Menu

Premium

Getekend en bezegeld

Openbaring 7:2-4

Het boek Openbaring (of Apocalyps) heeft in het verleden voor heel wat angst gezorgd. Vaak geloofde men dat de schrikwekkende taferelen die geschilderd worden ons nog te wachten stonden. Immers, met uiterst spectaculaire beelden wordt het einde van de wereld geschilderd. En dan te bedenken dat dit boek is bedoeld als Blijde Boodschap en troostboek. Hoe moeten we dat verstaan?

Het boek is bestemd voor gelovigen aan het eind van de eerste of begin van de tweede eeuw. Zij hadden het zeer moeilijk, omdat ze van drie kanten werden bedreigd, zo kunnen we bijvoorbeeld opmaken uit de zogeheten apocalyptische rede van Jezus, zoals opgetekend door Lucas in 21:5-36. Ten eerste stonden er in eigen kring mensen op die beweerden dat zij de (teruggekomen) Messias waren. Zij zorgden voor grote verwarring, en veel mensen liepen er achteraan als een kip zonder kop. Voorts werden ze vervolgd door hun voormalige geloofsbroeders, de joden. En niet te vergeten waren daar de Romeinen die dat geharrewar in Palestina spuugzat waren: ze kwamen met steeds strengere maatregelen. Zij zagen geen onderscheid tussen traditionele joden en christenen.

In het boek klinkt de roep ‘Hoelang? Hoelang nog moeten we dit verdragen?’ (6:10). Op die vraag geeft het boek antwoord. Het antwoord van de troost en de oproep vol te houden. Immers, in Jezus Christus is de strijd tussen Goed en Kwaad in principe reeds beslecht en geëindigd in een overwinning voor Christus. In de hemel is al geen plaats meer voor het kwaad of boze engelen; daar zijn zij al uit verdreven, en ze zijn op aarde gestort (hoofdstuk 12). Wij op aarde hebben nog te maken met de achterhoedegevechten: zo althans wordt het kwaad op onze aarde geïnterpreteerd. Als wij vasthouden aan de overwinnaar, Christus, zullen wij bij hem uitkomen in de hemel (hoofdstuk 7). Houd dus moed!

Het boek eindigt met de bede ‘Kom, Heer Jezus, kom!’

Wat de schrijver Johannes te zien krijgt

In het eerste hoofdstuk maakt de schrijver zich bekend als Johannes. In de traditie heeft de mening postgevat dat hij dezelfde is als de evangelist. Maar reeds in de tweede eeuw ging bijvoorbeeld Papias ervan uit dat deze Johannes ‘een priester’ was. Hoe dan ook, hij verkeert in verdrietige omstandigheden, want hij is omwille van zijn geloof in Jezus verbannen naar het eiland . Daar denkt hij op zondagmorgen aan ‘zijn’ gelovigen, verzameld in zeven kerken. Ook daar zijn ze nu bijeengekomen voor de liturgie. Hij wil ze troost bieden. En schrijft hun wat hij in visioenen te zien heeft gekregen. Via een open deur (4:1) heeft hij inzage in de geheimen van de hemelse liturgie. Hij ziet God op zijn troon, en Christus getekend als een Lam dat geslacht is. Aan beiden wordt goddelijke eer gegeven door de hemelse scharen. In het zevende hoofdstuk worden er engelen op uit gestuurd. Voordat de oude wereld (van ‘niet-liefde’) ten onder gaat, worden alle ‘dienaren’ verzameld die getekend worden met het reddend ‘zegel van het Lam’.

Dat beeld grijpt terug op het oude Pesachgebruik. In Egypte moesten de Hebreeërs hun deurposten insmeren met het bloed van het paaslam, zodat de engel van de dood aan hun deur voorbij zou gaan. Zo worden nu deze mensen gered uit de ondergang van de liefdeloze wereld, omdat ze aan Christus hebben vastgehouden.

Getekend en bezegeld

te beginnen honderdvierenveertigduizend getekenden uit alle stammen van Israël. Elke stam passeert de revue met twaalfduizend getekenden. Twaalf keer duizend moet zoiets betekenen als: allemaal. Als er ergens een blijde boodschap doorklinkt, dan hier wel. Wat een bericht! Immers sinds 721 vóór Christus waren tien van de twaalf stammen in het niet verdwenen. Meegevoerd in ballingschap tijdens de Assyrische verovering, en sindsdien was er niets meer van hen vernomen. Ze waren weg. De twee resterende stammen, Juda en Benjamin, hebben daar een Srebrenica-achtig trauma aan overgehouden. Ze hadden geen vinger voor de broeders uitgestoken. Intussen waren er bijna duizend jaar voorbijgegaan. Maar nu horen we: ‘Daar staan ze! Dáár!’ Het zou jammer zijn als in de liturgie de opsomming van de ene stam na de andere niet wordt voorgelezen (7:5-8). De reeks begint met de nog bestaande stam van Juda, en eindigt met de andere nog bestaande stam Benjamin. Letterlijk in hun midden opgenomen zijn de verloren gewaande stammen uit het voormalige Noordrijk: ‘Ruben!’ Dit moet de voorlezer met verrukte verbazing uitroepen. ‘En Gad! En kijk: Aser!, Naftali!, Manasse!, Simeon!, Levi!, Issachar!, Zebulon! En ten slotte: Jozef!!’ Ze zijn er nog! Voor God, in Christus, gaat er niemand verloren. Even jammer is het als het vervolg niet wordt gelezen:

‘Daarna zag ik een grote menigte die niemand tellen kon uit alle rassen en stammen en volken en talen. Gehuld in witte gewaden, wit gewassen in het bloed van het Lam. Het Lam wist alle tranen van hun ogen af’ (9-17). Aan hen zijn de oude heilsprofetieën reeds geschied. Dat zij gezien en vernoemd worden, moet de toehoorders sterken in hun geloof en volharding.

Witte gewaden

Zou in de tijd dat Openbaring geschreven werd het ritueel van het witte doopkleed al bestaan hebben, zoals we dat uit de derde en vierde eeuw kennen? In de Paasnacht begeeft de dopeling zich naar de doopkapel (baptisterium), die ter zijde van de gemeenschap lag. Daar kleedt hij of zij zich uit tot op het blote lijf en laat er de oude kleren achter. Vervolgens daalt hij of zij af in het bassin. De bisschop dompelt de dopeling drie keer onder in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Nu komt de gedoopte als een nieuwe mens uit het water omhoog. Aan de andere kant van het bassin staat als het een vrouw betreft een diacones, en voor een man een diaken, die de nieuwe mens in een smetteloos wit kleed hult. Zo komt de nieuwe ‘heilige’ de gemeenschap weer binnen. Christenen werden immers ‘heiligen’ genoemd. Dat kleed hielden zij aan tot en met de zondag na Pasen, de laatste dag dat de nieuwelingen in het wit waren gekleed.

Heiligen

tot Gods troon te naderen heeft kennelijk eenzelfde ritueel plaats gevonden. Daar staan de ontelbare getekenden in een wit gewaad. In de roomskatholieke en orthodoxe kerken is gaandeweg het woord ‘heiligen’ voorbehouden geworden aan gestorven medegelovigen van wie men aanneemt dat ze bij God zijn. Uit de godsdienstwetenschap weten we dat ‘heilig’ twee karakteristieken heeft. Het ‘heilige’ is ‘apart gezet’, anders dan het gewone, omdat het ‘aan God toebehoort’, ‘aan God is toegewijd’. Zo is de sabbat heilig, anders; een aparte dag. De tempel was ‘heilig’. Maar nu is het niet een dag of een ruimte; nu zijn het mensen die heilig zijn. Naar het woord van de Heer: ‘Wees heilig, want ik, de Heer, ben heilig’ (Lev. 19:2). Die oproep is reeds waar geworden in deze getekenden. Hun ‘heiligheid’ bestaat dat ze Christus zijn gevolgd. Heiligen zijn mensen in wie je de trekken van Christus kunt herkennen. Zij hebben het evangelie in hun leven geactualiseerd. Mensen die hen zagen, zouden opgemerkt kunnen hebben: ‘De tijden van het evangelie zijn in ons midden teruggekeerd. In de persoon van die en die heilige.’ Zij hebben – zoals het boek Openbaring het formuleert – hun gewaden wit gewassen in het bloed van het Lam. Sinds het oude Pesachritueel op Christus is toegepast, hebben ook zij deel aan het Pesachmysterie.

Zou op de achtergrond ook dat citaat van Jesaja nog meespelen: ‘Al zijn uw zonden rood als scharlaken, ze kunnen wit worden als sneeuw’ (Jes. 1:18)?

Slaven

Zowel de Statenvertaling als de Willibrordvertaling noemt hen in vers 3 ‘dienstknechten’; de Nieuwe Bijbelvertaling heeft het over ‘dienaren’, de Naardense Bijbelvertaling over ‘dienaars’. Eigenlijk staat daar ‘slaven’. Dat slaaf-zijn behoort tot de fundamentele spiritualiteit van de eerste christengeneratie. Als de engel Gabriël Maria komt vragen of zij de Moeder van Gods Zoon wil worden, zegt zij: ‘Zie de slavin van de Heer’ (Luc. 1:38). En even later zingt zij: ‘Tot een vreugdevol juichen komt mijn geest om God, mijn Redder, daar Hij neerzag op de geringheid van zijn slavin’ (Luc 1:48). Paulus ondertekent zijn brieven herhaaldelijk met de titel (eretitel?) ‘slaaf van Christus’. Ook Jakobus doet dat, en Petrus in zijn tweede brief. Voor ons is het woord ‘slaaf’ besmet door de geschiedenis van de slavernij in de meer recente geschiedenis. Maar in de Griekse en Romeinse wereld was een slaaf een kostbaar bezit, vergelijkbaar met onze mechanische huishoudelijke apparaten. Een slaaf diende eenvoudig te doen wat hem of haar werd opgedragen. Zoals de honderdman beschrijft: ‘Ik heb soldaten onder mij en tot de één zeg ik: ‘Ga!’ en hij gaat; en tot een ander: ‘Kom!’ en hij komt. En tegen mijn slaaf(!): ‘Doe dit!’ en hij doet het’ (Mat. 8:9).

Bij Paulus kunnen we horen hoe het slaaf-zijn model staat voor iemands levenshouding. In zijn brief aan de Romeinen schrijft hij: ‘Weten jullie niet dat wanneer u zichzelf tot slaaf hebt gesteld tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van degene aan wie u gehoorzaamt: ofwel u geeft gehoor aan de zonde, ofwel aan Christus’ gerechtigheid’ (Rom.6:16). Met andere woorden: aan iemands gedrag kun je aflezen aan wie hij gehoorzaamt. Leeft iemand in zonde, op welke manier dan ook, dan geeft hij gehoor, dan gehoorzaamt hij aan de verlangens die de zonde hem ingeeft. Dan is de zonde degene die zijn leven bestuurt en beheerst. Hij is slaaf van de zonde. Maar als iemand het goede doet, dan geeft hij gehoor, gehoorzaamt hij aan de verlangens die Het Goede, De Goedheid hem ingeeft. Die goedheid: dat is God. Doe je het goede, dan blijk je daarmee slaaf van God, respectievelijk van Christus. Geef je gehoor aan de ingevingen van de zonde, dan zal dat uiteindelijk uitlopen op je ondergang. Geef je gehoor aan God, dan zul je bij hem kind aan huis zijn, kind van God genoemd worden.

Zo komt Jezus er in de Bergrede toe om te zeggen: ‘Niemand tegelijk slaaf zijn van twee heren’ (Mat. 6:24). Ofwel je geeft gehoor aan het goede ofwel aan het kwade. Maar tegelijk gehoor geven aan goed én kwaad, is ten enenmale onmogelijk.

En elk van ons weet hoe moeilijk het is, consequent slaaf te zijn van het goede. Maar die mensen daar vóór ons, getekend en bezegeld met het bloed van het Lam, zijn slaaf geweest van onze God. Kun je nagaan wat het betekent als Jezus tegen zijn leerlingen zegt: ‘Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn heer doet. Nee, Ik heb jullie vrienden genoemd…’ (Joh. 15:15).

Jij en ik kunnen daar ook eens komen te staan, als wij te midden van een wereld die zo vaak andere keuzes maakt, ‘nog even’ volhouden en blijven kiezen voor Christus, aldus ons troostboek Openbaring.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken