Van matrix naar moedertaal
Over de politieke laag van het Pinksterverhaal
Pinksteren. Ik gloei nog na. De verbazing uit het Pinksterverhaal blijft bij mij resoneren: “Hoe is het mogelijk, ze spreken onze moedertaal!” En dan hoor je die opsomming van afkomsten. Een multiculti-feestje was het daar. Er is vaak over gepreekt als de “oplossing” van de spreekwoordelijk geworden “Babylonische spraakverwarring”. Dat kan wel zijn. Mensen voelden zich na eeuwen misverstanden weer begrepen. Maar dat gebeurde niet door opheffing van de diversiteit, integendeel.
Het Pinksterverhaal is hiermee ook politiek. Het licht het voetje met alle taaltirannie van bezettende machten: de dominantie van het hellenistische Grieks, het Romeinse Latijn. En dus ook van het Sovjet-Russisch, het commercieel-Engels, van de ontmenselijkende Artificial “Intelligence”, “social” media en virtual “reality”. En ja, van de taal van het aankomstland, dé poort tot integratie/kansen/gelijkwaardigheid. “Nee joh, spreek gerust je moerstaal, we verstaan je, sterker nog, we passen onze taal en tongval aan jou aan. Aan jou, nieuwkomer, ontheemde, aangewaaide mens van welke windstreek en sociale status ook.” Dit is wat het Pinksterverhaal ons zegt.
Maar is taaleenheid niet veel werkbaarder? Het kan toch positief zijn? Het Esperanto was toch letterlijk een hoopvol project? Er kruipt zoveel energie in vertaling en vertolking, letterlijk en figuurlijk, op allerlei niveaus. Dat is waar. En toch. Kennelijk kiest de Heilige Geest niet voor een soort eenheidsmatrix. Mensen behouden hun allereigenaardigste eigenheid en worden zelfs daarin bevestigd. Want ja, taal is eigenheid. Dat gaat diep.
Ik was een ABN-sprekend meisje van 17 jaar uit de Hollandse polder – toen heette dat nog Algemeen “Beschaafd” Nederlands – toen ik bij mijn vriendje (nu mijn man) ging logeren in het Belgische West-Vlaanderen waar ze een sterk dialect spreken. In dat dialectbad voelde ik hoe dat mooie Westvlaams de oude ziel van die streek deed klinken. Zoals elk sterk dialect en elke volkstaal. Ik hou van taal en genoot volop. Maar ik schrok toen ik voor het eerst mijn toen aanstaande schoonvader zijn gebed voor het eten hoorde uitspreken: opeens sprak hij God aan in het afstandelijke Algemeen Nederlands. Wat een contrast! Alsof God een vreemde mijnheer was, ver boven gewone mensen en ver van hun ziel en leefwereld. Maar nee, dat hoort zo, zegt mijn man, dat is beleefd, respectvol voor God. Sluiten eerbied en warmte elkaar dan uit? Datzelfde AN was in West-Vlaanderen de opgelegde schooltaal, na ook nog jarenlange Franstalige en andere overheersingen. Zoals het dat ook was in de Nederlandse kolonies. Ook mijn eigen taal was dus middel tot kolonisatie… maar dat realiseerde ik mij als geprivilegieerd kind pas vele jaren later.
Pinksteren. Ik besef het nu en kan het niet meer niét beseffen. Pinksteren is ook politiek. De Geest van God licht taal-als-tirannie het voetje. Zij zingt poëzie als de Westvlaamse Guido Gezelle. Ze rapt protestsongs als nakomelingen van tot slaaf gemaakten, ze uit zich in slam poetry en ratjetoe straattaal als geschuwde grotestadsjongeren. Ze houdt van Oekraïens, Wit-Russisch, Armeens en Koerdisch, van Palestijns-Arabisch en Berbers. Ze houdt van Zeeuws en Fries, en van de taal van jouw oma. Voel je ’t ook? De ziel van deze mensen? “‘Tèsmor da we mekanderen verstaon é!”
Petra Schipper is sinds 1 februari j.l. halftijds gemeentepredikant, halftijds stadspredikant (pionier) in de Verenigde Protestantse Kerk in Leuven (B.). Hiervoor was zij diaconaal stadspredikant in Antwerpen.