Menu

Premium

Gegrepen in de hoop te grijpen

Alternatief bij 3e zondag van de Advent (Filippenzen 3,1-(11)16)

Deze passage uit de Filippenzenbrief staat vol krachtige taal en beelden, die ook in het kader van Advent prachtig oplichten. Het is zinvol eerst nader te bezien waartegen Paulus zich verzet, om vervolgens stil te staan bij de weg van Christus waaraan hij zich wil spiegelen.

De publicatie die als het gaat om deze passage het meest invloedrijk is geweest in de afgelopen eeuw, is Krister Stendahls ‘Paul and the Introspective Conscience of the West’. In dit artikel uit 1963 maakte Stendahl korte metten met het bezien van Paulus door de bril van Luthers worsteling met zijn geweten. Als we naar Paulus kijken zonder deze westerse bril, zo stelde hij, dan zien we iemand met een ‘robuust geweten’. De Paulus van Filippenzen 3 is iemand die zelfbewust is, die niet worstelt met het houden van de Wet, maar die juist onschuldig is ten aanzien van de rechtvaardigheid die de Wet vraagt (Fil. 3,6).

Ook Romeinen 1–3 gaat zo bezien om het vraagstuk van Israël versus de heidense volken: wie is er rechtvaardig te noemen? Als collectief, zo stelt Paulus daar, schieten beide tekort als het gaat om rechtvaardigheid. Pas sinds Augustinus, betoogt Stendahl, wordt Paulus’ denken over de Wet gelezen in het licht van de tijdloze vraag naar ieders persoonlijke rechtvaardiging. Vervolgens was Luther de augustijner monnik die dit element uitvergrootte tegen het licht van de laatmiddeleeuwse beleving van schuld en boetedoening.

Eenheid

Volgens Stendahl gaat Paulus’ betoog dus niet over de algemene condition humaine of zijn eigen zondaar-zijn, maar over het vormen van één gemeenschap van Jezus-volgers uit de Joden en de andere volken. Daarbij voegt het besnijden van niet-Joden (Fil. 3,2) volgens Paulus niets toe. De nieuwe gemeenschap wordt door de Geest gevormd, niet door fysieke kenmerken.

In dat licht kunnen we ook begrijpen waarom Paulus hier zijn eigen Joodse wortels relativeert. Niet omdat zij hem onvoldoende ‘rechtvaardig’ wisten te maken of omdat er iets mis mee zou zijn. Zij zijn juist iets waarop hij zich kan laten voorstaan! Waarschijnlijk gingen Paulus en andere Joodse Christus-volgers gewoon door met het houden van de Joodse wet. Maar hij heeft ingezien dat het vooropstellen van deze identiteit en het opleggen van besnijdenis aan niet-Joden (zoals de ‘honden’ in 3,2 voorstellen) uiteindelijk het één zijn in Christus in de weg staat.

Zo’n focus op behoud van status en identiteit staat ook haaks op het beeld dat Paulus in hoofdstuk 2 van Jezus zelf heeft geschetst. Paulus laat hierna aan de hand van zijn eigen leven zien wat het betekent om de ‘gezindheid van Christus’ te hebben. Net als Christus zich niet vastklampte aan een ‘aan God gelijk zijn’, klampt ook Paulus zich niet vast aan zijn hoge status als Benjaminiet en farizeeër die de Tora nauwgezet kent, volgt en verdedigt. Zo geeft hij het goede voorbeeld aan de mensen uit Filippi, die, gezien de achtergrond van Filippi als Romeinse legerkolonie, wel vertrouwd waren met het ‘zich laten voorstaan op afkomst en prestaties’.

Tegenover deze meer aardse voorrechten vraagt Paulus hun om in Christus vreugde te vinden (3,1) en hun politieke identiteit niet aards maar hemels in te vullen (3,21 – er is iets voor te zeggen om de schriftlezing tot vers 21 door te laten lopen). De radicale herwaardering van identiteit in het licht van Christus die we in deze passage aantreffen, vraagt om een contextualisering binnen hedendaagse contexten als de diplomacratie, identiteitspolitiek en polarisatie.

Imitatie

Paulus’ leven vormt als het ware de schakel tussen Christus en de Filippenzen: ‘Volg mij na’ (3,17; vgl. 1 Kor. 11,1). Ook hier treffen we geen bescheiden of schuldbewuste Paulus! Dit imitatiemotief speelt een grote rol in de brief als geheel,1 maar ook in deze passage. Ook een motief als ‘rechtvaardiging door geloof’ (3,9) mag daarom in dat licht worden begrepen.2 De zogeheten pistis Christou-discussie in de nieuwtestamentische wetenschap (‘geloof in Christus’ of ‘trouw van Christus’?) verliest binnen dit imitatie-motief de scherpte van een tegenstelling. Onze gerichtheid door middel van geloof in Christus (Gr.: pistis Christou) bewerkt dat we deelhebben aan Christus’ trouw (ook pistis Christou) aan God tot in de dood, zodat we mogen hopen op de opstanding uit de dood, waarin Christus ons voorgaat. Dit imitatie-motief zet aan tot nadenken over voorbeeldfiguren in ons leven nu.

Vol vreugde onderweg

Paulus is reëel over het nog uitstaan van zijn ‘doel’: het is leven in hoop en verwachting van een hemelse prijs (3,12-14). Hier is de connectie met de Adventstijd evident. Advent vieren we ook tussen de tijden in: we verwachten de komst van degene die al gekomen is. En in die verwachting is al iets aanwezig, komt al iets op ons af, van de nieuwe hemel en aarde. Hierop sluiten de vergezichten van Jesaja 65,17-25 en Psalm 126 (een pelgrimslied) mooi aan. Het is mogelijk om je te midden van lijden te laten vullen met de vreugde (Fil. 3,1; Jes. 65,18; Joh. 3,29; Ps. 126,3) van Gods toekomst.

Paulus gebruikt hier een sportmetafoor, wat binnen de filosofie van deze periode een veelgebruikte manier was om te spreken over oefening in een goed en deugdzaam leven. Uitzicht op Gods toekomst vraagt niet om een gelaten afwachten, maar om een gefocust trainingsprogramma. De christelijke hoop trekt de toekomst als het ware in het heden. Zo mag Advent ook de gemeente in beweging brengen om een voorschot te nemen op Gods toekomst als ‘volmaakte mensen’ (3,15), gegrepen door Christus, die tegelijk nog struikelend onderweg zijn in de hoop eens te grijpen (3,16).

Deze exegese is opgesteld door Suzan Sierksma-Agteres.

    1. Peter-Ben Smit, Paradigms of Being in Christ: A Study of the Epistle to the Philippians, London 2013. ↩︎
    2. Suzan Sierksma-Agteres, ‘Imitation in faith: Enacting Paul’s ambiguous pistis Christou formulations on a Greco-Roman stage’, 2016 (online University of Groningen research portal). ↩︎

    Wellicht ook interessant

    Nieuwe boeken