Filippenzen
INLEIDING
Paulus schreef deze brief (die dikwijls ‘de brief van de blijdschap in Christus’ genoemd wordt, vanwege de herhaalde vermelding daarvan) aan de christenen in de stad Filippi, een stad in Nd. Griekenland (Macedonië), ± . van de zee verwijderd, genoemd naar de stichter Filippus (vader van Alexander de Grote). Filippi werd in de geschiedenis bekend doordat dicht erbij in 42 v. Chr. de moordenaars van Caesar, Cassius en Brutus, met hun leger verslagen werden, maar nog meer omdat het de eerste plaats in Europa is, waar Paulus predikte, zoals uitvoerig beschreven is in Hand. 16. Toen Paulus in gevangenschap verkeerde, zond de gemeente in Filippi, die steeds nauw verbonden met Paulus bleef, een zekere Epafrodi-tus om een gave der gemeente aan Paulus over te brengen en verder op alle manieren Paulus ten dienste te staan. Epafroditus kon de gave aan Paulusoverhandigen (4: 18), maar werd zelf ernstig ziek (2:27). Na herstel laat Paulus hem teruggaan, met deze brief aan de Filippenzen bij zich, waarin Paulus bedankt voor de gave en tegelijk de gang van zaken met Epafroditus uitlegt. Natuurlijk vertelt Paulus in deze brief ook van de omstandigheden in de gevangenschap (1:12-26), en zoals Paulus altijd ‘enige geestelijke gave wilde mededelen’ (Rom. 1:11), zo vlecht hij in deze brief verschillende opbouwende en vermanende uitspraken in.
Eeuwenlang hield men het voor vast, dat Paulus deze brief schreef in de gevangenschap te Rome, waar Hand. 28 over spreekt, maar tegenwoordig meent een aantal Bijbeluitleggers dat Paulus in Efeze in gevangenschap was ten tijde van het schrijven, op 4 gronden: 1. Uit 2 Kor. 11:23-27 zien we dat Paulus meer lijden ondervonden heeft dan in Hand. vermeld wordt; 2. Uit 2 Kor. 1:811 blijkt dat Paulus in Efeze in levensgevaar verkeerd heeft; 3. Het vele heen-en-weer gaan van berichten tussen de gevangen Paulus en Filippi, waar 2:26 van spreekt, is bij Efeze lichter te begrijpen dan bij het verder weg gelegen Rome; 4. ‘Mensen aan het huis des keizers verbonden’, d.i. personeel van de keizer (4:22), waren er ook in Efeze.
Maar het blijft bevreemdend dat een vrij lange gevangenschap van Paulus in Efeze niet vermeld zou zijn in Hand. 19. Vrij wat geleerden blijven vasthouden aan vervaardiging van de brief in Rome; o.i. loopt de verklaring het ‘natuurlijkst’ met Rome als achtergrond: Jaar van schrijven dan ± 62.
De stad Filippi, nu een ruïne, stond in Paulus’ tijd op het hoogtepunt van haar bloei. Het was geen grote stad, maar officieel begiftigd met de titel ‘romeinse kolonie’, gepaard met een aantal voorrechten; er woonden vrij veel veteranen van het romeinse leger (en nageslacht van hen).
Inhoud van de brief
Schrijver, geadresseerden, groet, dankzegging, gebed 1: 1-11
Mededelingen van Paulus over zijn gevangenschap 1:1226
Oproep tot volharding in christelijke wandel en tot gezind-zijn als Jezus 1:27-2:18
Over Timoteüs en Epafroditus 2:19-3:1
De ware gerechtigheid 3:2-16
Waarschuwing tegen genotzuchtig leven en verdere vermaningen 3:17-4:9
Paulus’ dank voor de gift uit Filippi; groeten 4:10-23
VERKLARING
Schrijver, geadresseerden, groet, dankzegging, gebed 1:1-11
In Paulus’ tijd begon men een brief met het noemen van schrijver en geadresseerde, daarna een groet, vaak gevolgd door enige woorden van dankzegging en gebed; al deze elementen zijn er in dit openings-gedeelte. Timoteüs (1) wordt mede genoemd omdat hij bekend was bij de Filippenzen (zie Hand. 16, 19:22 en 20:3-6) en met de inhoud van de brief instemde.
In vss 1 en 2 zijn twee woorden, die alleen met behulp van het O.T. goed te begrijpen zijn: Israel was een ‘heilig volk’, omdat het afgezonderd was door God en tot Gods dienst geroepen; daarom heet ook de gemeente ‘heiligen’; en vrede is welzijn in alle opzichten.
Het deelhebben (di. bijdragen) aan de prediking van het Evangelie (5) gebeurde o.a. door het zenden van gaven aan Paulus (vgl. 4:15, 16).
In vss 9, 10 bidt Paulus voor de gemeente om helder inzicht en fijngevoeligheid (di. onderscheidingsvermogen), wat de gemeente in Filippi nodig had, omdat zij temidden van een heidense omgeving leefde, nog weinig traditie had en in allerlei dingen haar houding moest bepalen; in vs 10 kan ‘waarop het aankomt’ nog duidelijker vertaald worden met ‘wat het beste is’. In vss 6 en 10 is de dag van Christus de wederkomst. In vs 7 zegt Paulus dat de Filippenzen door hun daadwerkelijk getoonde belangstelling deelgenoten werden van de aan hem gegeven genade; met een gedachtenwending noemt hij zijn lijden een genade (vgl. vs 29). Ontferming van Christus in vs 8 betekent ontferming die door Christus gewekt is.
Mededelingen van Paulus over zijn gevangenschap 1:2-26
De gemeente van Filippi wilde vanzelf meer weten van Paulus’ wedervaren tijdens zijn gevangenschap. Hij vertelt daarvan, maar op ontroerende wijze stelt hij daarbij de voortgang van het evangelie centraal. Juist zijn gevangenschap bracht hem in contact met mensen die hij anders niet bereikt zou hebben. Het gehele hof (13) hoorde zo van Christus. In de grondtekst staat het aan het Latijn ontleende woord ‘praetorium’; als de brief uit Rome geschreven werd, dan worden daarmee de keizerlijke garde-soldaten, de ‘praetorianen’, bedoeld die bij toerbeurt Paulus bewaakten; zat Paulus in een andere stad gevangen, dan is praetorium de bevolking van het provinciaal overheidsgebouw. Met mensenkennis doorziet Paulus dat, nu hij zich niet vrij bewegen kan, sommigen uit nijd (15), di. afgunst, extra ijverig Christus gaan prediken, om Paulus in de schaduw te stellen en zijn gevangenschap zwaar te maken (17). Maar Paulus is zo groot van ziel dat hij zich ook in die Christusprediking verblijdt (18), ondanks het bijoogmerk.
Met aanhaling van de Septuaginta van Job 13:16 zegt Paulus in vs 19 dat dit alles, gevangenschap en afgunst, hem tot behoud zal strekken (dwz. ten goede, vgl. Rom. 8:28). De gevangenschap doet Paulus denken aan de mogelijkheid van een ter dood gebracht worden; en eigenlijk wil hij wel graag sterven en met Christus zijn (23); hier wordt duidelijk geleerd dat de gelovige meteen na de dood bij Christus is. Maar Paulus is ook bereid nog te blijven leven tot welzijn van de gemeente; hij gelooft dat God hem nog verder op aarde zal laten werken (25); Kantt. SV zagen al in dat hij hier niet spreekt van een bijzondere profetische openbaring aan hem.
Oproep tot volharding in christelijke wandel en tot gezind zijn als Jezus 1:27-2:18
Zoals hij in al zijn brieven doet, roept Paulus op tot een levensgedrag, dat past bij het Evangelie; hij roept ook op om als goede strijders van Christus moedig en eensgezind stand te houden, ondanks plagerijen en moeilijkheden van de kant van heidense tegenstanders; lijden voor Christus is een teken van eeuwig behoud (28) en een genade (29); ook in Hand. 5:41 wordt het een eer geacht voor Christus te mogen lijden. In vs 30 roept Paulus in herinnering, hoe ze de gerechtsdienaren Paulus smadelijk tot bloedens toe zagen afranselen op de markt te Filippi (zie Hand. 16).
In 2:1-11 gaat Paulus voort met in bewogen woorden de gemeente tot eensgezindheid op te roepen, waarbij hier niet gedacht wordt aan eensgezindheid in de leer, maar in de onderlinge omgang. In 2:1 kan het griekse woord ‘pa-raklèsis’ vertaald worden met ‘troost, bemoediging’, maar ook met ‘vermaning, beroep’; de uitleggers verschillen er ook van mening over of in het verdere van dit vs de liefde en barmhartigheid van Christus bedoeld zijn, of die van Paulus en de Filippenzen. Egoïsme (zelfzucht en ijdel eerbejag, vs 3) is in alle tijden een grote hindernis voor eensgezindheid in de gemeente. Laat de gemeente bedenken hoe Christus vrij van zelfzucht was! Nu voegt Paulus in vss 6-11 een lied over Christus in, waarvan men meestal aanneemt dat het in ongeveer deze vorm reeds bestond in de chr. gemeenten.
Dat lied zingt ervan, dat Christus, vóór Hij op aarde verscheen, in de gestalte Gods was, maar Hij achtte dat geen roof, dwz. Hij wilde er niet zelfzuchtig van genieten (6), maar Hij ontledigde Zichzelf van de goddelijke gestalte en nam de dienstknechts-gestalte aan van een zwoegend mens, zoals wij allen zijn; Christus werd gehoorzaam aan God, tot in de smartelijke en smadelijke kruisdood (8); juist om dit alles verhoogde God Hem, en gaf aan Hem de allerhoogste naam, waarmee de naam ‘Here’ bedoeld wordt; bij de wederkomst zal die naam gewillig of gedwongen erkend worden (zo wordt met aanhaling van Jes. 45:23 gezegd) door allen in het heelal; ‘die onder de aarde zijn’ (10) betekent overledenen en duivelen.
In vs 12 roept Paulus de gemeente op om ook in zijn afwezigheid gehoorzaam te zijn, zoals volgens vs 8 Christus was, en door die gehoorzaamheid aan hun zaligheid, di. behoud, te werken. Dit werken moet gebeuren met vrees en beven, omdat het om niets geringers dan eeuwig behoud gaat; maar dit werken kan gebeuren, omdat God zelf in hen werkt (13). Laten ze Gods wil doen zonder morren en bedenking; dan zullen ze anders zijn dan het murmurerend Israel in de woestijn, en als lichten schijnen onder een verkeerd geslacht (deze woorden, in Deut. 32:5 van Israel gezegd, worden hier gebruikt voor de niet-Christenen waartussen zij leven). In vs 16 is ‘vasthoudend’ beter dan ‘voorhoudend’ in SV. In vs 17 blijkt deze brief weer ‘brief der blijdschap’ te zijn; Paulus kan zelfs blij zijn, als door een doodvonnis om Christus’ wil zijn leven zou geplengd worden, zoals wijn als plengoffer uitgegoten werd. Bij een dieroffer hoorde ter completering een plengoffer (Num. 15:1-4); bescheiden noemt Paulus zijn dood zo’n completerend offer bij de offerande des geloofs der Filippenzen (17); hij blijft oudtestamentische woorden gebruiken, als hij hun geloof ook een bediening, of duidelijker vert. ‘eredienst’ noemt, waarin de Filippenzen priester en offer tegelijk zijn (vgl. Rom. 12:1).
Over Timoteüs en Epafroditus 2:19-3:1
Paulus hoopt zijn trouwe medewerke en ‘zoon’ Timoteüs naar Filippi te zenden; Hij eert Timoteüs door te zeggen dat die niet is als andere christenen, die nog te veel hun eigen belang zoeken (21). Verder zendt Paulus Epafroditus terug, die door de Filippenzen gezonden was om de gevangen Paulus te blijven helpen; hij legt de gang van zaken uitvoerig uit, om deze Epafroditus van alle blaam van slechte dienst te zuiveren, en noemt hem erend ‘medestrijder’ (25). Epafroditus was van heidense geboorte, want zijn naam betekent ‘aan de godin Afrodi-te verbonden’. Met veel hulpvaardigheid en tact tracht Paulus te zorgen voor een goede ontvangst van deze man in Filippi.
De ware gerechtigheid 3:2-16
Mogelijk slaat ‘hetzelfde schrijven’ in vs 1 b op de nu beginnende waarschuwing tegen mensen, die hun heil wilden bouwen op besnijdenis en het nakomen van andere joodse wetten (misschien met behoud van de christen-naam), en de gemeente van Filippi graag daartoe zouden willen brengen; Paulus noemt hen honden (2), met het scheldwoord dat de Joden voor de heidenen gebruikten, en noemt de door hen gepropageerde besnijdenis een ver-snijdenis (2), di. verminking, want degenen die leven uitChristus en de Heilige Geest hebben de ware ‘besnijdenis’, en steunen niet op vlees, di. iets menselijks.
Op ontroerende wijze somt Paulus op, hoe hij zelf eens een hele reeks menselijke voorrechten en prestaties had: als klein kind al besneden; geboortig uit de stam Benjamin, waaruit Israels eerste koning kwam, en die ook in ere stond omdat Benjamin de enige zoon van Jakob was, die in het heilige land geboren was; een Hebreër uit de Hebreën (5), wat waarsch. betekent dat hij van huis uit Hebreeuws of het daarmee sterk verwante Aramees sprak; en bovendien een farizeeër (5). Maar de grote verandering in zijn leven was, dat hij al die dingen schade en vuilnis leerde achten (8), om Christus als enige rijkdom en steunpunt te hebben, die door het geloof zijn gerechtigheid werd, wat betekent dat hij door Hem in goede verhouding tot God kwam.
In vss 10-14 geeft Paulus een prachtige samenvatting van het ware christelijke leven: dat is behalve het hebben van de rechtvaardiging door Christus ook door het geloof de innerlijk vernieuwende en dragende kracht van Christus’ opstanding ervaren, en tevens lijden zoals Christus in een Gode-vijandige wereld leed; om tenslotte op de dag des oordeels tot opstanding uit de doden (opstanding des li-chaams) te komen. Dat christelijke leven houdt geen volmaaktheid in (12), maar jagen naar volmaaktheid, omdat men door Christus gegrepen is; in vs 14 worden beelden uit de renbaan gebruikt.
In vs 15 wordt het woord ‘volmaakt’ in een beperkte zin gebruikt, van ‘gerijpt christen’. Paulus gelooft dat God aan de in de christelijke loopbaan gaande Filippenzen al meer openbaring zal geven, zoals zo veel Christenen in alle eeuwen ervaren hebben dat hun geestelijk inzicht gaandeweg toeneemt.
Waarschuwing tegen genotzuchtig leven en verdere vermaningen 3:17-4:9
Paulus roept op om zijn levenswandel na te volgen, en niet die van mensen, die van de buik hun God maken (19). Omdat hij wenend zegt dat zij vijanden van het kruis van Christus zijn (het mee-lijden met Christus), spreekt hij hier wel over mensen, die zichzelf nog christenen noemden. Misschien zijn het mensen, die de dwaalleer van libertinisme (leven in ‘vrijheid’) of antinomisme (wetsverwerping) aanhingen, en die meenden losbandig te kunnen leven, als hun ‘geestelijk leven’ maar goed was, en zelfs eerstelden in een ‘vrij’ leven, dat in werkelijkheid schande was. Maar het is ook mogelijk dat Paulus meer algemeen naam-christenen bedoelt, die in genotzucht en aardsgezindheid leefden. Weinig waarschijnlijkheid heeft oi. de verklaring, door sommige uitleggers voorgesteld, dat de mensen die ‘de buik tot hun God maken’, zorgvuldig joodse spijswetten hielden.
In vs 20 zegt Paulus, dat in tegenstelling tot zo’n aardsge-zind leven, de ware christenen besef moeten hebben van burgers van een rijk in de hemelen te zijn; dit kon de mensen in de romeinse kolonie Filippi aanspreken, die zich sterk verbonden voelden met de verre moederstad Rome. Vanuit die hemel verwacht de christen de zaligmaker (redder) Jezus, die bij de doden-opwekking ons vernederde (dwz. zwakke en sterfelijke) lichaam aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkmaken zal (21). Voor 21b vgl. 1 Kor. 15:27.
In 4:2, 3 blijkt hoe belangrijk Paulus de eenheid acht; twee vrouwen in Filippi, Euodia (‘goede reis’) en Syntyche (‘geluk’), die op één of andere wijze zich zeer hebben ingespannen voor de opbouw der gemeente, leefden op gespannen voet. Door deze brief, die voor de verzamelde gemeente werd voorgelezen, roept Paulus hen tot vrede op; ‘in den Here’ (2) wil zeggen: juist om de relatie die beide vrouwen tot Christus hebben (‘Here’ bet. in Paulus’ brieven meest Christus). Welke metgezel van Paulus hen behulpzaam moet zijn bij het herstel der verhoudingen, weten we niet; misschien heeft de bekende uitlegger J.B. Lightfoot goed geraden dat het Epafroditus is. Soms meent men dat in het Grieks hier een eigennaam bedoeld is (Syzygus), maar die is dan zeer ongebruikelijk.
In vs 4 wekt Paulus nog eens op tot blijdschap in de Here, di. Christus. Het griekse woord in het begin van vs 5 kan met ‘bescheidenheid’ en ‘vriendelijkheid1 vertaald worden, en ook met ‘toegevendheid’; juist omdat de gelovige weet onder de bescherming van Christus te staan, en diens wederkomst verwacht (‘de Here is nabij’ betekent die wederkomst), kan hij vriendelijk en bescheiden zijn, zonder een krampachtig strijden voor eigen belang en positie. In vss 6, 7 wekt Paulus, zoals zo vaak, op tot gebedsleven, wat tot vrucht heeft vrede (hier ziele-vrede), die hoger is dan het verstand bewerken kan. In vs 8 staat een grieks woord, dat meestal ‘lof’ betekent, maar volg. de meesten hier wil zeggen: ‘wat lof verdient’.
Paulus’ dank voor de gift uit Filippi; groeten 4:10-23
Nu gaat Paulus uitvoeriger bedanken voor de door Epafroditus voor hem meegebrachte gift der Filippenzen (misschien geld, kleren). Eigenlijk had Paulus die gift niet nodig, want hij heeft geleerd genoegen te nemen met de omstandigheden; hij gebruikt hier het griekse woord ‘autarkes’, waarmee de wijsgeren in die tijd ‘de kunst van zelfgenoegzaamheid’ bedoelden, maar blijkens vs 13 is dit bij Paulus veeleer ‘Christus-genoegzaamheid’ dan zelfgenoegzaamheid. In vs 12 zegt Paulus dat hij in alle levensomstandigheden ‘ingewijd’ is, met een woord dat gebruikt werd voor inwijding in mysterie-godsdiensten. In vss 15-18 gebruikt Paulus half schertsend allerlei termen, die in die tijd bij boekhouding gebruikt werden: met de gemeente te Filippi heeft hij een ‘rekening van uitgave en ontvangst’ (hij heeft haar het Evangelie mogen geven, en ontvangt nu ondersteuning van haar); en wat de gemeente in liefde gaf aan Paulus, wordt weer een ‘tegoed op haar eigen rekening, iets waarvoor God haar zal belonen, zodat ze door dit geven rijker wordt; en in vs 18 verklaart Paulus dat hij met de ontvangen gift zijn arbeidsloon van de Filippenzen heeft ontvangen, met een woord voor ‘ontvangen’, dat men in die tijd op kwitanties zette. Tenslotte noemt hij de gift der Fiiippenzen nog heel ernstig een welriekend offer, zoals de verbrande offerdieren in het O.T. genoemd werden (bv. Num. 15:124).
Voor heiligen in vs 21 zie aant. op 1:1. In vs 22 zijn die aan het huis des keizers verbonden zijn geen familie van de keizer, maar personeel (slaven, en vrijgelatenen die nog in zijn dienst waren, en misschien ook garde-soldaten). Dat Paulus hun groeten kan overbrengen, is voor de Filippenzen een teken van de overwinningsgang van het Evangelie.