‘God is niet de slotsom van een empirische waarneming’
Interview met Gijsbert van den Brink naar aanleiding van zijn boek Het experiment van broeder Juniper
Gaan geloof en wetenschap samen of zijn ze altijd in conflict? Welke plek heeft God aan de universiteit? En levert theologie eigenlijk wel zuivere kennis op? Theoloog Gijsbert van den Brink houdt zich intensief bezig met dit soort thema’s, van evolutie tot zondeval en van sterfelijkheid tot transhumanisme. In zijn boek Het experiment van broeder Juniper verzamelt hij de meest recente inzichten en biedt de lezer nieuwe handvatten om de verhouding tussen geloof en wetenschap te begrijpen. Redacteur Maartje Amelink ging met hem in gesprek.
U studeerde Theologie in Utrecht. Hoe kwam u daar terecht?
‘Ik heb na de middelbare school een tussenjaar gevolgd aan de Evangelische Hogeschool in Amersfoort, omdat ik niet goed wist wat ik wilde. Dat programma was gericht op met name christelijke jongeren die wilden uitvogelen welke studie het beste bij hen zou passen. Je kreeg allerlei vakken. Psychologie, theologie, geschiedenis van de natuurwetenschappen, enzovoort. Ik merkte daar hoe bepalend kerkelijke achtergronden en theologische verschillen zijn voor hoe mensen in het leven staan, dus dat het uitmaakt of je bijvoorbeeld uit een pinkstergemeente of protestantse kerk komt. Dat begon mij te triggeren, die wisselwerking.
‘Mijn vader was theoloog, dus eigenlijk wilde ik dat vooral niet worden. Maar die houding vond ik uiteindelijk puberaal, om iets niet te doen alleen omdat je vader het al doet. Theologie boeide me het meeste en paste het beste bij me, en ik wilde me daar verder in verdiepen.’
Ging u naar de kerk in die periode?
‘Ja, ik ben altijd naar de kerk blijven gaan. Ik moet zeggen, sommige docenten hadden wel de neiging om je daar vanaf te willen brengen. Een hoogleraar godsdienstwetenschappen zei tegen ons: ‘In het hindoeïsme heb je ook stromingen die zeggen dat je door genade alleen behouden kunt worden. Dus denk nou niet dat jullie als protestanten de enige zijn die dat beweren. Dat komt overal voor.’ Hij wilde ons prikkelen, zo van, denk vooral niet dat je uniek bent als het om religie en geloof gaat.’
Denk vooral niet dat je uniek bent als het om religie en geloof gaat
U zat dus op zondag in de kerk en doordeweeks in de collegebanken. Hoe ervoer u die twee plekken?
‘Soms stonden ze wel onder spanning hoor, bijvoorbeeld rondom historische Bijbelkritiek. Je leert als student hoe de teksten in de Bijbel door verschillende handen zijn ontstaan, hoe bepaalde passages door de tijd heen zijn bewerkt en hoe er allerlei bronnentheorieën zijn. Dus toen dacht ik: zo, dat is nogal wat. Als je dat zo kunt ontrafelen, wat betekent dat? Want als gemeentelid krijg je intuïtief toch vooral mee dat de Bijbel zo’n beetje loodrecht uit de hemel is komen vallen. Je weet wel dat er mensen aan gewerkt hebben, maar in de praktijk is het een boek van God. Dus dat kostte wel eventjes voordat ik dat bij elkaar kon krijgen.’
Wat deed dat met uw geloofsbeleving?
‘Ik had veel aan medestudenten. Je kon met elkaar bespreken waar je tegenaan liep in je studie. Of je hielp elkaar met boeken, zo van, lees dit eens of dat, want er zijn natuurlijk altijd meerdere perspectieven. Bij onze studentenvereniging deden we preekoefeningen met elkaar, die werden heel kritisch doorgeëxerceerd. Dat ging ook weleens hard tegen hard, dus dat mensen het niks vonden en dat ook ronduit zeiden tegen elkaar.’
Moest u zich als student opnieuw verhouden tot wat de dominee op zondag zei?
‘Ja, soms zat ik weleens met kromme tenen in de kerk. Ik herinner me dat ik een keer een brief heb geschreven naar een predikant, omdat ik het oneens was met de preek. Zo van, hoe kom je erbij dat dit uit de Bijbel volgt? Volgens mij ging het over een conservatief politiek standpunt, wat aan een Bijbeltekst werd gelinkt.
‘Maar ik had me als student ook direct al voorgenomen dat ik geen air wilde uitstralen van ‘nu weet ik het allemaal beter’. Ik heb een hekel aan mensen die uit de hoogte neerkijken op hun ouders of familieleden die niet gestudeerd hebben. Ik heb altijd bedacht dat er verschil is tussen intellectuele kennis, waar je blij mee mag zijn, waar je je winst mee mag doen, en geloofskennis die een eigen waarde heeft los van de vraag hoe intellectueel ontwikkeld iemand is. Dat hielp me ook om het vol te houden in de betrekkelijk conservatieve gemeente waar ik deel van uitmaakte.’
Zijn het twee aparte domeinen? Intellectuele kennis en geloofskennis?
‘Kennisontwikkeling moet dienstbaar zijn aan geloofsontwikkeling. Dus als kennis geïsoleerd en verabsoluteerd raakt dan gaat er ergens iets mis, dan maak je theologie te belangrijk, denk ik. Uiteindelijk gaat het er in de kerk om dat je vanuit je geloof leeft en groeit. Fides quaerens intellectum, het geloof zoekt naar inzicht, dat is wel een beetje mijn levensmotto.’
Maar u bent een doorgewinterde systematisch theoloog. Zit die systematische theoloog ook in de kerk of laat u die thuis?
‘Ja hij is er wel, maar ik probeer hem inderdaad tot stilte te manen. Ik probeer receptief in de kerk te zitten. Dus niet zozeer: hoe zou ik het zelf doen of wat kan hier beter? Maar meer, waar raakt het mij? Wat heeft het mij te zeggen? Ik kan het bijna als sacramenteel ervaren als een tekst gaat leven, als de preek bijvoorbeeld een nieuwe strekking van de tekst blootlegt en laat zien hoe het raakt aan de actualiteit van mijn eigen leven.
‘Als ik zelf preek, zoek ik daar ook altijd naar, hoe de tekst existentieel iets losmaakt. Zoals Willem Jan Otten zegt: je moet schilderen naar het leven. Dat vind ik een mooie uitdrukking. Je zoekt naar het moment waarop de tekst tot leven komt, zodat die tekst met jou bezig is en zodat jij geraakt wordt.’
Zoals Willem Jan Otten zegt: je moet schilderen naar het leven
Heeft u een voorbeeld?
‘In Johannes 16 zegt Jezus bijvoorbeeld: ‘Op die dag hoeven jullie mij niets meer te vragen’. Dat vind ik zo’n bijzondere tekst, dat er dus een dag in het vooruitzicht wordt gesteld waarop je niets meer te vragen hebt. Ik heb zoveel te vragen, ik heb nu ongelooflijk veel te vragen. Hoe zit dit en waarom werkt dat zo, weet je wel. Er wordt niet gezegd dat we antwoorden krijgen, maar dat er een dag zal aanbreken waarop je die vragen niet meer hebt. Dat vind ik intrigerend. Het is maar een heel klein zinnetje.’
Want wat is dat vooruitzicht? Wat roept dat op?
‘Dat roept voor mij toch het beeld op van wat we in theologentaal ‘het eschaton’ noemen, een koninkrijk van God waarin de dingen rechtgezet zullen zijn. En dat datgene waar mensen wereldwijd naar verlangen maar wat ze nooit zelf kunnen waarmaken, namelijk vrede, werkelijkheid zal zijn. Zelfs zodanig dat onze trauma’s niet meer splijtend zijn, want het vragen zal stoppen op de een of andere manier.’
U schrijft in uw boek dat ‘het idee dat geloof en wetenschap op gespannen voet met elkaar staan en dat het geloof daarbij de schijn tegen heeft’ zich regelmatig aan u blijft opdringen. Wanneer gebeurde dat voor het laatst?
‘Er is in Nederland een culturele sfeer waarin het intellectueel minderwaardig is als je met geloof bezig bent en het serieus neemt, alsof je een sprookjesboek van vroeger een blijvende betekenis toekent. Dat idee heeft onze cultuur bepaald. In de media is het mainstream. Het frame is altijd dat de wetenschap laat zien dat het geloof achterhaald is. In mijn boek noem ik dat het conflictmodel. En ja, soms raakt mij dat ook. Als ik bijvoorbeeld zie hoeveel wetenschappelijke ontdekkingen er zijn gedaan op gebieden waarvan gelovigen altijd zeiden ‘dat is ons terrein’ of ‘dat is aan God’. En dan blijken er gewoon natuurlijke verklaringen voor te zijn. Bijvoorbeeld met onweer. Dat was altijd het domein van de goden. En nou ja, dan blijkt de bliksemafleider een prima oplossing. Gelovigen blijven vaak een gebied zoeken waar de wetenschap niet bij zal komen. En daarvan denk ik, is dat niet een verloren strijd en moet je dat wel zo doen? Dat je telkens een soort reservaat wilt behouden.
Gelovigen blijven vaak een gebied zoeken waar de wetenschap niet bij zal komen
‘Inmiddels zeggen Cognitive Science of Religion-onderzoekers dat ze mechanismen hebben gevonden waarmee religie in het menselijk brein volledig te verklaren is. Dat raakt mij ook wel. Hoe zit dit? Hebben ze gelijk? Of kun je er anders tegenaan kijken? Het prikkelt me om door te vragen.’
Wat betekent het als ze gelijk hebben?
‘Die vraag stel ik in dit boek expliciet. Zo van: sta ik dan niet aan de verkeerde kant van de geschiedenis? Zulke gedachten heb je natuurlijk weleens. En dat is ook goed, denk ik. Het zou niet goed zijn als je alles wat andere mensen in andere tradities zeggen alsmaar buiten de deur houdt en je die ideeën nooit echt naar je toe laat komen. En nogmaals, zo’n suggestie triggert me om op dingen door te gaan, het is een belangrijke impuls voor mij om wetenschappelijk bezig te zijn. In mijn boek kom ik tot de slotsom dat ook als zo’n complete cognitief-wetenschappelijke verklaring van religie mogelijk is, daarmee nog niets beslist is over de waarheidsvraag. Theologisch geldt immers dat God altijd natuurlijke processen gebruikt om zich in ons leven te melden.’
Toch ervaren mensen dat conflict tussen wetenschap en geloof echt. Dat lijkt diep te zitten.
Ja, terwijl dat conflictmodel wetenschappelijk gezien allang verouderd is. Je ziet vaak dat kennis vanuit de wetenschap de cultuur insijpelt. Heel veel mensen beroepen zich op de wetenschap voor hun nieuwe inzichten. Maar als de wetenschap zélf laat zien dat er geen eeuwigdurend conflict tussen geloof en wetenschap is, wat ik in mijn boek uiteenzet, dan lijkt men dat niet op te pakken. Waarom eigenlijk? Omdat het te ingewikkeld is misschien, of omdat het om te veel nuances vraagt?
Is er niet meer aan de hand? U schrijft bijvoorbeeld over hoe onze sterfelijkheid mogelijk een gevolg is van de zondeval, dus dat mensen pas sterfelijke wezens zouden zijn geworden nadat Adam en Eva van de verboden vrucht aten. Voor een seculier-wetenschappelijke lezer zal dat wringen. Want is het legitiem om een Bijbels verhaal met mythologische kenmerken als eerste aanname te gebruiken voor een analyse over sterfelijkheid?
‘Ik lees dat verhaal niet letterlijk, maar ik lees het wel. Kijk, mythes zijn geen onwaarheden, voor zover je dit een mythe moet noemen. Er zitten zeker mythologische elementen in, dat ben ik met je eens. Maar mythen bevatten in narratieve vormen en beelden vaak hele diepe inzichten. En het diepe inzicht dat hierachter zit en waar ik aan vast wil houden is dat mensen, voor het kwaad dat ze ervaren, niet alleen maar van zich af kunnen wijzen. Maar dat wij zelf een beslissende rol spelen. Dat wij zelf kiezen voor het kwaad en niet alleen slachtoffer zijn. Dat is voor mij heel bepalend voor hoe ik naar de mens kijk en naar het hele mens-zijn.
‘Je kunt er ook anders tegenaan kijken, in de Griekse mythologie bijvoorbeeld is de mens meer slachtoffer. Maar de joods-christelijke traditie heeft de mens zelf verantwoordelijk gehouden. En ons kwaad tast nu de hele planeet aarde aan hè, dus het is niet ouderwets om het zo te zien, we blazen de planeet op. Maar ik kan heel goed plaatsen wat je zegt, bij het woord ‘zondeval’ haken de meeste mensen af.
Bij het woord ‘zondeval’ haken de meeste mensen af
‘En je kunt je afvragen: hoeveel alternatieven heb je? Er is het marxistische idee dat we onszelf aan het kwaad ontworstelen en er langzaam bovenop komen. Je hebt het naturalistische verhaal: we zijn nu eenmaal zo, we moeten onze driften en genen volgen en het zal nooit beter worden. Eigenlijk een heel triest verhaal. Dus dan vind ik het christelijke narratief dat zegt ‘het is niet best met ons gesteld, maar er is wel hoop op verlossing’ eigenlijk heel overtuigend. Het is een positie die je niet kunt aantonen, maar die wel een heel eigen kracht heeft.’
Kan het leven ook gewoon dat trieste verhaal zijn?
‘Dat is een Nietzscheaanse levensbeschouwing die ik me goed kan voorstellen en waarvan ik het waarheidsmoment ook niet wil ontkennen. Ik denk dat er meer waarheid in zit dan in een heel optimistische visie. We hadden natuurlijk tot voor kort het idee dat de hele wereld democratisch zou worden en dat alles er dan netjes aan toe zou gaan. Nou, we zien nu dat het een heel andere kant opgaat. Dus dat vind ik het waarheidsmoment in die naturalistische visie: ze denkt niet lichtzinnig over het kwaad, maar neemt het heel serieus. Zelfs zodanig, dat het nooit zal veranderen.’
Wat houdt u bij de christelijke leer?
‘Dat kan ik moeilijk beargumenteren. Het is uiteindelijk een ‘geraakt zijn’ door de berichten over Jezus, over wat er met Jezus is gebeurd en hoe Jezus zichzelf gepresenteerd heeft. En dat je je daardoor meegenomen weet, op de een of andere manier. Het ging met Jezus zelf de verkeerde kant op, het leek over en uit, het leek nergens meer naartoe te gaan. En dan is daar Pasen en de opstanding. Die verhalen raken mij diep en motiveren mij om te blijven denken dat het zo ook met de mensheid als geheel kan gaan. Dat is voor mij wat geloven inhoudt en waar ik me door laat voeden en inspireren en bemoedigen.
‘Kierkegaard vind ik daarin ook belangrijk. Die zegt: geloven is een specifiek soort houding, het is een sprong die je waagt. Het is geen wiskundige zekerheid. God is niet een soort slotsom of de conclusie van een empirische waarneming. Geloven is iets existentieels.’

Prof. dr. Gijsbert van den Brink (1963) is als theoloog verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij doet onderzoek naar de verhouding tussen geloof, theologie en wetenschap.
Wil je Het experiment van broeder Juniper bestellen?
In Het experiment van broeder Juniper onderzoekt theoloog Gijsbert van den Brink de relatie tussen geloof en wetenschap en weerlegt het idee dat ze elkaar uitsluiten. Vanuit diverse invalshoeken laat hij zien hoe de twee wel degelijk samengaan. Nu eens harmonieus, dan weer schurend – maar juist dat leidt vaak tot nieuwe inzichten. Dit boek biedt verheldering aan iedereen die nadenkt over de spannende vragen rond geloof en wetenschap.
