Menu

Premium

Galaten

INLEIDING

1.Wie zijn de Galaten?

In de dagen van Paulus bestond er een romeinse provincie Galatië, eenStreek die tegenwoordig in centraal Turkije gesitueerd is. De hoofdstad was Ancyra; dat is het huidige Ankara, de hoofdstad van Turkije. De Galaten waren Kelten die omstreeks 300 v.Chr. naar dit gebied kwamen vanuit het westen. Rond 25 v.Chr. kwamen dezen onder de macht van Rome. Het landschap Galatië werd toen uitgebreid met andere gebieden tot de provincie Galatië. De omvang van deze provincie is het beste aan te geven door het noemen van enkele steden: Ankara, Konya (= Iconium), Lystra, Derbe, Antiochië. Het is het gebied ten noorden van het Taurusgebergte tot en met de hoogvlakten rond Ankara. In Paulus’ dagen was dus de provincie Galatië beduidend omvangrijker dan het landschap Galatië. Deze kwestie is onder meer van belang voor de datering van deze brief. Omdat er geen plaatsnamen worden genoemd, is het niet mogelijk om op grond daarvan te zeggen of Paulus aan de christenen in het landschap Galatië schreef, in het noorden, of aan de stedelijke gemeenten in het zuiden van de provincie. Als het om het noorden gaat, hebben we voornamelijk met heiden-christenen te maken. Als het om het zuiden gaat, zullen er eveneens verschillende Joden in die steden gewoond hebben.

2.Tijd en plaats van ontstaan

We spreken van de noordgalatische of van de zuidgalati-sche hypothese. In het geval dat Zuid-Galatië (provincie) wordt bedoeld, is de brief geschreven nog vóór het apostelconvent in Hand. 15. De joods-christelijke tegenstanders wonen in de galatische gemeenten, zoals Lystra, Derbe en Antiochië. Dan moeten we deze brief omstreeks 48 dateren. Het is in dat geval de eerste brief van Paulus, die vanuit Antiochië aan de Orontes in Syrië (Hand. 14:26) is geschreven.

Het lijkt mij dat we deze brief later moeten dateren. Hij is gericht aan de noordgalatische (landschap)gemeenten. Gal. 2:1-10 handelt over hetzelfde bezoek aan Jeruzalem als Hand. Handelingen is ook alleen sprake van het landschap Galatië: Hand. 16:6, 18:23. In Gal. 2:12 is sprake van Joden-christenen die in Galatië gekomen zijn. Natuurlijk is niet bewezen dat dit dezelfden zijn als de tegenstanders van Paulus. Ofschoon de berichtgeving over het apostelconvent in Gal. 2 wat anders is dan die in Hand. 15, lijkt het mij, dat er een duidelijke overeenkomst bestaat in de beschrijving van de opname van de heidenen in de christelijke kerk, zonder dat dezen besneden moeten worden. De brief is omstreeks 54 geschreven vanuit Efeze (Hand. 19). Noch de noordgalatische, noch de zuidgalatische hypothese is met absolute zekerheid te bewijzen.

3.Paulus’ houding tegenover de wet

De tegenstanders van de apostel in Galatië noemen we judaïsten. Dat betekent: zij zijn Joden die Jezus als de Messias belijden. Zij zijn van mening dat de heidenen die Jezus aanvaarden als hun verlosser eerst Jood moeten worden. Zij moeten zich laten besnijden en de spijs- en reinheidsvoorschriften houden. Paulus bestrijdt hen daarin. Nu is de moeilijkheid voor ons, dat bij de Joden de ethische wet én de cultische wet niet gescheiden kunnen worden. Uiteraard heeft de apostel gewild dat de heiden-christenen in hun ethische gedrag zich naar Gods wil richten. Echter, hij is van mening, dat het navolgen van welke wetsregel dan ook nooit als voorwaarde gesteld mag worden voor het echte christen-zijn. Het gaat om het leven door de Geest, uit de vrijheid, uit het geloof. Paulus argumenteert hier op een radicale wijze. Zijn uitspraken over de wet kunnen daarom nooit buiten dat verband waarin ze nu staan, werkelijk begrepen worden.

4.De inhoud van de Galatenbrief

In de door Paulus gestichte gemeenten in Galatië is grote opschudding ontstaan doordat Judaïsten, waarschijnlijk uit Jeruzalem, de heiden-christenen aldaar willen bewegen om zich te laten besnijden en ook om de joodse cultische voorschriften te gaan volgen teneinde werkelijk goede christenen te zijn. De apostel verzet zich heftig daartegen. In geen enkele andere van zijn brieven is zijn toon zo scherp als in dit geschrift. Tenslotte wordt zijn benadering milder en kan hij hen toch ‘broeders’ noemen (Gal. oa. 1:11; 6:18).

De brief aan de Galaten kan als volgt ingedeeld worden.

Groet en inleiding 1:1-12

Paulus’ roeping tot apostel 1:13-24

Het apostelconvent in Jeruzalem 2:1-10

De overeenkomst van Jeruzalem in de praktijk 2:11-21

Paulus tegenover Petrus 2:11-14

Geloof tegenover de werken der wet 2:15-21

Het leerstellige gedeelte. De kern van de brief. Door hetgeloof is de mens vrij 3:1-5:12

Het ethische gedeelte. Leven uit de rechtvaardiging; de keuze tussen het leven naar het vlees of door de Geest 5: 13-6:10

Een laatste vermaning en groet 6:11-18

VERKLARING

Groet en inleiding 1:1-12

Paulus, een apostel van Jezus Christus 1:1-5

Paulus, een apostel, … door Jezus Christus (1): De tegenstanders van Paulus betwisten hem zijn apostelschap. Hij beroept zich nu op de openbaring van Christus aan hem bij Damascus. Hij behoort wel terdege bij de groep van de twaalven. Hun apostelschap is eenmalig: de opgestane Here heeft hen tot deze taak geroepen (Joh. 20:21; Hand. l:21v). Daarom is ook hun gezag uniek. Daarnaast zijn er: gezanten of afgevaardigden van de gemeenten (2 Kor. 8:23; Filp. 2:25). Letterlijk staat er in het Grieks eveneens: apostelen. Maar dezen hebben hun ambt door middel van de gemeenten ontvangen. Paulus en de twaalven zijn gevolmachtigden van Jezus Christus. In het Jodendom betekent dat: iemands gevolmachtigde is als hijzelf. Christus handelt in opdracht van God de Vader (1); Hij is de opgestane Here en al de broeders (2): Paulus weet zich gesteund door de broeders die bij hem zijn. Het zijn zijn medewerkers, die echter geen aparte benaming krijgen. De christenen in Galatië worden zeker nog als gemeenten van Christus aangesproken. De normale woorden: genade en vrede (3) worden ook hier voor de groet gebruikt. Christus, die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden IA): we mogen leven uit de verzoening. Dat betekent dat we uit deze wereld waarin we nu leven, en die een beperkte duur heeft, door Christus gered zullen worden in de toekomende wereld. In zijn opstanding zien wij deze nieuwe wereld aanlichten. De in de andere brieven uitgesproken dankzegging over de bloei van de gemeenten wordt vervangen door de lofprijzing aan God, overgenomen uit de joodse liturgie.

Er is maar één evangelie 1:6-9

Het verbaast mij, dat gij u zo schielijk… laat afbrengen tot een ander evangelie (6): Paulus is werkelijk verwonderd over de zo snelle verandering in de geloofshouding van de Galaten. Wat geen evangelie is (7): Zijn tegenstanders brengen een verkeerde boodschap, die geen evangelie is. Toch dreigen de gemeenten hen te volgen, maar daarmee worden zij ontrouw aan de roeping van God die hen namelijk bij het door Paulus verkondigde evangelie heeft bepaald. Maar dat ze door de Here geroepen zijn, is juist de uiting van zijn genade. De tegenstanders, die kennelijk nog in Galatië aan het werk zijn, verwarren de gemeenten. Het zijn er maar een paar: sommigen; terwijl de broeders (vs 2) en de autoriteit van de gemeente van Jeruzalem achter Paulus staan. De apostel is zo overtuigd van de waarheid van het door hem verkondigde evangelie, dat hij over iedereen die iets anders zou brengen, zelfs als die een (dwalende) engel uit de hemel zou zijn, de banvloek uitspreekt.

Het paulinische evangelie is openbaring van Jezus Christus 1:10-12

Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus (12): Het verwijt dat zijn evangelie naar de mens zou zijn en van een mens ontvangen, beantwoordt Paulus in de stijlvorm van een chiasme. Daarbij worden de aan de orde zijnde zaken in tegengestelde orde behandeld. In 1:13-2: 21 weerlegt hij allereerst het bezwaar dat zijn verkondiging van een mens zou stammen. In het tweede gedeelte van de Galatenbrief: 3:1-6:10 beantwoordt hij het eerste verwijt, dat zijn evangelie naar de mens zou zijn, dat hij daarmee mensen zou proberen te winnen. Hierin komen twee bewijzen uit het O.T. voor: 3:6-9 en 4:21-31, die beide uit het leven van Abraham afkomstig zijn. Paulus wil in zijn optreden alleen dienstknecht van Christus zijn. In vs 11 noemt hij de Galaten voor het eerst ‘broeders’.

Paulus’ roeping tot apostel 1:13-24

Er moeten twee vragen beantwoord worden: 1) hoe is de vroegere vervolger van de christenen tot een verkondiger van net evangelie geworden?: 1:13-24; 2) hoe is de houding van de christelijke gezagsdragers in Jeruzalem tegenover Paulus?: 2:1-10.

Ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd (13): De apostel spreekt eerlijk, maar scherp tegenover zichzelf, over zijn vervolgen van de gemeente Gods. Het gaat hier over de voornamelijk joods-christelijke gemeenten in Judea. De christenen zijn zich bewust de eschatologische gemeente van de Here te zijn (eschatologie-leer van de laatste dingen). En in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan velen van (mijn) tijdgenoten (14): Paulus wijst op zijn ijver in het volgen van de Tora (= leer). Alleen door een ingrijpen van de Here zelf is dit veranderd. Zijn roeping tot het apostelschap ziet hij in verbondenheid met Jer. 1:5 en Jes. 6:1-13. Ofschoon Christus’ openbaring bij Damascus (vs 15) zonder nadruk genoemd wordt, is dat toch het belangrijkste moment geweest. Met de komst van Gods Zoon is de eindtijd aangebroken. Daarom moeten nu ook de heidenen (= de nietJoden; de volken) zijn boodschap horen (vs 16). De goddelijke roeping tot het apostelschap wordt onderstreept door het feit dat hij pas na drie jaar de kerkelijke gezagsdragers in Jeruzalem heeft opgezocht.

Op grond van de gegevens in deze perikoop kunnen we enkele data van het leven van Paulus uitrekenen. Zijn bekering heeft plaatsgevonden omstreeks 30/31. Hij ging naar Jeruzalem: 32/33.

Het apostelconvent in Jeruzalem 2:1-10

Daarna ging ik na verloop van 14 jaar weder naar Jeruzalem (1): Dit tweede bezoek van Paulus aan Jeruzalem is waarschijnlijk hetzelfde, dat we uit Hand. 15 kennen, toen de eerste grote kerkelijke vergadering aldaar plaatsvond. Er bestaan verschillen tussen Gal. 2 en Hand. 15. Waarschijnlijk is de weergave tegenover de Galaten de nauwkeurigste: alleen zó kon Paulus hen overtuigen. Volgens de wijze van berekenen van de tijdspannen in het Oosten – het jaar waarin een gebeurtenis begon, wordt meegerekend – kunnen wij de vergadering van Hand. 15 omstreeks 48 dateren. En ik legde hun het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig (2): Hij wil in het gesprek met de andere apostelen bovenal de eenheid van de christenen bewaren, dus van: Joden- en heiden-christenen. Hij wil geen kerk zonder Jeruzalem als centrum. Hij zal met spanning de afloop van deze vergadering hebben tegemoet gezien. Als zij zijn evangelie, dus: zonder het volgen van de voorschriften van het Jodendom, zouden aanvaarden, is alles goed. Zijn ongerustheid blijkt uit vs 2. Maar de apostelen leggen hem verder niets op (vs 6). Daarmee hebben de twaalven geaccepteerd dat de heidenen niet eerst Jood moeten worden, om als volgeling van Christus te gelden. Ook al zijn dezen vroeger strenger geweest in dit opzicht (vs 6: wat zij vroeger geweest mogen zijn), nu hebben zij de heidenen, zegt Paulus aan de Galaten, officieel toegelaten. Deze overeenkomst bergt echter wel bepaalde problemen in zich, namelijk: hoe moeten en kunnen Joden- en heidenchristenen met elkaar samenleven?

De overeenkomst van Jeruzalem in de praktijk 2:11-21

Paulus tegenover Petrus 2:11-14

Maar toen Céphas te Antiochië gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet (11): Als Petrus in Antiochië op bezoek is, houdt hij zich niet aan de joodse spijswetten, maar eet met de heiden-christenen. Daarmee bevordert hij de eenheid van de gemeente. Wetsgetrouwe Joden-christenen uit Jeruzalem komen eveneens naar Antiochië. Zij eten niet met de anderen; dat is hun goed recht, want zij willen zich houden aan de joodse spijswetten. Daardoor wordt wel de eenheid van de kerk gebroken. We moeten hen zeker niet zien als fanatici. Jakobus, de toenmalige leider van de gemeente in Jeruzalem, moet een zachtmoedig mens geweest zijn. Petrus, samen met anderen, waaronder Barnabas, weigert nu ineens met de heiden-christenen de maaltijd te gebruiken. Paulus verwijt hun dat; hij beschuldigt Petrus terecht van huichelarij. Hij neemt dit zo hoog op omdat de eenheid van de gemeente, die zich uit in het samen vieren van het avondmaal, op het spel staat. Dit voorval maakt duidelijk dat de overeenkomst van Jeruzalem in de praktijk soms bepaalde moeilijkheden met zich mee kon brengen.

De hoofdzaak is het geloof en niet de werken der wet 2:15-21

Paulus richt zich hier verder tot Petrus en zet voor hem uiteen waarop het in het volgen van Jezus aankomt. We moeten hier allereerst op twee dingenwijzen. Voor de Jood bestaat er geen tegenstelling tussen geloof en werken. Die horen bijeen: het geloof uit zich altijd in het leven daaruit. De wet wordt verder als eenheid gezien; dus er is geen verschil in wezen tussen de ethische en de cultische voorschriften. Het tweede is de wijze waarop Paulus het begrip ‘rechtvaardiging’ benut. In het Jodendom gaat het om de rechtvaardiging door God in het toekomstig oordeel. Van de mens wordt gevraagd om uit de wet te leven om dan voor de Here te kunnen bestaan. Paulus zegt nu dat dit toekomstige gebeuren reeds is geschied: in het sterven en de opstanding van Jezus. Hij heeft een ongelofelijk belangrijke beslissing weten te bewerken op de vergadering in Jeruzalem (Gal. 2:1-10), namelijk dat de heidenen zich niet behoeven te laten besnijden en dat zij zich niet aan de reinheids- en spijswetten behoeven te houden. Met ‘wet’ bedoelt de apostel hier het leven volgens de voorschriften uit het Jodendom, met het oog op de goddelijke rechtvaardiging in de toekomst. Ook de Joden weten trouwens dat deze rechtvaardiging uiteindelijk alleen van God kan komen. Door Christus’ sterven en opstanding, door ons deelhebben daaraan in het geloof – geloofsmystiek – zijn we gerechtvaardigd. Paulus heeft hier iets geheel nieuws gebracht.

Wij, geboren Joden, en geen zondaars uit de heidenen (15): In vs 15 noemt hij de heidenen zondaars. Bij de Joden bestaat de opvatting dat dezen namelijk zondaren zijn omdat zij zonder de goddelijke wet leven. Nu stelt hij verder, met een aanhaling uit Ps. 143:2, in vs 16, dat niemand voor de Here rechtvaardig is. In vs 17 wordt dat ad absurdum uitgewerkt: als Petrus en de zijnen eveneens aanvaarden dat we in Christus gerechtvaardigd worden, is de scheiding tussen Jood en heiden in principe opgeheven! Zou Christus dan in dienst van de zonde staan, omdat ook de Joden-christenen dus zondaars blijken te zijn die deze rechtvaardiging nodig hebben? Volstrekt niet. Maar dat zou Petrus doen als hij namelijk weer zou opbouwen (vs 18) wat reeds afgebroken was. Namelijk: de rechtvaardiging uit de werken der wet. Het is de halfheid, die de vrijheid in het geloof achteraf tot overtreding wil maken, die door Paulus wordt aangevallen. Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven (19): In vs 19 wordt aan Christus’ veroordeling gedacht. Die is ‘door de wet’ geschied. De christen die met Hem verbonden is, heeft geen deel meer aan deze wet. ‘Voor de wet gestorven’ betekent dat die nu geen macht meer heeft over de mens; deze bestaat niet meer voor de wet. Dat wordt in vs 20 en 21 uitgewerkt in de zin van de mystieke verbondenheid met Christus. We moeten hier waarschijnlijk mede aan de doop denken, die hier zonder genoemd te worden, wel bedoeld wordt (zie Rom. 6:lvv).

Het leerstellige gedeelte. De kern van de brief. Door het geloof is de mens vrij 3:1-5:12

De zegen van A braham geldt voor alle gelovigen 3:1-14 Galaten 3:1-5:12 is de kern van de brief. We zouden dit het leerstellige gedeelte kunnen noemen. In deze perikoop 3:1-14 gaat het om een nadere uitwerking van het in het voorgaande reeds in principe behandelde. Paulus wil nooit, ook hier niet, de betekenis van de wet ontkennen. Hij wil alleen duidelijk maken dat de mens uit zichzelf niet in staat is om voor God te bestaan, rechtvaardig te zijn. Hij kan dit niet bereiken, ook al is hij nog zo trouw in het navolgen van de wet. Maar zoals aan Abraham zijn geloof tot gerechtigheid werd gerekend, mogen ook de Galaten door het geloof in Jezus Christus, de gekruisigde voor de Here gerechtvaardigd zijn. Dat ervaren zij door de kracht van de Heilige Geest die zij ontvangen hebben. Zij delen dan in de zegen die God door Abraham aan alle volken wil schenken. Allen die geloven gelden als kinderen van Abraham (vs 7). Paulus tekent hier wet en geloof als tegenstellingen. In het Jodendom, zo onder meer in de rollen van Qumran, die in grotten bij de Dode Zee gevonden zijn, is de genade niet het tegendeel van de wet, maar het middel dat de mens helpt om de wet te vervullen. Geloof en genade zijn heel direct verbonden. Zij liggen praktisch in eikaars verlengde. In dit gedeelte argumenteert de apostel nadrukkelijk met behulp van vele aanhalingen uit het O.T.

A braham en Christus 3:15-18

Zelfs het testament van een mens, dat rechtskracht verkregen heeft (15): In vs 15 is sprake van ‘het testament’. In het Grieks staat hier het woord diathèkè, dat we anders met ‘verbond’ Vertalen. De LXX (= 70), de griekse vertaling van het O.T., geeft het hebreeuwse woord berit (= verbond), steeds weer met diathèkè. Dit woord heeft echter tevens de betekenis van: testament. Uit het verband van deze perikoop blijkt datPaulus hier over ‘het testament’ spreekt. Hij benut de dubbele zin die dit woord heeft in zijn argumentatie. De betekenis ‘verbond’ is de meer godsdienstige zingeving van dit begrip; ‘testament’ geeft eerder het dagelijks gebruik weer. De oorspronkelijke zin van diathèkè is: regeling, bepaling. Vanuit deze basisbetekenis ontstaan de zingevingen: ‘verbond’ en ‘testament’. Terwijl Paulus in zijn betoog ‘testament’ bedoelt, verwijst hij tegelijk, door het gebruik van dit bepaalde woord, naar ‘het verbond’ dat God met Abraham sloot.

Hij verdedigt hier dat de wet niets te maken heeft met de beloften die God aan de aartsvader gaf. Dat doet hij, volgens de uitlegkundige methoden van de rabbijnen, geheel terecht. Op ons echter komt deze argumentatie nogal vreemd over. In oa. Gen. 13:15, 17:7 is sprake van: zaad of nageslacht, in het enkelvoud. Dat kan, volgens Paulus, niet op Izaäk, Jakob enz. slaan. Want daar gaat het om meerderen. Die ene bedoelde persoon kan alleen Christus zijn. De wet is 430 jaar na Abraham gegeven (vs 17). Deze tijdsopgave stamt uit een bepaalde overlevering van de LXX bij Ex. 12:40. Op deze wijze wil de apostel dus aantonen dat de belofte eerder is dan de wet. Om die reden blijft de belofte van kracht; de wet heeft daarover geen zeggenschap. De belofte is verbonden met ‘het verbond’ dat God met Abraham sloot. Door de weergave van dit woord als ‘testament’ schept hij de tegenstelling van de belofte met de wet. Ook hier moeten we opmerken dat Paulus belofte en wet vanuit het Jodendom gezien, ten onrechte tegenover elkaar stelt. Hij doet dit hier in zijn verweer tegen de invloed van de Judaïsten in Galatië.

De betekenis van de wet 3:19-29

Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij er bijgevoegd (19): De geschiedenis wordt in twee perioden ingedeeld: de tijd van de wet, die voorafgegaan en afgesloten wordt door de tijd waarin het geloof de toon aangeeft. De wet wordt hier eigenlijk alleen in negatieve zin beoordeeld: zij brengt de mens tot besef van zijn zonden. Dit negatieve aspect wordt onderstreept door het verschil dat de belofte door God is gegeven, maar de wet door engelen aan een middelaar, Mozes, is toevertrouwd. Dit laatste is weliswaar een joodse visie, maar de apostel benut deze hier om het onderscheid met de oorsprong van de belofte te onderstrepen. Voor de Joden is dit echter juist de hoogste eer voor de wet: engelen hebben deze aan de mens gegeven. Paulus wil dit geheel anders verstaan, namelijk als een bewijs van de minderwaardigheid daarvan. Deze joodse traditie dat engelen aan de mens de Tora gaven, is jong. De wet op zichzelf is veel ouder dan dat tijdstip. Zij is één van de zeven dingen die geschapen werden vóór de schepping van de wereld.

Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen (29): Het zaad van Abraham is Christus. Daardoor zijn alle christenen erfgenamen van Gods belofte en daarom zijn zij allen één. (Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk) (28): Het laatste hier genoemde onderscheid in vs 28 dat nu verdwenen is: van mannelijk en vrouwelijk, heeft Paulus zelf het minst uitgewerkt. De doop staat centraal als de beleving van deze eenheid door het geloof in Christus.

Zoonschap betekent mondigheid en vrijheid 4:1-7

Zolang de erfgenaam onmondig is (1): Door het geloof in Christus zijn de Galaten zonen van God (4:6). Vóórdien waren zij onmondig, want zij waren: onderworpen aan de krachten der wereld (vs 3). De heidenen vereren namelijk de hemellichamen; zij laten hun beslissingen beïnvloeden door de stad van de sterren. De Galaten waren daarvan bevrijd totdat zij de joodse cultische wet dreigden te gaan volgen. Daarin wordt namelijk ook gerekend met de stand van maan en sterren bij de vaststelling van de data der feesten; tevens hebben de engelen daar een bepaalde invloed omdat zij de wet via Mozes aan de mensen hebben gegeven. Weer moeten we vaststellen dat de apostel dingen tegen elkaar afweegt, die van een geheel andere orde zijn. Het bijgelovig buigen voor de macht van de sterren is iets geheel anders dan het rekenen met de stand van de hemellichamen voor de vaststelling van de feesttijden.

Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God (7): Paulus roept de Galaten op te leven uit hun door Christus geschonken mondigheid door niet meer te buigen voor deze kosmische krachten. Want de Here heeft ons daarvan vrijgekocht doordat Hij zijn Zoon gezonden heeft. Christus heeft Zich terwille van ons gebogen onder de wet om ons daarvan te kunnen bevrijden. Zoals in de andere voordien behandelde teksten wordt ook hier de betekenis van de wet te eenzijdig alleen gezien als: het buigen onder de voorschriften. Een Jood zal op dit punt zeker met Paulus van mening verschillen.

God heeft de Geest van zijn Zoon uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader (6): De apostel gebruikt hier het aramese woord ‘Abba’ (vs 6), dat de zin heeft van ons ‘papa’. Zo’ vertrouwelijk mogen wij met God omgaan, zo mondig zijn wij.

Wees mondig! 4:8-11

Nu gij echter God hebt leren kennen (9): Paulus onderstreept in deze verzen zijn boodschap: leef er dan uit, dat jullie mondige zonen van God zijn en buig niet opnieuw voor de krachten der wereld, zoals die in de joodse cultische wet naar voren komen. Het nauwkeurig waarnemen van bepaalde dagen heeft volgens de apostel in het Jodendom bijna iets van hetzelfde bijgeloof gebracht zoals de heidense religies dat kennen. In vs 11 geeft hij blijk van zijn grote zorgen om het geestelijk welzijn van de Galaten.

Laten we openstaan voor elkaar, zoals in het begin 4:12-20

Paulus schrijft hier zo compact dat de zin van zijn woorden soms moeilijk te vatten is. Vs 12 moeten we verstaan als een oproep om open te blijven staan voor elkaar. De apostel spreekt hier pastoraal. Zijn voordien geuite verwijten hebben niet de bedoeling gehad om de band met de Galaten te verbreken. Integendeel! Daarom zegt hij ook in vs 12: Gij deedt mij geen onrecht, neen! (vertaling Prof. Brouwer). In het verleden was er een liefdevolle band tussen de Galaten en Paulus. Die kan nu toch niet geheel verdwenen zijn. En toch hebt gij de verzoeking, die er voor u in mijn lichamelijke toestand gelegen was, niet als iets verachtelijks beschouwd of ertegen gespuwd (14): Mogelijk is de ziekte van Paulus een oogkwaal geweest, waarnaar hij misschien eveneens in 2 Kor. 12:7 verwijst. Voor de mensen in de oudheid betekende ziekte een onderworpen zijn aan de macht van de demonen. Maar de Galaten hebben desondanks naar zijn evangelieprediking geluisterd. Het spuwen (vs 14) was een afweer tegen de demon en gold ook als teken van walging. De tegenstanders van de apostel zoeken uiteindelijk zichzelf; daarom willen zij de Galaten afhouden van de invloed van Paulus en daarmede van de verkondiging van de goddelijke genade (vs 17). Mijn kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat de gestalte van Christus in u zichtbaar wordt (19): In de moeilijkheden die er nu zijn gerezen, ervaart de apostel de weeën van de Messias. Door middel van de prediking en de doop wordt Christus als het ware in de christenen geboren. Toen zij tot geloof kwamen, is dat eigenlijk reeds geschied. Maar door de gerezen moeilijkheden is gebleken dat deze ‘geboorte’ van Christus in de Galaten nog niet eigenlijk is voltooid. Deze geboorte is nu in wezen opnieuw aan de gang; daarom ervaart Paulus de weeën van de Messias (= de Christus). Hoe verlangt hij er naar om hen zelf weer te kunnen toespreken om ze terug te voeren naar het evangelie (vs 20).

De christenen zijn de kinderen van de belofte 4:21-31

En gij, broeders, zijt, evenals Izaäk, kinderen der belofte (28): In dit gedeelte wordt weer op een geheel andere toon gesproken. Paulus komt nog eens terug op de uiteenzettingen in 3:6vv en geeft hier in zekere zin een aanvulling bij het daar gezegde. Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije (22): De verklaring van de naam Hagar:betekent de berg Sinaï in Arabië, sluit aan bij het arabische woord Chadjar, dat ‘rots’ of ‘steen’ betekent (vs 25). De apostel maakt hier (evenals in 3:6vv) wet en geloof tot tegenstellingen. Hij gebruikt hierbij de allegorese. Dat is zinnebeeldig spreken waarbij een bepaalde groep mensen èn hun instelling door een persoon of een ding worden voorgesteld. In vs 24 komt dit woord voor. Dit wordt weergegeven als: Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. We zouden hier eigenlijk beter van typologie spreken. Een bekend persoon of voorwerp uit het verleden wordt het type voor later voorkomende personen of gebeurtenissen. Hagar en de Sinaï staan zo voor het oude verbond, dat eveneens gelijkgesteld wordt met het huidige Jeruzalem. Dat is het leven onder de wet; dat maakt dienstbaar. Daartegenover staan Sara en het hemelse Jeruzalem; die zijn vrij; die staan voor het verbond van de belofte. De christenen zijn kinderen van de belofte: daarom zijn zij vrij en staan niet onder de slavernij (van de wet). Zij worden vervolgd door de Joden en bepaalde Joden-christenen. Met hen moeten zij nu breken. Anders gezegd: met de komst van Christus is de eindtijd begonnen, de toekomende wereld is reeds in Hem zichtbaar geworden.

Van de twee hier genoemde verbonden kan gezegd worden: het ene is het echte verbond; het andere is eigenlijk alleen een schaduwverbond. Paulus argumenteert nu zo: de Joden en de streng ‘wettisch’ levende Joden-christenen zijn in het schaduwverbond, dat van Hagar, terecht gekomen. De christenen daarentegen leven nu uit het verbond der belofte. De posities die vroeger golden, zijn nu helemaal omgedraaid.

We moeten er hier nogmaals met klem op wijzen dat de apostel in deze brief sterk polemisch bezig is, en daarom de dingen zeer scherp uitdrukt. Hij wil hiermee bereiken dat de Galaten weer terugkeren tot hun aanvaarden van Christus zonder dat zij daartoe eerst de gebruiken en voorschriften zoals die in het Jodendom van oudsher in acht worden genomen, moeten overnemen. Anders gezegd: zijn tekening van en zijn afwijzing van het Jodendom zijn door de situatie bij de Galaten bepaald. Dit alles is zo scherp gesteld ten dienste van zijn pogen om de christenen in Galatië een eensgezinde, hechte en blijde gemeente te laten blijven.

De christen mag leven uit de vrijheid 5:1-12

Om waarlijk vrij te zijn heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen (1): Het leerstellige gedeelte: 3:1-5:12 wordt met deze perikoop afgesloten. De toon is hier wederom zeer scherp. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat de Galaten nog niet gekozen hebben voor de besnijdenis als onmisbaar voor het ware christen-zijn. Paulus wil hen met zijn woorden daarvan afhouden. Hij legt de nadruk op de vrijheid waartoe Christus de mens geroepen heeft. De band met Hem krijgt de mens door het geloof. Daaruit mag hij leven. Door de liefde zal dit geloof in de wereld werkzaam zijn (vs 6). Want het wezen van Christus is de liefde: Gal. 2:20. Vs 8: Die stem kwam niet van Hem die u roept kan omschrijvend aldus worden weergegeven: Het gehoorzamen aan de Judaïsten (dat zijn zij die de besnijdenis en het volgen van de cultische wet als voorwaarde stellen om echt christen te kunnen zijn) wordt niet gevraagd door Christus die u roept. In vs 9 maakt de apostel gebruik van een spreekwoord. Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur. Hij bedoelt te zeggen: Geef hun niet het geringste toe, want anders zal dat jullie gehele houding op den duur doordringen. De vervolging waarover vs 11 spreekt, slaat waarschijnlijk op de moeilijkheden die de Joden Paulus zo dikwijls bereid hebben. Ook kan hier tevens sprake zijn van de vervolging door de staat, omdat, door het niet uitoefenen van de besnijdenis en van de andere typisch joodse gebruiken, de christenen niet meer – zoals in het begin van de christelijke gemeente – officieel als Joden golden.

Het etische gedeelte 5:13-6:10

Wees wat jullie reeds zijn! 5:13-15

Want de gehele wet is in één woord vervuld, in dit: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf (14): Vrijheid die niet concreet wordt geuit in de liefde verdient niet de naam ‘vrijheid’, maar is onvrijheid. De Geest roept ons daartoe: dan zijn we ook daartoe in staat. In het volgen van de wet gaat het niet om de vele geboden en verboden, maar om de essentie van de wet: leven uit de liefde. Daarom kan de christen, zegt Paulus, de wet vervullen. Hij maakt hier geen onderscheid tussen cultische en ethische wet. Voor hem gaat het in dit verband om de ene, ondeelbare wet. De waardering van de wet is in deze verzen geheel anders dan in het voorgaande. De apostel spreekt hier geheel in de lijn van het O.T. in zuiver joodse geest; de vraag naar de essentie, het belangrijkste in de wet heeft het Jodendom steeds bezig gehouden, tot op de dag van vandaag. De negatieve beoordeling van de wet is hier afwezig; de vervulling van de wet wordt in positieve zin ervaren.

Het gedeelte Gal. 5:13-6:10 behandelt, na het leerstellig spreken in het voorgaande, de ethische consequenties van het christen-zijn.

Uit de vrijheid leven betekent: wandelen in de Geest 5:16-24

Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees (17): De tegenstelling in ethische zin is die tussen het leven naar het vlees of het leven door de Geest. In vs 18 wordt het begrip ‘wet’ gebruikt als de aanduiding van het verslaafd volgen van de geboden en de verboden zonder dat dit de zaak van het hart geworden is. Hier wordt dus wederom negatief over ‘de wet’ gesproken. Hetzelfde geldt van vs 23.

Ook al wordt de christen door de Geest geleid, toch is de invloed van het vlees – aanduiding van de totaliteit van de zondige mens; goed weer te geven als: zelfzucht (zo de Willibrordvertaling) – nog niet definitief overwonnen, zodat het geen enkele kracht meer zou hebben. Geest en vlees zijn de machten die de mens willen leiden. Door het toebehoren aan Christus Jezus hebben de christenen het vlees afgezworen. Ze hebben gekozen om te worden wat ze door de gave van de Geest reeds zijn: mensen die leven uit de liefde. Paulus spreekt hier niet speciaal met het oog op de situatie onder de Galaten, maar algemeen zoals hij zich ook elders uit over de ethiek. Zoals in die andere brieven geeft hij ook hier een lijst van de gevolgen van het leven naar het vlees en van het leven door de Geest. Mogelijk staat de gedachte aan de doop op de achtergrond.

Leven in de gemeenschap 5:25-6:6

Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden (25): Het karakteristieke van de nieuwe wijze van bestaan door de leiding van de Geest is het leven in de gemeenschap. Het gaat niet allereerst om het individu, maar om de gemeenschap. Zonder dat de band met niet-christenen zou worden afgekeurd, gaat het

Paulus toch vooral om de christelijke gemeente (Verg. Gal. 6:10). Daarom moet men elkaar verder helpen: ons allen kan een misstap overkomen. Ook behoren de gemeenteleden elkaar te verdragen. Gal. 6:2 wordt meestal vertaald als: lasten, moeilijkheden. In navolging van P.A. van Stempvoort zou ik dit vers willen weergeven als: verdraagt eikaars gewichtigheden of waardigheden. In Gal. 6:5 gaat het wel over het dragen van een last. Daar wordt dan ook een ander woord gebruikt als hier. Gal. 6:2 slaat op de dingen waarin iemand aanzien heeft. We behoren het, bedoelt Paulus, van elkaar te verdragen wanneer de een meer aanzien ontvangt in de gemeente dan de ander. Daar sluit vs 3 goed bij aan. Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet is dan vergist hij zich zeer. Er ligt tegelijk een waarschuwing in besloten: probeer niet meer te zijn dan je bent. Zorg voor elkaar binnen de gemeente; laat ook de leraar financieel gesteund worden door zijn leerlingen.

Gebruik de kansen die gegeven worden 6:7-10

Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten (7): De ernst van de keuze van het leven naar het vlees of door de Geest wordt onderstreept door de verwijzing naar het laatste oordeel. We moeten volhouden, zegt Paulus. Hij ziet de band in de gemeente als steun en bemoediging voor het leven als christen (vs 10). Hij waarschuwt de Galaten, dat men zich terdege moet bezinnen op de eigen wijze van leven. Want ieder mens zal de gevolgen van zijn persoonlijke manier van handelen ervaren.

Een laatste vermaning en groet 6:11-18

Ziet met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf! (11): In Paulus’ dagen was het gebruikelijk dat de eigenlijke afzender van een brief de ganzeveer van de secretaris overnam om zelf de laatste regels te schrijven (vs 11). Met grote nadruk vat de apostel nog een keer zijn visie op de invloed van de judaïsten samen: Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuw schepsel is (15): het enige dat telt is dat de mens een nieuw schepsel is geworden. Dat kan alleen door het kruis van Christus. Alle menselijke inzettingen zinken daarbij in het niet. In vs 16 (En allen die zich naar die regel zullen richten) gaat het om de Galaten, heidenchristenen èn om Het Israel Gods. Daarmede zullen de Joden bedoeld zijn die Jezus als de Messias hebben aangenomen. Hier vallen naar mijn overtuiging ook de judaïsten onder, die het de apostel in Galatië zo moeilijk hebben gemaakt. Is dit niet een uiting van het kunnen leven als een nieuw schepsel?

Paulus spreekt erover dat hij de littekenen of merktekenen van Jezus draagt (vs 17). Dat zal waarschijnlijk slaan op de wonden die hem als dienaar van Jezus dikwijls zijn toegebracht. Het zou mogelijk kunnen zijn dat Paulus een gestigmatiseerde was, die dus letterlijk de tekenen van Christus’ lijden in handen, voeten en zijde droeg. De in andere brieven gebruikelijke groeten ontbreken hier. Met de zegenwens wordt dit schrijven afgesloten. Hij noemt de Galaten daarbij: broeders.

Wellicht ook interessant

None

Kierkegaards taak

Søren Kierkegaard (1813-1855) beschouwde het als zijn voornaamste taak om mensen opmerkzaam te maken. Dat klinkt vrij bescheiden. Hij zegt niet dat hij mensen wijzer wil maken of veranderen, hij wil niets uitleggen, geen beweging starten, geen revolutie in de theologie of in de maatschappij in gang zetten – hij wil alleen maar opmerkzaam maken. Maar Kierkegaard zelf ziet dat opmerkzaam maken helemaal niet als een bescheiden opgave, integendeel. Als hij in 1855 op 42-jarige leeftijd op straat in Kopenhagen in elkaar zakt, en een paar weken later overlijdt, is hij ‘op’. Wat ook precies de lichamelijke oorzaak van zijn overlijden is geweest, hij had alles gegeven om zijn lezer, de ‘ene lezer’5 waar het hem altijd om ging, opmerkzaam te maken.

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Premium

Het stromen van de Geest

In de orthodoxe traditie is er een bijzondere verbinding tussen de Pinksterdag en het Loofhuttenfeest. De evangelielezing voor het Pinksterfeest is uit Johannes 7, de enige nieuwtestamentische verhalende passage die zich expliciet tijdens het Loofhuttenfeest afspeelt. We horen de woorden die Jezus sprak op de ‘laatste en grote dag’ van het feest, dus op hosianna rabba. Maar nu zijn ze uit de context van het grote najaarsfeest getransponeerd naar het begin van de zomer, voor het feest van de grote vervulling.

Nieuwe boeken