In de betekenisvolle ruimte van de Geest
Een reflectie naar aanleiding van Kees van der Koois Een weldadige kracht
Er zijn vormen van spreken over de Geest waar ik eerlijk gezegd wat onrustig van word. Je krijgt voortdurend het gevoel dat je méér nodig hebt: méér geloof, méér verlangen, méér overgave. En daarvoor moet je dan uit je comfortzone stappen, proclameren, en ‘overwinnend’ leven. Een hijgerig soort christendom, waarvan je buiten adem raakt. Ik herinner me nog goed hoe ik tijdens de diensten in de evangelische gemeente waarin ik opgroeide, een fysieke spanning voelde bij sprekers of zelfverklaarde profeten die een ‘woord van de Heer’ hadden of een beeld wilden doorgeven.
Steevast werd de heilige Geest daar verbonden aan het bijzondere, het grootse, het imponerende. Dat heeft al snel iets grotesks. Zo herinner ik me twee studiegenoten die allebei – toevallig – dezelfde profetie hadden ontvangen: ze zouden een grote bediening krijgen. De verleiding is dan groot om cynisch te worden, om het spreken van de Geest op een veilige afstand te houden.
Maar precies dat cynisme, gevoed door ervaringen met charismatisch spektakel, creëert op zijn beurt weer ruimte om het spreken over de Geest volledig te koloniseren. In de leegte van kerken waar gemakkelijk gezwegen wordt over de Geest – laat ik ze voor het gemak ‘traditionele kerken’ noemen – kunnen hijgerige stemmen ongestoord doorklinken.
Hoe anders is dan de geaarde, theologisch verantwoorde pneumatologie die Kees van der Kooi ontvouwt in zijn boek Een weldadige kracht. De Geest wordt door hem niet opgesloten in conservatief dogmatisme, noch opgeëist in charismatische claims, noch opgelost in de vage menselijkheid van liberale theologie waarin de Geest nauwelijks te onderscheiden is van de menselijke geest. In plaats van een opgefokt, hyperventilerend christendom, beschrijft Van der Kooi het werk van de Geest als het scheppen van ruimte – ademruimte waarin de schepping op adem mag komen. Hij positioneert die ruimte nadrukkelijk in de context van een uitgeputte cultuur, gekenmerkt door zelfgecreëerde leegte en existentiële moeheid. Heeft God nog iets met deze wereld te maken?
In aansluiting op een scène uit de film American Beauty, waarin sprake is van een “benevolent force” die iets van verlichting en hoop biedt (pp. 16–17), spreekt Van der Kooi over de Geest als een weldadige kracht die betekenisvol aanwezig is in deze materiële werkelijkheid, in het gewone leven. Juist in dat alledaagse leven tekenen zich ook de breuklijnen af die de goedheid van de schepping onder druk zetten: waar kwetsbaarheid zich toont, nestelen zich kwade machten – machtsmisbruik, ziekte, dood, ecologische afbraak, existentiële wanhoop. In die ‘cracks’ wil Van der Kooi over de Geest spreken. Deze wereld is immers niet leeg en verloren. De geschiedenis van Jezus is geen archiefstuk. De Geest is er alles aan gelegen om die geschiedenis te actualiseren.
Van der Kooi helpt ons oog en oor te krijgen voor die beweging
Dat betekent niet dat Van der Kooi het spectaculaire werk van de Geest ontkent of reduceert tot een afgesloten ‘apostolische’ fase. Maar hij wil ons opnieuw leren zien hoe het werk van de Geest vaak ‘veel teerder en zachter is’ (p. 29). Methodisch kiest Van der Kooi voor het bijbelse begrip ‘zalving’ als pneumatologisch ankerpunt. Jezus is de Gezalfde met de Geest. In de manier waarop Hij optreedt tegen ziekte, kwaad en demonische machten herkennen we de sporen van deze weldadige kracht. Het is ook via Jezus dat Gods Geest de ruimte krijgt in de levens van mensen, doordat in de ‘vereniging van de eeuwige Zoon met de menselijke natuur’ ons menselijk bestaan wordt geheiligd (p. 65).
Pneumatologie is daarmee geen vrij in te vullen ruimte, geen leeg canvas voor onze verlangens of projecties. Christus vult die ruimte. De Geest is geen verlengstuk van onze spiritualiteit. Woord en Geest trekken samen op als Gods weldadige kracht, die ruimte maakt voor zijn woning onder mensen – midden in de gebutste geschiedenis van deze wereld.
Van der Kooi helpt ons oog en oor te krijgen voor die beweging. Die wordt zichtbaar in gemeenschappen waar mensen in die Geest met elkaar verbonden raken. Waar de zalving over de rand stroomt en de samenleving binnensijpelt. Christenen – kleine ‘christussen’, gezalfden – die betekenisvol aanwezig zijn in kunst, wetenschap, techniek, economie. Die wakker maken wat God in de schepping gelegd heeft aan potentie voor gerechtigheid, waarheid en vrede. De Geest is dan bevrijdend en humaniserend. Vanuit de cirkel die zich uitbreidt rond de steen die Christus is, ontstaat er iets van God. Chaos, vervreemding, wanhoop en desintegratie worden doorbroken.
Dit alles is niet de geest van Hegel, waarin de geschiedenis onstuitbaar voortrolt richting vervulling. Ook hier geldt: het is Christus die het verschil maakt. De herscheppende ruimte die de Geest opent is christoform (p. 135). Dat is iets anders dan de toon van het Frontrunners-lied Hemelse griep, waarin geproclameerd wordt dat ziekte buiten het gezegende christenleven valt. De Geest hinkelt niet om diepe plassen heen, maar beweegt zich binnen de lijnen van de weg van de lijdende Heer. Juist in dat lijden klinkt ook het zuchten van de Geest mee. Van der Kooi laat iets van zijn eigen existentiële verzuchting horen: vorig jaar overleed zijn veertigjarige schoonzoon Arjan, aan wie dit boek is opgedragen.
Hoe kun je dan toch spreken van een weldadige kracht? Omdat de Geest nog werk wacht, ‘waarvan de vervulling nog smartelijk uitstaat’ (p. 139). De Geest wekt verlangen, maar dat verlangen doet ook pijn, omdat het contrasteert met de werkelijkheid Onze tegenwoordige tijdgeest is Hegel wat dat betreft allang voorbij, zo weet Van der Kooi ook. Eerder zijn we moedeloos, teleurgesteld, ervaren we buikpijn van het ‘méér’ van onze welvaart. Juist daarin ontstaat ruimte voor ontvankelijkheid. ‘God moet komen, ons aanraken. Buiten die beweging van zijn Geest zijn we verloren’ (p. 148). Zou dat niet precies nu gebeuren, waar generatie Z tekenen van beroering vertoont? Van der Kooi noemt het niet expliciet, maar zijn theologie maakt je wel gevoelig om er zo naar te leren kijken.
De nieuwe werkelijkheid van de Geest krijgt vooral gestalte waar het drievoudig ambt van Christus – profeet, priester, koning – zichtbaar wordt. Waar mensen, getekend door de doop, ruimte maken voor de ander in plaats van hun eigen gelijk te zoeken, waar priesterlijk, d.w.z. barmhartig, wordt opgetreden. Waar zieken worden gezalfd, mensen worden verzoend, waar profetisch gesproken wordt tegen de leugen – tegen fake news, ontmenselijking, of het onrecht van bijvoorbeeld de toeslagenaffaire.
De weldadige kracht van de Geest heeft ook alles te maken met onze omgang met de aarde
Alledaagsheid betekent dan niet onherkenbaarheid. Het is een ‘alledaagsheid’ in de zin van natuurlijk, praktisch, dienstbaar. De Geest werkt door in mantelzorgers, leraren, kunstenaars. Ook in zijn bespreking van de charismata breekt Van der Kooi het begrip open: niet als een bundel superkrachten, maar als elke onverwachte manier waarop iemand in vrijheid door God in dienst genomen wordt (p. 191). Dus geen powerpreacher die in tongen spreekt, maar een verpleegkundige die moed houdt.
En telkens opnieuw keert Van der Kooi terug naar die centrale notie van ruimte: waar de Geest werkt, krijgt de ander ruimte om te bloeien – en wijzelf doen een stap terug (p. 195).
Tegelijk waarschuwt hij voor naïviteit: ook in de zogenaamd lege seculiere wereld woekeren machten en krachten. Daar moeten we gevoelig voor zijn. Het werk van de Geest helpt geesten te onderscheiden. Zoals in het verleden gebeurde bij de Barmer verklaring (1934) of de Belhar-confessie (1986). Wanneer spreken we ons nu uit? Tegen rechts-extremisme, zoals in het Micha-manifest? Voor gerechtigheid, zoals bij de rode lijn voor het PKN-gebouw? Of juist voor Israël? En waar blijft de profetie tegen de meritocratische druk die jongeren opbrandt?
De weldadige kracht van de Geest heeft ook alles te maken met onze omgang met de aarde. De Geest is immers ook scheppend en onderhoudend aanwezig (p. 128). Wie leeft in die Geest, gaat ook anders wonen. Eigendom krijgt dan de betekenis van bruikleen (p. 237). Geen absoluut bezit, maar gedeeld rentmeesterschap over een wereld die aan God toebehoort: ‘Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft’ (Ps. 24). (Ps. 24). Ook hierin geldt: niet meer, meer, meer, maar genoeg, dankbaarheid, en zorg voor het leven zelf. De kwetsbaarheid van de aarde weerspiegelt onze eigen kwetsbaarheid. Ingeschakeld worden door de Geest krijgt gestalte in een levensstijl die zich niet laat meeslepen door de geest van consumentisme. Ook dát is onderscheiding van geesten.
Dit boek is een weldaad. Onze wereld is niet leeg, maar is vol van de heiligende Geest. Van der Kooi helpt ons opnieuw te proeven hoe weldadig dat is.
Jan Martijn Abrahamse is Lector Theologie aan de Christelijke Hogeschool Ede.
Kees van der Kooi, Een weldadige kracht. Christelijk geloof en het alledaagse in het licht van de Geest. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2025. 288 pp. € 23,99. ISBN 9789043543156
