Menu

Basis

Godsdienst is meerstemmig

Een wandelaar op pad

Iedereen is belangrijk om het geheel tot bloei te laten komen

Saskia Hoogervorst (1972) groeide op in een muzikaal en gelovig gezin. Haar vader was kerkmusicus, haar moeder kleuterjuf en zij studeerde later theologie. Dit heeft het leven van Saskia diepgaand beïnvloed. Ze ging naar het conservatorium en haalde recentelijk een lesbevoegdheid om godsdienst/levensbeschouwelijke vorming te kunnen geven. Saskia vertelt over haar leven met muziek en de betekenis van polyfonie daarin.

‘Toen ik acht was, is mijn vader mij blokfluitles gaan geven. In die tijd was er een revival van middeleeuwse muziek. Ik ging naar een concert met middeleeuwse instrumenten en daar werd op blokfluit gespeeld. De vreugde die in dat concert werd doorgegeven, ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Dat die klanken uit een instrument gehaald konden worden!

Na de basisschool ging ik naar de havo voor muziek en dans. Mijn hoofdinstrument bleef de blokfluit, want daaraan had ik door dat concert mijn hart verloren. Ik had het op die havo heel erg naar mijn zin, maar ik wilde in eerste instantie aan het eind van die middelbare schoolperiode geen blokfluit gaan studeren. Mijn vader zei altijd: “Meid, ga niet naar het conservatorium. Plezier maken in muziek is het belangrijkste en daar heb je niet direct een beroepsmatige opleiding voor nodig. Dat is geen garantie dat het plezier blijft”. Maar belangrijker voor mij was dat de beroepsmogelijkheden zeer beperkt zijn.’

Toch het conservatorium

‘Ik heb lang gedaan over mijn keuze, maar toen ik hoorde van de opleiding schoolmuziek wist ik meteen: dit is het. Schoolmuziek is de richting binnen het conservatorium waar je klaargestoomd wordt om educatief bezig te zijn met muziek. En ja, ik kwam in een warm bad toen ik daar naar de open dag ging! Toen dacht ik, mijn moeder is juf, mijn vader is musicus en ik word schoolmusicus!

Die verbazing! Daar wil ik bij komen

Ik heb enorm genoten van de opleiding, heel veel instrumenten leren bespelen en heel veel dingen geleerd. Het was wel een zware opleiding met veel vakken, omdat het zo’n brede opleiding is. We bespeelden meerdere instrumenten. Ik had elke week pianoles, blokfluitles en zangles en dus veel oefentijd. We volgden college en liepen stage. Na drie jaar moest ik mijn instrumentale lessen afronden en dacht ik: nu begin ik blokfluit spelen pas echt leuk te vinden. Ik zei tegen mijn blokfluitdocent dat ik naast de richting schoolmuziek ook de studie blokfluit wilde doen. Ik ben heel dankbaar dat ik het gedaan heb, want nu heb ik, als ik bijvoorbeeld in een kerkviering muziek maak, zoveel techniek in huis dat ik mij vol kan geven aan de muziek en niet hoef na te denken over hoe ik iets moet aanpakken.’

Muziek en geloof komen bij elkaar

‘Behalve dat ik in een muzikaal gezin opgroeide, kom ik ook uit een gelovig gezin. Als je vader kerkmusicus is, komt de preek die hij gehoord heeft natuurlijk elke zondag op je bordje bij de lunch. Maar we gingen ook zelf als gezin naar de kerk. Ik ben altijd heel erg zoekend geweest, zo van: wat voedt mij op dit moment? Als basisschoolkind ga je gewoon mee met het ritme binnen het gezin.

Maar eenmaal op de middelbare school ging ik met de bus naar Rotterdam, naar die havo voor muziek en dans, en in die bus zat ik jaren met jongeren die naar de vrijgemaakt gereformeerde middelbare school gingen. Zo raakte ik bevriend met een meisje dat haar belijdenis ging doen. Dat vond ik interessant en ik ben naar die viering geweest, maar toen bleek dat die nauwelijks over die jongeren en hun belijdenis ging. Het was een gewone dienst en ergens, naar mijn idee ertussen gefrommeld, zat die belijdenis van de jongeren, terwijl bij mijn vormsel de hele viering hierop gericht was. Ik had sterk het gevoel dat deze manier van geloofsbeleving niet bij mij paste. Om dat kracht bij te zetten, heb ik toen op de terugweg uit volle borst de geloofsbelijdenis gezongen.’

Zelf instrument zijn

‘In mijn zoektocht naar “Als dit het dan niet is wat wil ik dan wel?”, ben ik als jonge studente een keer in Taizé geweest. Ik was zeer gegrepen door de muziek en hoe je door de herhaling van een korte frase meditatief bij jezelf kunt komen. En er zijn voor instrumenten, juist ook voor blokfluit, prachtige solo’s geschreven boven de tekst en toen in 1997 de Nederlandse cd werd opgenomen, heb ik de blokfluitpartij mogen spelen. Taizé-muziek is heel belangrijk voor mij geworden.

Improviseren vind ik echt heel fijn om te doen. Het liefst na de preek, om wat er in de preek is verwoord te verklanken door wat er dan op mijn antenne binnenkomt. Ik hoop dat ik door de manier waarop ik een Taizé-solo speel of improviseer, een instrument word om het goddelijke niet door middel van het woord, maar door middel van muziek bij mensen te brengen. In de improvisatie is dat concreter dan bij een solo, want bij die solo zijn de noten al gegeven. Maar wat daar weer heel sterk aan is, is dat het geschreven is op een frase uit de bijbel. De blokfluitsolo boven ubi caritas is bijvoorbeeld zo ontzettend mooi! Daar hoef je niet eens je best voor te doen en het klinkt al geweldig. Doe je ook nog een beetje je best, dan resoneert er iets waaruit blijkt dat er meer is tussen hemel en aarde. Daar word ik erg gelukkig van.’

Verwondering levend houden

‘Vier jaar geleden ben ik gevraagd om godsdienst/levensbeschouwelijke lessen te geven. Het is zo wonderlijk hoe dat gaat met kinderen en om in kleine groepjes van acht tot tien kinderen bezig te zijn met verhalen uit de Bijbel en hen te laten ervaren wat de kracht van die verhalen is! Ik merk dat er veel overeenkomsten zijn tussen mijn vak als muziekjuf en dat als juf voor godsdienst/levensbeschouwing. In allebei probeer ik kinderen dingen te laten ervaren.

Het is allemaal ongrijpbaar. Muziek kun je niet beetpakken en alles rond godsdienst/levensbeschouwing evenmin. Kinderen bezitten een natuurlijke verwondering. Ik denk zelfs dat kinderen van nature weet hebben van wat ik “God” noem, dus dat er meer is tussen hemel en aarde. Ik hoop met mijn lessen die verwondering levend te houden. Dat kan zowel tijdens muzieklessen als in de godsdienst/levensbeschouwing. Ik denk dat het in de levensbeschouwelijke lessen nog wat intensiever is, doordat het een klein groepje is en nog dichter bij de bron zit omdat we het over de bijbelverhalen hebben. Maar bij het samen muziek maken komt eenzelfde soort energie vrij als bij het uitspelen van bijbelverhalen. Dat zit heel dicht bij elkaar.’

Samenspel en meerstemmigheid

‘Laatst heb ik de kinderen van groep zes de eerste vier noten van een lied aangeleerd zonder dat ze wisten dat het om dat lied ging. Eerst per noot en daarna hebben we de verschillende klanken samen opgebouwd. Dus het lied was er ineens zonder dat ze het in de gaten hadden. Dat zit voor mij heel dicht bij de bijbeltekst Gods koninkrijk is er al: zie je het niet! Het is ineens al in het lokaal, maar ze hebben niet in de gaten waar het naartoe gaat. Dan vraag ik: “Wie herkent dit?” Dan schiet er een vinger omhoog. Die verbazing! Daar wil ik bij komen. Dan zeg ik tegen ze dat ze de hele melodie van het lied in hun hoofd moeten denken en spelen we het nog een keer. En dan is het ineens veel meer samen, terwijl ze in hun eigen hoofd dat lied zingen. Vraag mij niet hoe dat kan, maar er ontstaat zomaar “meerstemmigheid”.

De groepsjuf had toevallig de piano in de klas staan en zij ging meedoen. Je hoorde duidelijk wanneer het gedeelte dat de kinderen kenden er weer aankwam en dan zei ik: “Nu allemaal!” Toen gebeurde er iets in het lokaal! Hetzelfde gebeurt als ik met de kinderen het verhaal uitspeel waarin Jezus het tempelplein opkomt en de tafels van die handelaren omdondert. Ik vertelde: “Ze waren de duiven en de geitjes aan het verkopen en het was een herrie van jewelste. En daar kwam Jezus het plein op.” Vervolgens gooit een kind de tafel om en ís er iets in dat lokaal. Dat is precies hetzelfde als wat bij dat samen spelen van dat lied gebeurde. Dat was samenspel en meerstemmigheid.’

Godsdienst is meerstemmigheid

‘Die meerstemmigheid hoort ook bij godsdienst. In de Bijbel staat dat wij samen het lichaam vormen. Jezus is het hoofd en wij zijn allemaal ledematen. Daarmee heb je al meerstemmigheid. Ik vind het heel belangrijk om zowel in de muziekles als in de godsdienst/levensbeschouwelijke lessen de vraag te stellen: “Wat vind je ervan?” We hebben bijvoorbeeld bij de verloren zoon naar drie soorten muziek geluisterd en dan vraag ik aan de kinderen: “Welk muziekstuk vind je het best passen bij het gevoel dat hij spijt heeft dat hij is weggegaan?” Dan benadruk ik dat een antwoord niet fout kan zijn. Ik vergelijk het graag met hun lievelingskleur. Als jij zegt dat je lievelingskleur blauw is, kan ik niet zeggen dat dat fout is. De kinderen begrijpen dit meteen.

Bij het verhaal van de verloren zoon had ik voor de onderbouwkinderen meer contrasterende muziek gekozen: een rustig muziekje, één met wat meer tempo en één met maar één of juist meer instrumenten, terwijl ik bij de bovenbouw had gekozen voor muziekjes die dichter bij elkaar liggen. Het was allemaal langzaam, maar het één was duidelijk in een majeur toonsoort gegeven en een ander in een mineur, en dat geeft een andere sfeer. De kinderen kiezen zelf. Zij kunnen goed verwoorden waarom hun keuze voor hen op dat moment past. Dat kan met de klank van het instrument te maken hebben, of met het gevoel dat ze erbij krijgen, geven ze zelf vaak aan.’

De grondtoon in mijn leven

‘In muziektermen gesproken zit de grondtoon voor mij heel erg bij je echte ik. We spelen met zijn allen toch wel behoorlijk vaak toneel. De grondtoon heeft voor mij als mens te maken met of ik op dit moment echt bij mezelf ben. Als je echt bent, ben je meer in harmonie. Ik zeg altijd: “Ik ben het leukst als ik op mijn oplader sta”.

Ik ben het leukst als ik met mijn oplader verbonden ben

Als ik overprikkeld ben en te veel in mijn hoofd zit, raak ik van die oplader verwijderd. Andere mensen hebben het over de bron. Dat vind ik ook mooi klinken. De oplader is voor mij die grondtoon. Ben je bij jezelf? Ben je daar waar je ziel de ruimte krijgt om bij te komen? Om op te laden? Muziek en religie zijn voor mij manieren om op te laden. Maar stilte is ook heel belangrijk. Muziek kan niet bestaan als de stilte ervoor en erna er niet is. Muziek krijgt zijn kracht door de stilte. Taizé sprak mij als jongvolwassene aan door de stilte die valt in de kerk. Samen stil zijn is mogelijk nog krachtiger dan alleen stil zijn. Dat is echt opladen.

Mijn dochter en ik hebben wel eens op Eeuwigheidszondag gespeeld, dat is Allerzielen maar dan bij de protestanten, dan mogen de mensen een kaarsje opsteken. Toen hebben we samen met een pianist Taizé-liederen gespeeld. Voor de viering zei hij: “Ik vermoed dat je het lied wel minstens vier keer wilt spelen.” Ik zei dat het wel het dubbele zou worden. “Acht keer!” riep hij uit, terwijl ik me afvroeg of we aan acht wel genoeg zouden hebben. Dat was het dus niet, want er stond een enorme rij mensen. Die herhaling van muziek geeft mij rust.’

Geloven is polyfoon

‘Een andere muzikale term die mij enorm aanspreekt, is polyfonie. In de oudheid zongen ze altijd eenstemmig en met name in de vroege Middeleeuwen ontstond meerstemmigheid. De jonge jongens zongen hoog en de mannen laag en zo ontdekten ze een soort meerstemmigheid. Je hebt de dominanttoon, dat is de vijfde toon of de kwint, en die is het verst van de grondtoon van de toonladder verwijderd. De dominant leidt altijd naar de grondtoon van de toonladder waar het muziekstuk in staat. Ze gingen dus parallelle kwinten zingen. Dit klinkt ons nu bijna vals in de oren, wij zijn het verleerd doordat in de Renaissance de terts erbij kwam, de derde toon. Dus dan had je de eerste, de derde en de vijfde, en dan weer de grondtoon, de achtste. Dus 1, 3, 5, 8. Dat speelden ze samen. En toen kwamen er akkoorden te liggen.

Er ontstonden twee manieren om meerstemmig te zingen. Namelijk homofoon, dan zing je hetzelfde maar met een toonafstand ertussen, en polyfoon, waarbij jij een melodie zingt en ik een melodie zing, maar we beginnen niet tegelijk. Het is meer canonachtig en dan zijn alle stemmen even belangrijk, want ze doen allemaal hun eigen ding, maar met elkaar. Het is ook de meest ingewikkelde muziek om naar te luisteren. Het spreekt mij enorm aan omdat in de polyfonie elke stem even belangrijk is, terwijl bij het homofone meerstemmige de boventoon tegenwoordig door één instrument wordt gespeeld, de rest is begeleiding. Dat is ook mooi, maar bij polyfonie is iedereen even belangrijk, je kunt niemand missen en juist dat raakt mij. Daarom is geloven voor mij eerder polyfoon dan homofoon. Dat is voor mij ook de overeenkomst tussen spiritualiteit en polyfonie: iedereen is belangrijk om het geheel tot bloei te laten komen.’

Tanja van Leeuwen doet onderzoek naar wat vrouwen beleefd hebben aan deelname aan vrouw-en-geloofgroepen en is redactielid van Herademing.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken