproerkraaier – en in het verlengde daarvan: dat het christendom ‘maar’ een mythologie is zoals er zovele zijn. Dat er door de wimpers bekeken oppervlakkige gelijkenissen zijn waar te nemen, zo beklemtoont Chesterton in allerlei toonaarden, moet onze blik op de fundamentele verschillen niet vertroebelen. Geen enkele profeet van de Schepper van hemel en aarde beweerde ooit die Schepper zélf te zijn, zoals Jezus Christus dat deed; geen enkele politieke oproeikraaier claimde de alleenheerschappij in een ‘koninkrijk dat niet van deze wereld’ is. Wat je daar verder ook van vindt, je kunt de uniciteit van Christus en het christendom niet ontkennen zonder de waarheid zelf geweld aan te doen.

Echt fundamentele tegengeluiden zijn schaars geworden

Ook De eeuwige mens werd goed ontvangen, vele malen herdrukt en als snel na het verschijnen vertaald in meerdere talen – ook in het Nederlands. Weliswaar is het minder bekend dan Orthodoxie, Chestertons zinderende geloofsverdediging uit 1908, maar het is in vele opzichten rijper, completer en ambitieuzer. Als er één boek van Chesterton de titel van opus magnum verdient, is dit het wel. Het werd vooral ook bekend als het boek dat een beslissende rol speelde bij de bekering van schrijver C.S. Lewis (1898-1963).

IV. Tot slot: het (her)lezen waard?

Maar waarom verdient het, op de kop af een eeuw na de eerste publicatie, een nieuwe Nederlandse vertaling? Waarom zouden we het überhaupt nog lezen? Om toch nog even de cynische biographicus criticus uit te hangen: is De eeuwige mens niet eigenlijk ‘gewoon’ het zoveelste saaie oude boek, van ‘gewoon’ een vergeten Engelse schrijver die zich druk maakte over weer een ander vergeten boek van een andere vergeten schrijver? Áls we deze dode witte mannen al het herinneren waard vinden, dan is het toch eigenlijk alleen nog voor hun detectiveverhalen (Chesterton) of sciencefictionverhalen (Wells), dus wat kan ons die oude pennenstrijd over oermensen en mythes verder schelen?

Dat ik hier terloops heb opgemerkt dat The Everlasting Man wél meermaals in het Nederlands vertaald is en The Outline of History niet, geeft wat mij betreft het begin van een antwoord op deze vragen. Maar niet op de manier die je misschien zou vermoeden, niet om te zeggen: lekker puh, Chesterton wordt wél nog steeds gelezen (al is het door een select groepje liefhebbers) en Wells niet. Ik vermoed eigenlijk dat Wells vooral niet vertaald is omdat zijn opvattingen ook zonder een vertaling volkomen gemeengoed zijn geworden. Zijn zienswijze verrast niemand meer, omdat vrijwel iedereen tegen de dingen aan kijkt zoals hij dat deed; zijn materialistische wereldbeeld is al als – voorlopige – winnaar uit die survival of the fittest boven komen drijven. Echt fundamentele tegengeluiden zijn schaars geworden.

Maar juist daarom valt G.K. Chesterton wel op; hij is zo’n schaarse dwarsdenker die voor een heel ander paradigma pleit, waaraan wel degelijk ook behoefte bestaat. Het rationalistische wereldbeeld van Wells is een open deur geworden, die Chesterton uit de sponning trapt om een nieuw venster op een veel ruimere wereld te openen. Een wereld waarin mensen nog wél van dieren te onderscheiden zijn, waarin dingen nog een diepere betekenis mogen hebben, goed of fout kunnen zijn, waarin een morele horizon bestaat, waarin niet weg te redeneren schoonheid, goedheid en waarheid bestaan, waarin menselijke warmte en vrolijkheid het uiteindelijk winnen van cynisme en hebzucht, een wereld kortom waarin God het ook aangenaam genoeg vindt om te bestaan.

Daarover gaat De eeuwige mens ten diepste. Het boek is daarom vandaag de dag even oneigentijds én tijdloos als het een eeuw geleden was.

Anton de Wit is hoofdredacteur van Katholiek Nieuwsblad. Hij is auteur van onder andere Geloof jij het? Waarachtige journalistiek in tijden van nepnieuws, en tevens samensteller en inleider van de eerder verschenen essaybundel De kracht van verwondering van G.K. Chesterton.


G. K. Chesterton, De eeuwige mens. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2025. 320 pp. € 32,99. ISBN 9789043543132

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken