Menu

Premium

Hosea

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

INLEIDING

I. Naam en schrijver

Het boek Hosea draagt de naam van de profeet die er de auteur van is. Het boek is het eerste in de reeks van de ‘Twaalf Profeten’ ofwel de ‘Kleine Profeten’, zo genoemd vanwege de geringe omvang van deze profetische geschriften in vergelijking met die van Jesaja, Jeremia en Ezechiël. Het boek Hosea staat niet vooraan omdat het het oudste zou zijn (Amos is nog iets ouder), maar omdat het het omvangrijkste van de twaalf boekjes van de Kleine Profeten is. Hosea is waarschijnlijk de enige profeet die niet alleen in het noordelijke rijk Israel geprofeteerd heeft (zoals Arnos), maar ook zelf uit Noord-Israel afkomstig was. Het nogal eens van het gangbare taalgebruik afwijkende Hebreeuws ‘dat Hosea sprak en schreef, kan met die noordelijke afkomst samenhangen.

II. Achtergrond

Hosea werkte als profeet in Noord-Israel, toen Jerobeam II (ca. 783-752 v.Chr.) daar regeerde, zo meldt het opschrift (1:1). De regeringsjaren van Jerobeam II betekenden voor Noord-Israel een periode van grote economische en politieke bloei, maar ook een tijd van schrille, sociale tegenstellingen (zie daarvoor de Inleiding op Arnos). Hosea profeteerde echter ook nog jaren na de dood van Jerobeam II. Uit zijn boekje blijkt dat hij na de politieke welvaart ook de politieke nedergang van het noordelijke rijk heeft meegemaakt, de tijd waarin Tiglatpileser III (in de Bijbel ook Pul genoemd) van Assyrië zijn veroveringstocht naar het westen uitstrekte tot het Palestijnse gebied (739 v.Chr.). De toenmalige koning van het noordelijke rijk Menahem wist door een aanzienlijk tribuut een verovering van zijn land nog af te kopen (2 Kon. 15:19). Een latere noordelijke koning, Pekah, probeerde echter samen met Resin, de koning van Aram (Syrië) een opstand tegen de Assyriërs te organiseren. Zij trachtten daarin ook koning Achaz van Juda mee te krijgen. Toen dat niet lukte, poogden zij het zuidelijke rijk met geweld aan hun zijde te krijgen door er Achaz van de troon te gaan halen en een ander aan de regering te brengen. De broederoorlog, die daardoor ontstond, de zogenaamde Syro-efraïmitische oorlog, 734-733, liep echter voor Pekah verkeerd af. Koning Achaz wist zich de steun van Tiglatpileser te verwerven (2 Kon. 16; Jes. 7), koning Pekah werd vermoord, het noordelijke rijk werd grotendeels veroverd door Assyrië en de resterende rompstaat Efraïm werd een schatplichtige vazal van Tiglatpileser onder koning Hosea, de laatste koning van het noordelijke rijk. Deze probeerde na de dood van Tiglatpileser (727 v.Chr.) opnieuw een opstand tegen de Assyrische overheerser te beginnen, nu samen met Egypte, maar

Hosea werd gevangen genomen door Tiglatpilesers opvolger Salmanassar en zijn hoofdstad Samaria werd belegerd. Na een beleg van drie jaar viel Samaria in handen van de belegeraars (onder Sargon II van Assur) en daarmee was het einde van het noordelijke rijk als zelfstandige staat aangebroken.

Ook in de binnenlandse politiek was de periode waarin de profeet Hosea werkte na de dood van Jerobeam II, een tijd van grote onrust. Het waren voor Noord-Israel de jaren van de paleisrevoluties, waarbij de ene koning zijn voorganger nog maar nauwelijks vermoord had, of hemzelf trof weldra eenzelfde lot (vgl. 7:3-7). Zo volgden na Jerobeam II de koningen elkaar in snel tempo op: Zekarja, Sallum, Menahem, Pekahja,-Pekah, Hosea.

Ging Arnos vooral in tegen het sociale onrecht dat in die dagen in Noord-Israel aan de orde van de dag was, Hosea profeteert met name tegen de godsdienstige ontrouw van Israel in zijn dagen. Onder het mom van de dienst des HEREN werd aan de noordelijke heiligdommen toch in feite de oude kanaänitische goden, de baäls en de astartes gediend. In naam moesten de stierbeeiden die Jerobeam I in Betel en Dan had opgericht (1 Kon. 12:28) een voorstelling van de HERE zijn, maar in feite was de stier het symbool van de Baäl, de kanaänitische god van de vruchtbaarheid, van wie ook vele Israëlieten de vruchtbaarheid van hun land en hun kudden verwachtten (2:4), zodat zij maar al te graag meededen aan de heidense ontuchtige riten die de vruchtbaarheid moesten bevorderen (4:11-14).

III. Datering

Uit het opschrift (1:1) horen wij dat de HERE zijn woord tot de uit Noord-Israel afkomstige Hosea sprak in de tijd waarin Jerobeam II over het noordelijke rijk regeerde. De judeese redactor die het opschrift bewerkte, noemt.echter eerst de judeese koningen: Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia. De regeringsjaren van Uzzia en Jotam vielen ongeveer samen met die van Jerobeam II uit het noordelijke rijk (Jotam regeerde eerst een tijd als co-regent voor zijn vader Uzzia toen deze aan melaatsheid leed), maar die van Achaz en Hizkia waren in elk geval later. Wat de periode van Hosea’s profetische werkzaamheid betreft, is de datering naar de judeese koningen juister. Hosea is als profeet begonnen in de laatste jaren (ca. 756-752 v.Chr.) van de regering van Jerobeam II (uit die tijd dateren waarschijnlijk de hoofdstukken 13), maar hij heeft ook nog jaren na de dood van Jerobeam II zijn profetische opdracht in het noordelijke rijk vervuld. Uit 5:8-10 blijkt dat Hosea in elk geval de Syro-efraïmitische oorlog (734-733; zie Achtergrond) nog heeft meegemaakt en uit 14:1 valt op te maken dat hij deondergang van Samaria op korte termijn heeft zien aankomen. De val van Samaria zelf heeft hij echter blijkbaar niet meer beleefd. In elk geval is in zijn boek geen profetie aan te wijzen die de val van Samaria (722 v.Chr.) als een gebeurtenis uit het verleden onderstelt.

IV. Belangrijkste motieven

a. Israel is de bruid van de HERE, die de HERE tot zijn verbondspartner gekozen heeft, maar deze partner heeft zich in ontrouw met andere goden afgegeven en is haar wettige God, de HERE, ontrouw geworden (Hos. 2). De door Israel verbroken relatie tussen de HERE en zijn volk moet Hosea uitbeelden door zijn huwelijk met een ontuchtige, trouweloze vrouw (Hos. 1).

b. De kanaänitische vruchtbaarheidscultus, waarin de baäls in plaats van de HERE of onder het mom van de dienst des HEREN werden vereerd en aanbeden, is de fundamentele zonde, die Hosea in Gods naam aan de kaak stelt (4:12 w; 5:4). Als de Israëlieten de zegeningen van het aardrijk van de baäls verwachten, stelt Hosea daartegenover dat zij hun koren, most en olie niet van de baäls maar van de HERE hebben gekregen (2:7).

c. De dienst van de stierkalveren, als exponent van het syncretisme, de vermenging van de dienst des HEREN met die van de baäls, zal door Gods toorn verdwijnen (8: 5; 10:5-8).

d. Het noordelijke koningschap, als eigenmachtige, buiten God om tot stand gebrachte instelling (8:4), gekenmerkt door paleisrevoluties en moorden (7:7) en onbekwaam tot een goede regering, is eveneens voorwerp van Gods toorn en zal worden teniet gedaan (10:7; 13:11).

e. Egypte is voor Hosea niet alleen het land waar de HERE Israel eens als zijn zoon geroepen had (11:1 w, vgl. 12:10; 13:4), maar ook symbool van Gods komende strafgericht, waarbij de door de profeet voorziene deportatie naar Assur, een terugkeer naar Egypte, dwz. naar de toestand vóór Gods bevrijding van zijn volk (8:13; 9: 3; 11:5), kan worden genoemd.

f. De kennis des HEREN, als aanduiding van de wezenlijke relatie tussen God en zijn volk (6:6), is zo belangrijk dat het volk zonder die kennis verloren gaat (4:6). Die ware kennis kan niet tot stand komen door een oppervlakkige liturgie (6:3) of een formele offerdienst (8:IIIS), maar alleen door het kennen van Gods Woord, zijn geopenbaarde wil en wet. Dat de priesters het bijbrengen van die kennis, hun belangrijkste taak, verzaakt hebben, is de oorzaak van Gods oordeel over hen (4:4 w).

g. De HERE is een God van liefde, die ook met zijn straffen het heil van Israel op het oog heeft (Hos. 2) en ondanks alle ontrouw van Israel bereid blijft een nieuw begin met zijn volk te maken (3:3-5), waarbij de woes-tijntijd als beeld van het nieuwe begin fungeert (2:13 w; vgl. 9:10). Juist in de weergaloze bereidheid tot vergeving betoont de HERE zich de Heilige, de Gans Andere (11:8 v), die het getuchtigde Israel weer als Ruchama (‘ontfermd’) en Ammi (‘Mijn volk’) wil aanzien.

Korte inhoud

HET OPSCHRIFT 1:1

HOSEA’S HUWELIJK EN GEZIN 1:2-3:5

De ontuchtige vrouw en Israels ontrouw 1:2-3

De namen van de kinderen als goddelijke oordeelsaankondiging 1:4-9

Het heil voor het nieuwe volk Gods 1:10-12; hebr. 2:1-3

Gods tuchtiging van het trouweloze volk 2:1-12; hebr. 2: 4-15

Terug naar de woestijn, als begin van een nieuwe heilstijd 2:13-22; hebr. 2:16-25

Liefde overwint ontrouw 3:1-5

GEEN KENNIS VAN GOD 4.T-19

De natuur lijdt mee onder de zonde van de mens 4:1-3

De priesters om hun nalatigheid en egoïsme gestraft 4:410

Afgoderij en schaamteloze ontucht bestraft 4:11-19

ONTROUW 5:1-7

Israels leiders zijn verleiders 5:1-2

Ontucht en hoogmoed bestraft 5:3-6

GEEN GENEZING ZONDER BEKERING 5:8-6:6

De broederoorlog onder Gods oordeel 5:8-15

Israels boeteliturgie 6:1-3

Kennis van God beter dan offers en eredienst 6:4-6

ISRAELS ZONDEN DIEP GEWORTELD 6:7-7:16

Israels wandaden opgesomd 6:7-7:2

Paleisrevolutie en koningsmoord 7:3-7

Efraïm zoekt heil bij vreemde volken 7:8-12

Wee de afvalligen 7:13-16

ISRAELS VERBONDSBREUK BESTRAFT 8:1-9:9

Verbond en wet overtreden 8:1-3

Onwettig koningschap en afgoderij 8:4-7

Israel onder de volken 8:8-10

Efraïms offers en trotse bouwwerken 8:11-14

Israels overspelige ontrouw 9:1-6

Gods profeet uitgescholden en gehaat 9:7-9

VERLEDEN, HEDEN, TOEKOMST 9:10-11:11

In de woestijn gevonden, in Kanaän verloren 9:10-14

Sinds Gilgal verdorven, door God verdreven 9:15-17

Gods oordeel over altaren, koning en stierbeeld 10:1-8

Israel sinds Gibea om zijn zonde getuchtigd 10:9-10

Israel, eens als een gewillige koe, nu om zijn eigenzinnigemilitaire trots gestraft 10:1-15

Eens in Egypte geroepen, nu naar Egypte terug 11:1-6

Gods liefde wint het van zijn oordeel 11:7-11

EEN LEUGENACHTIG VOLK 12:1-15

De leugenachtige ontrouw van Efraïm 12:1-3

De leugenachtige voorvader 12:4-7

Gods trouw tegenover Israels bedrog 12:8-11

De geschiedenis van Israels ontrouw tegenover Godstrouw roept om vergelding 12:12-15

GODS OORDEEL OVER ISRAEL 13:1-14:1

Efraïms afgoderij bestraft 13:1-3

Het verachten van Gods verlossingswerk bestraft 13:4-8

Efraïm met zijn koningshuis gevonnist 13:9-14:1

BEKERING EN HEIL 14:2-9

Oproep tot bekering 14:2-4

Een heilrijke toekomst 14:5-9

EEN WIJZE VERMANING 14:10

VERKLARING

Het opschrift 1:1

Het opschrift accentueert dat de woorden die Hosea gesproken heeft, teruggaan op de openbaring van het woord des HEREN aan hem. De naam Hosea is waarschijnlijk een afkorting van hosja’ja (Jer. 42:1, 43:2) en betekent dan: ‘De HERE heeft geholpen’. De naam van Hosea’s vader, Beëri (vgl. Gen. 26:34), betekent ‘mijn put, mijn bron’, een naam waarin ouders de dank tot uitdrukking brengen voor Gods gave van een zoon, waarmee een nieuwe ‘bron’ voor het voortbestaan van het geslacht gegarandeerd is. Voor de tijdsaanduiding naar de koningen van Juda en Israel, zie boven onder Datering.

Hosea’s huwelijk en gezin 1:2-3:5

De ontuchtige vrouw en Israels ontrouw 1:2-3 Aan het begin van Gods spreken door Hosea staat de merkwaardige opdracht dat de profeet moet trouwen met een ontuchtige vrouw. De ethisch aanstotelijke aard van de opdracht heeft Calvijn en andere uitleggers er toe verleid vs 2 als een allegorische gelijkenis, dus niet echt zo bedoeld, te interpreteren. Anderen menen dat men de opdracht proleptisch moet verstaan, dwz. dat Hosea pas later, toen zijn vrouw hem ontrouw werd, zijn moeilijke leven zou hebben verstaan als een goddelijke opdracht om er de relatie God-Israel mee uit te beelden. Liever late men de opdracht in al zijn aanstotelijkheid staan als bevel des HEREN om een tekenhandeling te verrichten (zoals het even aanstotelijke naaktlopen van Jesaja in Jes. 20). Hosea moet dus trouwen met een vrouw van Uchte zeden, die ook na haar huwelijk haar aard niet verloochent, maar haar man ontrouw wordt en het met anderen houdt, zoals indirect uit hoofdstuk 2 valt te concluderen (zie onder d). Met dat huwelijk moet Hosea de noordelijke Israëlieten prediken dat zij precies zo zijn als zijn trouweloze vrouw, omdat zij zich (‘het land’ staat uiteraard voor de bewoners) in schandelijke ontucht van de HERE afwenden (letterlijk SV: ‘het land hoereert ganselijk van achter de HERE’). De kinderen uit Hosea’s huwelijk zijn uit deze ontuchtige vrouw geboren en dragen haar aard daarom mee: het zijn ontuchtige kinderen (zie 2:3).

Hosea volgt Gods opdracht op (vs 3) en trouwt met Go-mer, de dochter van Diblaïm. Hoewel de kerkvaders de namen graag allegorisch interpreteerden als ‘volmaakt (in ontucht)’, ‘een dochter van wellust’ (diblajlm als ‘twee vijgekoeken’, hetgeen symbool van wellust zou zijn), hebben wij toch eerder met reële eigennamen te maken, al ontbreekt de naam Diblaïm verder in het Oude Testament. De naam Gomer komt voor als naam van een volk (oa. Gen. 10:2 v) en is vermoedelijk bedoeld als afkorting van gemarjs, ‘de HERE heeft (het) voltooid’.

De namen van de kinderen als goddelijke oordeelsaankondiging 1:4-9

Behalve met zijn huwelijk moet Hosea ook in de namen die hij zijn kinderen moet geven, Gods boodschap overbrengen. De eerste zoon moet hij Jizreël noemen (vs 4). Daarbij gaat het niet om de betekenis van die naam (‘God zaait’, 2:21), maar om een historische gebeurtenis rond de stad Jizreël, gelegen in de gelijknamige vlakte tussen het Karmelgebergte en de Jordaan. Die stad was in het verleden de residentie van de Omriden, waartoe koning Achab behoorde. De laatste Omride, Joram, met zijn moeder Izebel en de hele familie van zijn vader Achab, werd een eeuw vóór Hosea uitgemoord door Jehu, die als ijveraar voor de dienst des HEREN, in opdracht van Gods profeet Elisa, op deze wijze de Omriden moest ombrengen, omdat zij Israel voorgingen in de verfoeilijke baäldienst (2 Kon. 9-10). Nu de nazaten van Jehu zelf tot dezelfde,zonde zijn vervallen, is het beoogde doel van het bloedbad krachteloos gemaakt en daarmee is van de daad van Jehu voor zijn nageslacht alleen nog het aspect van moord en bloedschuld over. Daarover zal de HERE bezoeking doen door ook een eind te maken aan de dynastie van Jehu, die in Hosea’s dagen vertegenwoordigd werd door Jerobeam II en die met de moord op Jerobeams zoon Zekarja inderdaad weldra een gewelddadig einde kreeg.

In vs 5 hebben wij blijkbaar te maken met een later woord van Hosea, dat op grond van het trefwoord Jizreël aan vs 4 werd gehecht. Het gaat hier echter om de vlakte en niet om de stad Jizreël. In die vlakte zou de HERE Israels boog, pars pro toto voor de hele krijgsmacht, vernietigen. Dat gebeurde toen de assyrische koning Tiglatpileser III ca. 733 v.Chr. het noorden van Noord-Israel, oa. de vlakte van Jizreël, veroverde. Bij de naam van het tweede kind, een dochter (vs 6) gaat het om de betekenis van haar naam: Lo-Ruchama betekent ‘niet-ontfermd’. De hebreeuwse stam rSham duidt oorspronkelijk de gevoelens aan die mensen jegens elkaar hebben, die uit dezelfde ‘moederschoot’ (rèhèm) voortkomen. Welnu, zulke gevoelens van bewogenheid en ontferming zal de HERE voortaan niet meer voor Israel koesteren. Het slot van vs 6 is zowel in NBG (‘dat Ik hun iets vergeven zou’) als in SV verkeerd vertaald. De bedoeling is: Ik zal ze (die gevoelens van ontferming) stellig van hen wegnemen.

Terwijl Hosea elders Juda ook in Gods oordeel betrekt (5:10-15; 6:4; 12:3), wordt in vs 7 Juda van het oordeel van vs 6 uitgezonderd. De judeese redactor, die het boek Hosea na de val van het noordelijke rijk in 722 v.Chr. voor Juda actualiseerde, kondigde hier Gods ontferming en verlossing voor Juda in de tijd van de assyrische dreiging aan, maar dan wel een verlossing, waarbij Juda zich niet zou kunnen beroemen op de kracht van zijn eigen wapens of krijgsmacht, maar alleen aan de HERE zijn redding te danken zou hebben, zoals dat bij het beleg en ontzet van Jeruzalem in 701 v.Chr. inderdaad het geval was (2 Kon. 19:35 v).

Het derde kind (vs 8) werd minstens drie jaar later geboren. Het spenen (= van de borst afwennen) gebeurde in het Oosten pas als het kind 2 of 3 jaar oud was (vgl. 1 Sam. 1:23 vv). Het zoontje (vs 9) moet Lo-Ammi heten; dat betekent ‘Niet-mijn-volk’. In die naam kondigt de HERE aan dat Hij nu ook van zijn kant het verbond met de Israëlieten verbreekt (vanwege de ontrouw waarmee zij het verbond reeds lang verbroken hadden, vgl. 1:2). In het verbond was de HERE voor Israel ‘uw God’ enmocht Israel voor de HERE ‘mijn volk’ zijn. Die verbondsrelatie zal nu voortaan niet meer bestaan.

Het heil voor het nieuwe volk Gods : 10-12; hebr. 2:1-3 Bij de redactie van het boek Hosea werd na de eerste onheilsaankondiging (1:2-9) een andere profetie van Hosea geplaatst om van meet af aan duidelijk te maken dat Gods oordeel over zijn volk niet het laatste woord heeft. Eens zal er een nieuwe tijd aanbreken (vs 10). Het komende oorlogsgeweld zal wel vele Israëlieten doen sterven, maar daarna zullen de Israëlieten weer uitgroeien tot een volk zo talrijk als het zand van de zee. Deze belofte herhaalt die welke de HERE eens aan de aartsvaders gegeven had (Gen. 22:17; 32:12). De onheilsnamen die de HERE in vss 4-9 over Israel had doen aankondigen, zullen dan weer veranderen in heilsnamen. Op hun eigen woonplaats, in Kanaän,zullen zij weer volk van God mogen zijn, en kinderen van de levende God worden genoemd, dwz. kinderen van een God die door zijn reddend ingrijpen in het lot van zijn volk zal tonen een levende, machtige God te zijn (vgl. Ps. 42:3). In de naam ‘levende God’ zit tevens een polemiek tegen de door de Israëlieten vereerde natuurgoden als Baäl, die volgens het volksgeloof de helft van het jaar (in de droge zomertijd) niet leefde, maar dood was. Tot het verwachte heil behoort ook (vs II) de hereniging van Juda en (Noord-) Israel, de broedervolken die sinds de dood van Salomo uiteen waren geraakt en in 734-733 zelfs oorlog met elkaar voerden. Zij zullen samen een nieuw begin maken, als het ware opnieuw optrekken uit het land (Egypte), onder leiding van één hoofd, zoals eens onder Mozes, en het land weer in bezit nemen zoals in de dagen van Jozua. En dezelfde vlakte van Jizreël waar volgens 1:5 Gods oordeel door vijandelijke legers voltrokken zou worden, zal dan de plaats zijn, waar de grote overwinning van het nieuwe Israel zal plaats vinden. Zo zullen ook de onheilsnamen van 1:6 en 1:9 worden teruggebogen tot heilsnamen. De onderdanen, zowel van Israel als van Juda, zullen elkaar weer erkennen en herkennen als leden van Gods volk en elkaar begroeten met de namen ‘Mijn volk’ (= volk van de HERE) en ‘Ontfermd’.

Gods tuchtiging over het trouweloze volk 2:1-12; hebr. 2:4-15

In hoofdstuk 2 spreekt Hosea niet langer over zijn eigen huwelijk en gezin als beeld voor de verhouding tussen de HERE en Israel, maar handelt hij direct over laatstgenoemde relatie. De ontrouw van Israel is blijkbaar ook in Hosea’s huwelijksleven uitgebeeld geweest, doordat Gomer haar man in de steek liet en het met anderen hield, maar dat wordt niet expliciet vermeld.

In vs 1 roept de HERE bij monde van Hosea de afzonderlijke Israëlieten op om hun moeder, beeld voor Israel in zijn geheel, aan te klagen als bij een rechter, nl. vanwege haar ontucht en overspel, zoals blijkt uit het vervolg. De HERE zelf zegt: Zij is mijn vrouw niet en Ik ben haar man niet. Of men hierin een echtscheidingsformule moet horen (over een scheidsbrief, Deut. 24:1, wordt echter niet gerept) of eerder een jammerlijk constateren van de feitelijke toestand ten gevolge van het overspelig gedrag van de vrouw, is niet met zekerheid te beslissen. Het laatste is het waarschijnlijkst, omdat deHERE Israel laat vermanen zich niet langer te gedragen als hoer en overspelige vrouw, en daarom de kenmerken van zo’n vrouw, bepaalde sieraden op het gezicht en tussen de borsten, weg te doen. Luistert Israel niet naar die vermaning, dan zal het de straf ondergaan die een trouweloze vrouw in het Oosten verdiende: naakt worden blootgesteld aan de verachting van allen (Ez. 16:36 w). Israel zal er dan weer even hulpeloos en hopeloos aan toe zijn als in de dagen van haar geboorte tijdens de slavernij van Egypte en ‘als in de woestijn’ (zo leze men!) en ‘in het dorre land’, waar Israel omgekomen zou zijn, als God gedurende de veertig jaren niet voor manna en water had gezorgd. Als de vrouw Israel haar ontucht niet opgeeft, zal de HERE haar nu stellen als in de woestijn, waar Hij haar nu zal laten sterven van dorst, en de kinderen (vs 3) van de ontuchtige moeder Israel, de afzonderlijke Israëlieten die al dezelfde aard hebben als hun moeder, zullen het zonder Gods ontferming (vgl. 1:6) moeten stellen.

Vs 4 beschrijft het ontuchtige gedrag van moeder Israel. Zij werd gedreven door de begeerte (‘Ik wil’) achter haar minnaars aan te gaan. Die minnaars zijn de baäls, de vruchtbaarheidsgoden van de Kanaänieten. De Israëlieten gingen achter die goden aan, dwz. zij hingen hen aan, dienden hen en erkenden daarmee hén in plaats van de HERE als de wettige eigenaars van de bodem van Kanaän. Daarom verwachtten zij ook de opbrengst van die bodem van de baäls, te weten de dingen die nodig waren voor het dagelijks levensonderhoud: brood en water om zich te voeden, wol en vlas om kleren te maken, olie om de huid in te smeren tegen de felle zon en drank als genotmiddel (vgl. vs 7 v). Met het gebruikelijke ‘daarom’ leidt God in vs 5 de strafaankondiging over de trouweloze Israëlieten in. Hij zal de paadjes die de vrouw Israel langsliep om bij haar minnaars, in casu bij de heiligdommen van de baäls te komen, versperren met doornstruiken en met een muur van opgestapelde stenen, zodat de paden onbegaanbaar en onherkenbaar worden en zij, ondanks energieke pogingen, niet meer bij de baäls kan komen (vs 6). Zo, alleen aan zichzelf overgelaten, zal het verlangen in haar wakker worden om terug te gaan naar haar eerste, haar wettige man. Het motief is wel egoïstisch – toen had ik het beter dan nu – maar een begin van inkeer is er.

Na het intermezzo van de tuchtiging (vs 5 v) keert in vs 7 het thema van vs 4b terug. Israel beseft niet dat zij de gaven van de aardbodem niet aan de baäls maar aan de HERE te danken heeft. ‘Koren, mosten olie’, ofwel ‘koren, most en wol of vlas’ (vs 8, vgl. vs 4) zijn standaard-produkten die een man naar oudoosters recht aan zijn vrouw verschuldigd was te geven. Zo heeft de HERE zijn verbondspartner verzorgd met alle dingen waar zij rechtens aanspraak op kon maken, ja daarboven uit verschafte hij haar ‘zilver en goud‘, Produkten van de welvaartsstaat onder Jerobeams regering, maar Israel gebruikte die van de HERE gekregen goederen voor de baäldienst. Zij bewees daarmee dank aan haar minnaars, de baäls, in plaats van aan haar wettige verbondspartner, de HERE. Als tuchtiging (vs 8) zal de HERE zelfs de noodzakelijke Produkten aan Israel onthouden. Hij zal Israelin de oogsttijd (april-mei) zijn koren (= het koren van de HERE!), en in het daarvoor bestemde seizoen, inhet najaar, zijn most (de nieuwe wijn), en voorts zijn wol en zijn vlas onthouden, zodat zij niet meer te eten of te drinken heeft en geen kleren om zich te kleden. Zo zal de HERE Israel laten voelen dat niet Baäl, maar Hij de beschikking heeft over de Produkten van de aardbodem. Als tuchtigingsmaatregel (vs 9) voor haar geestelijke verblinding en ondankbaarheid zal de HERE de dreiging van vs 4 nu uitvoeren: Hij zal de vrouw Israel naakt, beroofd van alle goederen, te kijk zetten, zonder dat ook maar één van haar minnaars, de baäls, bij machte zal blijken te zijn haar uit de tuchtigende hand des HEREN weg te rukken. Als gevolg van de straf van vs 8 zal de HERE ook (vs 10) al haar pleziertjes doen ophouden, de feesten die Israel in de loop van het jaar placht te vieren: haar jaarfeesten (chag is zowel Pasen als Weken- als Loofhuttenfeest, maar vooral het laatste, zie 9:1), haar nieuwemaansdagen en haar wekelijkse sabbatsviering, omdat die allemaal gevuld waren met de zinnelijke riten van de baälsdienst, en daarmee tot dagen van de baäls (vs 12) waren geworden, waarop de Israëlieten, opgesmukt en wel, aan de baäls offerden en achter deze minnaars aangingen (dwz. aan de baäls hun aanhankelijkheid in de eredienst betuigden), maar de HERE, voor wie de feesten eigenlijk bestemd waren, vergaten. Zelfs wijnstok en vijgeboom (vs 11) beschouwden zij als het ‘hoereloon’ (vgl. 9:1) dat de baäls hun voor hun toegewijde dienst aan deze minnaars gaven. Als de HERE hun ook die kostbare gaven van de aarde ontneemt door ze te ‘vernietigen’ (of ‘verwoesten”), toont Hij daarmee niet alleen zijn beschikkingsmacht over deze zo begeerlijke gewassen, maar ontneemt Hij Israel de gewassen die spreekwoordelijk golden als teken van vrede en heil (1 Kon. 4: 25; Joël 2:22).

Terug naar de woestijn, als begin van een nieuwe heilstijd 2:13-22, hebr. 2:16-25

Het derde daarom in Hos. 2 (vgl. vss 5, 8) luidt geen strafaankondiging, maar juist de wending naar het heil in. Zelfs een Israel dat de HERE vergeten is (vs 12) wordt wel door Hem getuchtigd, maar alleen met de bedoeling om het weer van de minnaars (de baäls) weg, en naar Zich toe te trekken. Daartoe zal de HERE haar lokken naar de woestijn, nu niet om haar daar te laten omkomen (vs 2) doch om daar, net als in de beginfase van Gods relatie met de bruid Israel (de woestijntijd) met Israel alleen te zijn (vgl. Jer. 2:2) en daar te spreken tot haar hart (vgl. Jes. 40:2), dat is haar opnieuw zijn verkiezende liefde te verklaren. Net als in de tijd van Mozes zal Hij dus (vs 14) van daar uit (van de woestijn uit) het land met zijn wijngaarden aan Israel teruggeven. Bij het opnieuw binnentreden van het land moet Israel door de vlakte van Achor, waarvan de preciese ligging onbekend is (vermoedelijk in de buurt van Jericho), maar waarvan de naam ‘ongeluksvlakte’ of iets dergelijks betekent. Die vlakte bewaarde de herinnering aan Achan die daar als eerste grove overtreder van Gods bevelen inzake de ban, na de intocht in Kanaän, moest worden gestenigd (Joz. 7). Maar dat ongeluksdal zal de HERE maken tot een ‘deur der hoop’, dwz. tot een toegangspoort, waardoor Israel vol hoop en verwachting mag binnentrekken in het beloofde land. Dan zal Israel zingen als in de eerste bruidstijd van het verbond na de bevrijding uit Egypte.

Het hebreeuwse woord door NBG met ‘zingen’ vertaald, kan ook betekenen: zij (Israel) zal Gods liefde ‘beantwoorden’, ofwel: zij zal ‘zich verootmoedigen’ (zo in de griekse vertaling, de Septuaginta), en zelfs: zij zal ‘in gemeenschap leven’ met de HERE (‘ana wordt ook wel voor de echtelijke gemeenschap gebruikt). Misschien mag men aan alle genoemde aspecten tegelijk denken. Daarmee is dan de nieuwe heilstijd ingeluid, de tijd (vs 15) waarin Israel de HERE niet meer zal aanspreken met de afstandelijke naam mijn baäl, ‘mijn bezitter’ (tegelijk zinspeling op Israels baäldienst), maar met de intieme benaming mijn man. Ja, de HERE zal er voor zorgen dat de vrouw Israel niet meer naar de baäls taalt en hun naam zelfs niet meer op de lippen neemt. Voorts (vs 17) zal Hij bewerkstelligen dat Israel dan in veilige vrede in Kanaän zal kunnen wonen, ongestoord en onbedreigd door dieren of mensen. Met het gedierte van het veld (dwz. de in het wild levende dieren), het gevogelte des hemels (dat de oogst zou kunnen opeten) en het kruipend gedierte der aarde (vooral de gevaarlijke slangen) zal de HERE een verbond sluiten ten behoeve van de Israëlieten, dwz.: Hij zal die dieren verbieden zijn volk lastig te vallen. Ook voor menselijke vijanden zal Hij de Israëlieten vrijwaren, zodat Hij alle oorlogstuig uit het land kan stukbreken. In dat vrederijk (vs 19) zal Israel voor altijd de bruid des HEREN zijn, door Hem geworven niet met een huwelijksprijs in geld of goederen, zoals die in Israel altijd betaald moest worden aan de vader van de bruid, maar met geestelijke eigenschappen die de nieuwe relatie in stand zullen houden: ‘gerechtigheid’ (tsèdèq), de door God gestelde orde, waarin Hij zijn volk beschermt en Israel Hem dient, ‘recht’ (misjpat), het rechtsbestel dat aan die tsèdèq beantwoordt, ‘goedertierenheid’ (hèsèd), de liefde die de HERE in zijn trouwverbond met Israel zal bewijzen, ‘ontferming’ (rahamim), de liefderijke zorg, waarmee Hij Israel zal omringen, en ‘trouw of betrouwbaarheid’ ( èmoena), waardoor Israel zich te allen tijde op de HERE zal kunnen verlaten. Door al die goddelijke eigenschappen tot bruid geworven, zal Israel de HERE ‘kennen’, dwz. leven in intieme gemeenschap met Hem, even intiem, zij het op andere wijze tot uiting gebracht, als man en vrouw in het huwelijk (vgl. het ‘bekennen’ in Gen. 4:1, SV en elders), maar ook leven naar zijn heilige wil, geopenbaard in zijn woord (vgl. 4:1, 6). In de heilstijd zal de HERE (vs 20) ook de een tijdlang onthouden vruchten van het land (vs 8) weer ten volle schenken. Als het volk de HERE weer om zijn zegeningen zal vragen, zal Hij het gebed verhoren. Het gebed is volgens vs 20 v langs éen reeks tussenschakels tot God gekomen. In omgekeerde lijn volgt de verhoring. De HERE zal het gebed van de – als persoon voorgestelde –hemel verhoren, de hemel verhoort het gebed van de aarde, de aaide dat van koren, most en olie, en die Produkten waarom Jizreël (beeld voor het volk Israel, de 10 stammen, vgl. 1:4) heeft gevraagd, zullen het gebed van het volk verhoren. Zo zal God voortdurend voor de nodige vruchtbaarheid van het land zorgen. De benaming Jizreël, in vs 21 gebruikt voor het biddende volk, is het trefwoord dat de overgang vormt naar de verandering van de onheilsnamen van Hosea’s kinderen (1:4-9) in heilsnamen (vgl. 1:12). Nu wordt de belofte van Jizreël verbonden aan de betekenis van de naam: ‘God zaait’.

Met het beeld dat God Israel voor zich zal zaaien in het land, geeft Hij te kennen dat het daar veilig mag wonen en uitgroeien tot een groot volk (vgl. 1:10) en met zijn ontferming over ‘Niet-ontfermd’, en de vernieuwing van de verbondsbenamingen ‘mijn volk’ – ‘mijn God’ wordt de komende heilstijd bezegeld.

Liefde overwint ontrouw 3:1-5

Er is veel onenigheid over de vraag, hoe het verslag van Hos. 3, waarin de profeet in le persoon zijn ervaring verhaalt, moet worden beoordeeld. Sommigen menen dat Hos. autobiografische stijl dezelfde geschiedenis vertelt die in Hos. 1:4- biografische stijl (in 3e persoon) was verhaald. Volgens anderen zou het in Hos. 3 over een huwelijk met een andere vrouw gaan dan met de Gomer van hoofdstuk 1. Ten derde zijn er voor Hos. 3, precies als voor Hos. 1 uitleggers, die het hoofdstuk als allegorie beschouwen. Het waarschijnlijkst is het, Hos. 3 als voortzetting te zien van het in hoofdstuk 1 berichte (het huwelijk met Gomer en de geboorte van de kinderen) en van het door hoofdstuk 2 gesuggereerde gegeven, dat Gomer Hosea in de steek liet en andere minnaars naliep in overeenstemming met het gedrag van Israel, dat immers door Hosea’s huwelijk als teken moest worden uitgebeeld (1:2). In 3:1 krijgt Hosea de opdracht opnieuw een vrouw te beminnen. Dat de vrouw beminde van een ander en overspelig heet, suggereert dat het gaat om Gomer die zich met andere minnaars heeft ingelaten. In de liefde die Hosea zijn vrouw weer moet betonen, ondanks al haar bewijzen van ontrouw, moet hij opnieuw een tekenhandeling verrichten. Ditmaal als teken van het feit dat de HERE de Israëlieten toch nog bemint, al wenden zij zich tot andere goden, tot de baäls (2:4) en tonen zij openlijk hun liefde voor de baäls in hun liefhebben en meeëten van de druivenkoeken die in offermaaltijden in de baäldienst werden genuttigd. Blijkbaar is Hosea’s vrouw na het verlaten van haar man tot armoede vervallen en in slaafse horigheid (bij één van haar minnaars?) terechtgekomen. In elk geval moet Hosea haar nu (vs 12) kopen voor 15 zilveren sikkels (elk van ongeveer zilver) en l’/i homer gerst. Die 1Vi homer gerst (een homer is ± ) vertegenwoordigde waarschijnlijk eveneens een waarde van 15 sikkels, zodat Hosea totaal 30 sikkels, de prijs van een slaaf (Ex. 21:32) moest betalen om Gomer terug te krijgen. Als hij haar eenmaal weer bij zich thuis heeft (vs 3) houdt hij haar een tijdlang {vele dagen) in een isolement, ver van de verleiding door andere mannen, waarvoor zij weer zou kunnen zwichten. In de ‘proefperiode’ onthoudt Hosea zelf zich eveneens van elk sexueel contact met haar. Ook met die tuchtmaatregel verricht Hosea een tekenhandeling. Zij is het teken en verkondiging van een tijd van allerlei ontberingen die de Israëlieten tegemoet zullen gaan, in 2:13 de periode ‘in de woestijn’ genoemd, als voorbereiding op een nieuw leven met de HERE. In die tijd van isolement zullen de Israëlieten geen koning en geen hoogwaardigheidsbekleders (die zo’n slecht voorbeeld gaven, 5:1) bezitten (vgl. 8:4, 10; 10:15; 13:10 v); er zal geen cultus, hier gerepresenteerd door maaltijdoffers en gewijde stenen, mogelijk zijn; een matseba, ‘gewijde steen’, kon in j de dienst des HEREN als een legitiem herinneringsteken dienen (Gen. 28:18; Ex. 24:4; Joz. 24:26 w), maar werd onder kanaänitische invloed vooral vereerd als symbool van Baäl en de mannelijke vruchtbaarheid, en raakte daarom in diskrediet (Ex. 23:24; Deut. 16:22). In de tijd van isolement zal ook het raadplegen van orakels wegvallen, zoals dat door efod of terafim plaats vond. De ‘efod’ was in Israels wettige eredienst de zak op de borst van de hogepriester, waarin de orakelstenen urim en tummim zaten (Ex. 28:15-30); de ‘terafim’ waren beeldjes, die als huisgoden werden gehouden (Gen. 31:34) en voor waarzeggerij werden geraadpleegd (1 Sam. 15:23). Door het isolement, verstoken van alle steunpunten in staat en religie, zullen de Israëlieten tot inkeer komen (vs 5) en de HERE, hun wettige God, zoeken. Dat ‘zoeken’ ziet hier niet zozeer op het gaan naar de tempel (5:6), maar op het verlangen naar een nieuwe verbondsrelatie met de HERE. Zij zullen bevend komen tot de HERE en zijn heil. Is deze vertaling juist (de hier gebruikte uitdrukking kan echter ook alleen ‘vrezen voor’ betekenen, Sirach 7:29), dan kan bij het ‘beven’ zowel worden gedacht aan de vrees van Israel vanwege zijn vroeger heulen met de baäls, als aan een trillen van blijdschap (Jer. 33:9; Jes. 60:5), omdat Israel weer in een nieuwe verbondsrelatie met de HERE leven mag. Het hier beloofde heil wacht echter nog op de dagen van de toekomst, een term die later in de judeese toekomstverwachting nogal eens gebezigd wordt, evenals de verwachting van een davidische messias die hier in het zoeken vanDavid, hun koning tot uitdrukking komt, maar die wellicht is toe te schrijven aan de judeese actualisering van de prediking van Hosea in het zuidelijke rijk na de val van Noord-Israel in 722 v.Chr.

Geen kennis van God 4:1-19

De natuur lijdt mee onder de zonde van de mens 4:1-3 Na een oproep tot luisteren richt Hosea zijn aanklachten tegen de Israëlieten, ingeleid door de woorden: de HERE heeft een rechtsgeding (het hebreeuwse rib betekent ook ‘twist’, SV) met de bewoners van het land, dwz. met de Israëlieten van het noordelijke rijk. In het proces worden hun eerst de fundamentele achtergronden van hun levenspraktijk voorgehouden. Er is geen betrouwbaarheid (dat is ‘èmèt hier), geen liefde {chèsèd, zowel de ‘liefde’ onderling als de ‘liefde’ voor de HERE in het kader van Gods verbond) meer in het land te vinden. Men kan niet meer op elkaar aan, men heeft geen hart meer voor God of medemens. De eigenlijke oorzaak daarvan ligt in het derde verwijt: er is geen kennis van God meer te vinden. Dat er geen kennis Gods (vgl. ‘kennen’ in 2:19) meer is, betekent dat er geen levende geloofsverbondenheid met de HERE meer is, en daarom geen leven dat zich richt naar Gods heilige wil, zoals Hij dat in zijn Woord geopenbaard heeft (vgl. 4:6). Dat Woord bevatte in Hosea’s tijd kennelijk reeds de tien geboden. De aanklachten van vs 2 hebben namelijk betrekking op overtredingen van die geboden, al is de volgorde iets anders dan wij uit Ex. 20 kennen. Het eerste verwijt, vloeken bedoelt niet het ijdel gebruik van Gods naam zonder meer, maar met name het aanroepen van Gods naam om een medemens te verwensen (Ri. 17:2). De andere verwijten, liegen en bedriegen, doodslaan, stelen, echtbreken, zijn duidelijk. Men pleegt geweld: in de huidige vers-indelingwordt daar blijkbaar een nieuw vergrijp mee bedoeld; wellicht vatte het woord echter de genoemde wandaden samen: ‘vloeken, liegen… grijpen om zich heen’ (zo in de Sept.). Met het laatste verwijt, bloedbad volgt op bloedbad, kan Hosea doelen op de snel op elkaar volgende paleisrevoluties en koningsmoorden, maar ook op de wrede behandeling van eerst uitgebuite en onderdrukte, en dan uit de weg geruimde armen en weerlozen uit de samenleving (vgl. Nabot in 1 Kon. 21:10 w). Vs 3 is geen straf-aankondiging over de Israëlieten die zo schromelijk tegen God en zijn geboden hebben misdreven, maar het constateren dat het land, ja zelfs de natuur, er miserabel aan toe zijn als gevolg van Israels leven zonder kennis van God en de daaruit voortkomende wandaden. Het land treurt en verdort (het hebr. ‘abal heeft beide betekenissen), de mensen kwijnen weg als verwelkende planten, samen met (niet ‘zowel’ zoals NBG heeft) het gedierte des velds (= het wild) en het gevogelte des hemels. Dat zelfs de vissen van de zee omkomen, doelt blijkbaar op de vissen in grote maar ondiepe meren, die door de in vs 3 geschilderde droogte droog komen te staan. Hosea vertolkt hier het motief dat de hele schepping wordt meegetrokken in de gevolgen van de zonden van de mens (vgl. Gen. 3:17), een motief dat het meest bekend is geworden door Paulus’ woorden: wij weten dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is, hunkerend naar de bevrijding (Rom. 8:20 vv).

De priesters om hun nalatigheid en egoisme gestraft 4:4-10

Gezien de schildering van de wantoestanden in het land (vss 1-2) is het denkbaar dat de Israëlieten proberen elkaar de schuld te geven van de verwording. Dat moeten zij echter niet doen, zo laat God zijn profeet zeggen. Hij zelf wijst de hoofdschuldigen aan: Tegen u (richt zich) mijn aanklacht, priester(s). De hebreeuwse tekst, gevolgd door SV (‘want uw volk is als die met den Priester twisten’) geeft in de context geen goede zin. Met een uiterst geringe wijziging vertale men vs 4b in eerstgenoemde zin. De priester is daarbij kennelijk bedoeld in collectieve zin als ‘de priesters’ of ‘de priesterschap’. Hoewel de inhoud van de aanklacht nog niet expliciet is uitgesproken (zie daarvoor vss 6-8), volgt in vs 5 direct al het vonnis: Gij zult struikelen, of liever: ten val komen. In het vonnis worden ook de profeten betrokken; kennelijk zijn hier de cultusprofeten bedoeld, die evenals de priesters in dienst van de tempel staan. Dat de priesters overdag en de profeten ‘s nachts ten val komen, hangt misschien samen met de aard van hun werk: priesters werken overdag in de eredienst, profeten krijgen vaak ‘s nachts hun visionaire openbaringen. Wat bedoeld is met uw moeder die te gronde zal gaan, is een raadsel. Een natuurlijke moeder (vgl. Jer. 22:26)? Of misschien de pries-terstam of de priesterfamilie, waaruit alle priesters voortkomen?

In vs 6 horen wij de inhoud van de aanklacht (vs 4a), waarop de strafaankondiging van vs 5 is gebaseerd. Met hetzelfde woord dat het ‘te gronde gaan’ van de moeder aankondigde, wordt de beschuldiging geformuleerd: Te gronde gaat mijn volk door gebrek aan kennis. Voor dat ontbreken van de kennis Gods (in de dubbele zin die wij in vs 4 aangaven) zijn de priesters verantwoordelijk. Zij hadden het volk in elk geval de kennis die opbloeit uit Gods woord en de onderwijzing aangaande zijn heilsdaden en geboden (tora) moeten bijbrengen. Omdat zij die primaire taak verzuimd hebben, zal de HERE hun en hun zonen het priesterambt ontnemen. Evenals in vs 5 slot en vs 6 begin, werkt Hosea ook hier sterk met woordspelingen die de correspondentie tussen schuld en straf onderstrepen: Gij hebt de kennis verworpen – Ik zal u verwerpen; Gij hebt het onderwijs van God vergeten -Ik zal uw zonen vergeten.

Hoe meer priesters er kwamen (vs 7) des te meer faalden zij en zondigden zij daarmee tegen de HERE. Daarom zal Hij hun eer, die zij ontleenden aan het priesterambt, verruilen voor schande. Terwijl de priesters hun belangrijkste taak, het goddelijk onderwijs, verzaakten, hadden zij wel bijzonder veel aandacht voor een andere taak, de offerdienst. Daarop doelt vs 8. De priesters zagen met vreugde dat er veel gezondigd werd onder het volk. Dan kwamen de mensen namelijk vaak met zondoffers naar het heiligdom en daarvan krijgen de priesters hun aandeel van het vlees (vgl. de zonen van Eli, 1 Sam. 2:29). Zo verdienden zij aan de zonde van het volk en dat deden zij maar al te graag, ja hun verlangen was gericht op de ongerechtigheid en schuld van de Israëlieten, want die leverden hun inkomsten op. De eerste woorden van vs 9, Het wordt: zo priester zo volk of liever omgekeerd: zo volk zo priester, willen blijkbaar tot uiting brengen dat de priesters er niet genadiger af zullen komen dan het gewone volk, dat immers de gevolgen van zijn daden reeds ondervindt (vs 3). De HERE zal de priesters hun handel en wandel vergelden. De straf die in vs 10 wordt uitgesproken is de zogenaamde ‘zinloosheidsstraf. Wat zij ook doen om er zelf beter van te worden, het zal alles zinloos blijken te zijn, en geen baat te brengen. Zij kunnen eten wat zij willen (vgl. vs 8), maar zij zullen hongerig blijven; zij kunnen zelfs – op de wijze van de kanaänitische vruchtbaarheidsriten – ontucht bedrijven om nakroost te verwekken, zij zullen steriel blijven. Dat is de straf voor priesters die in de uitoefening van hun ambt de HERE hebben verlaten om ontucht te betrachten. Men leze het eerste woord van vs 11 (‘ontucht’) tegelijkertijd als laatste woord van vs 10, en vertale dan zoals hier is aangegeven. Die ontucht (vgl. 1:2) is beeld voor de trouweloosheid van de priesters jegens de HERE, maar duidt tegelijk op de gewijde prostitutie die in de baäldienst met tempelprostituées werd bedreven.

Afgoderij en schaamteloze ontucht bestraft 4:11-19

Met de beginregel, vs 11, doelt Hosea blijkbaar op de ontucht (zie bij vs 10) en de drankfeesten die bij Israels heiligdommen werden aangericht. Met most is hier niet de alcoholvrije druivensap bedoeld maar de pas gistende, koppige jonge wijn. Het gaat om een drank die evenals wijn en ontucht, het verstand benevelt. Het onverstand van Israel(mijn volk, het volk des HEREN, vs 12) blijkt uit de dwaze gewoonte om orakels te vragen – hetzij als toekomstvoorspelling, hetzij als raad voor een beslissing – bij een stuk hout of bij een waarzegstok. Het hout kan zowel duiden op de gewijde palen die als symbool voor de kanaänitische godin Asjera golden, als op orakelbomen, als ook op houten afgodbeeldjes. Bij de stok of staf denkt men gewoonlijk aan de zogenaamde rabdomantie, waarbij men uit de richting waarin daartoe opgezette stokken vielen, voorspellingen deed. Het is een geest van ontucht (vgl. vs 10) van ontrouw aan de HERE, die de Israëlieten zo deed dwalen dat zij zulke afgodische orakelpraktijken beoefenden waarmee zij hun heil bij andere machten zoeken en zich dus in ontucht, dat is: in trouweloosheid, aan hun God onttrekken (letterlijk: ‘van onder hun God weghoereren’, SV). Behalve uit de orakelpraktijken blijkt Israels trouweloosheid jegens de HERE ook uit de offers die zij op bergtoppen en heuvels (vs 13), de cultische ‘hoogten’ van de kanaänitische of de syncretistische godsdienst, in rook doen opgaan. Bij die kanaänitische hoogten stonden behalve ‘masseben’, symbolen voor Baäl, en ‘palen’, gewijd aan de godin Asjera, ook heilige bomen. Hier worden eiken, terebinten en popuiteren (?) genoemd. Terebinten lijken in blad en vrucht veel op eiken, maar zijn veel breder en geven daardoor een enorm schaduwvlak. In de schaduw van de bomen werden de offermaaltijden genoten, maar vond blijkbaar ook de gewijde prostitutie plaats, zodat de ontucht van de dochters en schoondochters ook in letterlijke zin is op te vatten. Hoe zondig ook, de dochters en schoondochters (vs 14) worden voor hun ontucht niet gestraft, omdat ook hier (vgl. vs 4) de voornaamste schuld bij anderen te zoeken is: de zij(zelf) die Hosea kennelijk met de vinger aanwees, terwijl hij vs 14 uitsprak. Ook voor deze ontucht wijst Hosea vermoedelijk de priesters als de grootste schuldigen aan (vgl. vs 10b). Zij zijn het die het slechte voorbeeld geven door zich af te zonderen met hoeren en offermaaltijden te houden met aan ontucht gewijden. Met ‘hoeren’ en ‘aan ontucht gewijden’ zijn uiteraard dezelfde personen bedoeld: de ‘qedesjen’ ofwel ‘gewijde prostituées’, met wie men sex-ueel verkeerde om daarmee – naar men geloofde – de vruchtbaarheid van volk, akkers en kudden te bevorderen. De conclusie is triest: Zo (door het slechte voorbeeld van de priesters misleid) komt het volk dat geen inzicht (vgl. ‘geen kennis’, vs 1, 6) heeft, ten val.

Van de individuele Israëlieten en hun priesters verschuift de aandacht in vs 15 naar de twee broedervolken Israel en Juda. Men krijgt de indruk dat de waarschuwing aan Juda om het slechte voorbeeld van Noord-Israel niet te volgen (vs 15a) afkomstig is van de judeese redactor die de noordelijke prediking van Hosea voor het zuidelijke rijk moest toepassen. In vs 15b is Hosea zelf echter weer aan het woord. Hij geeft daar een vrij citaat van woorden van zijn iets eerder opgetreden tijdgenoot Arnos (zie bij Am. 5:5 en 8:14). Evenals Arnos waarschuwt ook Hosea de Israëlieten tegen pelgrimages naar de beroemde heiligdommen Gilgal (in de buurt van Jericho) en Betel (‘Huis Gods’), dat Hosea echter Bet-Awen (‘Huis van onheil’ of ‘van zonde’) noemt. Hosea’s afwijzing van de cultusplaatsen berust vooral op de schandelijke, kanaä-nitisch beïnvloede cultuspraktijken die er beoefend werden (vs 13 v). Als hij ook de eden die men in die heiligdommen zwoer veroordeelt, is dat niet omdat het zweren zo waar de HERE leeft op zichzelf verkeerd zou zijn (vgl. Deut. 6:13; 10:20; 1 Sam. 26:10, 16), maar omdat het gebruik van de heilige naam des HEREN aan zulke ‘heidense’ heiligdommen een vloek, een zonde tegen het derde gebod zou zijn.

De vss 16 w zijn geen voortzetting van vs 15, maar sluiten eerder aan bij het motief van de ontucht van vss 1114. Uit het ontuchtige, trouweloze gedrag van de Israëlieten blijkt dat zij jegens de HERE zo weerspannig zijn als een koe, die koppig en eigenzinnig weigert zich te laten leiden door zijn baas (vgl. Jer. 2:20). En als zij zich zo eigenzinnig jegens de HERE gedragen, mogen zij dan van Hem verwachten, dat Hij als de goede herder van Ps. 23, hen als een lam (kèbès is eer ‘lam’ dan ‘schaap’) zou weiden in een ruime weideplaats? Alleen als vraag vertaald (NBG, tegen SV) geeft vs 16b een goede zin. Vs 17 en vs 18 herhalen nog eens wat in vss 11-14 reeds als bewijzen van Israels afdwalen van de HERE (vs 11), in vs 16 Israels ‘eigenzinnigheid’ of ‘weerspannigheid’ genoemd, werd opgesomd: afgoderij (Efraïm is verknocht aan zijn afgoden, die hier ‘maaksels’ van mensen heten), de roes van de alcohol en schaamteloze ontucht. Na het ontmaskeren van het eerste kwaad, de afgodendienst, zegt Hosea: Laat hem geworden, dwz. ‘laat hij zijn gang maar gaan’. Efraïm (= Israel) wordt daarmee overgegeven aan zijn eigenzinnig leven buiten de HERE om, een leven dat het volk onherroepelijk naar de ondergang voert. De slotwoorden van vs 18 zijn onbegrijpelijk. Men komt niet verder dan vermoedens. Anders dan NBG en SV is wellicht als vertaling te overwegen: zij houden van hartstochtelijke liefde, een schande is haar (Israels) losbandig gedrag (de betekenis ‘schild’ voor magën heeft in deze context geen enkele zin). Als straf (vs 19) neemt de HERE de vleugels van een stormwind in dienst om de zondaars in te pakken en weg te vagen. Zo komen zij tenslotte beschaamd uit met hun offers (of, volgens anderen: ‘met hun altaren’). Hun kanaänitische religie zal hun in die nood geen enkele hulp bieden.

Ontrouw 5:1-7

Israels leiders zijn verleiders 5:1-2

In vs 1 roept de HERE bij monde van zijn profeet drieërlei leidslieden van Israel op om te luisteren. Voor de priesters en het huis des konings (= het hof) is het duidelijk wie bedoeld zijn, voor huis Israels is het minder duidelijk. Daar de aanduiding tussen ‘priester’ en ‘hof’ in staat, moet ook met ‘huis Israels’ wel een groep leidslieden bedoeld zijn, waarschijnlijk de directe vertegenwoordigers van het volk: ‘de oudsten’ (Deut. 31:28). Dubbelzinnig is de hebreeuwse uitdrukking die dan volgt en die letterlijk luidt: want voor u(lteden) is de misjpat. Daar misjpat zowel ‘het recht’ als ‘gericht, oordeel’ kan betekenen, heeft de zin tweevoudige betekenis: ‘Gij hebt voor de rechtshandhaving te zorgen’, maar ook: ‘U geldt het gericht’. Legt men het accent op eerstgenoemde betekenis, dan moet het hebreeuwse ki dat volgt, worden opgevat als ‘maar’, wordt de tweede betekenis naar voren gehaald, dan is ki ‘want’ of ‘omdat’ (SV en NBG). De leidslieden krijgen met Gods oordeel te maken omdat zij valstrikken hebben gelegd om Israel te vangen. Drie soorten vangmethoden worden genoemd, die jagers gebruikten om verschillende diersoorten te vangen. Hier zijn de valstrik, het net en de diepe kuil uiteraard in figuurlijke zin bedoeld: de leiders hebben het volk verleid. De genoemde plaatsen, Mispa (ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin, vgl. Ri. 20-21), de berg Tabor (in het noordoosten van de vlakte van Jizreeël, het latere Galilea, vgl. Deut. 33:19) en (vs 2)Sittim (ten oosten van Jericho, net over de Jordaan, vgl. Num. 25:1) zijn alle oorden met heiligdommen waarin de leidslieden de Israëlieten zijn voorgegaan in de afval van de HERE door deel te nemen aan de ontuchtige vruchtbaarheidspraktijken van de Kanaänieten (zie bij 4:13 v). Bovengegeven verklaring wijkt in vs 2a sterk af van SV en NBG. In plaats van deze vertalingen (NBG: De afvalligen hebben een diepe valkuil gemaakt) menen wij, op grond van de parallellie met vs lb te moeten vertalen: (gij zijt geworden) een diepe valkuil, die men in Sittim (zo voor het hebreeuwse sjetim) heeft gegraven. Het slot van vs 2 kondigt Gods straf over de verleidende leiders aan en moet daarom in de geest van SV aldus worden vertaald: Ik zal voor hen allen een tuchtiging worden!, waarbij men ‘tuchtiging’ in de vertaling eventueel mag verduidelijken als ‘tuchtmeester’ (SV).

Ontucht en hoogmoed bestraft 5:3-6

Omdat de HERE Efraïm precies kent en ook de heime-lijkste zaken van Israels volksleven voor Hem met verborgen zijn, is zijn aanklacht van ontucht (zie bij 4:12 v) en verontreiniging (door de baäldienst) volkomen gemotiveerd. De profeet constateert dat zij met hun verderfelijke daden al zo ver gekomen zijn en dat de geest van ontucht al zo diep is ingedrongen dat een terugkeer naar God, van de mens uit gezien, niet meer mogelijk is. Het kennen van de HERE, het leven in gemeenschap met de God van het verbond (vgl.2:19; 4.T, 6) is bij Israel niet meer te vinden. Dat blijkt ook (vs 5) uit de hoogmoed, de arrogantie waarmee zij – ondanks heel hun goddeloos cultisch gedoe – nog menen de HERE te dienen, als zij hun offers komen brengen (vs 6). Die arrogantie van Israel getuigt tegen hem, dwz. uit die arrogante houding blijkt duidelijk dat van een leven in gemeenschap met de HERE en zijn geboden bij de Israëlieten geen enkele sprake meer is. Daarom zal Efraïm, dat is Israel (dus niet ‘Israel’ en ‘Efraïm’, zoals NBG heeft) vanwege zijn ongerechtigheid (namelijk zijn ‘ontucht’ en ‘arrogantie’) in Gods oordeel ten val komen. En omdat in Juda de geestelijke toestand blijkbaar al niet veel beter is, zal Juda in Gods oordeel mede ten val komen.

Wanneer de lsralieten (vs 6) voortaan met hun offerdieren komen om de HERE te zoeken, dwz. om naar zijn heiligdom te gaan, zullen zij ervaren, dat Hij offers, die in een door de vruchtbaarheidscultus bezoedelde eredienst zogenaamd aan Hem gebracht worden, niet aanvaardt, ln zo’n dienst laat de HERE Zich niet vinden, maar onttrekt Hij Zich aan hen. Door die kanaänitisch gekleurde eredienst zijn zij immers de HERE ontrouw geworden (vs 7) en omdat Israel niet meer leeft in gemeenschap met de HERE, maar in feite met de vreemde, kanaänitische goden, zijn de kinderen dié in Israel geboren worden, bastaardkinderen, vgl. 2:3, 1:2: ‘kinderen uit ontucht geboren’, waarmee Hosea misschien ook zinspeelt op de in de vruchtbaarheidscultus gepleegde gewijde prostitutie, waaruit zulke bastaards geboren worden. De straf is toepasselijk: zij die er in hun religie zo ijverig op uit waren vruchtbaarheid te verkrijgen, zullen door de HERE gestraft worden met een dorre droogte (lees choreb ipv. chodesj, ‘nieuwe naam’, waarvan de zin nauwelijks te verklaren zou zijn) die hun akkers en daarmee hun vee totaal onvruchtbaar zal maken.

Geen genezing zonder bekering 5:8-6:6

De broederoorlog onder Gods oordeel 5:8-15

De profeet roept in vs 8 (de priesters?, vgl. Num. 10:110) op om alarmstoten te geven op de ramshoorn en op de (metalen) trompet. De in vs 8 genoemde plaatsen liggen op de route van Jeruzalem noordwaarts naar het noordelijke rijk: Gibea , Rama , en BetAwen (Betel, zie 4:15) ten noorden van Jeruzalem. Het is de route waarlangs de noordelijke legers, samen met die van de Arameeërs – na hun mislukte poging om koning Achaz van Juda te vervangen door een medestander in hun opstand tegen Tiglatpileser III van Assyrië (2 Kon. 16:5 vv; Jes. 7) – zich moesten terugtrekken naar hun eigen land, daarbij blijkbaar achtervolgd door het door Assyriërs versterkte leger van Juda. De uitroep Achter u, Benjamin! (vgl. Ri. 5:14) wordt zeer verschillend verklaard. Daar de in vs 5 genoemde steden aanvankelijk tot het gebied van de stam Benjamin behoorden (Joz. 18: 21-28), is de uitroep waarschijnlijk bedoeld als alarmerende waarschuwing: Steden van Benjamin, past op, de vijand zit achter u aan!

De HERE kiest in de strijd tussen de broedervolken Israel en Juda geen partij. Beiden zijn daaraan schuldig en beiden krijgen Gods oordeelsaankondiging te horen. E-fraïm (= Israel) zal worden tot een ‘woestenij waarover men ontzet zal zijn’ (dat is sjamma), in de tijd waarin de HERE zijn ‘tuchtigende straf zal voltrekken (vs 9a). Over de leidslieden van Juda zal de HERE zijn straffende toorn uitgieten als water (vs 10), omdat zij zich jegens het broedervolk Israel precies zo hebben gedragen als machtigen, die hun eigen grond probeerden te vergroten door een stuk van de aangrenzende grond van kleine boertjes zich toe te eigenen en dienovereenkomstig de grensstenen te verplaatsen. De Judeeërs hebben kennelijk in de oorlog van 734-733 v.Chr. met behulp van Assyrië gepoogd grondgebied van Noord-Israel te annexeren. Beide volken worden gestraft volgens een vast besluit dat de HERE hiermee voor heel Israel, dwz. voor beide rijksdelen, bekend maakt, zo heet het in vs 9b tussen de twee onheilsaankondigingen in.

In vs 11 tekent Hosea de toestand van Efraim, nadat de assyrische legers in het kader van de Syro-efraïmitische oorlog stukken van Noord-Israel met geweld hebben veroverd en de bewoners hebben geknecht, onderdrukt. Zo werd Efraïm verpletterd door het in vs 9 aangekondigde gericht des HEREN. Zo liep het af (vs ) met het volk dat gevolg wilde geven aan het gebod (SV) van Jerobeam II om de stierkalveren te dienen (zo Calvijn) ofwel, dat verkoos het ijdele te volgen (NBG). De bedoeling van het hebreeuwse tsaw (gewoonlijk ‘gebod, bevel’) is hier onduidelijk: NBG vatte het op in de zin van sjaw, ‘het ijdele’, ‘het zinloze’, misschien doelend op het zinloze verbond met de Arameeërs in de strijd tegen Juda. In vs 12 vergelijkt de HERE zijn straffend optreden tegen Noord-Israel en Juda wegens hun onderlinge strijd met ziekten die een lichaam verteren, te weten etter (niet: een mot) en wegtering van de beenderen. Toen Israel en Juda hun ellendige toestand (weer vergeleken met ‘ziekte’ en ‘zweren’ van een lichaam) ten gevolge van het vijandelijke geweld inzagen, zochten zij geen toevlucht bij de enige Helper, de HERE, die hen door middel van de vijand getuchtigd had, maar probeerden zij in de gunst te komen bij de machtige koning van Assyrië, hier betiteld als koning Strijdlust (jareb; of is rab, de ‘grote koning’ bedoeld?). Terwijl Juda dat deed tijdens de Syro-efraïmitische oorlog, deed Noord-Israel (waarvan de tekst in dit opzicht alleen gewaagt) het na die oorlog, toen koning Hosea in 733 de assyrische koning een tribuut aanbood en zich vazal liet maken. Maar daarmee waren de wonden in het volksleven niet genezen, omdat zó het oordeel des HEREN niet kon worden afgewend. Zolang de HERE zijn straffen – in vs 14 vergeleken met het verscheuren van een leeuw die zijn prooi wegsleept – over de twee delen van zijn volk noodzakelijk oordeelt, kan niemand, zelfs geen machtige koning van Assyrië, hen uit zijn straffende hand redden. Maar ook van de HERE zelf, zo bedoelt vs 15 te zeggen, behoeven zij geen redding of bescherming te verwachten, zolang er geen schuldbesef en bekering gevonden wordt. Hij keert terug naar zijn woonplaats, de hemel en onttrekt daarmee aan zijn volk zijn beschermende tegenwoordigheid, zodat de oordelen over Israel hun verwoestend werk kunnen doen (vgl. Ps. 104:29), totdat zij hun schuld hebben geboet (vgl. 14:1, niet ‘zich schuldig voelen’, zoals NBG heeft) en, in de diepste angst en nood terechtgekomen, verlangend naar de HERE zullen uitzien (zoals men ‘s nachts naar de dageraad verlangt).

Israels boeteliturgie 6:1-3

Hoewel men de indruk kan krijgen dat 6:1-3 bedoeld is als opwekking tot de bekering die in 5:15 in het vooruitzicht werd gesteld, wijst de negatieve reactie van Gods kant (vss 4-6) eerder in de richting van een boeteliturgie (vss 1-3), die vanuit de oppervlakkige volksreligie werd georganiseerd, maar waaraan een oprechte bekering ontbrak.

Als de Israëlieten in de diepste nood elkaar opwekken om tot de HERE terug te keren, vanuit het besef dat Hij met zijn oordelen de wonden in het volksleven heeft teweeggebracht, en dat Hij ook alleen herstel kan geven, is het in elk geval een verbetering in vergelijking met 5:13, maar in vs 2 blijkt dat zij de diepte en ernst van hun schuld tegenover de HERE nog maar heel weinig beseffen, wanneer zij in een oppervlakkige vanzelfsprekendheid uitspreken dat de HERE hen op hun boeteliturgie na een paar dagen wel weer als volk tot nieuw leven zal brengen en zal doen opstaan als uit de dood (waarmee de toestand van het volk dus wordt vergeleken). De uitdrukking na twee dagen en op de derde dag heeft men uit oud-oosterse mythen of uit verdragsteksten willen verklaren, maar zij heeft hier de zin van ‘binnenkort’ (vgl. 2 Kon. 9:32; het is dus duidelijk dat Hosea hier spreekt over een opstanding van het volk en dat Paulus, als hij in 1 Kor. 15:4 op onze tekst zinspeelt, niet de verklaring van Hos. 6:2 geeft, maar de toepassing ervan op de opstanding van Christus). Binnenkort rekenen zij weer te mogen leven ‘voor het aangezicht des HEREN’, dwz. onder zijn bescherming (Gen. 17:18). Weliswaar spreken zij ook als hun voornemen uit dat zij de HERE weer willen ‘kennen'(vgl. 2:19; 4:1,6), maar dat ‘kennen’, het leven met de HERE, denken zij nog steeds te kunnen realiseren langs cultische weg, met name door hun offers, zoals blijkt uit vs 6. Wat zij beogen en verwachten is dat de HERE weer (zie 5:15) bij hen terugkomt – zo zeker als de zon weer opkomt na de nacht – om hen met zijn zegeningen net zo te overladen als de regen die in het voorjaar (‘de late regen’, zie bij Am. 7:1) de aarde doordrenkt.

Kennis van God beter dan offers en eredienst 6:4-

In vs 4 begint Gods reactie op Israels boeteliturgie van vss 1-3. Het eerste wat de profeet in naam van God zegt is een vraag, waarin God op mensvormige wijze zijn innerlijke strijd tot uitdrukking brengt: ‘Wat moet ik met u aan, Efraïm en JudaV Er is een trachten naar nieuwe liefde tot de Gpd van het verbond, maar ook van die liefde moet de HERE constateren dat zij even oppervlakkig is als de boeteliturgie van vss 1-3, even vluchtig als een morgenwolk (de ochtendnevel) en de dauw, die zo weer verdwenen zijn: dat was (vs 5) ook in Israels geschiedenis al voortdurend gebleken. Daarom had de HERE ook telkens door de profeten met het zwaard van zijn woord met dodelijke kracht (vgl. Jer. 23:29; Jes. 49:2; Heb. 4: 12) op hen in moeten houwen, al was het met een heilzaam doel, namelijk: opdat mijn recht in het volk zou opgaan als het zonlicht (zo vertale men het slot van vs plaats van NBG: ‘De oordelen over u waren een doorbrekend licht’). Door de harde woorden van de profeten (vs 5) moest de HERE in het verleden en nu ook weer, zijn volk inscherpen dat Hij geen behagen heeft in slachtoffers (waaraan een gemeenschappelijke maaltijd was verbonden) of aan brandoffers (die geheel voor de HERE werden verbrand), maar in echte trouwe liefde en kennis Gods (zie bij 4:1), een leven in hartelijke verbondenheid met Hem en zijn geopenbaarde woord. Offeren eredienst worden hiermee door Hosea en de andere profeten (zie bij Am. 5:21-24) niet geheel en al afgewezen, maar wel als heilsweg, wanneer zo’n eredienst in de plaats treedt van een levende, persoonlijke verbondenheid met de HERE en een verlangen om naar zijn wil te leven.

Israels zonden diep geworteld 6:7-7:16

Israels wandaden opgesomd 6:7-7:2

In een nieuwe, waarschijnlijk uit een andere periode van Hosea’s werkzaamheid stammende profetie, somt de profeet een reeks zonden op, waarmee de Israëlieten in verleden of heden zich jegens de HERE schuldig hebben gemaakt. De eerste beschuldiging (vs 7) luidt volgens NBG: Zij hebben als Adam het verbond overtreden. Bij ‘als Adam’ kan men denken aan Gen. 3 of het vertalen door: ‘als mens’. Het volgende daar onderstelt echter een plaatsnaam: ‘in Adam’, dat is de plaats (dicht bij de rivier de Jabbok) waar bij de doortocht van de Israëlieten door de Jordaan het water zich opeenhoopte (Joz. 3:16). Hosea bedoelt blijkbaar dat de Israëlieten ‘reeds in Adam’, dwz. van het moment van de intocht in het beloofde land af, Gods verbond, dat is hier ‘zijn geboden’, hebben overtreden. Daar zijn zij de HERE al ontrouw geworden, blijkbaar doordat zij zich van meet af in Kanaän hebben ingelaten met de kanaänitische vruchtbaarheidscultus van Baäl en Astarte. In vs 8 noemt Hosea Gilead, een stad (tegenwoordig Dsjel’ad) in het overjordaanse, in het bergland ten zuiden van de Jabbok. Dat Gilead noemt hij een stad van misdadigers, vol bloedsporen. Naar het waarom van deze beschuldiging kan men slechts raden. Vanwege het aandeel van Gileadieten in de paleismoord op Pekahja (2 Kon. 15:25) of omdat daar, zoals bij de naburige Ammonieten kinderoffers werden gebracht? Ook de achtergrond van vs 9 is ons onbekend, wie worden bedoeld met de op de loer liggende, moordende priesters? De weg naar Sichern (de oude levieten-stad, waar veel priesters woonden) is de grote karavaanweg die in de richting noord-zuid door het land liep. Maakten de priesters zich schuldig aan roofmoorden op handelaren die daar met hun karavanen voorbijtrokken? Of werden daar priesters die de HERE trouw waren gebleven, vermoord door hun kanaänitisch gezinde collega’s? In elk geval gaat het om wandaden of beter ‘schandelijke daden’. Maar (vs 10) het volk is niet beter dan de priesters (vgl. Hos. 4): in het huis van Israel, de nakomelingen van het gezin vader Jakob, zijn ook afschuwelijke dingen waar te nemen: de ontucht waarmee Efraïm-Is-rael zich bezoedelt, dwz. de baälsdienst met de daaraan verbonden cultische prostitutie, die ook plaatsvond in het in naam nog aan de HERE gewijde heiligdom van Betel met zijn stierbeeld.

Vs 11 bevat twee judeese toepassingen van Hosea’s prediking. De eerste spreekt Gods oordeel (de oogst, als beeld voor Gods gericht) ook uit over Juda, waar dezelfde zonden heersten. De tweede, kennelijk uit de tijd dat Gods oordelen over Juda heen gingen – in de babylonische ballingschap – boog het beeld van de oogst om tot een belofte van heil bij het einde van de ballingschap, als de HERE het lot van zijn volk zou wenden.

7:1 zet het zondenregister van 6:7-10 voort. Als een dokter met zijn genezend werk bij een patiënt begint, moet hij eerst de diagnose stellen. Bij het onderzoek komen de kwalen aan het licht. Zo is het ook met het door en door verziekte Israel. Als de HERE door de prediking van zijn profeten zijn volk poogt te genezen (te bekeren), moet Hij eerst de kwalen, de zonden van Efralm-Israel, met de hoofdstad Samaria voorop, aan het licht brengen: dieven plegen inbraken, benden doen overvallen op straat. Bij het plegen van hun wandaden bedenken zij niet, dat de HERE ze allemaal ziet (zij zijn voor mijn aangezicht) en in gedachtenis houdt tot de dag van de afrekening. Hun wandaden zijn overigens zo talrijk en zo apert, dat zij erdoor omringd zijn, gevangen in een ring, waar zij zichzelf niet meer uit kunnen werken.

Paleisrevolutie en koningsmoord 7:3-7

Dit gedeelte verplaatst ons naar de tijd van de paleisrevoluties na de dood van Jerobeam II, waarschijnlijk naar het begin van de regering van Pekah (740-732), toen er juist in korte tijd drie koningen achter elkaar vermoord waren: Zekarja, Sallum en Pekahja (2 Kon. 15:10, 14, 25). Na de misstanden in de samenleving (6:7-7:2) gaat Hosea in vs 3 de politieke wanorde aan de kaak stellen. Samenzweerders, die een moord op de koning in het schild voeren, gedragen zich alsof er niets aan de hand is. Zij amuseren de koning en zijn vorsten (= de hoogwaardigheidsbekleders), maar hun amuserende woorden zijn leugens en bedrog, pure huichelarij (vgl. 2 Sam. 13:2833). Hosea noemt hen daarom in vs 4 overspelig, hier in de zin van ‘trouweloos handelend jegens hun koning’. Zij zijn zo vol vuur om de moord te begaan dat de profeet hen vergelijkt met een brandende oven, waarin het deeg voor de broodkoeken tegen de wanden werden geplakt. In vs 4b vergelijkt hij hen met de bakker. Zoals zo’n bakker na het aansteken van het vuur een tijd ophoudt met stoken tot het deeg genoeg doorzuurd (gegist) is om in de oven te worden gedaan, zo schorten de samenzweerders hun boze plannen op tot het gunstige ogenblik voor hun moord daar is. In de tussentijd (vs 5) gebruiken zij de feestdag van de koning (zijn verjaar»-dag?; herdenkingsfeest van de kroning is haast uitgesloten, daar geen van de vermoorde koningen het een jaar heeft volgehouden) o.m. om alle rijksgroten zo dronken te voeren door de gloed van de wijn (vgl. 1 Kon. 16:9) dat zij er ziek van worden. Vs 5b is moeilijk te begrijpen. Wat is bedoeld met: Hij trok zijn hand met gewetenloze lieden (of ‘spotters’, SV), zoals er letterlijk in het Hebreeuws staat? Is bedoeld wat wij ‘handjeklap’ noemen (vgl. NBG) of moet men met geringe tekstwijziging vertalen: ‘hij mengde zijn wijn met spotters’? Dat de samenzweerders gewetenloze lieden zijn, wordt in vs 6, ingeleid door want (ki is hier niet ‘maar’), uiteengezet. Zij stoken hun hart op, zij zitten het vurige verlangen naar het ogenblik van de moord innerlijk aan te wakkeren. In vs 6b moet ‘hun bakker’ ipv. waarschijnlijk met andere klinkers worden gelezen ‘hun toorn’. Hun toorn, hun haat tegen de koning, sluimert de hele nacht, tot zij ‘s morgens, vervuld van laaiende haat, zo verhit zijn (vs 7) door drank en moordlust dat zij dan hun slag slaan en de koning met zijn mederegeerders vermoorden (verteren als een vuur). Bij het slot: Niemand onder hen roept tot Mij, blijft verborgen of met ‘hen’ de vermoorde koningen of de samenzweerders, of alle Israëlieten bedoeld zijn. Waarschijnlijk het laatste. Zo’n politieke chaos komt voort uit het feit dat er geen roepen meer is tot de HERE, de eigenlijke Koning van Israel. Omdat er met Hem niet meer gerekend wordt (vgl. vs 2a) zijn samenleving en staat verworden.

Efraïm zoekt heil bij vreemde volken 7:8-12

In plaats van tot de HERE te roepen en bij Hem heil te zoeken in hun ellende, zoeken zij (vs 8) steun en bescherming bij de grote mogendheden van die tijd; de ene koning deed dat bij Egypte, de andere bij Assyrië. Zo vermengt Efraïm zich met de volken (vs 8), waarmee tevens de zeden en godsdienstige praktijken van de heidense volken met die van Israel werden vermengd. Het woord voor ‘mengen’ is ontleend aan het mengen van meel en olie voor het kneden van brooddeeg (Ex. 29:2, 40). Vandaar het beeld van vs 8b: Efraïm is door zijn vermenging met heidense volken even waardeloos geworden als een broodkoek die men heeft vergeten om te keren en die daardoor aan de ene kant verbrand en aan de andere niet gaar is. Vreemden (vs 9) hebben, zonder dat hij dat zelf door had, zijn kracht verteerd. Israels weerstand als volk is gebroken door de hoge tributen die het aan Assyrië moest betalen, maar vooral door zijn verspelen (door de heidense invloeden) van zijn eigen karakter als volk des HEREN. Bij de grijsheid van vs 9b is het de vraag of Hosea daar voortgaat met het beeld van de broodkoek en dus denkt aan een beschimmelde koek of dat hij overgaat op een nieuw beeld: van een grijsaard, wiens levenskracht op is. Vs 10a is een letterlijk citaat van 5:5a, maar de hoogmoed heeft in deze context dan de zin van de arrogantie dat Efraïm het verlies van zijn volkskracht niet wil erkennen en zich ondanks alle slagen toch nog heel wat voelt in de wereld. Het enige waar die slagen hen toe hadden moeten brengen, bekering tot de HERE (vs 10b), hebben zij nagelaten. In plaats daarvan hebben zij als een onnozele, domme duif heen en weer gefladderd tussen Egypte en Assur, om nu eens bij de ene, dan weer bij de andere grote mogendheid hulp en heil te zoeken. Het beeld van de duif roept ook voor het straffend ingrijpen des HEREN (vs 12) het beeld op van vogels die door een vogelvanger gevangen worden. Uitgaande van de vertaling van het NBG (hier te verkiezen bozen SV) is het beeld het volgende: wanneer een zwerm vogels door het vele rumoer (krijsen of piepen) laat merken dat hij in aantocht is, maakt de vogelvanger zijn valnet met het lokaas gereed om ze daarin te vangen. Zo zal de HERE de Israëlieten die heen en weer reizen tussen de grote volken, van hun vrijheid beroven (beeld voor de komende ballingschap).

Wee de afvalligen 7:13-16

De profeet spreekt Gods wee, de smartelijke uitroep bij een gestorven geliefde (zie bij Am. 5:7, 18; 6:1), uit over de Israëlieten die door hun heulen met vreemde volken en goden als vogels van Hem zijn weggevlogen (vgl. vss 8-12). Daarmee hebben zij het oordeel van de dood over zich gehaald en roept de HERE zijn ‘wee’ over hen uit, alsof zij reeds door zijn oordeel geveld waren. Weldra zal het onheil komen, verwoesting door vijandelijke legers als straf voor hun trouweloze gedrag tegenover de HERE. Hun gedrag was niet alleen trouweloos, maar ook ondankbaar. De HERE wilde hen graag bevrijden van de dreigende ondergang door de vijand (zoals Hij dat eens uit Egypte deed), maar zij spraken leugens tegen Hem. Vs 14 maakt duidelijk wat dat ‘leugens spreken’ betekent: het is de leugenachtige en huichelachtige gods-dienstbeoefening van de Israëlieten, waarin zij met hun mond de naam van de HERE aanroepen, maar in hun hart, met hun denken en handelwijze, zich gedragen als dienaren van de baäls met hun vruchtbaarheidscultus. Met ‘de tegersteden’ worden de matjes of uitgespreide mantels (vgl. Am. 2:8) bedoeld waarop men, ter aarde gebogen bij de heiligdommen, lag te bidden. Hun bidden wordt door Hosea jammeren genoemd, blijkbaar wegens de jammertoon waarop hun gebeden werden uitgesproken. De kanaänitische beïnvloeding blijkt vooral daaruit dat zij hun gebeden – als teken van ootmoed? – vergezeld deden gaan van pijnlijke inkervingen in de huid, zoals de baälpriesters op de Karmel dat deden (1 Kon. 18:28; in Israel nagevolgd, vgl. Jer. 41:5, maar als heidens verboden; Deut. 14:1). Zo probeerden zij de vruchtbaarheidsgoden te bewegen hun, door voldoende regen, vruchtbare akkers en wijngaarden te geven, zodat zij koren en most konden oogsten, met heel dat godsdienstige gedoe demonstreren zij, hoezeer zij weerspannig zijn tegen de HERE en zijn geboden.

Met de woorden van vs 15a herinnert de HERE aan zijn weldaden in het verleden, toen Hij zijn volk – sinds de uittocht uit Egypte – telkens de goede tactiek leerde en de sterkte gaf die nodig waren in de strijd tegen de vijanden. Zij beantwoorden die weldaden nu met het beramen van kwaad tegen de HERE. Wat dat betekent, zegt vs 16. Zij wenden zich overal heen om hulp en heil, behalve naar omhoog, naar de HERE die Zich zo dikwijls reeds als hun Helper had betoond. Zo zijn zij als een bedriegelijke boog geworden, een boog waarvan de pees verslapt is, en waarmee men dus niet meer kan richten. Israel is het goedgericht zijn (nl. op de HERE) verloren. Gods oordeel luidt dat de rijksgroten zullen vallen door het zwaard van de vijand, wegens de heftigheid van hun tong. De laatste woorden doelen wellicht op de onbeschaamde brutaliteit, waarmee de leiders het volk zijn voorgegaan in de afval van de HERE en in het heulen met vreemde, heidense machten. Als de HERE het vonnis door Assyrië zal laten voltrekken, zullen de Egyptenaren dat met spottend leedvermaak aanzien, omdat Israel eerst bij Egypte steun had gezocht, maar toen Egypte weer had laten vallen en met Assyrië aanpapte, hetzelfde Assyrië dat hun tenslotte de ondergang bereidde.

Israels verbondsbreuk bestraft 8:1-9:9

Verbonden wet overtreden 8:1-3

Deze profetie begint met een oproep tot alarm op de ramshoorn. Er dreigt gevaar! De vijand is in aantocht. Zoals vaker (Jer. 4:13; 48:40) wordt die vijand vergeleken met een gier, die zich hier stort op het huis des HEREN, waarmee Palestina, het land des HEREN, is bedoeld (vgl. 9:8, 15). De HERE gebruikt die vijand om zijn volk Israel te tuchtigen voor het overtreden van zijn verbond en wet, woorden die hier bedoeld zijn als synoniemen in de zin van ‘Gods geboden’. Ook de werkwoorden zijn synoniemen, al kan het hebr. pasja op deze plaats de betekenis ‘rebelleren’ hebben (gewoonlijk is het eerder ‘een delict plegen’, ‘overtreden’, vgl. de inleiding op Am. 1:2-2:5). Met hun mond roepen zij de HERE nog wel aan als hun verbondsgod: mijn God, en zeggen zij wel, als behorend tot het verbondsvolk Israel, de HERE te kennen, te leven in verbondenheid met Hem en zijn geboden, maar in hun levenspraktijk hebben zij het goede, het leven naar Gods geboden, verworpen (vs 3). Daarom zal de vijand, in vs 1 gesymboliseerd door de gier, hen als Gods tuchtroede vervolgen.

Onwettig koningschap en afgoderij 8:4-7

Het overtreden (vs 2) en het verwerpen van het goede (vs 3) wordt nu concreet gemaakt. Ten eerste zijn de noordelijke koningen en rijksgroten door Israel op eigenmachtige wijze – buiten de HERE om – gekozen en later zelfs door samenzweerders eigenmachtig aan de regering gebracht door het vermoorden van de vorige koning met zijn trawanten (vgl. 7:3 w). Zo’n koningschap kan de HERE niet erkennen (zo moet vertaald worden en niet ‘Zonder dat Ik er van wist’). Toch waren aanvankelijk koningen als Jerobeam I en Jehu met Gods wil op de troon gekomen (1 Kon. 11:30 w; 2 Kon. 9), maar hun gedrag daarna (voor Jehu zie 1:4), vooral dat van Jerobeam I, die afgodsbeelden (vs 4b) liet maken (de met goud en zilver overtrokken stierbeeiden in Dan en Betel) toonde een afgodische eigenzinnigheid (vgl. Ex. 32) waardoor ook hun koningschap een koningschap werd,dat de HERE afwees. Waar de slotwoorden van vs 4, ‘opdat (of ‘zodat’) hij/het uitgeroeid wordt’ (NBG ‘tot hun verderf), precies op slaan is onduidelijk. Op goud en zilver, op de stierbeeiden of op de koningen of de Israëlieten die de beelden maakten? In elk geval duidt het slot van vs 4 op Gods komende oordeel. Als men het begin van vs 5 als illustratie van de slotwoorden van vs 4 mag verstaan, zijn aan het slot van vs 4 de stierbeeiden, met name dat van Betel dat vereerd werd door de bewoners van Samaria, bedoeld. Gods toorn heeft dat stierkalf verworpen (zoals Israel in vs 3 ‘het goede verworpen heeft’; ‘is verfoeilijk’ van NBG is onjuist). Diezelfde toorn is ontbrand tegen de Israëlieten die dat stierkalf vereerden. Daarop volgt de verzuchting: ‘Hoe lang nog zullen de Israëlieten niet bij machte blijken een rein gedrag (dwz. zonder de afgoderij van de stiefkalveren) op te brengen?’. Na deze verzuchting keert vs 6 terug tot het stierkalf. Dat kalf heet uit Israel, dwz. het is mensenwerk, gemaakt door (een) israelitische ambachtsman-(nen), slechts een stom beeld, maar geen God (vgl. Ps. 115:1-7; Jes. 44:11 w). Gods oordeel luidt: Tot splinters zal dat kalf van Samaria worden, net als eens het kalf in de woestijn (Ex. 32:20).

In vs 7 komt Hosea terug op de Israëlieten (vgl. vs 5b). Hij citeert twee spreekwoorden die de onontkoombare vergelding voor Israel illustreren. Het eerste is bekend (vgl. Spr. 22:8; Job 4:8; Gal. 6:7); met wind doelt Hosea hier op de zinloze afgoderij, met storm op het komende oordeel, dat de HERE door de assyrische legers zal laten voltrekken’. Het tweede, in het Hebreeuws een rijmspreuk, betekent: korenhalmen zonder ‘vrucht’ (‘uitspruitsel’) leveren geen meel (zo te vertalen!). Israel zal ervaren dat de machten, waarbij het steun zoekt, zowel vreemde volken (7:8) als de stierbeeldendienst (8:5 v), lege halmen zijn die geen baat brengen. De slotregel van vs 7 borduurt echter voort op de ‘letterlijke’ betekenis van het tweede spreekwoord: er zal een tijd van hongersnood (‘geen meel’) aanbreken en als er dan misschien nog ergens voedsel is, dan zullen vreemden (vijandelijke soldaten?) het verslinden.

Israel onder de volken 8:8-10

Hier komt Hosea terug op het thema van 7:7-12, maar de tijd is nu verder voortgeschreden. Het grondgebied van Israel is nu al zover verslonden (hetzelfde woord als aan het slot van vs 7), veroverd door de Assyriërs, en het volk is al zo uitgebeend door de aan de veroveraar betaalde tributen, dat het als volk geen betekenis meer heeft: het telt niet meer mee onder de volken. En dat (vs 9) hebben de Israëlieten aan zichzelf te danken. Zij hebben zichzelf aan de Assyriërs uitgeleverd (vgl. 7:12). In dat opzicht zijn zij nog dommer dan wilde ezels; die houden zich ver van de bewoonde wereld, waar de mensen hen zouden belagen, maar de Israëlieten zochten zelf de vijand op. Ja, zij gedragen zich nog dommer dan hoeren; terwijl die zich door haar minnaars laten betalen, bieden de Israëlieten hun ‘minnaars’, de Assyriërs, nog geld toe (minnegeschenken). Maar zelfs al was het omgekeerd, zo zegt vs 10, namelijk dat de Israëlieten niet uit eigen beweging de gunst van Assyrië hadden gekocht, maar dat zij zich door geschenken van Assyrië hadden laten omkopen tot zo’n trouweloos gedrag tegenover de HERE, ook dan zouden zij Gods oordeel niet ontgaan. Hij zal hen bijeenhouden om hen samen de straf te doen ondergaan. De inhoud van de straf (vs 10b) is in de vertalingen van SV en NBG onbegrijpelijk of zinloos. Waarschijnlijk is de bedoeling van de hebreeuwse tekst: zij zullen het binnenkort zwaar te verduren krijgen (A/7, ‘ineenkrimpen’, met name bij een geboorte) onder de druk van de koning der vorsten (dwz. de machtige koning van Assyrië).

Efraïms offers en trotse bouwwerken 8:11-14

Op het eerste oog leken de Israëlieten (hier weer naar de grootste noordelijke stam, Efraïm genoemd) erg vroom: Vele altaren heeft Efraïm gemaakt, maar zij gebruikten die altaren niet om de HERE te dienen, maar om te zondigen, doordat zij er openlijk of het onder het mom van de dienst des HEREN, de kanaänitische vruchtbaarheidsgoden vereerden. Daarmee hebben zij de geboden des HEREN, de bepalingen van zijn Tora (vs 12) die Hij hun in het verleden al telkens (op de Sinaï, Deut. 27:8; in Sichern, Joz. 24:26) had laten voorhouden, in de wind geslagen alsof het niet de geboden van hun eigen, wettige God, maar van een vreemde godheid waren, die zij zo maar op zij konden zetten. Ja, al zou de HERE nog vele wetten meer geven, zij zouden die evenzeer in de wind slaan.

Het zondige van Israels offerdienst is overigens niet alleen gelegen in de praktijk en geloofsvoorstellingen uit de kanaänitische vruchtbaarheidscultus die men ermee verbond, maar ook (vs 13) in de zelfzuchtige motieven achter hun offerdienst. Zij brachten namelijk graag die offers, die slechts voor een deel op het altaar voor God werden verbrand, maar voor het grootste gedeelte in feestelijke offermaaltijden door de offeraars werden verorberd. Vanwege die maaltijden hadden zij zo’n plezier in het brengen van offers. Het waren offers om hun gulzige begeerten (zo is het ongebruikelijke habhabaj blijkbaar bedoeld) om veel vlees te kunnen eten, te bevredigen. Ook daarom kan de HERE aan hun offers geen welgevallen hebben (vgl. Am. 5:22; Jer. 7:21 w). Nu dan, zo luidt de conclusie, de HERE zal hun ongerechtigheid in gedachten houden tot de tijd van de afrekening komt en Hij hun zonden zal straffen. Voor ‘ongerechtigheid, verdorvenheid’ en ‘zonde’ gebruikt Hosea hier dezelfde woorden als in 4:8. De inhoud van de straf luidt aan het slot van vs 13: zij zullen terugkeren naar Egypte. Daarmee bedoelt Hosea vermoedelijk: zij zullen terugkeren tot eenzelfde toestand van vreemde overheersing als vroeger in Egypte (Ex. 1-2).

In vs 14 noemt Hosea – naast alle zonden van hoofdstuk 8 – nog een ander aspect in Israels volksbestaan, waarmee het bewijst aan de HERE voorbij te leven: het bouwen van trotse paleizen en vele vestingsteden. Met dit verwijt treedt Hosea in het voetspoor van zijn voorganger Amos (bv. Am. 3:15). De HERE die als de Maker van Israel (als degene aan wie Israel zijn bestaan als volk te danken had) de eigenlijke trots van Israel moest zijn (Am. 8:7), hebben zij vergeten, en in plaats daarvan gaan zij prat op vergankelijke bouwwerken.

Evenals Amos (Am. 1-2) kondigt Hosea over die ijdele trots het oordeel aan van een vuur (beeld voor de brandstichting door de komende vijand) dat de steden van Israel en Juda (beide staan in dit opzicht schuldig) met alle luxe bouwwerken erin zal verteren.

Israels overspelige ontrouw 9:1-6

Uit vs 1 (de uitgelaten vreugde) en vs 2 (dorsvloer en perskuip) krijgt men de indruk dat Hosea hier sprak ter gelegenheid van het feest van de druivenoogst in de herfst, het Loofhuttenfeest, vaak het feest genoemd om de uitbundigheid waarmee dat feest gevierd werd. Het werd kennelijk gevierd op een dorsvloer. De dorsvloeren lagen meestal op heuvels, omdat men daar voldoende wind kan verwachten voor het verstuiven van het kaf van het koren. Maar op die heuvels bevonden zich ook bij voorkeur de (kanaänitische) heiligdommen (4:13). Terwijl de Israëlieten uitbundig aan het feestvieren zijn, zet de profeet plotseling een domper op hun feest: Verheug u niet, Israel, tot jubelens toe, als de volkeren. Een verwijt zit wellicht al in het woord voor ‘jubelen’, dat eigenlijk een ‘uitgelaten cultische dans’ uit het kanaänitische vruchtbaarheidsritueel aanduidt. Het past niet dat het volk van God op zo’n heidense wijze (‘als de volken’) zijn vreugde uit. Maar dat is slechts één symptoom van het diepe kwaad dat Israeloverspelig van zijn God is afgeweken (letterlijk: ‘gij zijt van bij uw God weggehoe-reerd’) door in wezen de kanaänitische vruchtbaarheidsgoden te dienen, al beweerde men nog de HERE te dienen. Als de Israëlieten dan ook op de dorsvloeren dankbaarheid uiten voor de vruchten van akker en wijngaard, doen zij dat in naam misschien nog aan de HERE, maar in hun cultuspraktijken en hun vorm van feestvieren tonen zij, dat zij in hun hart eigenlijk – precies als de Kanaänieten – de baäls als gevers van de oogst beschouwen. Daarom noemt de profeet die oogst een loon der ontucht, hoerenloon, een loon voor de baäldienst, waarmee zij hun wettige God, de HERE, ontrouw zijn geworden. Na de beschuldiging volgt in vs 2 (nu in 3e persoon) de aankondiging van het oordeel. Als straf voor hun vruchtbaarheidsdienst zal de HERE tonen dat Hij en niet Baäl over de vruchten van het land beschikt door hun het genot van koren, wijn en olie te onthouden (vgl. 2:7 v), zodat zij er geen voedsel van krijgen. Men kan bij deze straf zowel aan een misoogst als aan wegvoering door vijanden denken. In beide gevallen missen de Israëlieten de opbrengst van hun land. Vs 3 verklaart de straf echter als deportatie uit het land des HEREN, uit Kanaän (vgl. bij 8:1) naar de landen van de volken bij wie zij eerst steun hebben gezocht (7:11): naar Egypte zullen vele Israëlieten de vlucht nemen, maar daar de dood vinden (vgl. vs 6), Assyrië zal weldra velen van hen wegvoeren naar vreemde landen, waar zij dan onrein voedsel moeten eten. Hadden zij zich in Kanaän vrijwillig verontreinigd door zich met de kanaänitische vruchtbaarheidscultus af te geven, in de deportatielanden zullen zij gedwongen zijn de voorschriften van het recht des HEREN te overtreden. Daar (vs 4) kunnen zij namelijk geen wijn meer plengen bij de altaren des HEREN, daar kunnen zij Hem geen maaltijdoffers (vgl. 4:13; 8:13) meer brengen (‘aangenaam zijn’ van NBG is waarschijnlijk niet bedoeld). Zelfs het dagelijks brood (van koren waarvan zij de eerstelingen niet aan de HERE hebben kunnen opdragen, Ex. 23:19; Lev. 23:9-21), zal om die reden even onrein zijn als het rouwbrood, het brood uit een sterfhuis (Jer. 16:7), dat degenen die daarvan aten een week lang onrein maakte voor de dienst des HEREN (Num. 19:14). Zo kon ook het onreine brood in den vreemde evenmin voor de eredienst in een huis des HEREN (stel dat dat er al was) worden gebruikt. Zulk brood kon alleen – louter profaan – dienen voor hun honger, namelijk om die te stillen (nèfèsj is hier niet ‘ziel’, NBG ‘voor henzelf’, maar ‘begeerte, honger’).

In den vreemde zullen zij ook geen hoogtijdagen (cultische feesten in het algemeen) meer kunnen vieren, maar evenmin het grote feest des HEREN, het Loofhuttenfeest, waar zij nu zo uitbundig mee bezig waren. Onontkoombaar zal Gods oordeel hen treffen. Degenen die aan de verwoesting en deportatie door Assyrië zullen weten te ontkomen door voordien uit te wijken naar Egypte, zullen daar worden opgevangen, maar in dat vreemde land ook de dood vinden en worden begraven in Mof, di. Memfis, de stad enkele tientallen kilometers ten zuiden van Cairo en beroemd om zijn vele graven en pyramiden. In Kanaän blijven alleen troosteloos verlaten huizen en landerijen over, zo overwoekerd door onkruid en dorens, dat de achtergelaten kostbaarheden onvindbaar worden.

Gods profeet uitgescholden en gehaat 9:7-9

De feestvierders (vs 1) hebben de profeet, de man des geestes (dwz. bezield door Gods geest), na zijn onheilsaankondiging blijkbaar uitgescholden voor dwaas en gek (mesjoegga, ons ‘mesjokke’). Daarom onderstreept hij eerst nog eens nadrukkelijk (in vs 7) dat de vergelding waarmee de HERE de Israëlieten zal straffen, zeer nabij is. Dat zullen zij ondervinden! Dan gaat hij in op hun scheldwoorden: ‘Wat dwaas, wat gek de door God bezielde profeet?’ Omdat jullie ongerechtigheid en schuld (‘awon is beide tegelijk) zo groot is, daarom is jullie vijandschap (tegen mij) zo groot (dat is de bedoeling van vs 7b). Vs 8 tekent dan nader hoe de vijandschap en haat tegen Gods profeet, de wachter over Gods volk (vgl. Jer. 6:17; Ez. 33), ook verder tot uiting komt. Zoals vogelvangers een vogel proberen te vangen in hun klapnet, zo proberen de Israëlieten hem overal, waar hij komt, onderweg of in zijn tempel (Sichern als enig nog getrouw gebleven tempel?) te verstrikken en onschadelijk te maken. Wat zij precies beoogden, wordt niet gemeld. Wilden zij alleen zijn mond snoeren (vgl. bij Amos in Am. 7: 12 v) of wilden zij hem zelfs uit de weg ruimen? Hun diepe verdorvenheid vergelijkt Hosea in vs 9 met een gebeuren in de dagen van Gibea, waarmee hij vermoedelijk zinspeelt op Ri. 19, waar van de bewoners van Gibea in het stamgebied van Benjamin verteld wordt, hoe schandelijk zij handelden met de vrouw van een leviet. Zoals de korte profetie begon met de aankondiging van Gods straf over Israels zonden, zo eindigt zij er (bij wijze van inclusio, omraming) ook mee. De HERE zal hun ongerechtigheid en schuld (zie vs 7) in gedachte houden (vgl. 8:13) tot Hij op de dag van de afrekening hun zonden zal bezoeken (= straffen).

Verleden, heden en toekomst 9:10-11:11

De talrijke historische zinspelingen in dit gedeelte houden alle verband met het heden van Hosea’s tijd. De zonden van het heden wortelen in Israels verleden.

In de woestijn gevonden, in Kanaän verloren 9:10-14

Druiven in de woestijn zijn uitzonderlijk en het zien vande eerste vijgen aan een vijgeboom is beeld voor Gods vreugdevolle, verrassende ontdekking van Israel, die leidde tot zijn verkiezing van dit volk. Nog voor het binnentrekken van Kanaän, bij Sittim, oostelijk van Jericho (zie bij 5:2), hebben de Israëlieten die verkiezende liefde met trouweloze ondank beantwoord. Daar lieten zij zich door moabitische meisjes verleiden (Num. 25:1-5) om zich te verslingeren aan de vruchtbaarheidsriten (vgl. 4: 13) vanBaäl Peor (in de plaats Bet-Peor, Deut. 3:29; Joz. 13:20), een afgod die Hosea bosjet, ‘schande’ noemt (zoals later in eigennamen het element ba’al door bosjet vervangen werd, bijv. Meri(b)ba’al = Mefibo-sjet). Door zich met zo’n schandgod af te geven, werden de Israëlieten zelf even ‘gruwelijk’ of ‘afschuwelijk’ als die godheid, het object van hun ontuchtige liefde (Jer. 4: 1; Ez. 20:7 v noemen de afgoden zelf ‘gruwelen’). Zeer passend is Gods oordeel (vs 11) over de Israëlieten die op zo’n afgodische wijze ook later steeds vruchtbaarheid zochten. Efraïm (waarin men pert, ‘vrucht’ hoorde) zal zijn ‘heerlijkheid’ of ‘eer’ als volk van God en de daarbij behorende zegen van de vruchtbaarheid even snel verliezen als een wegvliegende zwerm vogels: er worden geen kinderen meer geboren. En (vs 12) de reeds opgroeiende jongeren zullen aan de ouders worden ontrukt (door het zwaard van de vijand?). Uitroeiing van het geslacht (geen mens meer), dat is het gevolg als de HERE zijn zegenrijke nabijheid onttrekt.

Was Efraïm eerst in Gods oog zo veelbelovend als een palmstek (tsor is hier niet ‘Tyrus’ maar ‘palmstek’), straks zullen Efraïms zonen sneuvelen in de strijd. Bij dit trieste vooruitzicht bidt de profeet (vs 14b) of de HERE de straf dan toch maar wil beperken tot kinderloze huwelijken (vgl. Jer. 20:18; Luc. 23:29), al weet hij uiteindelijk ook de strafmaat in Gods hand te moeten leggen (vs 14a).

Sinds Gilgal verdorven, door God verdreven 9:15-17

Het is in vs 15 onduidelijk op welke historische gebeurtenis Hosea met Gilgal (zie 4:15) zinspeelt: de instelling van het koningschap (1 Sam. 11:5) of Sauls ongehoorzaamheid (1 Sam. 13:7 w), of de sterk kanaänitisch gekleurde eredienst, die daar bloeide. In alle gevallen gaat het om boze handelingen, trouweloosheid tegenover de HERE, waardoor zijn liefde verandert in haat. Als straf zal Hij hen uitzijn huis, dwz. uit Kanaän, verdrijven, zoals een man zijn trouweloze vrouw kan verdrijven uit zijn huis. Het slot van vs 15 onderstreept nog eens (vgl. 5.T v) de grote schuld van de vorsten, de koning met zijn rijksgroten, die het volk zijn voorgegaan in ‘weerspannige ontrouw’ (vgl. de koe in 4:16). Ondanks de voorbede van Hosea in vs 14, zullen beide aspecten van de straf-aankondiging uit vss 12-13 worden voltrokken (vs 16): de onvruchtbaarheid (Efraïm, het volk van de ‘vrucht’, vgl. vs 11, zal geen vrucht meer dragen), en de dood van de opgroeiende kinderen, de lievelingen van hun schoot. Na de woorden des HEREN (vss 15-17) voegt Hosea in vs 17 zijn conclusie toe: God verwerpt hen vanwege hun ongehoorzaamheid (vgl. Saul in 1 Sam. 13:7 w; 15:20-26). Precies als Kaïn (Gen. 4:12, 14) zal Israel onder de volken een zwervend volk, zonder vaderland in de wereld zijn (vgl. de vloek in Deut. 28:58-68).

Gods oordeel over altaren, koning en stierbeeld 10:1-8

De perikoop, waarin overal de profeet (niet de HERE zelf spreekt) behandelt dezelfde zonden als Hos. 8. Eerst tekent Hosea de misstanden inzake de eredienst, het koningschap, en het stierkalf, vervolgens spreekt hij er in omgekeerde volgorde Gods straf over uit. In vs 1 schildert Hosea Israel als een welige wijnstok (baqaq, meestal ‘plunderen’ is hier ‘zich wijd uitbreiden’) die veel vrucht draagt, beeld voor de welvaart die in Israel bereikt is onder Jerobeam II. De vrucht van die welvaart, het vele verdiende geld, gebruikten de Israëlieten voor een deel om de eredienst op te luisteren door het bouwen van vele mooie altaren en masseben (zie bij 3:4). In naam deden zij dat voor de dienst des HEREN, in feite dienden zij er de baäls mee. Daarom noemt Hosea hun hart bedriege-lijk, huichelachtig, en kondigt hij Gods straf aan: zij zullen hun schuld boeten; Hij (de HERE) zal die altaren (die net als runderen horens aan de bovenhoeken hadden) ‘de nek breken’ (‘äraf, dat verder alleen voor dieren wordt gebruikt) en de masseben vernielen. Daarmee zijn dan de plaatsen van afgoderij ontluisterd en ontwijd.

Het is moeilijk te beslissen hoe vs 3a precies moet worden verstaan. Misschien aldus: Als (ki) zij (de Israëlieten) tot hun verontschuldiging nu zeggen: Wij hebben – door de vazalstatus van koning Hosea sinds 724 v.Chr. – geen koning meer die ons leiding kan geven, dan antwoordt de profeet daarop: Als wij (zelf als volk) de HERE niet vrezen, wat zou dan de koning voor ons kunnen doen ? In vs 4 somt hij dan op wat de noordelijke koningen in feite van het koningschap hebben gemaakt: holle, onbetrouwbare woorden spreken, valse verwensingen uiten (meineed?), (lichtvaardig) verbonden sluiten. Met heel hun onbetrouwbare gedrag maken die koningen dat het recht (misjpat is hier niet ‘het gericht’ maar ‘de rechtspleging’) in het land vergeleken kan worden met een giftige plant die opschiet in de voren van de akker (vgl. Am. 5:7; 6:12). In vs 5 spreekt Hosea weer (vgl. 8:4, 6) over het stierbeeld van ‘Bet Awen’ (‘Huis van zonde’ in plaats van Betel, ‘Huis van God’, vgl. 4:15), maar nu blijkbaar in een later stadium, als de Assyriërs de ‘heerlijkheid’ of ‘luister’ van het beeld (vermoedelijk het gouden omhulsel) als tribuut hebben weggesleept, en de inwoners van Samaria, de aanbidders van het beeld, samen met de afgodspriesters daarover in zak en as zitten. Nog erger staat te wachten (vs 6). Weldra wordt het beeld zelf, als tribuut aan koning Strijdlust (zie 5:13), gedeporteerd naar Assyrië. Wegvoeren van de godenbeelden betekende in het oude Oosten ‘schande’ en ‘schaamte’ (dwz. ‘ellende, vernedering’) voor de overwonnenen die nu hun goddelijke bescherming geacht werden kwijt te zijn. Zo zou Israel te pas komen met zijn overleggingen, dwz. met heel zijn politieke beleid.

Vs 7 spreekt Gods vonnis over het koningschap uit (vs 3 v). Men vertale: Verdelgd wordt de koning van Samaria (letterlijk ‘Samaria zijn koning’), (hij wordt) als spaanders die weerloos drijven op het wateroppervlak. Tenslotte (vs 8) volgt het oordeel over de hoogten van Awen, de zondige heiligdommen, waar Israel met zijn kanaänitische eredienst tegen de HERE zondigde (vs 1). De afgodische ‘hoogten’ zullen verwoest worden en hun altaren, overwoekerd door doornstruiken en distels, zullen het beeld van een totale verlatenheid vertonen. Inhun wanhoop over de verschrikkingen van Gods gericht zullen de Israëlieten dan smeken om een spoedig einde van hun leven door neerstortende bergen en heuvels (vgl. Luc. 23:30; Op. 6:16).

Israel sinds Gibea om zijn zonde getuchtigd 10:9-10

Zoals in 9:9 herinnert Hosea weer aan de zonde van de Benjaminieten in Gibea (Ri. 19). Daarbij zijn zij (de Israëlieten) blijven staan. Sindsdien is hun moreel nog even verdorven als toen. Zoals de Benjaminieten toen volgens Ri. 20:42 door de andere Israëlieten in een bloedige strijd werden gedood, zullen nu, naar Gods wil, de goddeloze Israëlieten ook in de strijd omkomen, maar nu door het zwaard van andere volken (vs 10), die door Assyrië daartoe worden gerecruteerd. Wat met hun beide zonden ofwel ‘hun dubbele schuld’ is bedoeld, kunnen wij slechts gissen. De verworden eredienst en het koningschap? Of de vroegere schuld (Gibea) en de huidige? In elk geval zullen zij om hun dubbele schuld getuchtigd worden.

Israel, eens als een gewillige koe, nu om zijn eigenzinnige militaire trots gestraft 10:11-15

Eens (in de woestijntijd) was Israel als een goed afgerichte koe, die het prettige werk waarvoor zij gebruikt werd (het dorsen, waarbij de koe vrij op de korenaren liep om de korrels eruit te trappen en zelf rustig kon eten wat zij wilde, Deut. 25:4) gewillig verrichtte. In de woestijn luisterde Israel gewillig naar de HERE en mocht het van zijn gaven eten. Na de intocht in Kanaän moest Israel echter voor zijn bestaan harde boerenarbeid gaan verrichten. Toen legde de HERE (met het beeld van de koe) een juk om haar fraaie hals (men vertale: Ik legde een juk…; ‘ol in plaats van ‘al), en moesten de Israëlieten – hier retorisch verdeeld over de noordelijke (Efraïm) en de zuidelijke stammen (Juda), en samengevat met ‘Jakob’ – het land bewerken door ploegen en eggen. Toch is het, gezien vs 12, de vraag of Hosea ten diepste wel op Israels landbouwtaken doelt, of dat de landbouwtermen van vs 11b alleen bepaald zijn door het beeld van de koe. In vs 12 gaat het in elk geval om Israels leven naar de wil des HEREN. Met de verbondssluiting moest Israel nieuw land ontginnen, dwz. een nieuw leven beginnen, voor zich zaaien ‘tot gerechtigheid’ (tsedaqa), dat is: de grondslagen leggen voor een leven overeenkomstig de rechtsorde die de HERE voor de relatie tot Hem en de medemens had ingesteld in zijn geboden, en oogsten overeenkomstig ‘liefde’ (chèsèd, zie 2:18), dat is leven in liefdevolle verbondenheid met de HERE en de naaste als vrucht (oogst) van de ‘gerechtigheid’. Zo’n nieuw leven kan de mens niet in zijn eigen kracht opbrengen. Wanneer men zo’n leven echt begeert, is het tijd om de HERE te vragen totdat Hij gerechtigheid (nu tsèdèq, de goddelijke rechtsorde en het daarmee verbonden heil) laat neerdalen als regen.

De Israëlieten hebben echter het tegendeel gedaan (vs 13). Hun ploegen, het bereiden van de levensakker, was goddeloosheid, het tegendeel van gerechtigheid, zodat ze ook alleen misdaad of ‘slechtheid’ konden oogsten en als vrucht hun leugenachtige houding tegenover de HERE (7:13) en tegenover elkaar (4:2) hebben gegeten. Diepe achtergrond van al dat falen is het feit dat zij niet in afhankelijkheid de HERE hebben gevraagd (vs 12), maar voor de opbouw van hun leven als volk hebben vertrouwd op eigen kracht, op hun eigen ‘weg’ (als ‘levenswijze’) en op hun vele helden, de kracht van hun oorlogspotentieel. Daarom (vs 14) zal een ander leger, nog sterker, met veel krijgsrumoer tegen Israel komen opzetten en al zijn vestigingsteden verwoesten. Hosea vergelijkt de wreedheid van die strijd met de verwoesting van Bet-Arbel (een stad ergens in het oost-jordaanse Gilead?) door Salman (= de moabitische Salamanu?), een gebeuren, waarover wij niet nader weten, maar dat op de tijdgenoten van Hosea diepe indruk moet hebben gemaakt vanwege de wreedheden, waarmee toen moeders samen met hun kinderen werden verpletterd.

Vs 15 dient men (anders dan in SV en NBG) als oordeelsaankondiging te lezen: Zo zal Hij (de HERE) u doen, o huis Israels (in plaats van ‘Betel’, dat bij Hosea steeds ‘Bet Awen’ heet) vanwege uw diepe verdorvenheid. Het oordeel over de koning die Israel voorging in het kwaad, wordt apart genoemd. In de morgenstond, het uur van Gods straffend ingrijpen (Jes. 17:14; vgl. 2 Kon. 19:35), zal de koning van Israel voorgoed worden verdelgd. Inderdaad werd kort daarop (ca. 725 v.Chr.) koning Hosea door de assyrische koning Salmanassar gevangen genomen en althans als koning uitgeschakeld (2 Kon. 17:4).

Eens in Egypte geroepen, nu naar Egypte terug 11:1-6

Werd in Hos. 1-3 de relatie tussen de HERE en Israel beschreven onder het beeld van man en vrouw, in Hos. 11 gebeurt dat met het beeld van vader en zoon. De fasen zijn dezelfde: Liefde van de vader – ontrouw van de zoon – straf – herstel. 7ben Israel (in vs 1 bedoeld voor de twaalf stammen) nog een ‘jongen’ (beeld voor het sla-venvolk in Egypte, vgl. Ez. 16:6 w) was, heeft God er liefde voor opgevat en het geroepen (geadopteerd) om zijn zoon te zijn. (In heel andere zin worden deze woorden aangehaald in Mat. 2:15.) Sindsdien wilde HERE zijn kind Israel ook als vader verzorgen en opvoeden om het tot dankbare erkenning van en liefde voor zijn goddelijke vader te brengen. In vs 2 wordt echter reeds het bedroevende verloop van heel Israels geschiedenis met de HERE in één enkele regel beschreven. Hoe meer de HERE hen door zijn profeten naar Hem toe liet roepen, des te verder dwaalden zij af naar de baäls en de afgodsbeelden, waarvoor zij offers ‘slachtten’ en ‘in rook deden opgaan’ (niet ‘wierook- of reukoffers brengen’; vgl. 4:13), waarmee zij eigenlijk aan de HERE hun dankbaarheid en liefde hadden moeten tonen voor zijn goede zorgen. Die worden in vs 3 beschreven. De HERE leerde Efraïm lopen, hielp het zijn eerste schreden te zetten op de weg naar een eigen volksbestaan. Als het moe was, of zich bezeerd had, nam Hij het bij wijze van spreken op zijn armen (vgl. Deut. 1:31; Jes. 63:9) en genas zijn wonden. Zo was Hij Israels Geneesheer in de woestijn (Ex. 15:26). Maar vergeefs, de Israëlieten hebben de HERE niet als hun liefderijke helper en genezer erkend, laat staan Hem hun dank bewezen. Toch (vs 4a) bleef de HERE hen met menslievende banden trekken om hen bij zich te houden. Vs 4b lijkt (volgens SV en NBG) over te gaan op een ander beeld, namelijk dat van een boer die het knellende juk van de kop van een os afneemt. Het hebreeuwse ‘ol moet hier echter waarschijnlijk worden opgevat in de zin van ‘oei, ‘zuigeling’, en dan wordt de vertaling: Ik was voor hen zoals (ouders) die een ‘zuigeling’ optillen tegen hun wangen. Ook in dit beeld gaat het om de liefderijke Vader die zijn zoon Israel troost en zijn liefde bewijst, en bovendien, zo zegt het slot van vs 4, te eten gaf. Dat laatste deed de HERE zowel in de woestijn (manna en kwakkels) als in Kanaän. Maar alle vaderlijke zorg heeft Israel beantwoord met ontrouw (vs 2), ondankbaarheid (vs 3b) en versmading van zijn stem die hen terugriep (vs 5b). Daarom verdienen zij (vs 5a) dat Gods heilsgeschiedenis wordt teniet gedaan en dat zij terugkeren naar het land Egypte, dwz. weer vervallen tot de toestand van slavernij waaruit de HERE hen eens had weggehaald (vs 1). Nu zal echter niet de farao van Egypte, maar de koning van Assyrië hun harde meester worden. Daartoe zal de HERE eerst het assyrische leger (gesymboliseerd door het zwaard) in de steden van Israel ‘tekeer laten gaan’ en de ‘opscheppers’ (deze vertaling is waarschijnlijker dan ‘grendels’) in Israelvernietigen en verteren. Daar lopen alle eigenzinnige overleggingen –met de daaruit volgende gedragingen – op uit!

Gods liefde wint het van zijn oordeel 11:7-11

In vs 7 onderstreept Hosea Israels afdwalen (vs 2), al is de preciese vertaling van vs 7a onzeker: Mijn volk is ‘ziek’ van zijn afdwalen of is het afdwalen ‘moei (of NBG: ‘volhardt’?) Nog moeilijker is vs 7b. Wie is met omhoog bedoeld? Roept Israel ‘tot Baäl’, die hen dan echter ‘niet opheft’ (in zijn armen, zoals de HERE deed, vs 4)? Of roept het tot de HERE, die hen dan niet zal opheffen in de zin van ‘niet onschuldig zal verklaren’? Een aangeklaagde lag tijdens een proces wellicht voorover op zijn knieën totdat hij bij vrijspraak werd ‘opgericht’.

Vs 8 is een getuigenis van de strijd in Gods hart. Israel heeft Gods oordeel ten volle verdiend, maar toch kan de HERE het volk dat Hij lief heeft, niet prijsgeven en het vernietigen zoals vroeger Adama en Zeboïm (met Sodom en Gomorra, Gen. 19:24). Gods hart keert zich om, dwz. Hij verandert zijn voornemen tot straf, zijn medelijden wint het en daarom zal Hij niet in toorngloed komen. Het argument is wonderlijk: Want Ik ben God…, heilig in uw midden. Dat de HERE de Heilige, de Gans Andere is, betekent niet alleen dat Hij de voor de zondige mens ongenaakbare God is, maar ook, zoals hier, dat Hij in de reactie op de ontrouw van zijn volk heel anders is dan een mens: de Heilige in zijn eeuwige liefde en trouw (vgl. Jer. 31:3, 9, 20). Daarom (vs 11) zal Hij zijn volk weer tot zich doen komen. Is de leeuw in 5:14 en 13:7 beeld van Gods gericht over Israel, hier verschijnt het beeld van een leeuwin die met haar brullen haar jongen naar zich toe roept en vijanden afschrikt. Op dat geroep komen de Israëlieten ‘bevend’ (zie bij 3:5) als vogels (vgl. 7: 11 v) uit het westen, uit Egypte (symbool van onderwerping door Assyrië, vgl. vs 5) en uit het land van de ballingschap, Assyrië, om weer te wonen in hun eigen huizen.

Een leugenachtig volk 12:1-15

Hosea 12 is, wat de uitleg betreft, één van de moeilijkste hoofdstukken uit de Bijbel. Duidelijk is in elk geval dat vss 1-2 actuele zonden noemt en dat vs 3 de overgang vormt van het heden naar de herinneringen uit het verleden.

De leugenachtige ontrouw van Efraïm 12:1-3

De leugenachtigheid waarvan Israel vol is, zowel in de samenleving (4:2; 7:3) als tegenover de HERE (10:13), is hier (vs 2b) vooral toegespitst op de leugenachtige buitenlandse politiek. Ook van Juda heet het dat het bandeloos, di. onbetrouwbaar, onbestendig is tegenover de Heilige God. Het dingen naar de gunst van de grote mogendheden (vs 2, vgl. 7:11) – naar die van Egypte dat geen olijfbomen had, door er olie te brengen – is even zinloos als het weiden of ‘vriend zijn’ (in het hebr. woord zit beide) van wind; een verband met Assur is even gevaarlijk als de ‘sirocco’, de oostenwind uit de woestijn, die dood en verderf brengt. Vs 3 kondigt Gods rechtsgeding (zie 4:1) voor Juda en zijn vergeldende straf voor Jakob (= Israel) aan.

De leugenachtige voorvader 12:4-7

Israels leugenachtigheid is diep in het voorgeslacht geworteld. Vader Jakob was al een ‘hiellichter’ en ‘bedrieger’ in de schoot van moeder Rebekka (Gen. 25:26; 27: 36). Legt Genesis (25-35) meer nadruk op de positieve kanten in Jakobs handelen, Hosea geeft een negatief tegenbeeld. Ook de worsteling bij Pniël (Gen. 32:22-32) verschijnt hier in negatief licht. Jakob streed met God ‘in zijn mannelijke kracht’, maar ook ‘in zijn slechtheid’ (het hebreeuwse woord heeft een dubbele bodem). Het leugenachtige zit dan blijkbaar daarin dat Jakob door wenen en smeken (vs 5b) God de zegen ontfutselde. Men vertale vs 5a dan: Hij bedwong God – dwz. een engel -en overwon. Het slot van vs 5 zinspeelt op Jakobs overnachten in Betel, waar hij onverwachts de HERE vond (Gen. 28:16), en waar de HERE met ‘hem’ (zo in plaats van ‘met ons’ van NBG). Vs 6 verklaart dat de God der vaderen die met Jakob sprak reeds de Almachtige God van het verbond met Israel was (vgl. Am. 4:13) en vormt zo de overgang naar vs 7, waarin God aan Israel eerst belooft: Gij zult terugkeren dank zij uw God (niet ‘tot God’) en het voorts oproept de verbondsdeugden liefde en recht (vgl. bij 2:18; 4:1) te bewaren, en vertrouwend te wachten tot God zijn belofte vervult (tevens zinspeling op Gen. 28:15).

Gods trouw tegenover Israels bedrog 12:8-11

Kanaän is hier het type van een oneerlijk, hebzuchtig volk van handelaars die een valse weegschaal hanteren en de mensen uitbuiten door ze af te zetten (zie bij Am. 8:46). Omdat Efraïm (= Israel) die kwalijke praktijken van de Kanaänieten heeft overgenomen, noemt Hosea Israel hier Kanaän. Het ergste is (vs 9) dat Efraïm zelf dat onrecht niet erkent, maar zijn zelfverworven rijkdom in overmoedige trots als een eerlijk verdiend vermogen beschouwt.

Tegenover de leugen (vs 1) en het bedrog (vs 8) van Israel stelt de HERE nu (vs 10) zijn trouw sinds de uittocht uit Egypte (vgl. 11:1; 13:4), een trouw die, ondanks alle leugen en onrecht bij Israel, toch weer een nieuw begin met zijn volk zal maken (vgl. vs 7a), zoals vroeger toen zij in de woestijn (zie bij 2:13) in tenten woonden, toen er nog een echte samenkomst, ‘ontmoeting’ (vgl. Deut. 9:10; 18:16) tussen God en volk plaatsvond en de HERE sindsdien door profeten en gelijkenissen zijn wil aan het volk openbaarde (vs 11 is geen voorzegging, maar verwijzing naar het verleden, vgl. Am. 2:9-12).

De geschiedenis van Israels ontrouw tegenover Gods trouw roept om vergelding 12:12-15

De namen Gilead (zie 6:8) en Gilgal (zie 4:15) roepen als tegenbeeld van Gods trouw (vs 10 v) de ontrouw van de Israëlieten jegens de HERE op. Met een woordspeling kondigt Hosea Gods oordeel over die plaatsen van slechtheid en ontrouw aan: de altaren van ‘Gilgal’ (= ‘Stenenkring’) zullen worden als steenhopen (gallim). In vss 13 v stelt Hosea Israels stamvader Jakob en de profeet des HEREN Mozes tegenover elkaar. Vs 13 zinspeelt op Jakobs vlucht naar Padan Aram (Gen. 27-30), waar de stamvader zich in slaafse dienst begaf en vee hoedde, (tegenover het ‘hoeden, bewaren’ van liefde en recht in vs 7) en dat om een vrouw (zinspeling op het verkeren van de Israëlieten met de vrouwen uit de vruchtbaarheidscultus?). De HERE echter (vs 14) haalde Israel juist uit de slavernij en liet zijn volk in de woestijn ‘hoeden’ door een profeet (Mozes), die zich gaf aan de dienst des HEREN tegenover Jakob, die opging in het dienen om een vrouw. Die trouwe zorg des HEREN heeft E-fraïm negatief beantwoord. Het heeft (de HERE) bitter ‘gekrenkt’ of ‘getergd’ (door zijn afgoderij, vgl. Deut. 4: 25; Jer. 7:18v; 2 Kon. 21:6). Daarom zal de HERE E-fraïms bloedschuld (dwz. zijn wandaden waar de doodstraf op staat) en zijn smadelijke handel en wandel (dat is hier met smaad bedoeld) vergelden (vgl. vs 3).

Gods oordeel over Israel 13:1-14:1

Efraïms afgoderij bestraft 13:1-3

Eens hadden de andere stammen respect voor de grootste stam Efraïm met zijn grote leiders, zoals Jozua (Joz. 24: 29 v), en zijn voor het stammenverbond toonaangevende stad Sichern (Joz. 24; Ri. 9), maar toen hij zich ging bezondigen aan de baäldienst (4:15; 9:10), waarin hij een leven gezegend door vruchtbaarheid dacht te vinden, vond hij de dood, de vernietiging van de volkskracht (7: 9). Die afgoderij (vs 2) duurt in Hosea’s dagen nog steeds voort. Het slot van vs 2 is raadselachtig, tenzij men met een kleine verandering van de tekst vertaalt: Aan hen (de beelden), zo zeggen zij, moet gij offeren. De laatste woorden mensen kussen kalveren beschrijven de afgodische eerbetuiging (vgl. 1 Kon. 19:18) van de Israëlieten aan de gouden stierkalfbeelden.

Met vier beelden kondigt de HERE in vs 3 het oordeel over de afgodische Israëlieten aan: het zal even snel als volk van de aardbodem verdwijnen als ochtendnevel, enz.

Het verachten van Gods verlossingswerk bestraft 13:4-8

Evenals in 12:10 stelt Hosea tegenover Israels ontrouw (vss 1-2) de trouw van de HERE, de enige Verlosser die voor Israel bestaat sinds de uittocht uit Egypte, en zijn bewarende liefde (‘kennen’, zie 2:19) in de dorre woestijn (vs 5). Zoals een herder die zijn kudde in grazige weiden voert, had de HERE zijn volk Kanaän, een land ‘vloeiende van melk en honing’, gegeven (vs 6). Maar door de overvloed daar werden de Israëlieten hooghartig en vergaten zij (vgl. 2:12) hun weldoener. Omdat zij zo Gods goedheid veracht hebben, is Hij van goede herder (vs 5a) geworden tot een verscheurend roofdier (vss 7 v) dat de kudde Israel bedreigt. Vier soorten roofdieren worden genoemd. De leeuw(in) van vs 8 lijkt een doublure van vs 7, maar moet waarschijnlijk als ‘(wilde) honden’ worden gelezen (vgl. Ps. 22:17). Terwijl leeuw, panter en berin beeld zijn voor de HERE zelf, zijn de honden en het gedierte des velds ( = ‘het wild’, vgl. 4:3) blijkbaar bedoeld als beeld voor vijandelijke volken die het reeds door Gods oordelen gebroken Israelzullen verscheuren en verslinden.

Efraïm met zijn koningshuis gevonnist 13:9-14:1

De beelden van vss 7-8a worden in vs één zin verklaard: Ik zal Israel ‘vernietigen’ (zo te vertalen met een kleine wijziging). De woorden van vs 9b ‘want in Mij (is) tot uw hulp’ zijn hier onverklaarbaar. Wellicht is te lezen: en wie (mi in plaats van bi) is u dan tot hulp? Daarmee is dan vs 10 ingeleid: Waar is toch uw koning, dat hij u helpen zou? De koning en de andere regeerders hebben geen enkele macht meer in de door de Assyriërs bezette steden. Reeds sinds de dagen van de strijd tegen de Filistijnen hebben de Israëlieten om een koning gevraagd, zo zegt Hosea in vs 10 b met een vrij citaat van 1 Sam. 8:6, maar reeds toen was het verlangen naar een koning een miskenning van Israels enige koning, de HERE (1 Sam. 8:6 w) en reeds toen stond de HERE het koningschap wel toe, maar in toorn over de verwerping van zijn koningschap. Hoeveel te meer gold dat voor het verworden en verdorven koningschap uit Hosea’s tijd. Maar dat eigenmachtige koningschap (8:4), ontkracht door partijstrijd en revoluties (7:3-7) nadert zijn einde. Ik neem hem weg in mijn verbolgenheid, zo kondigt de HERE de ondergang van Israels koning aan.

Met de koning wordt ook het volk gevonnist. Al is de beslissende straf nog niet aangebroken, dat betekent niet dat de HERE al de ongerechtigheid en zonde (vgl. 4:8) wel vergeten zou zijn (vgl. 7:2). Hij heeft als het ware de documenten waarop zij geregistreerd staan, zorgvuldig in verzegelde potten bewaard tot de dag van de afrekening.

In vs 13 vergelijkt Hosea Israel met een kind voor de geboorte, dat zo dom is dat het niet te voorschijn komt om te leven, maar blijft in de moederschoot. De gedachte aan de moederschoot, die beeld is voor het dodenrijk, leidt tot de vraag van vs 14. Zou de HERE de Israëlieten die zelf door hun zonde de dood over zich gehaald hebben daarvan bevrijden? Won in 11:8 v Gods barmhartigheid het nog van het oordeel, nu kent Gods oog, dat alle ongerechtigheid gezien heeft, geen medelijden meer, maar roept de HERE de dienaren van de dood, de dood en verderf brengende pestepidemieën op om in Israel huis te houden (de vraag van vs 14 is door Paulus in 1 Kor. 15:55 in positieve zin geciteerd).

Vs 15 keert terug tot de notie van Efraïms vooraanstaande plaats (vs 1) onder de broeders (= Israels stammen), maar nu met een beeld dat speelt met de naam Efraïm. Al ‘draagt Efraïm (nog) vrucht’ onder de broeders, de droge woestijnwind zal de plant Efraim weldra doen verdorren. Dat de oostenwind, net als in 12:2, beeld is voor Assyrië, de vijand uit het oosten, blijkt uit de slotregel: die zal… alle kostbaarheden plunderen.

In 14:1 wordt het vonnis met name uitgesproken over de hoofdstad Samaria, het voorbeeld in weerspannigheid tegen God (zie 4:16; 9:15). De mannen zullen sneuvelen,dekinderen worden verpletterd (vgl. 10:14), zelfs de ongeboren vrucht wordt wreed uit de moederschoot gehaald om elke toekomst voor het volk af te snijden.

Bekering en heil 14:2-9

Oproep tot bekering 14:2-4

Hosea richt in vs 2 zijn oproep tot bekering tot dat deel van Israel dat het oordeel (gij zijt ten val gekomen door uw ongerechtigheid) overleefd heeft. Anders dan in 6:1-3 worden de Israëlieten nu opgeroepen tot een waarachtig gemeende schuldbelijdenis en bede om vergeving. In plaats van offers, waarmee zij in de voorbije jaren naar het heiligdom kwamen, maar waarmee zij juist hun ontrouw jegens de HERE bedreven (vgl. 4.13 v), moeten zij nu alleen komen met geestelijke offers: met woorden en met de vrucht der lippen (vgl. Jes. 57:18 v; Heb. 13:15), dwz. met een oprechte schuldbelijdenis en lofprijzing. Het valse vertrouwen op Assyrië, op militaire kracht (paarden) en afgodsbeelden (het werk onzer handen) zal dan plaats maken voor het vertrouwen op de enige die werkelijk redden kan, de HERE, van wie zelfs de wees, type van de meest weerloze in de samenleving, barmhartige hulp mag verwachten.

Een heilrijke toekomst 14:5-9

Het oprechte gebed van verootmoediging en vertrouwen zal de HERE verhoren. Hij zal allereerst hun zondige hart, hun afkerigheid genezen en zijn toorn doen wijken voor nieuwe liefde, die vrijwillig zal zijn, niet afgedwongen door menselijke offers of goede werken, maar alleen opkomend uit Gods Vaderhart (vgl. Hos. 11). Dan zal de HERE Israel ook weer zijn zegen, nieuwe levenskracht schenken (tegenbeeld van 13:15), zoals de dauw dat in droge tijden doet met de gewassen (vgl. Deut. 33:13). Israel zal bloeien als een lelie in al haar pracht en zich na alle verliezen aan mensenlevens (9:12-14; 13:14-14:1) weer vermeerderen als de zich wijd vertakkende wortels en loten (vs 7) van de ceders op de Libanon. Het leven in Israel zal weer even fleurig zijn als de altijd groene olijfboom en even prettig als de geur van de struiken van het Libanongebergte (vgl. Hoogl. 4:11). Levend in zijn schaduw, dwz. onder Gods bescherming, zullen de Israëlieten in het land weer koren verbouwen (eigenlijk ‘tot leven brengen’) en zelf zullen ze weer even florerend (vgl. 10:1) zijn als wijnstokken en even beroemd onder de volken als de wijn van de Libanon.

Omdat Efraïm (niet Tk’ maar ‘het’) dan ook niets meer met de afgoden van doen heeft (vs 9) kan de HERE zijn gebeden weer verhoren en hem liefdevol aanzien. Aan het slot vergelijkt de HERE zich met de altijd groene cypres, de oosterse levensboom, omdat Hij de enige is uit wie Efraïm (Israel) zijn levenskracht kan putten en ook de enige die Efraïms naam ‘vruchtdrager’ weer kan en zal waarmaken (tegenbeeld van 9:16).

Een wijze vermaning 14:10

Het boek Hosea is, behalve door andere profeten, zoals Jeremia, ook in de kringen van de israelitische wijsheid gelezen en toegepast. Een wijze vermaant zijn collega’s in vs 14a deze dingen, dat is: de profetieën van Hosea, ter harte te nemen (vgl. Ps. 107:43). Ten besluite hebben wijzen bovendien een wijsheidsspreuk (vs 14b) toegevoegd over de wegen des HEREN. De woorden zijn geput uit Deut. 32:4 + 8:6 (10:12) met als vrije toevoeging: overtreders komen erop ten val. De meningen gaan uiteen over de vraag of met ‘de wegen’ de geboden van de ‘wet’ zijn bedoeld (zoals in Ps. 1) of de door God uitgestippelde levensweg van de mens (vgl. Spr. 24:16). Wellicht had de wijze beide op het oog.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken