Het tegendeel als teken
Kerstnacht (Lucas 2,1-20)
Het is een van de teksten die ik ooit als kind uit mijn hoofd moest leren om ze op te zeggen tijdens de kerstviering van school of zondagsschool: de boodschap van de engel aan de herders, Lucas 2,11-12. We kennen die woorden zó goed dat we niet meer opmerken hoe absurd ze zijn. Want hoe zou het drievoudige ‘teken’ van vers 12 de drievoudige proclamatie van vers 11 moeten ‘betekenen’?
Aanvankelijk las ik Lucas 2 argeloos als een verslag van hoe het destijds volgens Lucas zou zijn gegaan. Ook toen ik het later aandurfde de historiciteit van het verhaal te betwijfelen, dacht ik dat Lucas als auteur wel degelijk meende dat het zo gebeurd moest zijn. Nog weer later begreep ik dat Lucas zijn verhaal kunstig had gecomponeerd, spelend met in zijn dagen al archaïsche zinswendingen om zijn inleidende hoofdstukken de sfeer van de Tora te laten ademen, met de drie lofzangen als collages van zinnen uit de Tenach.
Grimmige humor
Inmiddels krijg ik steeds meer de indruk dat de auteur in het geboorteverhaal opzettelijk een soort grimmige humor heeft toegepast. Lucas, wie hij ook was, moet geweten hebben dat er nooit een wereldwijde of rijks-omvattende census is geweest. Volgens Tenach was het David die ooit zijn hele imperium liet becijferen en daarmee de grootste zonde van zijn koningsloopbaan beging (2 Sam. 24; 1 Kron. 21).
Fiscale volkstellingen in rijksdelen van het Romeinse imperium kwamen wel voor, en daarvoor werden ingezetenen geregistreerd op de plek waar hun familiebezit zich bevond. Lucas speelt met dat gegeven door te zeggen dat Jozef van Nazaret naar Betlehem moest ‘omdat hij uit het geslacht van David was’. Betlehem wordt de stad van David genoemd, want daar is David geboren, maar dat was duizend jaar eerder. Als alle afstammelingen van David voor de registratie een millennium later naar Davids geboorteplaats hadden gemoeten, hadden daar honderdduizenden mensen moeten samenkomen. Voor de census zou het geen enkele zin hebben gehad – het klinkt meer als administratieve obstructie dan als gehoorzaamheid aan een keizerlijk bevel. Het is zoiets als: willen de afstammelingen van Adam zich melden in Eden alstublieft! De tekst van Lucas is op dit punt eerder politiek-theologische satire dan geschiedschrijving.
Tegenover de ‘Verlosser’ Augustus met zijn pax romana komt de Verlosser Jezus ter wereld, niet in Jeruzalem waar David ooit zijn imperium stichtte, maar in Betlehem waar David een kleine herder was. Daar past naadloos bij dat herders de eersten zijn die de aanzegging krijgen. Herders die waken terwijl de wereld slaapt. Dat ‘waken’ zou ook zomaar een thema kunnen zijn: de hemel gaat niet open voor een willekeurig publiek, maar voor mensen die de wacht houden over hun kudde, net als de kleine David ooit. Of andersom: wie weet hoe vaakde hemel zich opent – maar niemand kijkt op, voortdurend verslapen en versukkelen we het moment.
Omdenken
Maar nu over het teken. De engel maakt in vers 11 de geboorte bekend van (a) de Verlosser, (b) Christos Kyrios, (c) in de stad van David. Mocht je die gaan zoeken, dan herken je Hem als volgt: je vindt (a’) een baby, (b’) ingebakerd en (c’) liggend in een voederbak. Als je die twee rijtjes samenbrengt, zie je dat dit een uitnodiging tot ómdenken is. De verlosser een baby, de heerser ingebakerd, de Davidsstad een voederbak. Hij is er niet klaar voor, Hij kan geen vin verroeren, Hij heeft geen plek in deze wereld. Zó komt de bevrijding de wereld binnen die de Eeuwige zendt: als een weerloze kiem van iets dat nog moet komen. Zó en niet anders kun je het ontvangen en begroeten. Hier vermoed ik opnieuw een ironische intentie bij de schrijver.
Want ingebakerde zuigelingen in voederbakken moeten er in groten getale zijn geweest. Zoals negentien eeuwen later talloze baby’s hun eerste weken doorbrachten in een aardappelkist. De wiegjes waren voor de rijke uitzondering. Dus ga maar, herders, en je zult vinden: arme gezinnen genoeg. Het kind is herkenbaar aan zijn onherkenbaarheid, de Redder van de wereld ligt erbij zoals de allermeeste zuigelingen in die omgeving. Hoewel Lucas het misschien niet zo bedoeld heeft, lees ik het als een aansporing om Christus de Heer te vinden in ieder mensenkind en om bij elke geboorte opgetogen te roepen: We hebben degene gevonden op wie de wereld wacht!
In ieder mens
We zijn gewend om Lucas 2 te lezen naast Jesaja 9, over het kind dat vrede brengt doordat het Israël gaat verlossen van de heerschappij van stampende laarzen, bebloede mantels en dodelijke wapens. Wat dacht de dichter van die profetie toen hij de woorden sprak? Een vredevorst was een heerser die machtig en daadkrachtig genoeg was om de vijand te verdrijven en de landsgrenzen veilig te stellen. Het getuigt van veel hoop en geduld als je zo’n vorst al durft te vieren als hij alleen nog maar geboren is, zonder enige garantie dat het later, veel later, echt zo bevrijdend zal uitpakken. Of zou het mogelijk zijn om de verhoopte vredebrenger zo intens te internaliseren dat hij in ieder mensenkind kan opstaan, dat ieder mens hem kan belichamen?
Deze exegese is opgesteld door Piet van Veldhuizen.