Menu

Premium

Handoplegging

Geloofstaal & cultuurtaal

Wie de hand op een ander legt, drukt daarmee intieme nabijheid uit. Als godsdienstige handeling kan aan handoplegging een meerwaarde toegekend worden. Deze kan dienen om macht of kracht over te dragen, die bij de een verondersteld wordt en bij de ander (nog) niet. Deze handoplegging kan met name bij een wijding of ter genezing worden gebruikt.

Enerzijds zal deze symbolische handeling aanspreken in een cultuur waarin er behoefte bestaat aan het voelbaar maken van geestelijke werkelijkheden. Anderzijds zal een dergelijk gebaar met wantrouwen bekeken worden door hen, die menen dat op deze wijze mensen van andere mensen afhankelijk gemaakt worden, die te veel de plaats van God zelf kunnen gaan innemen.

Woorden

In het Oude Testament is er een terminus technicus voor het opleggen van de hand, een gebruik dat met name een plaats heeft in de offerdienst: samachjad. Voor het opheffen van de handen bij het uitspreken van een zegen wordt in Leviticus 9:22 nasa en in Genesis 48:14 het werkwoord siet, leggen, gebruikt. In het Nieuwe Testament wordt het Griekse werkwoord epitithenai gebruikt met de afgeleide vorm epithesis voor handoplegging.

Betekenis in context

Oude Testament

Offerwetgeving

In het algemeen drukt het opleggen van een hand een nauwe gemeenschap uit. Door lichamelijke verbondenheid wordt de solidariteit met elkaar niet alleen met woorden uitgedrukt, maar ook voelbaar gemaakt.

Een belangrijke context waarin die solidariteit van groot belang wordt geacht in de Bijbel is de offerwetgeving. Het hoort bij de symbolische handelingen van het brengen van een offer, dat degene die een offer brengt zijn hand op de offergave legt (bijv. Ex. 29:15, 19; Lev. 1:4, 3:2, 4:4vv, 8:14, 18vv). Voor het aangezicht van de Here wordt zichtbaar beleden dat wat met het offerdier gebeuren gaat, eigenlijk met de mens daarachter zou moeten gebeuren.

Leviticus 16:21 legt deze handeling expliciet uit. Door de beide handen op de kop van het levende offerdier te leggen en daarbij de zonden van het volk te belijden, zal de hogepriester Aäron die daadwerkelijk op de kop van het dier leggen. God belooft de effectiviteit van de symbolische handeling, zodat deze tot een verzoening van de schuld zal dienen.

De handoplegging accentueert nauwe gemeenschap en representatie. Het offer staat zo geheel in de plaats van de mens die het offer brengt.

Wijding

Op een bijzondere manier wordt de representatiegedachte in de handoplegging zichtbaar bij de wijding van de Levieten in hun dienst aan God. Zij komen plaatsvervangend voor geheel Israël voor Gods aangezicht te staan. Op dat moment leggen alle Israëlieten de Levieten de handen op (Num. 8:10).

Als Mozes zijn opvolger Jozua aanstelt, moet hij hem ook zijn hand opleggen. In Numeri 27:18 en verder wordt dat in nauw verband gebracht met de opdracht om aan Jozua de bevelen van de Here door te geven. Deze symbolische wijding moet plaatsvinden voor de ogen van geheel Israël, met als doel dat zij voortaan naar Jozua zullen luisteren. Het opleggen van de handen maakt zichtbaar dat Jozua als ambtsdrager voortaan de plaats van Mozes zal innemen.

Zegen

Slechts op één plaats wordt in het Oude Testament gesproken over een opleggen van handen bij het uitspreken van een zegen. Dat gebeurt wanneer Jakob op zijn sterfbed de zonen van Jozef zegent (Gen. 48:14). In het algemeen hoort bij de zegen het gebaar van het opheffen van de handen, zo blijkt uit Leviticus 9:22. Dat opheffen van de handen kan gezien worden als een collectieve handoplegging. Het maakt zichtbaar dat God gemeenschap wil hebben met de mens die de zegen ontvangt. Die gemeenschap wordt weliswaar niet voelbaar in een letterlijke handoplegging door God, maar hij wordt wel zichtbaar in het opheffen van de handen van de priester die als bemiddelaar de zegen namens God mag uitspreken. Daarachter staat de werkelijkheid van de handen van God.

Nieuwe Testament

Jezus’ zegen

In de tijd tussen de testamenten is het gebruik geworden dat mensen elkaar in diverse omstandigheden een zegen konden toebidden, hetgeen gepaard kon gaan met handoplegging om nauwe verbondenheid met elkaar uit te drukken. Op de avond van grote verzoendag ging men vaak naar een rabbi of schriftgeleerde om zijn kinderen te laten zegenen. Daarin ligt de gedachte, dathet leven dat verzoend is leiding moet krijgen vanuit het woord van God, dat door de rabbi wordt uitgelegd. Daar wordt de zegen van God van verwacht.

In het Nieuwe Testament is te lezen dat op zekere dag een groot aantal mensen naar Jezus toekomt, om hun kinderen door Hem te laten zegenen (Mar. 10:13-16). Mogelijk was dat op zo’n avond van grote verzoendag. Wat die ouders ervan beseft hebben, staat er niet. In het kader van het evangelie is het wel duidelijk dat echte verzoening met God er alleen zal kunnen komen door Jezus, en dat alleen bij Jezus dan ook de goede leiding en de zegen voor dat verzoende leven te vinden is. Wanneer de discipelen proberen de ouders de toegang tot hun Meester te verhinderen, neemt Jezus hen dat dan ook zeer kwalijk. De discipelen staan het werk van God hier in de weg. Juist bij Jezus’ handelen aan de kinderen wordt duidelijk op welke manier mensen de genade van God mogen ontvangen: door met lege handen, als kleine kinderen bij Hem te komen om zich door Hem te laten leiden. Dat wordt zichtbaar in Jezus’ omarming en handoplegging wanneer Hij hen zegent.

Jezus’ genezingen

Jezus geneest mensen op verschillende manieren. Regelmatig is te lezen dat Jezus mensen daarbij de handen oplegt of hen aanraakt. Jezus blijft niet op afstand. Juist voor een zieke kan aanraking al het isolement doorbreken; zelfs een blinde kan zo de toenadering voelen (bijv. Mat. 8:15, Mar. 8:23).

De Bijbel is evenwel voorzichtig in het weergeven van handelingen die een magische betekenis zouden kunnen krijgen. Het is opmerkelijk dat wanneer mensen vragen om handoplegging in dit verband, de reactie steeds terughoudend is.

Dat is al het geval in het Oude Testament. Bekend is de geschiedenis van Naäman, die wel verwachtte dat de profeet Elisa met zijn handen manipulerend over zijn zieke lichaam zou strijken, maar die met een simpel woord naar huis werd gestuurd. Juist dat woord vroeg om geloof (2 Kon. 5:nvv).

In het Nieuwe Testament vraagt Jaïrus aan Jezus of Hij zijn dochter de handen wil komen opleggen, opdat zij zo genezen zal worden. Jezus doet dat daar niet. Evenmin legt Hij de handen op bij een doofstomme, als diens vrienden dat aan Hem vragen (Mar. 7:32). In deze situaties raakt Jezus de mensen juist op een andere manier aan om zijn nabijheid te laten merken (Mar. 5:41; 7:33).

Handoplegging en gebed

Een enkele maal is te lezen dat mensen bij een gebed ook de handen opleggen. Zo bidt Paulus voor iemand ‘en hij legde hem de handen op en genas hem’ (Hand. 28:8). Eenzelfde verbinding is te vinden in de zendingsopdracht aan het eind van het Evangelie van Marcus (16:18). De handoplegging kan – evenals andere vormen van aanraking – een gebaar zijn van nauwe solidariteit. Met name waar mensen belemmerd zijn in het maken van contact kan zo’n aanraking bijzonder op zijn plaats zijn. Zo moet Ananias de blinde Sau-lus de handen opleggen als teken dat God hem zijn ogen weer opent (Hand. 9: 12, 17). De handoplegging zelf bewerkt de genezing niet op magische wijze.

Datzelfde geldt van de plaatsen waar handoplegging in verband staat met het gebed om de Heilige Geest (Hand. 8:17-19 en 19:6). In Handelingen 8 wordt dit door een toverdokter misverstaan als zou het om een magische handeling gaan. Uit de reactie van de apostelen is op te maken dat dit een ernstige misvatting is. Nooit zal het tot geloof komen of het ontvangen van de Geest afhankelijk kunnen worden van menselijke handen.

Aanstelling in een ambt

Wanneer Paulus en Barnabas door de Heilige Geest worden afgezonderd om het evangelie te gaan verkondigen, staat over de gemeente die hen zal uitzenden: ‘Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan’ (Hand. 13:3). Omdat op meer plaatsen een verwijzing naar zo’n handoplegging te vinden is bij de instelling tot een ambt, zal het om een bekend gebruik gaan (vgl. Hand. 6:6, 1 Tim. 5:22). Hierbij zal de betekenis van de handoplegging bij de aanstelling van de Levieten en de aanstelling van Jozua in het Oude Testament een rol gespeeld hebben. De herinnering aan deze handoplegging, waarin de gemeenschap met de Opdrachtgever en de belofte van zijn Geest voelbaar gemaakt is, moet de ambtsdrager ertoe brengen trouw te zijn in het uitoefenen van zijn ambt (1 Tim. 4:14; 2 Tim. 1:6).

Kern

In de handoplegging wordt een nauwe band en solidariteit voelbaar gemaakt. Dit kan in dienst staan van de manier waarop mensen tot God komen. Dat geldt met name voor de offers in het Oude Testament. Door de handoplegging wordt de eenheid van de mens met zijn offer zichtbaar beleden voor God.

Andersom kan de handoplegging ook dienen om de belofte van gemeenschap van Gods kant naar de mens te onderstrepen. Daarbij is te denken aan de genezingen door Jezus, aan de specifieke aanstelling tot een ambt in de gemeente en aan het gebaar bij de zegen. Ten derde kan de handoplegging ook dienen om de solidariteit van mensen met elkaar voelbaar te maken op het moment dat zij voor Gods aangezicht komen in het gebed. Daarmee krijgt de handoplegging niet een magische betekenis. Vaak dient de aanraking om de verbondenheid juist daar merkbaar te maken, waar er specifieke belemmeringen zijn voor het maken van contact.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: zegen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken