Jesaja
INLEIDING
De titel van het boek Jesaja, het karakter van deze profetieën, de historische achtergronden die daarbij verondersteld worden, roepen vragen op, met name wie de schrijver is en in welke tijd het is ontstaan. Met de kernwoorden van de profetische boodschap en de indeling van de inhoud, is het niet anders. Ook hier is er zo’n rijke verscheidenheid aan gegevens in de tekst, dat de wetenschappelijke traditie waarin de bijbelonderzoeker staat en diens persoonlijke voorkeur, sterk van invloed zijn op het overzicht dat deze ontwerpt van wat in het N.T. wordt genoemd: het boek van de profeet Jesaja (Mat. 3: 3, 8:17, 12:17v; Luc. 3:4, 4:17; Joh. 1:23, 12:38; Hand. 8:18; Rom. 10:16, 20v).
Titel en karakter van het boek
Hoewel kennis nemen van de verschillende standpunten rondom het werk van Jesaja niet onbelangrijk is, mag dit de uitdaging om zelf kennis te maken met dit profetisch woord niet in de weg staan. Integendeel, immers hierin wordt op zo’n echte, persoonlijk doorleefde wijze, zo terzake en met zoveel gevoel voor de hoorders en hun situatie de tora van de HERE concreet gemaakt, dat in het toekomstperspectief dat dit geschrift van het O.T. biedt het geloofsverstaan van het N.T. als vanzelf oprijst. Niet alleen toont het boek Jesaja een diepe verwantschap tussen deze beide delen van het profetisch getuigenis: heel het werk van deze schriftprofeet met zijn kring van leerlingen is juist in de verscheidenheid van zijn profetieën gericht op de diepe eenheid tussen de HERE en zijn volk Israel, nl. in hun samen leren leven en geloven. Vanuit deze eenheid die het hoofdthema is in deze profetieën verzameling, ontvouwt zich een verscheidenheid in leefsituaties tussen mensen en volken, in verhoudingen tussen de wereldmachten, en in tijdsperioden. Dit alles onderscheidt én verbindt mensen, volken, machten in één omvattend toekomstbeeld. Het koningschap van de HERE is wereldwijd, doorloopt de geschiedenis van de mensheid en omsluit de schepping met alle machten en krachten daarin.
In de betekenis van de profetennaam Jesaja, dat is: de HERE redt – uit de nood van onderdrukking, onrecht, goddeloosheid en godverlating – wordt duidelijk waartoe dit profetisch geschrift mensen oproept: ga zitten, wees rustig, hou je stil en vertrouw op het reddend ingrijpen van de HERE (30:15).
Historische achtergronden
Het boek Jesaja bevat profetieën die in verband gebracht worden met twee eeuwen geschiedenis van Israel te midden van de wereldmachten Egypte, Assyrië, Babel, Perzië, van de achtste tot en met de zesde eeuw v. Chr. De wetenschappelijk voorgestelde en deels aanvaarde driedeling van de profetieënverzameling hangt hiermee samen. Jes. 1-39 het eerste Jesajaboek, van voor de ballingschap, Jes. 40-55 het tweede Jesajaboek, van tijdens de ballingschap en (eventueel) het derde Jesajaboek (5666) van na de ballingschap… In 740 v. Chr. komt er met de dood van koning Uzzia (6:1) een einde aan de lange periode van rust en veiligheid voor zowel Israel, het Tienstammenrijk, als Juda. Daarna wordt de achtste eeuw v. Chr. overheerst door de opdringende wereldmacht Assyrië: Tiglath-Pileser III (745-727), Salmanassar V (727-722), Sargon II (722-705), Sanherib (705-681). Deze vorsten streefden naar een wereldrijk. Hun plundertochten waren erop gericht een groot gebied met vele volken onder hun controle te brengen en hun macht daarin te handhaven. Volkerenmoord op beperkte schaal, deportaties van hele bevolkingsgroepen of alleen van de leidinggevende elite, hoge betaling voor hun bescherming van vorsten die zij van zich afhankelijk hadden gemaakt (vazallen), waren algemeen toegepaste machtsmiddelen. In Jes. 1-39 wordt het heersende Assyrië voortdurend bedreigd door Egypte dat steun verleent aan een anti-assyrisch bondgenootschap. Dit is ook weer het geval bij de Syro-Efraïmitische oorlog omstreeks 735 v. Chr. Pekach uit Israel en Rezin uit Damascus trachten Achaz uit Juda aan te zetten tot verzet tegen Assyrië. Achaz op zijn beurt tracht aan de invloed van het antiassyrische pact te ontkomen door vazal te worden van Assyrië. In die politiek verwarrende tijd is het de profeet Jesaja die indringend afwijst om op de macht van buitenlandse koningen te vertrouwen (zie 14:28-32, 18:1-7, 20:1-6). De koning van Juda dient alleen op de Koning van het volk zijn vertrouwen te stellen. Zich diplomatiek trachtten veilig te stellen loopt verkeerd af (Jes. 7). Dat is in 722 v. Chr. het geval voor Samaria. Het Tienstammenrijk wordt dan goeddeels gedeporteerd. Juda komt daardoor te liggen in het grensgebied van het assyrische wereldrijk. De profetieën tegen de volken in Jes. 13-23 vinden hun aanleiding meestal in een gezantschap dat op bezoek komt in Jeruzalem met als doel de koning over te halen om deel te nemen aan een of andere politieke machtsgroep. De slothoofdstukken van het eerste deel, Jes. 36-39 (vgl. de overeenkomstige hstt. in 2 Kon. 1820), geven in dit verband een voorbeeld van een koning die zijn vertrouwen op de HERE heeft gesteld. De diepe verwondering over de plotselinge aftocht van de belegeraar Sanherib (701 v. Chr.) is voor Jesaja en het volk een directe geloofsbeleving van het reddend ingrijpen door de HERE. In het tweede boek Jesaja (40-55) is de historische achtergrond de ballingschap in Babel. Daaraan komt een einde wanneer de Perzen de macht van Babylonië ten val gebracht hebben. De wereldheerser Cyrus staat aan de Joden toe (539 v. Chr.) terug te keren naar hun land om Jeruzalem en de tempel te herbouwen (Jes. 56-66).
De schrijver van de jesajaboeken
Van Jesaja is niet veel meer bekend, dan dat hij woonde in Jeruzalem en geprofeteerd heeft in de periode van de judese koningen Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia. Zijn profetenwerk strekt zich dus uit over tientallen jaren (van omstreeks 737 tot na 701 v. Chr.). Met zijn gezin is hij een levend teken van de verbondenheid van de HERE met Israel. Zijn zonen dragen profetische namen: Senear-Jaschub (7:3) ‘een rest keert terug’ en Maher-Schalal Chaz-Baz (8:13,18) ‘haastig buit, spoedig roof’; daarmee wordt de noodsituatie én de bevrijding van een deel van het volk voorzegd. Opmerkelijk is dat deze man gemakkelijk toegang tot het hof van de koning heeft, meermalen geraadpleegd wordt vanwege zijn kennis in staatszaken en vanwege zijn afkeer van vriendschapsverdragen politiek vaak buiten spel is gezet. In zijn profetieën leren wij hem kennen als een mens die in de grootste nood zijn vertrouwen op de HERE stelt en het volk daarin voorgaat. Zoals voor de hand ligt zijn er verklaringen gezocht voor het auteurschap van het tweede en derde Jesajaboek. Heeft Jesaja als ziener van Godswege de toekomstige verschrikkingen van de wegvoering voorzien, doorleefd en als waarschuwend woord om de tora van de HERE in acht te nemen, uitgebeeld voor het volk? Of betreft het een verwant profeterend andere persoon of een groep mensen, een leerlingenkring die staat in de traditie van Jesaja? Naast opmerkelijke verschillen in tijd, wanneer wij letten op de historische achtergronden, verschillen in hoorders of lezers, en verschillen in taal en woordgebruik, komen ook inhoudelijk sterke overeenkomsten voor in het geheel van de Jesajaboeken (vgl. bv. Jes. 35 en 37:26 met Jes. 40v; zie ook 11:6-9 en 65:5). Wij stellen daarom: Thematisch vormen Jes. 4066 een uitwerking van wat in aanzet gegeven is in het eerste boek. Staat dat in het teken van de oordeelsspreuken – in een tijd van welvaart waarin het onrecht toeneemt in Israel en Juda, het tweede boek gericht tot de gedeporteerde landgenoten in Babylonië, is vol bemoediging en belofte van terugkeer en heil. Beide boeken vormen eikaars keerzijde in dit opzicht. De spanning in boek I van een dreigende ondergang en daarmee van een dreigend einde van de relatie tussen de’HERE en Israel, wordt in de boeken II en III omgezet in de bemoediging voor de ontheemden en het hoopvolle toekomstperspectief van een nieuw Jeruzalem en een nieuwe tempel. En dit is dan een concreet voorbeeld van het herstel van het koningschap van de HERE over heel zijn schepping: in het komend Rijk van God.
Indeling
Wij onderscheiden in Jes. 1-39 globaal vier groepen profetieën.
A. Jes. 1-12: profetieën over Juda en Jeruzalem ten tijde van de koningen Uzzia, Jotham en Achaz. De hstt. 2-5 bevatten vooral profetische woorden tegen het onrecht dat de leidende groep de gewone bevolking aandoet en tegen het gebrek aan begrip voor de goede verhouding tussen de HERE en zijn volk. In deze tijd die voor Juda een periode van welvaart was, verkondigt Jesaja de ondergang van stad en land. De hstt. 9-12 vallen grotendeels in de tijd van Achaz tijdens de Syro-Efraïmitische oorlog. Jes. 1 geeft de hoofdlijnen van de profetische boodschap. Jes. 6 bevat het roepingsvisioen van de profeet.
B. Jes. 13-27: oordeelsspreuken over de volken rondom ten tijde van koning Hizkia. De profeet waarschuwt niet op andere volken en hun koningen te vertrouwen. De redding van land en volk is afhankelijk van de daden van de HERE. Wie op de HERE vertrouwt zal leven. Wie Hem de rug toekeert, werkt mee aan de ondergang.
C. Jes. 28-35: profetische woorden van heil en onheil over Jeruzalem temidden van de volkeren om hen heen in het gebied van de Nijl tot aan de Eufraat en de Tigris. Het oordeel over het onrecht door het volk van Jeruzalem en door de volkeren rondom, kan niet meer afgewend worden. De HERE geeft echter ook redding aan een ‘rest’ van die Hem trouw gebleven zijn, dwars door Zijn oordeel over het kwaad tegen de mensheid en dat van de godverlating heen.
D. Jes. 36-39: aanschouwelijk onderwijs daarvan wordt gegeven in de geschiedenis van koning Hizkia en van zijn godsvertrouwen ten tijde van de belegering van Jeruzalem door Sanherib uit Assyrië.
Kernwoorden van de profetische boodschap
Wij merken op, dat de kernwoorden in de boeken van Jesaja hun betekenis krijgen tegenover de concrete situatie waarin mensen blijk geven van hun gebrek aan begrip aangaande de goede verhouding tot de HERE en de leef-aanwijzingen in zijn wet (tora).
De heilige Israels
De HERE is de Heilige, die woont temidden van zijn volk Israel. Tegenover het onheil van de goden en de cultus van de vruchtbaarheid, dat is de kanaänitische afgodendienst, staat de heilige dienst aan de HERE, de Schepper van alle leven, die Zijn heil doet kennen aan Israel en aan heel de bewoonde wereld.
De tora van de here
De profeet staat in de dienst van de HERE om Zijn woorden door te geven, van leven, van recht, van vrede. De profetische aanklacht gaat tegen het onrecht dat mensen plegen, wanneer zij de Godswoorden, de tora veronachtzamen. Dood, onrecht, een gebroken verhouding met de HERE is dan hun deel. Wie geen inzicht heeft, dat is wie doof en blind is voor de daden en woorden van de HERE, is dwaas en wordt tot een gevaar voor zichzelf en de mensheid.
Vertrouwen op de here
De mens die God verlaat, acht zichzelf hoger dan de HERE. Deze overmoed van met name de leidinggevendebovenlaag leidt tot praktijken van onrecht en onderdrukking. De mens zonder God maakt voor zich godenmachten waarop hij zijn vertrouwen stelt. Ten onrechte zoals zal blijken, want door dat te doen bewerkt hij zijn eigen ondergang en die van anderen. Daar tegenover staat: gaan zitten, zich rustig houden, stil zijn en vertrouwen op het reddend ingrijpen door de HERE.
De dag des heren
De praktijk van onrecht, onvrede, dood en vernietiging van hen die leven zonder God, zal in een dag des HEREN geoordeeld, bestraft, vernietigd worden. Dit oordeel aan het volk dat leeft zonder begrip van de Heilige Israels zal worden voltrokken door vreemde vernietigende machten, die als een stormvloed over land en volk zullen razen. In hun overmoed en vernietigende kracht, zullen zij echter uiteindelijk zelf ten onder gaan. Wanneer nl. de Here der heerscharen zijn oorlogen voert tegen alle vernietigende machten die de schepping met daarin de mensheid bedreigen.
Recht doen
Alle onrecht zal gevonnist worden door de HERE. Het kwaad zal Hij vernietigen. De verterende kracht van het vuur is daarvan het beeld. De pensen die voor anderèn het leven tot een hel maken, zullen in de vurige toorngloed van de HERE ten onder gaan, is het profetisch dreigwoord.
Recht maken
Het vuur van onrecht en onderdrukking zal voor hen die op de HERE vertrouwen, een loutering zijn. De HERE zal hen doen opstaan en hen doen herleven. Het leven zal Hij vóór hen maken tot een veilige woonplaats van recht en vrede, in een nieuw Jeruzalem.
De koning komt
In de last of oordeelsspreuk van de profeet komt de messiaanse Koning naar voren die het kwaad keert. In de heilsprofetieën leidt deze Koning het volk op de weg ten leven naar en in zijn vrederijk. Het oordeel over de verkeerde levenswandel van Israel, dat voltrokken wordt in de wegvoering uit het beloofde land, zal een einde vinden in de terugkeer van de rest, die haar vertrouwen op de HERE stelt. Deze rest is de voorhoede van een volkenzee die zal terugkeren tot de berg des HEREN om van Hem het levèn te leren.
Inhoud Jesaja 1-39
Een tijd van verwarring 1:1-31
De stad van God tegen die van mensen 2:1-4:6
De boodschap van de profeet 2:1-22
De HERE doet recht 3:1-4:1
Een heilige rest zal leven 4:2-6
De druivenoogst blijkt zuur te zijn 5:1-30
Tot profeet geroepen: de zending van Jesaja 6:1-13
God-met-ons tegenover de macht van de belagers 7:1-12:6
De belofte van Immanuel 7:1-8:23
De Messias komt 9:1-10:34
Zijn vrederijk 11:1-12:6
De HERE breekt de macht van de volken af 13:1-23:18
Godsspraak over Babel en Filistea 13:1-14:23
Godsspraak over Moab 15:1-16:14
Godsspraak over Damascus en Efraïm 17:1-14
Godsspraak over Ethiopië en Egypte 18:1-20:6
Godsspraak over Babel, Duma en Arabië 21:1-17
Godsspraak vanuit Jeruzalem 22:1-28
Godsspraak over Tyrus en Sidon 23:1-18
De toekomst is aan God 24:1-27:13
De wereld gaat ten onder 24:1-23
Loflied ‘onze God slaat toe en maakt recht’ 25:1-12
Danklied ‘vertrouw op de HERE’ 26:1-21
Een volk voor de HERE 27:1-13
Verwachten wij hulp van de HERE of van mensen? 28.1:31:9
Oproep aan hen die God verachten 28:1-29
Jeruzalem in het nauw gebracht en bevrijd 29:1-24
Stel geen vertrouwen op de macht van anderen 30:1-31:9
De redding en de moeilijke tijd die daaraan vooraf gaat 32:1-35:10
De Koning komt en maakt recht 32:1-20
De Koning breekt de stad af en herbouwt haar 33:1-24
De vijand wordt vernietigd 34:1-17
Een volk voor de HERE keert terug 35:1-10
Het koningschap van Hizkia over Juda 36:1-39:8
Het land wordt aangevallen, maar ook bevrijd 36:1-37:38
De koning wordt ziek, maar mag verder leven 38:1-22
Toch onder de macht van Babel… 39:1-8
VERKLARING
Een tijd van verwarring 1:1-31
De profeet in zijn tijd 1:1
De naam van de profeet geeft het thema van het boek weer ‘De HERE redt’ of ‘De HERE bevrijdt’. In de protestantse traditie duidt men deze naam aan als Jesaja, de roomskatholieke traditie volgt de latijnse vertaling enspelt Isaïas of Isajas. Jesaja, de zoon van Amoz, niet te verwarren met de profeet Amos, die een ziener wordt genoemd (Am. 7:12). Wel staat Jesaja in deze traditie van zieners of profeten. Een gezicht zien, dat is een bijzondere waarneming hebben, waarbij men stemmen hoort of onbekende werelden schouwt, waardoor men komt tot een bijzondere Godservaring, tot kennis van mensen enhun wereld, tot in-zicht. De tijd wordt, zoals toen gebruikelijk, aangegeven in de regeerperioden van de koningen. Jesaja leefde en werkte in Juda, met name in Jeruzalem, vanaf het sterfjaar van Uzzia (6:1), ca 740 v. Chr., tot na de belegering van Jeruzalem in 701 v. Chr., ten tijde van koning Hizkia die regeerde tot ca 692 v. Chr.
Geen inzicht, geen recht en daarom geen toekomst? 1:2-9
Het boek opent met de aanklacht van de profeet tegenIsrael, het volk van God. Het volk en zijn leiders kiezen verkeerd in de strijd om overeind te blijven temidden van de machtsstrijd om hen heen. Zij hebben zich afgewend van de HERE en zoeken elders steun. Zij negeren het verbond met hun God. Zij onttrekken zich aan zijn zegen en belofte van leven. Daardoor krijgen zij deel aan vervloeking en dood. Als er nog een restant van overblijft, is dit het werk van de HERE. Deze hoofdlijnen in de boodschap van de profeet en zijn leerlingentraditie, komen in dit eerste hoofdstuk concreet en kort naar voren. 2. De profeet roept net als Mozes bij de verbondssluiting (Deut. 30:19) hemelen en aarde op als getuigen in de rechtszaak. Zij zullen ook de eerste uitvoerders zijn van het vonnis, wanneer er recht gesproken wordt over het afvallig worden van het volk (Deut. 17:6, 7). Kenmerkend voor de godsspraak is de directe wijze van spreken: de HERE spreekt met de mond en de woorden van de profeet. 3. Als een vader of moeder (vgl. Hos. 11:3, 4) heeft God kinderen grootgebracht, maar (vgl. vs 2) zij merken de HERE niet meer op, in hun begrijpen zijn zij minder dan de dieren. plaats dat zij hun Opvoeder tot eer zijn, hebben zij zich beladen met ongerechtigheid. Boosdoeners zijn zij geworden, die zichzelf en anderen te gronde richten. Verdorven kinderen, dat zijn rasechte knoeiers en omkopers naar hun aard. In de aanduiding van God als de Heilige Israels (12 maal in de hstt. 1-39 en 13 maal in de hstt. 40-66) ligt de voortdurende oproep van de profeet aan het volk om terug te keren, vervat. Maar het volk heeft zich van de Heilige Israels afgewend (vgl. Ez. 8:16), zoals dieren hun kop afkeren voor een vreemde. 5, 6. De profeet schouwt in beelden hoe slecht het volk en het land eraan toe zijn, wanneer de mensen afwijken van de weg en de dienst van God. Er is in de tekening van de situatie grote overeenkomst met het roe-pingsverhaal van Jesaja (6:9v) en ook met de inval van Sanherib ten tijde van koning Hizkia (36:1-39:8). De mensen zijn geslagen en verwond als slachtoffers van geweldmisdrijven (vgl. 53:5). Zij zijn naar lichaam en geest (hart) aangetast, niets is gaaf gebleven. 7, 8. Het land is ondersteboven gekeerd door aanvallers van buitenaf (vgl. Deut. 28:48-57) en leeggeroofd (vgl. het steeds terugkerend roofmotief in het boek Ri.). De dochter van Sion duidt de stad Jeruzalem en haar bewoners aan. De overgeblevenen verkeren in een troosteloze toestand (vgl. Job 27:28 en Jes. 24:20). De hutten in de wijngaard of het komkommerveld zijn slechts tijdelijke onderkomens van de werkers; als een belegerde stad, beter: dat, wat gespaard is tijdens de belegering van de stad, wijst ook in deze richting (vgl. Deut. 28:62!). 9. Sodom en Gomorra zijn in het O.T. de spreekwoordelijke aanduidingen van de totale vernietiging (Gen. 19:24). Maar het volk van God zal niet in zijn geheel ondergaan, een rest van het volk en het land zal overblijven door het handelen van de HERE der heerscharen. De rest-gedachte krijgt zo een dubbele betekenis. Enerzijds, er blijven slechts weinigen over, een arm-zalige rest. Anderzijds, die enkelen zijn het hoopvol begin van velen (Jes. 17:6, 24:6, 30:17).
Recht doen is meer dan je aan de regels houden 1:10-20
De beschuldiging gedaan in vs 3: het volk kent God niet, en in vs 4: zij bedrijven onrecht en boosheid, wordt in de vss 10-15 door de profeet met grote bewogenheid nu rechtstreeks aan de leiders van het volk gericht. Zij zijn zeer druk met de offerrituelen, de feesten en het bidden, maar zij gaan aan God en aan wat de HERE recht noemt, voorbij. Hun godsdienst, zonder dat zij in een persoonlijke relatie tot God en zijn recht leven, wordt tot een schijnvertoning, een aanfluiting. Dat is de goddelijke onderwijzing. Vervolgens worden de leiders opgeroepen te leren wat recht is, nl. de sociaal zwakkeren, de weduwen, de wezen en de vreemdelingen, niet langer te onder-t rukken. Dan zal de HERE hen reinigen van hun bloedschuld en hen vrijspreken. De godsspraak sluit af met de belofte van de zegen voor hen die gehoorzamen, en met de aankondiging van de vloek voor hen die weigeren zich te bekeren van hun boze weg. 10. Bestuurders van Sodom, volk van Gomorra sluit aan bij 1:9 (zie ook Deut. 29:23, 32:32; Am. 4:11; Jes. 3:9, 13:19; Jer. 23:24, 49: 18, 50:40). 11. Hun offerrituelen roepen afkeer, vermoeidheid, walging op van de kant van de HERE (vgl. 1 Sam. 15:22; Jer. 7:21-23; Hos. 6:6; Am. 3:21-23; Mi. 6: 6-8), omdat zij op een verkeerde wijze er mee omgaan. 12. Het gaat hun om vele en grote offers; vgl. Mat. 11:23 over het bidden met een omhaal van woorden. Plat treden, wordt hiermee bedoeld, dat de mensen zo dikwijls naar de tempel gaan, of dat de vele offerdieren de onverharde paden in de voorhof vast stampen? 13, 14. Het offerritueel wordt hier niet onder kritiek gesteld, maar wel het offeren zonder de rechte gezindheid tegenover God en de naasten (vgl. 29:13; Spr. 15:8, 21:17; Jer. 6:20). Het uit elkaar halen van leven en geloven, leidt tot een op zichzelf gerichte godsdienstigheid (vgl. Ex. 21-23). een beeld: hun opgeheven handen bij het bidden be-teken-en niet hun gericht zijn op God (Klaagl. 3:41; Job 11:13), maar tonen hun onrecht. Zij zijn door het bloed van hun slachtoffers (vgl. de woordspeling met offerdieren) rood gekleurd. 16, 17. Vandaar de oproep: was u, reinig u (vgl. Ex. 24:8, 29:10v) en de aansporing om een nieuwe leefwijze te leren. Niet onderdrukken, maar recht doen (Deut.!) aan weduwen, wezen en de vreemdelingen, die in die onzekere tijden toestemming gekregen hadden om in het land te wonen (vgl. Jer. 7:6, 22:3; Ez. 22:7; Mal. 3:5). 18- de rechtszaak tussen God en mensen, zal de HERE zelf hen (hun naam) zuiveren (reinigen, vgl. Ps. 51:9). Zo wordt van mensen de belijdenis van schuld gevraagd (vs 16), waarop God hen vrij spreekt van hun schuld (Ps. 32:5; Hos. 14:23; zie ook Fil. 2:13, 14). Dan mogen zij leven onder zijn zegen (Deut. 28). Maar die weerspannig zijn zullen het zwaard eten (proeven) en ten onder gaan (Lev. 26).
De HERE maakt recht 1:21-31
In drie beelden, of beter gezegd, metaforen, die van de vrouw, het zilver, de wijn, wordt de trieste situatie vanhet volk en de stad getekend. De beschuldiging tegen de hoge ambtenaren wordt verscherpt: zij spreken recht tegen betaling. Dat is geen zuivere zaak. Het is onrecht, diefstal, misdaad, moord vooral tegenover de sociaal zwakkeren. God zal voor hen ten strijde trekken tegen de machten van onrecht, geweld en dood. Als Gebieder van de legerscharen zal Hij het recht van het onrecht scheiden in een zuiverend gericht. De HERE maakt recht die naar zijn woord horen en zich bekeren, maar Hij vernietigt de sterken die zich tegen het goddelijk recht verzetten. 21. Hoe is…, in een klaagzang (vgl. 2 Sam. 1:25; Klaagl. 1:1) wordt het verval van Jeruzalem bezongen. De trouwe veste, dat is de stad van David, die een degelijk en duurzaam onderkomen (vs 8) bood aan vluchtelingen en hen die hun recht zochten (zie ook Mat. 7:24), is nu geworden tot een rovershol (vgl. vs 2 en vss 13-17). Zij is als een ontuchtige, een publieke vrouw die haar gunsten verleent tegen betaling en bij wie men zijn leven niet zeker is vanwege de dreiging van afpersing. 22. Het is geen zuivere zaak, de beelden van het zilver en de wijn spreken voor zich. 23. De vorsten zijn de hoge ambtenaren, die misbruik maken van macht (vss 4, 16). Zij zijn de moordenaars (vs 21) van het recht, omdat zij recht spreken tegen betaling van steekpenningen (Deut. 16:1820). 24, 25. Het woord van de HERE, dit is een godsspraak tot hén. Het woord Heer duidt erop dat de HERE de eigenaar is van het land en het volk, de Gebieder. De titel Here der heerscharen, wordt veel gebruikt door de profeten Jesaja, Jeremia, Zacharia en Maleachi. Deze bijstelling wijst op de aanvoerder, die omstuwt door zijn legerscharen ten strijde trekt. Zo trekt de Machtige Israels ten strijde tegen onrecht, geweld en dood (vgl. de oorlogen des Heren in Samuël). Deze strijd heeft twee aspecten, uitzuiveren (Jer. 6:27v; Ez. 22:20; Zach. 13:9) en verwijderen. In zijn liefde en genade zal God de goeden van de kwaden scheiden (vgl. Job 5:17; Spr. 3:12), in zijn wraak het kwaad en de kwaden vernietigen. Zie in dit verband ook Mat. 13:24-31. 26. De stad van het recht van weleer (Ps. 122:5; 2 Sam. 8:15) zal hersteld worden in de toekomst (als in den beginne, zie ook 62:1). 27. Een betere vertaling is: Sion wordt door een gericht verlost en die tot haar weerkeren door gerechtigheid. De verdrevenen zullen zich er weer kunnen vertonen. Dit is het werk van de messiaanse koning (9:6, 11:4, 32:1-8). 28. De vss 24, 25 worden in de vss 27, 28 herhaald. Het uitschakelen van de corruptie is een bevrijding voor verdrukten én onderdrukkers. Voor hen beiden geldt het woord van de zegen (vs 19) en van de vloek (vs 20). 29-31. Wat gij…, het volk en de machthebbers worden direct aangesproken. Zijn het de machthebbers die het volk verleid hebben tot de vruchtbaarheidsriten tussen de heilige bomen in de godenparken? Of zijn terebinten en tuinen alleen maar beelden van de sterken (vgl. Am. 2:9) in een strak geordende samenleving (5:1-7)? Hoe het ook zij, degenen die op de sterken vertrouwen zullen beschaamd en schaamrood worden, want zij zullen vallen, zoals het loof van de boom valt, en zoals een tuin zonder water dood gaat. Ja, hun werk is als een vonk, die alles in vlam zet en vernietigt: De machtigen zullen door hun eigen werk vergaan.
De stad van God tegenover die van mensen 2:1-4:6
In deze verzameling profetieën wordt de godsspraak uit het voorgaande hst. naar zijn inhoud breder uitgewerkt. De toekomst van God wordt hier getekend in schril contrast met de verwarring waarin de mensen nu leven.
De boodschap van de profeet 2:1-22
De belofte van zegen en de aankondiging van de vloek (vgl. 1:19, 20) krijgen bij de profeet de vorm van heils- en onheilsprofetieën, met als centrum Jeruzalem, de berg Sion, het volk van God. Temidden van de verwarring wanneer alles wankelt (1:1-31) staat de berg van het huis des HEREN vast. De Heilige Israels is hoog verheven boven alle machten. Wanneer de HERE handelend optreedt tegen het kwaad, worden de mensen die aan Hem voorbij leven opgeschrikt. Alle zekerheden die zij opgebouwd hebben vallen hun dan uit handen. 1. De profeet is ook ziener van het woord (zie 1:1), hij schouwt in verhaalvorm een concreet toekomstbeeld van zijn volk en de volken rondom.
De Vrede komt 2:2-5
De vss 2-5 komen overeen met Mi. 4:1-4. 2, het laatste der dagen, dat is in de toekomst, wanneer de HERE ingrijpt om een eind te maken aan de verwarring. Dan maakt Hij een nieuw begin aan zijn koningschap van vrede. De berg van het huis, de tempelberg steekt boven de andere godenbergen uit, omdat de HERE daar is. Alle (vgl. Mi. 4:1) volken zullen daarheen trekken om te leren zijn rechtsorde (tora) en daarnaar te leven. Hier wordt de tempel tot een bedehuis (45:22v; 56:7) van de volken (vgl. Zach. 14:16 en Ps. 22, 68, 72, 87, 96, 102). 4. Een messias-figuur is degene die de boze daden van de hoge heren blootlegt en hen openlijk terechtwijst (11:4; Lev. 19:17; zie Joël 3:9, 10 waarin het strijdmotief overweegt). Het is God die optreedt als aanklager. Hij wijst de volken een nieuwe wereldorde van vrede aan. 5. Voor het huis van Jacob, dat is Israel, mag dit een aansporing zijn om nu reeds te gaan leven (wandelen) gericht op die toekomst.
Of is men tevreden met wat men bezit? 2:6-9
6, 7. Gij hebt… verworpen, het werkwoord heeft betrekking op het sabbatsjaar (Ex. 3:11). Dan laat men de grond braak liggen. Zo hebben de koning en het volk hun God laten liggen (1:2). Een betere vertaling is wellicht: Gij o huis van Jacob, hebt uw God losgelaten. De koning (was dit Uzzia? Zie 2 Kron. 26:6v) wordt aangesproken over het geestelijk verval van zijn volk (vgl. de tora voor de koning, Deut. 17:14-20). Zijn land wordt sterk beïnvloed door vreemdelingen, er is geestenbezwering (toverij), het is vol met kinderen van buitenlanders, het is rijk (zilver en goud), het is machtig (paarden en wagens), net als bij de volken rondom. 8, 9. De mensen richten zich op van alles, maar niet op God. Hun werk, hun bezit wordt hun afgod (kenmerkend woordgebruik bij Jesaja: waardeloze afgoden vss 18, 20, 19:1, 3, 31:7). Door neer te buigen voor de afgoden, verlaagt de mens zich als mens! Vergeef het hun niet. Is dit een felle uitroep van de profeet als reactie op het voorgaande?
De HERE brengt schrik teweeg 2:10-22
Doordat de trotse mens (‘adam is een kernwoord in de vss 9, 11, 17, 20, 22) zijn God heeft losgelaten, is er onheil op komst. In zijn hoogmoed heeft hij alleen oog voor zichzelf, voor eigen roem, bezit, kundigheden (1:3, 2:9). Daardoor vindt de mens tegenover zich de HERE als zijn vijand (1:24). De verschrikking des HEREN en de luister van zijn majesteit (dit is het vreeswekkend en bewonderingwekkend refrein in de vss 10,11, 17, 19, 20) zullen als een noodweer over de mens heen razen en zijn hoogheid breken. Als in een aardbeving zullen zij hem zijn zelfbewuste zekerheid afnemen (30:27; Hab. 3; Ps. 29). 10, 11. De mensen zullen vluchten in de rotsholten en bergspleten (vss 11, 19, 21; vgl. Ri. 6:2; 1 Sam. 13:6). 12. De dag van de Here, dat is de tijd waarop de HERE handelt en zich kenbaar maakt. Hij doet zijn vijanden ondergaan en verheft het volk dat naar hem hoort (13:6, 9; zie Am. 5:18v; Jes. 2:2, 22:5, 34:8). Dit handelen van God is niet alleen in de toekomst gedacht; zie de eschatologie van Jes. 24-27. 13-16. Heel de schepping is in deze strijd betrokken (1:2), de hoge bomen (13), de hoge bergen (14), de hoge verdedigingsforens, van waaruit men het land kon overzien en beheersen, de schepen van Tar-sis als de vaartuigen van de begerenswaardige schatten (16; 1 Kon. 9:28; 2 Kon. 9:21). 17. Komt overeen met vs 11 en met 5:15. Daartegenover blij ft de verhevenheid van de HERE in deze razende storm overeind (33:5; vgl. Ps. 148:13). 18-21. Wanneer de mens van zijn voetstuk is gestoten, zal hij zijn afgoden voor zich neerwerpen (vss 8, 18, 29). 22. Laat toch af…, (vgl. vss 5,9), hier opnieuw een interruptie, nu als een schreeuw om een einde te maken aan de verschrikkingen die de mensen hebben getroffen.
De HERE doet recht 3:1-4:1
Onrecht eindigt in wanorde 3:1-7
De overeenkomsten en verschillen met de voorgaande godsspraak zijn opmerkelijk. Ging het in 2:6v over de trotse mens in het algemeen, die gesteund door de tijd van welvaart, zelfbewust en zelfverzekerd zijn God loslaat, in 3:1-7 gaat het om concrete mensen, de bewoners van Jeruzalem en Juda, in een toestand van totale ontreddering. De situatietekening is die van na een grote ramp, een natuurramp of een wegvoering (1:5-9), zoals een eeuw later onder Nebukadnessar trieste realiteit wordt (2 Kon. 24:14). Er is gebrek aan de eerste levensbehoeften, brood en water (vss 1,7). Dan wordt de ene mens voor de ander tot een verscheurend dier. Het recht van de sterkste overheerst. Niemand wil meer leiding geven. En de mens zonder idealen en zonder recht, verbergt zijn leegheid achter zijn aandacht voor uiterlijkheden (16v). De voorzegde vernedering (2:11) wordt hier heel realistisch uitgebeeld. De schrik des HEREN (2:10) legt de mens in zijn zelfzucht, leegheid en mooidoenerij bloot. 1. Zie, geeft een verrassende wending in het verhaalde aan. Brood en water, letterlijk is daar groot gebrek aan, maar de woorden worden ook figuurlijk gebruikt: leidinggevenden zijn broodnodig en onmisbaar als drinkwater. 2, 3. De lijst geeft een beeld van het leidinggevend kader in die samenleving toen. Opmerkelijk is, dat daarbij de waarzegger en de bezweerder vermeld staan (2:6, 8:9; zie Deut. 18:9-22), maar dat de koning niet wordt genoemd (vgl. 8:21, 2:6v). 4. Knapen, de leiding die er is blijkt onverantwoord te zijn. De moed is wel aanwezig, maar kennis en ervaring om het volk te leiden ontbreekt (Pred. 10:16). 5. Dringen (14:2,4), de verhoudingen raken verstoord, wanneer ieder alleen voor zichzelf opkomt. Dan is er geen gezag meer en geen respect voor elkaar. 6, 7. Het komt niet meer aan op leidinggevende kwaliteiten, maar op uiterlijkheden (mantel). Het hoofd van de familie heeft de plicht al zijn familieleden te onderhouden.
De HERE voert een rechtszaak tegen hen die misbruik maken van hun macht 3:8-15
8, 9. Het visioen van een totaal ontredderd land en volk vraagt om bezinning. Wie zijn daarvoor verantwoordelijk? Het zijn de leiders die voor de blik zijner heerlijkheid (11:9; Ps. 72:19; Hab. 2:14) onberoerd blijken. Zij spreken recht tegen betaling (1:23). Daarin gelijken zij op de bestuurders van het spreekwoordelijke Sodom (1:
9, 10; Gen. 19; Ez. 16:49). Hun bestuur is voor het volk en voor henzelf een ramp. Een totale afbraak is het resultaat. 10, 11. Op de onuitgesproken vraag of de goeden onder de kwaden moeten lijden, volgt als antwoord: ieder krijgt loon naar werken, de rechtvaardige, maar ook de goddeloze (1:19, 20; Pred. 8:12, 13). 12, 13. Daarom voert de HERE ‘als Rechter van de aarde’ (Gen. 18; Jes. 1:18, 2:24) een rechtszaak tegen deze tyrannen of afpersers (vs 5), die als kinderen overmoedig zijn (vs 4) en als vrouwen zich van hun mooie kant willen laten zien (vss 16v). In plaats van het volk de wegen des HEREN (2:3) te leren, stichten zij verwarring. 14, 15. Deze beschuldiging is gericht tegen de oudsten, die in de dorpsgemeenschappen recht spreken en tegen de vorsten, de hoge ambtenar’en van de koning. Zij hebben er een woestenij van gemaakt (vss 1-7; hst. 5!). Ten koste van de ellendigen, dat zijn de armen, die geen grondbezit hebben en daarom onzeker zijn van hun inkomen, hebben zij zich verrijkt (vss 8, 9; Ez. 16:49). De HERE komt als Gebieder der heerscharen (2:24) op voor zijn volk, en vraagt hun verantwoording af te leggen. Mishandelen, letterlijk: het gezicht van de armen vermorzelen, dat is hun respect, hun voorkomen, hun mens zijn, minachten, krenken, vertrappen.
De HERE verandert hun verwaandheid in wanhoop 3:16-4:1
16-24. De mannen die zich zo verrijkt hebben in hun leidinggevende functies, maken het voor een kleine groep van vrouwen mogelijk om een leven te leiden in luxe, waarin alles draait om er goed uit te zien, zich mooi maken en het subtiele spel van aantrekken en afstoten, van zien en gezien worden. De uitbeelding van deze kleine elite rijke dames is genadeloos scherp. Hun leegheid en onbeduidendheid komt openbaar in hun kleding, vele sieraden en opmaak. Niet minder scherp is de godsspraak over hen. Juist alle narigheid die zij voortdurend trachten te vermijden wordt hun deel. Zij zullen diep vernederd worden (vss 17, 24). Hun wereld van glitter wordt veranderd in een doffe ellende. Ook daarin zullen zij toonaangevend zijn. Zij worden tot symbool van de ellendige toestand van de stad (1:21, 47:1, 52:2). 25, 26.
Hun steun, de mannen, ontvalt hun. Ook de helden (letterlijk: de ‘kracht’) van de stad en van de koning zullen sneuvelen. In de poorten waar het volk bijeenkomt zal rouwgeklaag zijn. Hun spel is uit (tegenover vs 16). Wat er overblijft is de bittere strijd om het bestaan (4.T). De vrouwen moeten zelf voor hun brood en kleding zorgen (vgl. vs 6). Om aan de diepste vernedering, dat is voor hen: niet de naam en het kind van een man dragen, te ontkomen (2 Sam. 12:28; Deut. 28:10; Am. 9:12) moeten zij met elkaar vechten om de weinige mannen die overgebleven zijn (vgl. vs 5).
Een heilige rest zal leven 4:2-6
Dwars door de verschrikkingen van onrecht en wanorde, van verwaandheid en wanhoop heen zal de HERE land en volk van Jeruzalem nieuw maken (1:26). De stad zal worden tot een sieraad, een heerlijkheid, waarin het goed leven is (32:15-18; Deut. 28:1-15). De overgeblevenen zullen tot een heilig volk worden, als priesters gereinigd van ziekte, schuld en dood. Een nieuw godsvolk onderweg (Ex. 13:21,40:33-38) door de woestenij om hen heen beschermd door de aanwezigheid van de HERE. 2. Opnieuw woorden van heil (zie 2:1-5) als afsluiting van de onheilswoorden in 2:6-4:1. In tegenstelling tot de opmaak van de rijke dames (3:18) zal de HERE een glanzende, heerlijke toekomst geven. Uitspruiten (Jer. 32:5), verwijst naar een toekomstige messias (vgl. 3:7). 3. De enkelingen (!) die overgebleven zijn zullen geheiligd worden (32:32; Ez. 29:4) en tot een heilig volk (vs 5; Ex. 19: 6; Lev. 19) worden samengevoegd. 4. Daartoe is reiniging nodig, nu door God zelf (1:16-18; Jer. 33:8; Ez. 36: 25). Vuil, dat zijn uitwerpselen, bloedvlekken zijn bloed-daden, moorden (1:15, 2:21, 26:21, 33:15). Geest van ‘uitdelging’ (28:5, 6), enerzijds om te louteren (6:6, 7) en anderzijds om te vernietigen (30:27, 33:14). 5, 6. Samenkomsten, letterlijk: de samenroeping tot het feest (vgl. 1: 23 tegenover 2:3). De wolk- en vuurkolom is het teken van Gods aanwezigheid (Ex. 13:21; 1 Kon. 8:10, 11). Heerlijkheid, nu dient de ‘luister van zijn Majesteit’ (tegenover 2:10v) tot bescherming, tot schuilplaats (vgl. 1: 8, 9; 2:10, 25:4, 5; Ps. 32,71,91).
De druivenoogst blijkt zuur te zijn 5:1-30
In dit gedeelte dat op zichzelf staat, worden inhouden uit voorgaande hoofdstukken, zoals de tekening van de verwoesting van de wijngaard (3:14), de waarschuwing dat de hoogmoedigen vernederd zullen worden (2:9, 11, 17), de afkeuring van bekende misstanden in de samenleving, opnieuw opgenomen en tot één beeld samengevoegd. Het verhaal van de zure druivenoogst vormt de climax van de lange inleiding.
Het lied van de wijngaard 5:1-7
1, 2. Een meesterwerkje van vertelkunst. Een geliefde zingt over haar beminde, die al zijn aandacht en zorg geeft aan haar, dat is zijn wijngaard. Wat inzet als een liefdes/ïed tussen bruid en bruidegom (Hoogl.) en daarom de aandacht van de hoorders trekt en hun verbeelding prikkelt, voert hen tot een ontknoping, waarin zij zelf inzicht kunnen verwerven. 3, 4. Net als David tegenover Natan (2 Sam. 12:1-7) en de werkers in de wijngaard (Mat. 21:40-43) moeten zij zelf maar rechtspreken over het kwaad van hun handen dat de druivenoogst zuur heeft gemaakt. 5, 6. Bij zoveel dat zijn doel mist, kan de bestraffing niet uitblijven (1:19, 20). Hij zal de wijngaard maken tot een wildernis (vs 3; vs 25v). 7. Scherp klinkt de aanklacht op tegen Israel in een woordspel van in het Hebreeuws op elkaar stuitende klanken. De wijngaard van de HERE is onleefbaar geworden, vanwege dat bloedbestuur, er is geen goed bestuur – vanwege die rechtsverkrachting, en er is geen rechtsbetrach-ting. Tot dat bijtende geweld zijn alleen mensen in staat zonder aanwijsbare reden.
Een zesvoudig ‘wee-u’ 5:8-23
Tegenover het minnelied staat het protestlied. De vreugde van de wijnoogst (Loofhuttenfeest) slaat om in een rouwklacht. Het goede nieuws van de druivenoogst wordt vervangen door een haarscherpe uitbeelding van wat er aan onrecht geschiedt in Israel. In de wee-uitspraken wordt het slecht-nieuwsbericht, de rouwklacht en de protest-uiting verenigd in de godsspraak van de profeet (vs 9). Door het herhaald ‘wee-u’ neemt de spanning toe. Het zal Israel slecht vergaan vanwege het rampzalig optreden van de machtige en rijke bovenlaag. De hoogmoed van die zelfbewuste mensen wordt tot overmoed. In het kwaad dat zij bedrijven treffen zij zelf niet alleen anderen, maar ook alles waarnaar zij streven en tenslotte zichzelf. Op deze wijze worden achtereenvolgens de portretten getekend van mensen die zich schuldig maken aan afpersing (vss 8-10), die in genotzucht zich te buiten gaan aan drank en feestvieren (vss 11-17), die met hun waandenkbeelden anderen kwetsen en hen en zichzelf misleiden (vss 18-23).
Afpersers 5:8-10
Het tiende gebod om eikaars huis en akker niet te begeren is voor hen tot een dode letter geworden. De rijken uit de stad verjagen de boeren van hun grond, die hun tot een ‘erfelijke bezitting’ zou zijn (Lev. 25:23; vgl. het verhaal van Nabot 1 Kon. 21:3). Ironisch klinkt de aanklacht ‘gif die er naar streeft om alleen de ‘gezeten burgers’ te worden, jullie zullen alleen gelaten worden. En zoiets houdt geen stand, die rijkdom brengt gebrek voort. De huizen zullen worden verlaten. De wijnoogst zal maar één bath – een inhoudsmaat voor vloeistoffen, waarschijnlijk plm. – zijn. Een juk land is het stuk land dat door een juk ossen op één dag omgeploegd kan worden. Het zaaigoed zal voor ééntiende deel worden teruggewonnen bij de oogst. Eén homer is een inhoudsmaat voor vaste waar, tien maal zoveel als een efa (een efa is evenals een bath waarschijnlijk plm. ).
Feestvierders 5:11-17
De feestvreugde van het Loofhuttenfeest waarin de tora-lezing centraal staat, wordt bij die lege rijkdom tot een karikatuur: overmatig drinken en feestvieren. Zij vluchten in die wereld van de roes, zoals de vrouwen in 3:16v in de wereld van de mode. 13, 14. Wie zo leeft, wordt minder dan het vee (1:2). Zij hebben geen begrip meer van de daden van de HERE. Zij zijn er ellendig aan toe. Daarom, zo wordt de bestraffing ingeluid; dit is er deoorzaak van dat het volk deel krijgt aan de vloek: ballingschap – honger – dorst. Zoals zij zelf mateloos zijn in de drank, zo zal het dodenrijk (zie 14:9,15,26:19,28:10, 18) hun opnemen, ook dit is ballingschap. Daar zal hun dronkemansvreugde hen ontnomen worden en – anders dan het NBG vertaalt: men verkrampt daarin. Dat is de ontluistering van de hoogmoed. 16, 17. Wat er dan nog overblijft in Juda zijn de dieren (rammen en geiten) die in de vreemde puinhopen op zoek zijn naar voedsel. Tegenover deze neergang van menselijke overmoed in het gericht (2:12) blijft overeind staan het recht van de HERE: zijn tora, zijn macht, grootheid, heiligheid, goddelijkheid.
Denkers die kwetsen en misleiden 5:18-23
Nog op andere wijzen kan de hoogmoed van mensen vorm krijgen, nl. wanneer mensen zichzelf gelijk stellen aan de Heilige Israels. 20. Dat zijn de ‘realisten’ die van Gods daden gehoord hebben en Hem uitdagen om Zijn aanwezigheid en werken in de geschiedenis en de natuur aan hen te tonen (vs 19). Dat zijn ook degenen die de tora van God verdraaien (32:5). 21-23. En dat zijn zij die nooit ongelijk hebben: de leraren in eigen oog, die weigeren leerling te blijven (50:4). Maar ook omkoopbare rechters behoren daartoe. Zij allen halen het onheil over zich. Als met touwen (vs 17) zitten zij gebonden aan hun onrecht. Zo trekken zij hun bestraffing naar zich toe (vs 24; Mal. 3:19). Jesaja spreekt over de HERE als de Heilige Israels (vs 16). Heilig betekent dikwijls: niet te naderen, verheven. In deze verbinding duidt het echter op de verhouding tussen de HERE en Israel. Israel is bestemd en toegewijd voor de bijzondere dienst aan de Heilige Israels. In deze naam ligt niet het vreeswekkende en geduchte van God besloten, maar juist de absolute aandacht van de HERE voor Israel en daarin voor de mensenwereld. Deze verbondenheid kan twee kanten hebben: Een gevaarlijke kant voor hen die zich losmaken van Hem en zijn dienst. Daarover spreekt de profeet in dit gedeelte. En een goede kant voor hen die op Hem steunen, naar Hem opzien om hulp, Hem vertrouwen (10:20, 17:7).
Puinruimers van God 5:24-30
24, 25. Wie aan de trouw van de HERE voorbijgaat en zijn tora van recht doen aan de kant zet, speelt met vuur. Daarom (vgl. vss 13, 14) verbindt het voorgaande met het volgende. De brandende toorn van de HERE treft zijn volk (1:24, 25). Dit gedeelte komt overeen met Jes. 9:7-10:4. Ook daar de slaande hand van de HERE die beproeving op beproeving teweeg brengt (9:16-20, 10:4, 14:26, 27, 23:11, 31:3). Het is de hand die wijst en de bestraffing wordt voltrokken. Het refrein: ‘Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt’ keert terug in Jes. 9. Eerst komt een aardbeving (Am. 1:1), dan de stormvloed van een getraind efficiënt uitgerust vernietigingsleger. De natuur en de geschiedenis van mensen volgen de aanwijzingen van Gods hand. 26. De banier is een signaal dat de volkeren zich moeten verzamelen voor de strijd. Als een roofvogel zijn zij (Deut. 28:49) en Hij lokt hen met gefluit. 27, 28. Dan rolt die hele oorlogsmachine over land en mensen heen. De tekening daarvan doet denken aan de Assyriërs met hun snelle beroepslegers. 29. Het krijgsgeschreeuw is als het brullen van een leeuw die zijn buit grijpt – ‘zonder dat iemand redt’. 30. Het is als een stormvloed die het land overspoelt en in dat noodweer zelfs de zon verduistert. Zo verschrikkelijk en duister is de vernietigende macht van de puinruimers van de HERE
Tot profeet geroepen: de zending van Jesaja 6:1-13
Bij Jesaja gaat de godsspraak over de vernietiging van het onrecht in land en volk vooraf aan het visioen van zijn roeping tot profeet (vgl. Hos. 1; Jer. 1; Ez. 1; Am. 7:lv). Dit is tekenend voor de wijze waarop hij zijn opdracht opvat. Als één van dat volk en land staat hij medeschuldig tegenover de HERE (vs 5), als woordvoerder van de Heilige van Israel keert hij zich tegen zijn volk (vss 9, 10) om hen te redden. Hier wordt het centrale thema van zijn profetieën duidelijk: De heiligheid van God is onontkoombaar. Zijn majesteit is onvergelijkelijk. Zijn heerlijkheid wekt huiver en nieuwe hoop in het leven van de profeet en zijn volk. Door de verschrikkingen van het gericht heen schept de HERE de nieuwe werkelijkheid van zijn koningschap voor de heilige rest, het messiaanse volk. 1. De dood van koning Uzzia (tussen 748 en 735 v. Chr.) zal verandering brengen in de situatie van land en volk. Zijn koningschap betekende een tijd van vrede, welvaart en grote gebiedsuitbreiding. Maar de profeet ziet in de hoogmoedige houding van de mensen de dreigende tekenen van hun spoedige ondergang (2: 6v). Koning Uzzia is hen daarin voorgegaan. In zijn overmoed heeft hij de heiligheid van God uitgedaagd en is gestorven als melaatse (2 Kron. 26:16v). De profeet keert zich nu ook tegen deze koning: De HERE is de koning van Israel. De uitbeelding van het visioen is als die bij een troonsbestijging en dat in de tempel van Jeruzalem. De HERE zit op de troon, de zomen van zijn mantel vervullen de tempel als teken van zijn aanwezigheid (Ex. 24:17). 2. Serafs, dat zijn ‘vurige slange wezens -staande boven Hem uit – zes vleugels! zes vleugels voor elk’. Deze mysterieuze wezens doen denken aan de koperen slang (Num. 21:8v), die door het volk vereerd werd en waarvan een afbeelding stond op het tempelplein. Deze serafs met – dat is uitzonderlijk – zes vleugels om zich te bedekken tegen de lichtglans van de Koning dienen hem en roepen zijn heiligheid uit met stem en tegenstem. 3. De HERE der heerscharen, deze naam (Ps. 22:4) komt in Jes. 1-39 twaalf maal voor. Hij is de Koning die regeert en met zijn heerlijkheid de hele bewoonde wereld vervult (vgl. Num. 14:21v; Jes. 11:9; Hab. 2:14; Op. 4: 8). Merk ook de schakeringen op in het vervuld worden in de vss 1, 3, 4; dit staat tegenover de leegte van de verwoesting in de vss 11, 12. 4. Het luide roepen klinkt als de donder. Samen met het vuur en de rook zijn dit de tekenen van Gods aanwezigheid op de Sinaï (Ex. 19:16-18; vgl. ook Heb. 12:18-29). 5. Hoe kan een sterveling God ontmoeten en in leven blijven? Tegenover de uitroepen van de serafs over de heiligheid van de HERE klinkt hier de angstschreeuw van deze mens: wee mij, als een belijdenis van schuld voor zichzelf en voor het volk. Onrein van lippen, deze mens weet zich in deze ervaring van Gods majesteit tekort schieten en niet bekwaam om woordvoerder van God te zijn. De beschrijving van de situatie komt overeen met die van Micha Ben Jimla in 1 Kon. 22:19v. Ook daar een mens die in het Beraad van God aanwezig mag zijn en zich laat horen. 6, 7. Het vuur dat het onrecht en de onrechtvaardigen verdelgt (5:24) loutert hier de profeet van de onreinheid van zijn lippen. De brandende kool van het altaar is hier beeld van de offerdienst. Het gericht over de zonde wordt voltrokken aan het offerdier dat plaatsvervangend de schuld boet. Zo wordt Jesaja door het gericht heen gelouterd en voorbereid op zijn goddelijke opdracht.
De zending van de profeet 6:8-13
8, 9. De profeet hoort – en dit is de kern van zijn opdracht – de stem van de HERE. De heilige God wiens koningschap de aarde omvat, vraagt Zich af wat Hij doen zal – als een mens – wie zal Ik zenden? Dat is, als woordvoerder van God tot het volk Israel gaan. De verandering die zich voltrokken heeft aan Jesaja komt hier openbaar. De angstschreeuw (vs 5) is vergeten. Nu mag hij zich vrijmoedig melden voor de dienst van het Woord.
Deze mens wordt gesprekspartner van God. ‘Hier ben ik, zend mij’. Dit is anders dan bij Mozes of Jeremia.
Dan wordt Jesaja gezonden. Hier ligt de spits van het roepingsverhaal van de profeet. Hij spreekt niet wat het volk wil horen –.dat doen waarzeggers en valse profeten – hij spreekt het Woord dat hij gehoord heeft van de HERE. Wel staat de profeet in een concurrentiepositie tot die anderen. Zijn opdracht is echter geen directe oproep tot bekering of vernieuwing. Maar uitdagend spoort de profeet de mensen aan door te gaan met luisteren naar waarzeggers en andere stemmen (1:3, 8:19, 29: 9-12, 32:3). Jullie horen maar verstaan niet, jullie nemen waar maar onderkennen niet (geen inzicht, geen begrip, 1:3, 5:13) wat de tora van de HERE is. 10-13. De verharding van mensen die zich afzetten tegen het Woord van God komt in het N.T. een aantal keren terug (Mat. 13: 14v; Mar. 4:12; Luc. 8:10; Joh. 12:40; Hand. 28:36v). De scheiding der geesten moet zich voltrekken door het gericht heen. ‘Wie onrecht doet, hij doe nog meer’ (Op. 22:11), opdat het puin geruimd kan worden, zodat er ruimte komt voor een nieuw begin, een herschepping. Het is begrijpelijk, dat de profeet het moeilijk heeft met deze opdracht. Nu vraagt hij: hoe lang, HERE? Het antwoord is radicaal: totdat de chaos, de ‘afschrikwekkende leegte’ van Genesis bereikt is. De wereldbrand (5:24) vaagt alles weg, keer op keer. Maar anders dan aan het eind van hst. 5 eindigt het roepingsverhaal met hoop. Het afgebrande bos (1:31) zal herrijzen: tegenover het zaad van het onrecht (1:4) stelt de Heilige van Israel een heilig zaad, het messiaanse volk (2:1-5; vgl. Gen. 3:15; Gal. 3:16).
God-met-ons tegenover de macht van de belagers 7:1-12:6
Van de godsspraak, dat het oordeel over het verlaten van de tora zichtbaar wordt in het onrecht dat voortdurend gepleegd wordt en waarvan de bestraffing zal uitlopen op de vernietiging van land en volk, worden in deze gedeelten schrikwekkende foto’s getoond (7:23, 24, 8:5-10, 9:7-20, 10:28-34). Maar dat is het einde niet. Tegenover de dreiging van de dood stelt de profeet de belofte van nieuw leven. Hoopvolle berichten en foto’s van rampen wisselen elkaar af in wat wel genoemd wordt het boek van Immanuel: Het teken van de zoon (7:14), die het Licht van God blijkt te zijn (9:lv). Hij zal een rest van het volk bewaren (10:20-23) en hen doen terugkeren in het land (11:10-16). In een omtrekkende beweging verkent de profeet steeds verder het naderend onheil van de legermachten van Assyrië én het toekomstig herstel, het heil van het vrederijk van de Messias (11:1-10). De oproep gelovig uit te zien (7:9, 8:20, 10:20-27) naar de bevrijding door de HERE vindt daarin zijn bestemming. In het loflied op de Heilige Israels (12:1-6) stemt het nieuwe godsvolk gelovig in met het heilig roepen van de serafwezens voor de troon (6:3; vgl. de lofzangen in Op. 4, 5, 7, 11, 15, 19). Zo krijgen de profetieën van Jesaja, die ingaan op een crisissituatie in zijn tijd, een betekenis die alle tijden (9:1) en de hele wereld omvat (11:9, 12:4, 5).
De belofte van Immanuel 7:1-8:23
Geloof gevraagd 7:1-9
1.In hun poging om een macht van bondgenoten te vormen tegen de opkomende wereldmacht Assyrië trachten Rezin van Aram (Syrië) en Pekach van het Tienstam-menrijk (Efraim, vs 2) het onafhankelijke Juda te dwingen hun zijde te kiezen; desnoods met geweld, door Achaz te vervangen door de Syriër de zoon van Tabeal (vs 6). – Opmerkelijk is dat de naam van de man zelf niet genoemd wordt, alleen die van zijn vader die Deugniet betekent … – Dit is de Syro-Efraïmitische oorlog van 735-732 v. Chr. (2 Kon. 16:5v; 2 Kron. 28:5v). 2-4. De schrik is groot bij de koning en het volk (vgl. 6:3). Maar Jesaja mag hun een heilsboodschap brengen. Zijn zoon Schear Jaschub ‘een rest keert terug’ is een levend teken van oordeel én redding (1:27, 8:18), wanneer Jesaja koning Achaz aantreft aan het eind van de watergang naar de stad (vgl. 36:2). Het wees rustig en niet bang is fundamenteel in de prediking van Jesaja (30:15, 32:17). 5-9. Hij stelt vertrouwen op de HERE (Gen. 15:6) tegenover sluwe machtsvorming (vs. 9, 8:12, 13, 28:16, 30:15, 32: 17). De HERE leidt alles naar zijn Raad (vs 7). Het vurig geweld van Syrië en Israel is bijna uitgedoofd (vss 4, 6). Syrië gaat tenonder in 732. Israel deels in 734 en definitief in 722 v. Chr. (vs 8). Het maar is beter te vertalen met ‘al’. De HERE heeft gesproken. Al zijn zij ook staatshoofden, hun opzet slaagt niet. Het woordspel in vs 9 is een oproep tot geloof en een waarschuwing tegen ongeloof tegelijkertijd, ‘als gij daar niet van zegt: het is vast -, dan zult gij zelf niet vast blijven staan’, (vgl. Deut. l:32v).
Het teken van Immanuel 7:10-17
11, 12. Om zijn boodschap te bevestigen stelt de profeet voor, dat Achaz een teken vraagt van de HERE, zoals David eens deed toen hij moest wachten totdat de HERE voor hem de strijd aanbond (2 Sam. 5:19-23). De toon is uitdagend: waar vandaan je ook maar een teken wilt hebben, je zult het krijgen met één verschil, dit is niet een teken van de natuurmachten (vgl. 1:13, 6:9, 8:19), maar van God. Achaz echter wil dit niet. Dat zou betekenen, dat hij de woorden van de profeet bevestigt (vs 12). Niet vertrouwen op God maar gewiekste diplomatie is zijnwapen (2 Kon. 16:3v). Zijn vrome woorden (Deut. 6:16) dienen als dekmantel. Hij tracht zijn vijanden uit handen te blijven door vazal te worden van de grootste van hen (2 Kon. 16:7v). Wat die vriendschap met Assyrië zal betekenen, maakt Jesaja duidelijk in vs 17, en dat wordt uitgewerkt in de vss 18-25. 13. Jesaja heeft hem door (vgl. 1:14). Hij zal een teken krijgen, nu niet tot redding, maar tot oordeel. In hem wordt het gehele huis van David aangesproken. 14. De jonkvrouw, bedoeldis een jonge, nog niet moeder geworden vrouw (Hoogl. 6:8). Zo één als de jonge Uitverkorene van de koning die aan zijn harem wordt of is toegevoegd (vgl. Ester). Zij zal de moeder worden van zijn troonopvolger. De Godsspraak volgt hier het patroon van bijzondere geboorteverhalen (Ismaël, Isaäk, Simson, Johannes de Doper): mededeling van de zwangerschap, geboorte, naam en de verklaring daarvan en tenslotte de bijzondere leefwijze en de bestemming van dit kind. In de naam wordt de redding bevestigd. Het is een geloofsgetuigenis als van David (2 Sam. 23:5, mijn huis met God). Het restant, het nieuwe volk door de ondergang heen heetImmanuel en roept Gpd-met-ons (8:8,10,9:12). 15,16. Boter en honing wijzen op overvloed, maar het is wel het eten van de nomaden in de woestijn, niet dat van de stadsbewoner (vss 2125). De zoon Immanuël (vgl. vs 3) is een levend teken van de toekomstige situatie. De koning Hizkia voldoet aan deze tekening (2 Kon. 18, 19). Het onderscheid tussen goed en kwaad duidt op de jong volwassene. Zo zeker als deze zoon redding betekent, zo zeker zal eerst het oordeel komen over Israel en Syrië (8:7). 17. Dan zal ook de pro-assyrische politiek van Achaz blijken te falen.
Het land verwoest 7:18-25
18-20. Te dien dage is de inleiding voor de dag des HEREN (2:12), de kwade dagen voor Juda. De HERE roept plagen af over het land (voor flutten zie 5:26). Als bijen zullen zij komen uit Assyrië, als vliegen uit Egypte. In deze beelden worden de zwermen plunderende soldaten getekend (10:5v), die het land zullen kaal vreten (vs 20). De gehele samenleving zal daardoor ontregeld worden. De honing van deze bijen zal een bittere nasmaak hebben (vs 15). Tegenover Achaz die meent Assyrië in te huren om zijn vijanden van het lijf te houden, staat hier God. Hij is het die het land laat afscheren. Hij huurt dit scheermes (Ez. 29:18-20) van over de Eufraat. Het afscheren van het haar: hoofd-, baard- en schaamhaar (eufemistisch aangeduid als dat van been of voet) is uitermate beledigend en vernederend bedoeld. 21-25. Wat er overblijft is een door oorlog geteisterd land (5:24-30), waarin een rest van de bevolking is achtergebleven. Zij zullen eten wat zij bij het verdreven vee en bij de bijen kunnen halen (vss 15, 16). De zilverlingen geven de vroegere waarde van het land aan. Het bouwland en de wijngaarden zijn een woestenij geworden, een gebied voor jagers en voedselverzamelaars. De leegte en verlatenheid staan tegenover de ‘volheid’ in 6:3. Maar de woestenij zal op zijn beurt weer veranderen in een bewoonbaar gebied met akkers, tuinen en wijngaarden (35:7, 55:13).
Het teken van ‘Haastig buit, spoedig roof’ 8:1-4
1.Koning en volk zien alleen maar de dreiging van Aram (Syrië) en Efraïm (Israel) voor zich. Het woord van de
profeet dat deze dreiging spoedig voorbij zal zijn met het teken van de zoon Immanuël daarbij, dringt niet tot hen door (6:9). Evenmin is dit het geval met zijn waarschuwing om zich niet te binden aan de geweldenaar Assyrië. Vandaar nu een nieuw teken, een raadselwoord, dat op een ‘schrijftablet met een sterke stift’ wordt vastgelegd voor de toekomst (30:8, 34:16; Hab. 2:2, 3), een naam als profetie. 2. Hooggeplaatste personen treden op als getuigen (30:7, 8), Uria (2 Kon. 16:10v) en Zacharia (2 Kron. 29:1). 3. De profeet spreekt de woorden van de HERE en gaat nu in de eerste persoon verder, in een ik-bericht. Opnieuw een geboorte-aankondiging (7:3). Niet alleen in zijn woord, ook met zijn leven geeft Jesaja gestalte aan zijn opdracht: De zoon van hem en de profetes (hier is bedoeld de vrouw van de profeet) wordt een levend teken (8:18) van de bestraffing over Juda’s vijanden. 4. De vervulling van deze profetie ligt dichterbij dan de voorgaande over Immanuël (7:16). Voordat deze zoon Maher-Schalal Chaz-Baz ‘haastig buit, spoedig roof’, pappa of mamma zal kunnen zeggen, zal Assyrië de gebieden van Aram en Efraïm hebben leeggeroofd.
Water, leven of dood 8:5-8
5, 6. Het opborrelend water uit de bron Gichon dat door de watergang (7:3) wordt gevoerd naar de vijver Silóah (Jes. 22:11), vanwaar het wordt gebruikt voor de tuinen en in de huizen, is van levensbelang voor Jeruzalem, zeker in tijden van nood. Tegenover dit zacht vloeiende water staat het beeld van de vernietigende kracht van het water, teken voor Assyrië het land met grote rivieren en kanalen. Omdat het volk het levende water in Jeruzalem versmaadt, dat zijn de woorden van de profeet, en niet wil wachten op de redding van de HERE, zal de stormvloed hen treffen. 7. Hier wordt de HERE genoemd als degene die deze verwoestende watermassa heeft opgeroepen (7:18). 8. Het wassende water zal hen tot de hals stijgen. Maar het volk zal niet restloos ten onder gaan. Vandaar de aanspraak o Immanuël (7:14). Degenen die zich aan de tora houden, zal Hij behouden. Ook al breidt de roofvogel zijn vleugels over het gehele land uit.
God-met-ons 8:9, 10
Deze woorden onderbreken het verhalend bericht. De profeet geeft uitdagend twee felle reacties op het aangekondigde onheil. Hoe de volken ook te keer gaan, welke plannen mensen ook voorbereiden, zij zullen het moeten afleggen (9:4). Aan de verwoestende macht komt een einde, omdat God met ons is (5:19, 28:29). Wij merken hierbij op, dat in de rest-gedachte die bij Jesaja steeds duidelijker wordt verwoord, de beloften van God niet meer door het gehele volk, maar door een ‘heilig overblijfsel’ worden gedragen (vss 16-18).
Steun of struikelblok? 8:11-15
11, 12. De scheiding voltrekt zich. De profeet moet door de hand van de HERE geleid zich losmaken van wat mensen zeggen, en voor wat en wie zij bang zijn. Al het spreken over samenzwering of bedreiging heeft als uitwerking, dat mensen zich laten sturen en eenzijdig partij kiezen (2 Kon. 18:26v). 13. Tegenover al die partijdigheid wijst Jesaja op de Ene, die macht heeft, die men dienen moet (vgl. 29:23). Die alleen is te vrezen (1 Petr. 3:14, 15). 14, 15. God is de laatste werkelijkheid. Wie de dienst aan Hem negeert, kan toch niet om Hem heen en struikelt… over Hem. Zo houdt het verbond tussen God en Israel voor die mensen een bedreiging in. De vreze des HEREN heeft echter voor die Hem dienen een andere betekenis, nl. zich laten leiden door de tora van God in een levenshouding van gehoorzaamheid, aandacht, liefde (1:19, 20).
Wachten op de HERE of waarzeggers raadplegen? 8:16-23
16-18. Op bevel van de HERE worden de tora en de bevestiging daarvan door getuigen (8:2) onttrokken aan het volk (Spr. 29:18). Mijn leerlingen, dat is een nieuwe aanduiding voor de Heilige Rest (6:9v, 8:8, 50:4, 54:13). Aan hen wordt de tora toevertrouwd, om daarnaar te leven, die te overwegen en zo te bewaren voor de toekomst. Voor de buitenstaanders blijft een profeet over die niet meer tot hen spreekt. Wel kan zijn levenshouding van wachten en hopen op de HERE (Hebr. 2:13) tezamen met zijn kinderen (7:3, 8:1-4) en leerlingen voor hen tot een levend teken en wonder (vgl. de uittocht verhalen) worden, dat de HERE op een verborgen wijze alles in natuur en geschiedenis blijft leiden. 19-23. Toch kan de profeet het niet laten het volk weerwoord te geven. Wie zich van zijn God afwendt, zoekt zijn steun elders. Die ondervraagt waarzeggers en de geesten van doden (Lev. 19:31; Deut. 18:9-12; vgl. 1 Sam. 28).Tot de wet en de getuigenis is hier een eedsformule die het voorgaande bevestigt: voorwaar! Een volk zal zijn God vragen; anders zal er voor hen geen Licht opgaan. Met koning Achaz komt het volk bedrogen uit. In de noodtoestand die het gevolg is van zijn politiek (7, 8:1-4) zal het volk in zijn angst en hulpeloosheid koning (en God) vervloeken, dat is dood verklaren. Toch gaat de vloek van de HERE over het volk niet zonder de belofte van zijn zegen (1:19, 20). Men zal de blik omhoog richten. Na de verschrikking van de plundering en wegvoering in het gebied bij de zee van Tiberias (2 Kron. 15:29) in het Galilea waar men leefde als de heidenen, doet de HERE juist daar een nieuwe dag aanbreken (vs 23). Eer, let op het verband tussen de heerlijkheid des HEREN, Licht en eer (2:5, 5:30).
De Messias komt 9:1-10:34
Hij komt met vrede 9:1-6
De donkerheid die over Rezin van Aram (Damascus) komt is de veldtocht van Tiglath-Pileser III in 732 v. Chr. Ook uit het noorden van Israel wordt een belangrijk deel van de bevolking weggevoerd in gevangenschap. De overblijvenden moeten zware belastingen opbrengen. Zij leven een armoedig slavenbestaan. In die uitzichtslo-ze situatie van dood en verderf komt verandering. De onheilswoorden van de profeet gaan direct over in vreugdevolle uitroepen: Een plotselinge omkeer, die in Mat. 4:15, 16 wordt aangehaald. Duisternis tegenover licht. Een feestmenigte tegenover de weinigen overgeblevenen. De wanhoop hééft plaats gemaakt voor uitgelaten vreugde. De blijdschap van het Loofhuttenfeest over de oogst vormt de keerzijde van de honger (8:21). Het beroofde volk juicht alsof men de buit verdeelt. 2. De aanspraak met ‘Gij’ wijst erop, dat de HERE deze omkeer tot stand heeft gebracht (vs 6). Zijn verberging is ten einde (8:17). De komst van een nieuwe tijd en een nieuwe heerschappij worden beschreven in de woorden van het kroningsritueel van de nieuwe koning. 3. De daden van de HERE en wat deze Koning doet, zijn bijna niet te onderscheiden. Het volk wordt bevrijd van het slavenjuk, het hout om de nek van de gevangenen en de stok van de opzichter worden stuk gebroken. Midiansdag geldt als de bevrijdingsdag in oud Israel en herinnert aan Gideon (Ri. 6-8). 4. Soldatenlaarzen en jassen, tekenen van de onderdrukking, zullen een prooi van het vuur worden (vgl. 5:24, 6: 13). 5. De Gezalfde (Messias) is een Kind, dat met koninklijke namen wordt genoemd (7:14, 11). Evenals in het egyptische kroningsritueel is de nieuwe koning de aangenomen zoon (Ps. 2). De scepter die Hij over zijn schouder draagt is het teken van zijn macht (Ps. 110). Zijn namen wijzen op zijn goddelijkheid. Wonderbare Raadsman: In de naam van de HERE zal deze Messias ongekende en grootse dingen bedenken en volvoeren. Sterke God: in 10:21 wordt dit gezegd van de Heilige Israels. Eeuwige Vader: Hij blijft zorg dragen voor het volk zoals een vader voor zijn kinderen tot in de verre toekomst (57:15). Vredevorst: Hij brengt welzijn en rust doordat hij de tora van de HERE in acht neemt. 6. Als in een heilswens van het volk (1 Kon. 1:47) bij de kroning van de koning, wordt dit alles bevestigd: Hij is de Messias, de rechtvaardige koning, dienaar van de HERE, die de Koning is. IJver, duidt op de kracht waarmee de HERE ten strijde trekt tegen zijn vijanden (42:13, 59: 17).
Samaria geslagen 9:7-10:4
De tekening van de vreugde over het koningschap van de rechtvaardige koning die zijn volk zal leiden naar de vrede, vormt een schril contrast met de beelden van de verschrikkingen die zullen komen over het volk dat zijn God vergeet. Dezelfde dreiging als in 5:25-30 ligt over dit gedeelte, versterkt door het terugkerend woord over de voortgaande toorn van de HERE die het volk treft. Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt (9:11, 16, 20, 10:4).
Vanwege de grootspraak 9:7-12 7
9.De verschrikkelijke ervaringen leiden bij het volk niet tot een geestelijke heroriëntatie. ‘Niet Bethel ondervragen, maar steun zoeken bij de HERE’ (8:19; vgl. Am. 4:6v, 5:4, 5). Integendeel, hun hoogmoed leidt tot grootspraak: De verwoesting is voor hen aanleiding om het nu beter te doen. Zij zullen alles met kwaliteitsvolle materialen en aanplant herstellen. 10, 11. Dan komen er weer andere aanvallers. Tegenstanders van Rezin, dat zijn de assyrische machthebbers in de plaats van Rezin. Zij en de Filistijnen vallen tussen 732 en 722 (de ondergang van Samaria) het geteisterde gebied binnen (6:13). 12. Maar Efraïm heeft niet onderkend dat het de HERE was die met zijn uitgestrekte hand als een veldheer de aanvallen tegen hen inzette (6:10-13).
Van wege de laksheid 9:13-16
13-15. Niet alleen steden en dorpen vallen onder dit geweld. Ook leiders komen ten val, omdat zij onbetrouwbare gidsen blijken te zijn geweest (3:1-15, 5, 8:21). Zo wordt Hosea, de laatste koning van het Tienstammenrijk voor de val van Samaria als gevangene weggevoerd naar Assyrië (2 Kon. 17:4-6). De uitdrukking met kop en staart zou wijzen op de bovenlaag die de ‘kop’ vormde van het volk en op die profeten die zonder eigen woord of weg slechts als een staart kwispelden wat in de ‘kop’ opkwam. 16. De uitwerking van hun dwaalwegen treft allen zonder onderscheid. Wie God vergeet wordt tot één die door God vergeten wordt. Allen zijn van God vervreemd (zie 10:6) en spreken dwaasheid. Het woord voor ‘dwaasheid’ gebruikt, wijst op sexueel misbruik. Dit staat mogelijk in verband met de ontaarde vruchtbaarheidsriten waaraan jong en oud, rijk en arm zich verslingerden in hun afgodendienst aan de natuurmachten.
Vanwege de onenigheid 9:17-20
17, 18. De laksheid om zich te laten meevoeren op de dwaalwegen van de (ver)leiders, tast het bestaan van het volk aan. Wanneer dat opgaat in grootspraak, drankmisbruik, sexuele orgieën (6:8-24), dan gaat het daarin ten onder. In deze goddeloosheid keert de chaos terug. In het beeld van de bosbrand wordt verduidelijkt hoe verwoestend dit kwaad doorvreet. 19. De een wordt voor de ander tot een verscheurend dier. In iemands arm zit zijn kracht (Ez. 30:22, 24; Ps. 83): men verteert zijn eigen kracht tenslotte (vgl. Ps. 10:1, 15, 37:17). 20. Strijdt men met elkaar, dan sloopt men eikaars krachten, en dat in een situatie waarin de vijand van buiten elk ogenblik kan toeslaan … In deze eindeloze verwarring van geesten en gebrek aan eenheid onder de mensen, voltrekt zich de verbolgenheid van de HERE, zegt de profeet.
Vanwege het onrecht 10:1-4
Deze reeks van oorzaken heeft als climax het bureaucratisch geweld: Heilloze verordeningen door de leiders, drukkende administratieve regels door de beambten. Deze verzen worden wel geplaatst bij het zesvoudig ‘wee-u’ in 5:8-24 tegen de bestuurders in Juda. Aan allen die dit onrecht plegen wordt aangezegd, dat zij nog machtelozer zullen worden dan hun slachtoffers: geringen, ellendigen, weduwen, wezen (vgl. vs 16). Voor deze sociaal zwakken is er nog uitkomst bij de HERE (3:15; Ps. 146), maar voor de verleiders van het volk niet (8:9, 10). Alles wat zij een levenlang bijeen gegraaid hebben, zal hun ontnomen worden (vgl. de vragenreeks in vs 3).
De aanvaller bestraft 10:5-34
Zoals reeds aangekondigd (1:26-28, 2:1-5, 4, 6:13, 9:1-3) zal er een einde komen aan de aanvallen. Ook de aanvallers zullen hun einde vinden. Dit gedeelte toont hoe de HERE de geschiedenis van zijn volk en van de landen daar om heen leidt. De aanvaller is een werktuig in Gods hand, zij het ook dat deze dit zelf niet onderkent (vss 519). Een rest van het volk blijft bewaard (vss 20-30). De aanvaller wordt ten val gebracht (vss 24-34).
Een werktuig van God 10:5-19
5-15. Blijkens de vss 10, 11 veronderstelt dit gedeelte dat is gevallen (722) en dat Juda rechtstreeks door Assyrië wordt bedreigd. Is dit een rooftocht of een grootscheepse invasie (vgl. 2 Kon. 18; Jes. 36)? De godsspraak van de HERE door de mond van de profeet wordt onderbroken door de grootspraak van Assyrië. Maar de HERE heeft het laatste woord. De bossen van ontucht (9:15-17) moeten gekapt worden. Voor dat doel dient de aanvaller (7:20). Het oorlogszuchtige Assyrië met zijn invasielegers van beroepsmilitairen, bekend om hun wreedheden en hun tactiek van de totale vernietiging, moeten dienen als bijl, zaag, stok (vs 15) in de hand van de HERE (9:7v, 10:26). Dit is het geheim achter hun succesvolle veldtochten (vs 6): aan het recht van de HERE moet worden voldaan. Heel anders oordeelt de aanvaller zelf in zijn grootspraak (vss 8-11). Het verricht zijn verwoestend werk als een dolle stier (vs 13) in eigen kracht (vs 14). In zijn overmoed jaagt hij schrik aan (vs 14), onderwerpt het ene na het andere volk (9:28-34), berooft hen van alle kostbaarheden (vs 13) en heeft minachting voor hun goden (vss 10, 11). Juist vanwege deze grootspraak en de verschrikkingen die hij aanricht, zal de HERE ook de aanvaller treffen (vss 12, 15) en ten val brengen. 16- twee beelden wordt de ondergang van de wereldmacht Assyrië voorzegd. De HERE zal een vuur zenden. Van binnen zal een tering, een koortsgloed het zware lichaam doen ineenschrompelen (vgl. 37:36). hem heen zal een verterend vuur zijn indrukwekkende macht doen vergaan. Uitdagend wordt de heerlijkheid van de HERE (vgl. 5:24, 6:7, 29.T-6, 30:33, 31:19) gesteld tegenover het zwaar, gewichtig, belangrijk, heerlijk zijn van zijn tegenstander. Het woud en zijn gaarde, deze woorden kunnen slaan op de verzameling van sterke mannen in leger, politiek en ambtenarij, die tezamen de macht uitmaken in het strak georganiseerde Assyrië. Opmerkelijk is inderdaad de plotselinge ondergang (614-610 v. Chr.) van dit wereldrijk, dat nog geen tekenen van verval vertoonde (Ez, 31 enNah. 3:18). Assyrië is ten onder gegaan aan de tegenkrachten die het door zijn wreedheden zelf heeft opgeroepen.
Een rest wordt behouden 10:20-23
De profetie in de naam ‘een rest keert terug’ (7:3) wordt in dit gedeelte duidelijker naar twee kanten. Enerzijds, slechts een handjevol mensen overleeft het komende oordeel of keert terug uit de gevangenschap. Anderzijds betekent terugkeren tot de sterke God (vs 21; vgl. 9:6) omkeer, bekering. Uit de dood van de ondergang een nieuw leven opstaan (37:31, 32). Door de diepte van de beproeving heen blijft een rest over die een nieuw begin maakt. In politiek en economisch opzicht was het gebruikelijk om een restant achter te laten of te laten terugkeren (9:19) in het wingewest. Deze restgedachte betrekt Jesaja op degenen die op de HERE vertrouwen (vgl. Noach, , Jakob en 1 Kon. 19:18). God zoekt mensen die berouwvol meer op Hem vertrouwen dan op anderen. Achaz vormt voor hen een tegenbeeld (vss 20, 21). 22. Zij zijn het ware en niet de gehele nakomelingschap van Abraham (vgl. Gen. 22:17). In het N.T. sluit Paulus nadrukkelijk hierbij aan door te spreken over de ‘geroepenen’ (Rom. 9:27) en een ‘overblijfsel naar de verkiezing der genade’ (Rom. 11:5). 23. Twee kanten zitten er ook aan de verdelging waartoe vast besloten is. De HERE gaat met overleg te werk (9:12), de vernietiging voltrekt Hij, en de ‘rest’ bewaart Hij. In het midden van de aarde, di. daar waar de HERE is. Zijn daden liggenopen voor de volkeren (zie 2 Kon. 19). Zo heeft gerechtigheid ook twee kanten: ‘oordelend en straffend’ tegenover ‘bevrijdend en barmhartig’. Dat is de grote scheiding tussen degenen die God vergeten zijn en die op Hem blijven vertrouwen.
De aanvaller komt ten val 10:24-34
24-27. Dit is een oproep tot gelovig vertrouwen in de daden van God. Zoals Hij hen uit de slavernij van Egypte heeft bevrijd en de verschrikking van de Midianieten ten tijde van Gideon heeft weggedaan, zo zal Hij ook nu de aanvaller vernietigen (vs 25). De stok en de staf die tegen hen worden opgeheven om de aanval in te zetten, zal de HERE op gelijke wijze beantwoorden (vss 24, 26; vgl. 9: 3). Het einde van vs 27 is onzeker. Zal het hout om de nek stuk breken omdat het te nauw is geworden? Dan is dit vanwege de overvloed aan ‘olie en vettigheid’ waardoor de lasten van de schouders afglijden (5:1, 29:23). 28-34. De stormvloed van Assyrië nadert Jeruzalem. De bewoners van dorpen en steden langs de marsroute raken in paniek wanneer dat bericht hen bereikt. De aanvallers strekken reeds hun handen uit naar Jeruzalem. In korte felle ademstoten wordt dit alles getekend. In de vss 33, 34 verandert het ritme. Zie, meestal aandacht vragend voor een bericht van onheil. Is dit de godsspraak van de profeet, dat allen die hoog zijn in Jeruzalem (vgl. Jer. 22: 6v) door de kracht die de HERE heeft opgeroepen, zullen worden omgehakt? Of wordt de aanvaller zelf plotseling door de HERE ten val gebracht (2:12-13, 6:13, 10: 18-19), omdat zijn toorn tegen Juda ten einde is (vs 25)? Dan is dit een bevestiging van vs 24 (vgl. 7:4, 8:12-13). Het is ook mogelijk dat beide betekenissen samengaan (vss 20-23).
Zijn vrederijk 11:1-12:6
Het thema van de zoon Immanuël keert voor de derde maal terug. In Jes. 7 wordt zijn geboorte aangekondigd, in hst. 9 wordt zijn persoon getekend in zijn namen en hier zijn koningschap. Het teken aan Achaz gegeven heeft twee kanten. Het onheil zal de koning en zijn bestuurders treffen en hen ten val brengen. Het heil zal komen in de persoon van de rechtvaardige koning met zijn vrederijk.
De rechtvaardige koning 11:1-5
De tronk van de neergemaaide boom (10:33, 34) blijft in de grond zitten en kan weer uitlopen (Job 14:8). In 6:13 is dit het beeld van Israel, dat weer opbloeit als de Rest (zie ook 4:2). Hier is dit het huis van David en de nieuwe koningszoon. 1-3. Het land zal een tijd lang zonder koning zijn maar dan komt de nieuwe Davidszoon. Niet alleen vanwege zijn afkomst zal hij geschikt zijn voor zijn taak. De Geest van de HERE zal op hem rusten, dat is scheppende kracht (vgl. Spr. 8:14v). Hij zal licht verspreiden als de zevenarmige kandelaar. Drievoudig zijn de gaven van de geest: wijsheid en verstand om te regeren (1 Kon. 3:9-12), raad en sterkte om de oorlog te voeren (9:6,28:6, 36:5), kennis en de vreze des HEREN voor het geestelijk leiderschap (2 Sam. 23:3). Zijn koningschap zal in de geur (beter dan lust) van de heiligheid des HEREN staan; hij is de rechtvaardige, die naar Hem opziet en naar Hem hoort. 4, 5. Daarin is deze Gezalfde het tegenbeeld van koning Achaz (9:15). Met deze bijzondere gave begiftigd, zal Hij er voor zorg dragen dat de onderdrukten bevrijd en recht gedaan worden (Jer. 22:13v; Ps. 72), maar ook dat de onrechtdoeners hun bestraffing niet ontlopen.
Het paradijs wordt hersteld 11:6-10
6-8. Naast alle foto’s van verschrikkelijke rampen, is dit een lieflijke tekening van een paradijselijke toekomst (2: 1-5). De chaos wordt overwonnen in het oordeel, een nieuwe orde van gerechtigheid en trouw (vss 4, 5) schept een leefbare wereld waar het goed wonen is voor dieren en kinderen (vgl. Vredevorst 9:6). 9. Zij zullen bevrijd zijn van het kwaad (1:4) van voorgaande generaties (1: 26; vgl. Ex. 20:5). Het is het droombeeld (Jer. 31:40) van de hoop die onuitroeibaar in het geteisterd mensenhart omhoog klimt. Tegenover de ondergang in het dodenrijk en het onbegrip over de daden van God staat het leven op de heilige berg (57:13; Ps. 78:54) en het vervuld zijn met de kennis des HEREN (65:25; Hab.2:14). 10. Deze vrede zal zo groot zijn, dat andere volkeren naar deze rechtvaardige Koning zullen komen (vgl. 5:25-30). Banier, is een opgerichte paal op een heuvel (vgl. het kruishout in het N.T.) als signaal om zich te verzamelen (2:3, 42:4, 51:5). Rustplaats, is een pleisterplaats onderweg. De Messias zal er tijdelijk verblijven op-de-reis. Heerlijk, een oord van grote naam en schoonheid (4:5; 60:13).
De grote terugkeer 11:11-16
Dit zelfstandig gedeelte is inhoudelijk verbonden met het voorgaande: De banier voor de volken (vss 10, 12); en de tekening van het samenleven in vrede; in de vss 6-9 wordt dit gezegd van kinderen en dieren, in de vss 13 en 14 van het eens verdeelde volk Israel – Efraïm en Juda. Het brede visioen van de volken is hier versmald tot de rest die door het oordeel van de diaspora heen behouden zal worden. Deze rest keert terug (7:3). 11. Zijn hand opheffen, de HERE zal het teken om terug te keren geven (vgl. 5:25). Als in een nieuwe exodus (35:1, 48:20v; Ex. 14), zullen die gevangen genomen zijn en die gevlucht zijn overal vandaan komen uit het gehele gebied van de vruchtbare halve maan. Uit het stroomgebied van de Nijl (Beneden-Egypte, Boven-Egypte, (Patras, Ethiopië)). Uit de gebergten in het noorden (Hamath) Libanon, Syrië. Uit het stroomgebied van de Eufraat en de Tigris: Assyrië, Babyion (Sinear) en het bergland in het noorden (Elam). Uit de kuststreken van Klein-Azië. 12-14. De scheiding tussen het Tienstammenrijk en Juda zal. dan voorbij zijn, politiek (9:20v) en godsdienstig (1 Kon. 12: 25-32). Samen zullen de Israëlieten hun land verdedigen en uitbreiden tot het de omvang heeft van Davids rijk. 15, 16. De HERE zal voor het door beproevingen en oorlog deerlijk gehavende restant van het volk de doortocht bereiden, evenals bij de Schelfzee. De gloed van zijn adem, de gloeiende woestijnwind zal de rivieren doen opdrogen. Uit Egypte en Assyrië zal Hij een heerbaan (19: 23v, 43:19) aanleggen voor hen die terugkeren naar Israel.
Het loflied is hun antwoord 12:1-6
Te dien dage is de inleiding tot het profetisch spreken. De godsspraak over een nieuwe exodus sluit een gedeelte van de profetieën van Jesaja af. Het antwoord is een loflied, dat overeenkomsten heeft met het lied van Mozes (vs 2; vgl. Ex. 15:2) en dat van Mirjam (vs 5; vgl. Ex. 15:21). De toorn van de HERE (vgl. 5:25, 9:11, 10:25) over het onrecht van zijn volk is dan voorbij, evenals de tijd waarin Hij zich voor hen verborg (9:16). Het zal weer zijn de HERE, HERE, die zich door zijn Daden en zijn Naam (Ex. 3:14, 15) heeft doen kennen als de Heilige temidden van Israel (vs 6; vgl. Jer. 14:9; Mi. 3:11; Ps. 46:6). In de bestraffing en de bevrijding heeft de rest van Israel,de inwoners van Sion (vs 6) opnieuw zijn God ontmoet. De vervreemding is opgeheven (vs 1). Hun vrees heeft plaats gemaakt voor rustig vertrouwen (vs 2); dit is een kernwoord bij Jesaja (26:4, 30:12, 31:1, 32:9v, 36:4v, 37:10). Hun gebrek is voorbij (vs 3). Het water scheppen behoorde bij de vreugde over de oogst op het Loofhuttenfeest (55:1; Ps. 87:7). Hij is het die hen heeft getroost (vs 2; vgl. 40:1, 66:13). Hij is het die hen redt; dit is de betekenis van de naam Jesaja. Daarom zullen zij op die dag zijn Naam en daden lofprijzen en uitroepen onder de volken (vss 4, 5).
De HERE breekt de macht van de volken af 13:1-23:18
Bij alle onzekerheden in bepaalde tekstgedeelten wordt in deze verzameling godsspraken van Jesaja tegen de volken rondom, één centrale boodschap duidelijk. Het koningschap van de HERE is de wereld en de mensheid omvattend. Daarom profeteert de profeet niet alleen over het onrecht van Israel, maar richt hij ook godswoorden tegen andere volken en landen (vgl. Jes. 7:10). Belangrijke thema’s zijn: De HERE is niet alleen de Heer van Israel (13:1-12), maar Hij is ook Heer van de volken. Hij is machtiger dan de machten van de omringende landen. Hun afgoden leggen het tegen Hem af. Zijn dag is van beslissende betekenis voor de volkerenzee. Hij is de veldheer, die natuur en legers in zijn dienst neemt. Waar hij zich laat kennen is het midden van de aarde. De volkeren zullen dan ook komen naar zijn heilige berg Sion. Wat de machthebbers ook voor plannen maken, het is de HERE die zijn plannen doorzet (8:9, 10), met als doel recht en vrede over de hele wereld te brengen (1 l:6v, 14: 7v, 19:25, 25:6-8). Deze verzameling vloek- en dreigwoorden heeft mogelijk een plaats gehad in het kroningsritueel van de koning (vgl. Am. 1-2:16; Jes. 30:30v; 2 Kon. 3:15; 2 Kron. 20:21; Ps. 136). Zij zijn ontstaan in de gespannen verhouding tussen Israel en de volken rondom. De opdringende wereldmacht Assyrië brengt grote onzekerheden, allerlei machtsverschuivingen zijn daarvan het gevolg in de landen van het oude Nabije Oosten. In deze tijden van crises en grote onzekerheden is het voortbestaan van volk en land en koningsgeslacht sterk afhankelijk van de wisselende internationale verhoudingen. Jesaja wijst in zijn godsspraken boven de concrete noodsituatie uit naar de HERE en zijn daden, die van blijvende betekenis zijn voor de aarde en de mensen. Deze hoofdstukken vormen een inleiding op het volgende gedeelte (hstt. 24-27), waarin wordt gesproken over de HERE die de wereld en de mensheid naar zijn toekomst leidt. Deze hoofdstukken vormen een tussenspel in de aankondiging van (hst. 1-12) en de definitieve uitvoering van de ondergang van de godvijandige machten, hier aangeduid als Assyrië (hst. 28-39).
Godsspraak over Babel en Filistea 13:1-14:23
Deze profetie verplaatst ons een eeuw later naar Babel, dat een wereldmacht is geworden, nadat het Assyrië heeft overwonnen. De vraag naar de auteur van de hstt. 40-66 hangt hiermee samen. De ondergang van Babel is nog ver af, die van Assyrië en Filistea is aanstaande.
De dag van de HERE komt 13:1-16
1.Babel, staat hier voor de aan het volk en aan God vijandige macht. Godsspraak, dat is de last of het bezwarend oordeel dat deze vijanden zullen moeten dragen. Opmerkelijk is dat deze profetieënverzameling nadrukkelijk aan Jesaja worden toegeschreven. Of dienen wij dit te verstaan als profetieën uit de school van Jesaja? de beelden van een legermacht die bijeengebracht wordt, zich voorbereidt en uittrekt om in de aanval te gaan, wordt hier de oorlog des HEREN getekend. Het is de HERE die afrekening houdt over het onrecht dat gepleegd is. Niet alleen in Israel (2:2), maar voor alle onderdrukkende machten zal er een dag van de HERE komen (vss 6, 9; vgl. Joël 3:9). Als een legeraanvoerder roept de HERE zijn strijders bijeen (11:10), spreekt hen toe voor de strijd en geeft het signaal voor de aanval. Zijri geheiligden, dat zijn de legers in dienst van zijn straffende gerechtigheid, zullen de uitvalspoorten van die onrechtbrengers binnentreden en alles dat aan hen herinnert verwoesten (vss 10-13). 5. De legers die Babel onder de voet lopen, komen van achter de horizon, het zijn de Meden en Perzen. 6-8. De dag des HEREN tegen alle onrechtplegers in hun hoogmoed, zal de machtigen overvallen, zodat zij op hun beurt schrikken en het benauwd krijgen. Hun gelaat staat in de vlam. Het beeld dat gebruikt wordt is dat van de zwangere vrouw die door weeën wordt overvallen en rode vlekken in het gezicht krijgt van de inspanning. 9-16. De chaos (Jer. 4:23) van de oertijd keert terug in de verschrikkingen van de laatste dagen (vgl. Mat. 24:29). Tegenover het verhaal van de schepping staat hier het verhaal van de antischepping, chaos, leegte, duisternis, geen mensen meer. Verschrikkelijke beelden van volkerenmoord (vss 15, 16; vgl. 9:16). In grote paniek vluchten de mensen die hun toekomst gezocht hebben in de wereldstad Babel terug naar hun land van afkomst (vgl. Gen. 10:8, 9).
Babel gaat ten onder 13:17-22
Het zijn de Meden en de Perzen uit de landen ten noordoosten van Babel die de HERE, de Ik-figuur in de vss 3, 11, 13, zijn dienst heeft gesteld. Bekend is van hen dat zij vechters zijn, die geen compromissen sluiten. Ook hebben zij de boogschutterij ontwikkeld, waardoor zij wolken pijlen op hun tegenstanders doen neerkomen. In 612 v. Chr. valt Ninevé en daarmee Assyrië, in 538 v. Chr. wordt een einde gemaakt aan de macht van Babel (vgl. 1:9). Niet alleen de macht, de cultuur en het volk zullen ten’ onder gaan, ook het land zelf zal onbewoonbaar worden voor anderen. Letterlijk staat in vs 20: hetzal nooit meer zetelen en niet meer tronen. Dat geeft aan dat het niet weer tot een geordenende samenleving zal worden van gezeten burgers en rechters die zittingen houden en koningen die op de troon zitten (vgl. 5:8, 14: 13, 16:5, 28:6). Het zal zijn een gebied van de dood, waarin de woestijn de overwinning heeft behaald en waarin wilde dieren en demonen ronddolen (vs 21; vgl. Lev. 17:7). Dit gedeelte sluit af met een bevestiging van de vloek: Er zal geen uitstel zijn (vs 22; vgl. Ez. 12:2325). Het verlengen van de levensdagen is daarentegen een belofte van zegen (vgl. Deut. 4:40; 1 Kon. 3:14). Zo krijgt Hizkia er vijftien jaren bij (36:1-8). Ook de dagen van de Knecht worden verlengd (53:10).
De HERE brengt verandering in het lijden van zijn volk 14:1, 2
Zo meedogenloos als de toorn van de HERE onheil brengt, zo bewogen is Hij over het wel en wee van hen aan wie Hij zijn heil doet kennen. Het huis van Jacob, Israel zal Hij herstellen; dat is de keerzijde van de ondergang van Babel.‘Ja, de HERE zal zich over Jakob ontfermen en opnieuw zal Hij voor Israel kiezen.’ Onder geleide van vreemde legers en karavanen zullen zij terugkeren naar het land. Deze vreemde thuisbrengers zullen zij bij zich opnemen (56:3-8). Ook zullen zij hen behulpzaam zijn en zelfs slavendiensten verrichten (61:5). Met een bevrijdende ironie wordt hun voorzegd dat de rollen zullen worden omgekeerd.
De woudreus wordt geveld 14:3-23
De ironie gaat over in bijtende spot. In het spotlied op de koningen van Babel wordt hun waardigheid neergehaald en het tegendeel daarvan onthuld. Hun afgang betekent bevrijding voor anderen. De satire richt zich naar twee kanten (vss 4-11; 12-21). Voorafgegaan door een inleiding (vss 3, 4) en afgesloten met een uitleiding (vss 22, 23). De opwinding dat de stok van de onderdrukking is gebroken, vormt het eerste thema (vs 4). In het tweede thema (vs 12) wordt verhaald hoe zij die zich de morgenster waanden, zijn geveld. Kenmerkend is de uitroep die de vergelijking inluidt: hoe… (vss 4, 12; vgl. 1:21,47). 311. Profetisch wordt gezegd dat er een tijd (2:20) zal komen dat de HERE aan zijn volk rust zal schenken, waarin de onderdrukking en het lijden voorbij zullen zijn. Dan is er gelegenheid om terug te kijken en de bevrijding te vieren (vs 7). Als de woudreus geveld is, zullen de ceders van de Libanon ook met rust gelaten worden. Het kostbare hout zal niet meer worden afgevoerd voor de bouw van de wereldsteden (vs 8). Ook de onderdrukkers zullen rusten, maar wat voor een rust valt hun ten deel? Het is de stilte van het dodenrijk, waarin een schimmig spiegelbeeld van de wereld getekend wordt. De bokken in vs 9 zijn de belhamels die voorop lopen. Hun begroeting onttroont de vorsten van Babel: de dood doet alle rangen wegvallen (vs 10). De koningsmantel is vervangen door een kleed van knagend ongedierte (vs 11). 12-21. Vernietigend is deze spot. Die zich in hun hoogmoed verhieven tot de sterren (vgl. het tegenbeeld in Num. 24:17 en Op. 22:16), zijn ter aarde gestort (vs 12). In dit protestlied wordt de eigenwaan van de koningen van Babel getekend en ontmaskerd. Zij waanden zich aan de goden gelijk (vs 14). Zij meenden hun troon te vestigen op de godenberg (vs 13). Vergelijk als tegenbeeld de heilige berg des HEREN (2:2, 33:20v; Ps. 46:15). Zij dachten dat zij lichtbrengers waren (vs 12), maar vanuit hun ingebeelde hoogte vallen zij tot in het diepste van het dodenrijk (vs 15). Spreekwoordelijk zijn deze koningen van Babel in de joodse en christelijke traditie geworden als aanduidingen voor de antigoddelijke macht: satan, antichrist. De dialoogvorm maakt dit protestlied zo fel. Is dit de man die anderen zoveel schrik aanjaagde, die het cultuurland tot woestijn maakte, en als een god besliste over het leven en wonen van zijn gevangenen (vss 16, 17)? Zelfs de rust van een (eigen) graf wordt aan deze koningen niet geschonken. Oneer is hun deel, hun lijken worden opgeruimd als die van paria’s en misdadigers (vgl. 53:9). Hun naam wordt uitgewist, omdat deze ‘grote lichten’ hun volk te gronde hebben gericht (vs 20; vgl. Job 18:17; Ps. 9:6; Spr. 10:17). Ook hun nageslacht wordt uitgeroeid, opdat de zonen van de boosdoeners niet de boosheid van hun vaderen zullen voortzetten en zij niet opnieuw versterkte steden zouden gaan bouwen. De ‘stad’ wordt hier in verband gebracht met machtsvorming en onderdrukking (vs 21; vgl. Gen. 9:1-9), 22, 23. Deze verzen sluiten dit gedeelte af met een oordeelsspreuk. Als een veldheer van het recht zal de HERE opstaan van zijn rustplaats en zijn plan ten uitvoer brengen. De macht van Babel zal platgestampt worden. Het zal met ‘wortel en tak’ of ‘uitloper’ uitgeroeid worden. Dan blijft er slechts een chaos over; hier aangeduid als een moeras en niet een woestijn (vgl. 11:15).
Assur wordt verslagen 14:24-27
Deze oordeelsspreuk sluit inhoudelijk aan bij 10:28-32. 24. Anders dan de plannen van mensen (vgl. 10:7, 14:13, 14) gaan de besluiten van de HERE door. Besluit of raad, advies, is een moeilijke keuze doen in een kritieke situatie (vgl. 11:2). het land van de HERE zal de macht van Assyrië gebroken worden op het moment dat men zich al zeker waant van de overwinning (vgl. Hand. 4:27v). 26, 27. De hand die uitgestrekt is wordt steeds in ongunstige zin gebruikt (5:25, 10). Wordt de ondergang van de onderdrukkers Assyrië hier ten voorbeeld gesteld hoe het alle onrecht en onderdrukking zal vergaan? Het geloof aan de macht van de besluiten van de HERE staat hier centraal (vss 24-27). Geen andere macht van tegen-spreuken, magie of bezwering zal dit besluit ongedaan kunnen maken.
Filistea gewaarschuwd 14:28-32
Waarschijnlijk is de historische achtergrond van deze oorlogsspreuk het bezoek van een filistijnse delegatie (vs 32) aan Jeruzalem met het verzoek om samen een opstand te ontketenen tegen Assyrië. De datering is onzeker, mede omdat het sterfjaar van Achaz niet bekend is. Het kan in 727 v. Chr. geweest zijn. De assyrische koning Tiglath-Pileser III, 745-727 v. Chr., was gestorven en Assyrië verkeerde in moeilijkheden, zodat dit voor tegenstanders een gunstig tijdstip was om zich te organiseren (vs 29). Waarschijnlijker is echter 716/715 v. Chr. dat ook als sterfjaar van Achaz wordt genoemd. Hoe het ook zij: het bezoek van de Filistijnen betekent voor de nieuwe koning Hizkia (?) een beproeving van zijn geloof in de beloften van de HERE (vgl. Jes. 7). De Filistijnenwaren in die tijd een volk van aanzien mede omdat zij de kunde van het ijzer smelten ontwikkeld hadden en zo geduchte ijzeren wapens konden maken. Net als Juda trachtte Filistea bij alle machtswisselingen in de internationale verhoudingen tussen Egypte en Assyrië zijn voortbestaan veilig te stellen. De godsspraak over Filistea laat aan duidelijkheid niets te wensen over: De ontspanning is slechts tijdelijk, er komt meer en erger kwaad uit het noorden. De beelden van de wortel of de staart van de slang, de adder en de gevleugelde draak (vgl. 6:2) vormen een climax. Het gaat hier mogelijk om een woordspeling tussen roede of staf (van de gezanten) en de slang als teken van gevaar (vs 29). Het volk van de Filistijnen is ten dode opgeschreven, er blijft niets over (vs 30). Daarom is er alle reden voor schrik in de poort waar de mannen van de stad overleggen (vs 31). Het volk van Juda zal gered worden door vertrouwen op de HERE en niet door coalities of samenzweringen met andere volken. De HERE is immers de beschermer van dc armen en geringen (vss 30, 32).
Godsspraak over Moab 15:1-16:14
Kennis die steunt op zelf doorgemaakte nood, een intens meeleven met de getroffenen, de bereidheid om de gevolgen van de verschrikking te verzachten en het besef de bestraffing niet te kunnen afwenden, kenmerken deze oordeelsspreuken (vgl. Jer. 48). Moab is het gebied ten oosten van de Dode Zee, een vruchtbaar gebied met veel bronnen en bevloeiingswerken, een land van wijnbouw en schapenteelt. Moab en Israel zijn aan elkaar verwant. De stamvader is een zoon van Lot (Gen. 9:30-38). Ruth de Moabitische is de stammoeder van het koningshuis van David (Ruth 4:17; 1 Sam. 22:3v), maar wat geloof betreft hebben deze volken niet veel gemeen. Van Moab met zijn bezweringswoorden (Num. 22), zijn vruchtbaar-heidscultus (Num. 25) en kinderoffers aan de afgod Kamos (2 Kon. 3:27) wordt in het O.T. weinig goeds verteld. Het is lange tijd een vazal geweest van het Davidische koninkrijk (2 Sam. 8; 2 Kon. l.T). Hst. 15 is een klaaglied over de verwoesting die in Moab is aangericht; hst. 16 geeft een Moabzang weer, een bundeling spreuken en gelijkenissen (Jer. 48:29-36), welke afgesloten wordt met het daarom van de noodsituatie en een profetisch commentaar (16:13, 14).
Verslagen en gevlucht 15:1-9
1-11. Ar-Moab is het gebied rondom de hoofdstad Kir-Moab (16:7, 11). De herhaling verdiept de klacht. Er is openlijke rouw en verslagenheid (Jer. 48:37). Men schreeuwt zijn ontzetting uit op de heilige plaatsen tegen de goden (vs 2), op de daken tegen de sterren (vs 3), op de pleinen tegen elkaar. Dibon ligt ten noorden van de rivier de Arnon, dichtbij de streken van Hesbon en Eleale (dit ligt een half uur gaans van Hesbon, zie Num. 32:3; Jer. 48:34). Jahaz ligt tien kilometer noordelijker. Een betere vertaling bij vs 4 is ‘Daarom schreeuwen Moabs gewapenden; zijn moed begeeft hem.’ 5-8. Een niet nader genoemde aanvaller heeft dood ert verderf gezaaid in Moab. De zanger van dit klaaglied deelt in de ontzetting over het aangerichte leed en de vernielingen (vgl. 16:7, 9, 11). Hij is diep begaan met de stroom van vluchtelingen langs de koninklijke weg naar het zuiden (vgl. Jer. 4:19v; Ex. 23:4v; Spr. 25:21v). Het vruchtbare land bij Nimrim ten zuidoosten van de Dode Zee is tot een woestenij gemaakt. 6. Volgens de bekende vernielingstechniek werden de bronnen verstopt, de bomen omgehakt en de akkers met stenen overdekt (vgl. 2 Kon. 3:19). De ligging van de Wilgenbeek is niet bekend (vs 7), waarschijnlijk vormt deze de grens tussen Moab en Edom. Eglaim ligt in het zuiden. Beër-Elim (terebintenbron of ramsbron) in het noorden. In het hele gebied van Moab wordt geweeklaagd en geschreeuwd (vgl. 13:6, 14:31, 15:2, 16:7, 23:1, 6, 14). 9. Het water van Dimon is rood gekleurd van het bloed (vgl. 2 Kon. 3). Moeten wij hier denken aan de volkerenmoord, die gebruikelijk was bij dergelijke roof expedities, hetzij van de gehele bevolking (vgl. 2 Kron. 20:23; Jer. 40:11) of van het merendeel daarvan, zodat slechts een ‘rest’ in leven werd gelaten (2 Sam. 8:2) ? Wie is het die nog meer rampen voorzegt over de rest van Moab? De /eeuwenplaag geeft aan hoe bedreigend het leven voor die mensen is geworden (vgl. 2 Kon. 17: 25; 1 Kon. 13:24; Jes. 35:9!).
Zij zoeken hulp bij Juda 16:1-5
1, 2. De betekenis is onzeker. In twee beelden worden de vluchtelingen getekend. Zij zijn als vogels die vluchten, kennelijk in noordelijke richting (vs 2). Zij zijn als lammeren, die de bestuurders als verplichte bijdrage moesten zenden aan de koning in Jeruzalem. 3-5. Is de achtergrond hiervan een bezoek van een delegatie uit Moab met het verzoek om als vreemdelingen in het land te mogen verblijven tot de aanvaller weggegaan zal zijn (vgl. 14:28v; 18: lv)? Dan is dit een bede om hulp op basis van een oude vazalregel, nl. dat de koning hulp toezegt wanneer zijn vazal in moeilijkheden verkeert. Beslissing (vs3) , beter bemiddelingsdaad. Maar er is meer, hier wordt een beroep gedaan op de koning als redder van de geringen en vreemdelingen (vs 4). Hij is de messiaanse koning die hen goedertieren is, di. die zijn verbondsverplichtin-gen nakomt, hun recht doet (vs 5; vgl. 11:1-10).
Grootspraak verandert in rouwklacht 16:6-14
Dit gedeelte komt overeen met dat van Jer. 48:29v. In de vss 6, 12 wordt de oorzaak van de noodsituatie in Moab aangegeven. Het is de trots, hoogmoed, overmoed, het ijdel gezwets (vgl. 2:6v), tezamen met de vruchtbaar-heidscultus en het magisch geloof (vgl. l.TOv), waardoor Moab. de dag van de HERE (de Ik-figuur in vs 10) over zich heeft gehaald (vs 12,15:2; vgl. Lev. 19:27:31). Daarom is de wijngaard van Moab verwoest (vss 7-9; vgl. Jes. 5), zodat er geen druivenoogst en geen wijnfeesten meer zullen zijn (vs 10). 8. Is dit een klaagzang over de vernieling van de edele druivenstruiken of een herinnering aan de roem van de moabitische wijn? De wijnstok van Sib-ma, welks trossen heersers der volken bedwongen; zelfs machtigen kwamen onder de ‘invloed’ daarvan. Sibma ligt vlakbij Hesbon (15:3). Beide plaatsen waren beroemd vanwege hun voortreffelijke wijngaarden. 11,12. De zanger is diep begaan met de hele situatie. De ijver van Moab om de (af)goden te raadplegen treft hem diep. Er zit een bitter woordspel in vs 12: wanneer Moab verschijnt, tobt het zich af… (vgl. l:10v); die afgodendienst brengt echter geen redding (vgl. Mat. 6:7). 13, deze verzen wordt nadrukkelijk een tijdsafstand ingenomen ten opzichte van de voorgaande oordeelsspreuken: toen – nu. De jaren van een dagloner zijn nauwkeurig bepaald. Binnen een zorgvuldig vastgestelde periode zal het gedaan zijn met de overmoed van Moab, zelfs geen kostbare herinnering blijft er van over. Men zal er slechts met verachting over spreken. En wat er van Moab overblijft dat mag geen naam hebben. Zo definitief wordt hier haar einde voorzegd (vgl. echter Jer. 48:47).
Godsspraak over Damascus en Efraim 17:1-14
Deze oordeelsspreuk plaatst ons terug naar de begintijd van Jesaja, naar de situatie waarin Aram (Syrië) en Israel (Efraïm) samenspannen tegen Juda (Jes. 7). Aan Damascus wordt voorzegd, dat het als zelfstandige politieke macht zal verdwijnen (vgl. 2 Kon. 16:9v). Maar het Tïenstammenrijk krijgt het het ergst te verduren. Het wordt geplaatst onder de heidense volkeren waarmee het zich afgaf.
Damascus een puinhoop 17:1-3
1.Geen stad meer, zie ook 14:21, de ontvolking wordt aangekondigd. 2. Aroër, naar Ps. 102:18 en Jer. 17:6, de aanduiding voor berooid of kaal zijn: Verlaten zijn de steden van de berooide. Kudden dieren nemen het gebied in bezit (7:25; vgl. 13:21, 25). 3. De vesting Hazor wordt in 733/732 v. Chr. door Tiglath-Pileser III veroverd (2 Kon. 15:29). Een andere lezing in dit vers is: de rest van Aram zal zijn als de heerlijkheid der Israëlieten, zij zullen overblijven in het land.
Een rest van Efraïm vindt zijn Maker 17:4-8
4.Heerlijkheid, zwaar zijn, gewichtig zijn, hier zijn dit de weerbare mannen. Volgens Hos. 11:9 is de ‘luister’ van Israel zijn rijkdom aan kinderen. Een volk zonder weerbare mannen, zonder komende generatie, wordt een prooi voor de aanvallers en heeft geen toekomst. Het beeld hier gebruikt is dat van een groot en gewichtig mens die wegteert (10:16; vgl. de tijd van Elia, 1 Sam. 4: 21). 5. Zo wordt het volk neer-gemaaid. 6. Maar er blijft nog een rest over. Hier in dit beeld: wanneer de olijven-boom wordt leeggeslagen, blijven er nog wel een paar vruchten zitten boven in de top. 7, 8. Te dien dage, de profetische aanduiding, dan zal de enkeling zoekend rondkijken naar zijn Maker. Dit woord wordt gebruikt als tegenbeeld van de goddeloze mens die neerknielt voor datgene dat zijn handen hebben gemaakt (2 Kron. 30: lOv). De rest keert terug tot de Heilige Israels (vgl. 5:24) en ziet af van de vruchtbéarheidscultus.
De onvruchtbaarheid van de vruchtbaarheidsmagie 17:9-11
9-11. Bedoeld om door magie de vruchtbaarheid van mens en dier en natuur te bevorderen, leidt deze cultus tot leegte, woestenij, de dood. De chaos keert terug, waar mensen de tora van God de rug hebben toegekeerd (8:11-15). Wie God vergeet, vervalt tot de afgodendienst. Bedoeld zijn in de vss 10, 11 Adonistuintjes. De syrische afgod Tammuz heette bij de Grieken: Adonis (vgl. ook Ez. 18:14,15). Door plantjes te kweken in potjes trachtte men de natuur te doen herleven na de hete zomertijd (vgl. 1:29v). Maar met deze kunsten komt men bedrogen uit, de plantjes zijn krachteloos in tijden van verschrikking.
God blaast de belagers weg 17:12-14
Deze zelfstandige verzen sluiten inhoudelijk aan bij het voorgaande. Het is de HERE die de stormvloed van de plunderaars keert (vgl. 2:24, 7:8, 8:4, 29:27v). Hij voert de heilige strijd tegen het tumult van de rovers (Ps. 46). Hij blaast ze weg als kaf, als werveldistels. Wanneer deze wilde artisjokplanten verdrogen, raken zij los van hun wortels en worden door de wind meegenomen. Nog voordat de nacht van dé verschrikking zijn einde vindt in de nieuwe dag, zijn de belagers verdwenen (vgl. 37:36; 2 Kon. 7).
Godsspraak over Ethiopië en Egypte 18:1-20:6
De internationale verhoudingen worden in de tijd van de Jesajaanse profetieën gewoonlijk beheerst door de landen rond de grote rivieren, de Nijl in Afrika, de Eufraat en de Tigris in Azië. Hier is een oordeelsspreuk over de landstreken aan de bovenloop van de Nijl. Egypte is een tijd lang door Nubiërs uit deze streken overheerst.
Ethiopië 18:1-7 1.
Wee, opnieuw een wee-spreuk (17:12). Het vleugelge-gons wordt veroorzaakt door muggen- of muskieten-zwermen in de Nijldelta en op de bevloeide akkers. 2. Het land doorsneden met rivieren is Beneden-Egypte, de Nijldelta. Opnieuw een delegatie om een samenzwering op touw te zetten tegen Assyrië (vgl. 14:28v); omstreeks 705 v. Chr.?). De godsspraak spoort de gezanten aan terug te keren tot dat rijzig en glanzend volk van Ethiopië waar zij vandaan komen: ‘Ga’. De tekening van dit volk: gevreesd, heerszuchtig, wreed, toont aan dat zij niet onder doen voor de Assyriërs. 3. Spoedig zullen de legermachten tegen elkaar optrekken. Banier, het verzamelte-ken op de bergen (2:3, 5:26, 11:10, 13:2). De bewoners van de aarde zullen er getuigen van zijn. 4. Ook de HERE zal het zien en niet tussenbeide komen. In beelden van aangename warmte en verkoeling wordt zijn rust getekend bij het zien van dit alles. Gods besluit staat vast (vgl. 14:25), op de bergen van Kanaän zal het treffen plaats vinden (vs 3). 5. Anders dan in 17:14 wordt nu het beeld van de oogst gebruikt om het verrassend optreden van de HERE aan te duiden. Voordat de druiven gerijpt zijn, zal Hij de druivenstruiken snoeien, loten wegnemen en stammen afkappen. 6. Die struiken bloeden dood. Zo zullen de legermachten op elkaar storten en vele lijken achterlaten. De roofvogels en de aasdieren hebben een zomer en een winter nodig om al deze overblijfselen op te ruimen (Ez. 29:5). 7. Zij zullen komen: dan zal dat volk van grote, glanzende, krachtige mensen eergeschenken brengen aan de HERE der heerscharen, deuteronomisch gezegd – aan de Naam van de HERE die woont in Sion (vgl. 2:3, 11:10; zie verder Jes. 60-62).
Egypte 19:1-25
Deze oordeelsspreuk (vss 1-15) krijgt een verrassende wending. Egypte zal de HERE leren kennen en Hem dienen (vss 16-21). Dan zal Hij vrede en zegen geven inEgypte, Assyrië en Israel (vss 22-24). Het volk dat de Heilige Israels uitgekozen heeft tot een bijzondere dienst aan Hem, blijkt het begin te zijn van een volkerenzee die de tora van de HERE in acht neemt (vgl. 2:2, 3). Zijn koningschap zal wereldomvattend zijn. 1-4. De rollen worden omgekeerd. De uittocht (exodus) wordt een intocht van de HERE in Egypte. De gezanten in 18:2 hebben snelle boten, de HERE rijdt op een snelle wolk (Ps. 18: 11). Het is de wolkkolom die vóór het volk uittrekt. De samenleving van Egypte wordt ontregeld. Volk (en afgoden!) ontzetten zich over Zijn komen (vs 1). De mensen raken met hun houding in de knoei (vss 1,3). Een onderlinge machtsstrijd doet de eenheid verloren gaan (vs 2). De ambtenarenstaat Egypte geraakt in een crisis: kennis ,yan zaken schiet te kort, de plannen blijken onuitvoerbaar. In die verwarring zoekt men hulp bij magische krachten. Geestenoproepers, bezweerders, waarzeggers worden erbij gehaald (vs 3; vgl. Deut. 18:9-14). In de i ontstane regeeronmacht grijpt de Jfc-figuur, dat is de Here, de HERE der heerscharen, in en stelt een wrede-heerser aan (vs 4). Is dit een Ethiopiër, een Pers, een Griek die het volk onderdrukt of een binnenlandse tyran? Hoe het ook zij, het volk is ook nog zijn vrijheid kwijt. 5-10. Dan loopt ook het economisch leven vast. Het levenbrengende water van de Nijl vermindert en wordt tot stilstaand dood water (vss 5, 6). Daardoor wordt de bevloeiïng van de akkers onmogelijk. De woestijn rukt op (vs 7). Dat houdt in: geen werk voor de vissers (vs 8), in de linnenindustrie (vs 9), voor de loonarbeiders (vs 10). 11-15. Ook de kennis van magische krachten faalt. De wijsheid van de droomuitleggers, tekenverklaarders, tovenaars, naar hun zeggen een geschenk van de goden (vgl. de wijsheidsliteratuur) blijkt dwaasheid te zijn (1:21 v, 3:10). Zij kunnen de daden van de HERE niet doorgronden (vgl. 1 Kon. 4:30; 1 Kor. 1: 20). Het zijn dwaallichten, die dronken ronddolen. Erger kan de ontluistering van hun waardigheid niet zijn (vgl. 29:10). Een geest van bedwelming: die tot de dwaalgeesten gaan, maakt de HERE tot dwalende geesten (vgl. 6: 9, het bijzonder aangaande de farao van Egypte Ex. 10:2, 14:8). Zoan is de hoofdstad, Nof of Memphis een vroegere hoofdstad. De toestand lijkt uitzichtsloos: ook de rijke bovenlaag vindt geen werk meer (vs 15; vgl. vs 10).
Egypte zal de HERE leren kennen 19:16-21
De oordeelsspreuk verandert in zijn tegendeel en wordt tot een heilsspreuk. Vijf maal wordt begonnen met de profetische inzet: te dien dage, dan zal de HERE de volkeren doen omkeren. De oude onderdrukker en misleider Egypte staat model voor dit heilshandelen (30:2v). De slavendrijver Egypte zal zelf de verschrikking van de slavernij ondervinden. Zij zullen sidderen en beven (di. heen en weer geschud worden) voor de opgeheven hand van de HERE (10:32, 11:15, 13:12) en voor Juda. De bevrijding van Egypte wordt getekend in de beelden van de bevrijding van Israel: Het zijn dezelfde motieven als in Exodus: vrees (vss 16, 17); joodse kolonies (vs 18), het roepen tot de HERE vanwege onderdrukking, de komst van een verlosser (vs 20), het dienen van de HERE (vss 19, 21), de slaande en genezende hand van de HERE (vs 22). 18. Vijf steden, wanneer dit letterlijk is bedoeld, dan is de ligging onbekend. Maar het kan ook beeldspraak zijn: enige steden of de eerste vijf als aanduiding voor al de steden (vgl. Joz. 10). Stad van de verwoesting, waarschijnlijk On, Heliopolis, de stad van de zon, bekend centrum van de zonnecultus (vgl. Ez. 8). 19. Altaar en opgerichte steen worden hier tot tekenen dat dit land aan de HERE toebehoort. Hier wordt Hij gediend. De opgerichte steen van de mannelijke vruchtbaarheid in de baälsdienst (vgl. Deut. 6:21, 22) krijgt hier de functie van grenssteen (Gen. 28:13, 18). 20, de nood zal de HERE een nieuwe Mozes zenden aan Egypte, die het volk tot Hem zal leiden.
Vrede en zegen 19:22-25
Egypte en daarin de volken zijn hier Israel ten voorbeeld. Zij onderkennen dat het de HERE is die hun dit alles aandoet, zij erkennen Hem als de Here van de schepping (vgl. 1:3, 9:12). Dan zal er vrede zijn, wereldomvattend, onder het koningschap van de HERE (vgl. 2:1-5, 11:9, 10). Niet alleen Egypte, maar ook die andere wrede vijand van Israel wordt genoemd, Assyrië (vgl. Jona). Heerbanen (11:16) zullen deze volken verbinden, die delen in de zegen van Abraham (Gen. 12:2). Zo wordt Israel het midden van de aarde, één met de andere volkeren in het Rijk van de HERE.
Egypte en Ethiopië 20:1-6
Deze oordeelsspreuk verplaatst ons van de hoogte van het profetisch toekomstvisioen (19:22-25) naar de internationale politieke verhoudingen van vóór 711 v. Chr. Toen maakte Sargon II van Assyrië (722-705 v. Chr.) met zijn veldmaarschalk (de Tartan) de filistijnse stad Asdod met de grond gelijk. Aanleiding was een los-van-Assyrië-beweging onder leiding van Yamani van Asdod, geruggesteund door Egypte-Ethiopië. Toen koning Yamani naar Egypte vluchtte, werd hij echter gevangen genomen en door de farao uitgeleverd aan Ninevé, Assyrië. Dit is de historische achtergrond van de profetische waarschuwing om niet mee te doen aan een blok tegen Assyrië, ook al staan Egypte en Ethiopië erachter. 1-3. 71e dien tijde, de profetische inzet is hier te dateren vóór de val van Asdod. Als een gevangene moet de profeet rond gaan, als een teken van waarschuwing (vgl. 8:11). Niet in een ruige profetenmantel (Zach. 13:4), maar in zijn hemd (di. ongekleed) en blootsvoets, gedurende een periode van drie jaar. Opmerkelijk is dat er staat de HERE sprak door de hand van Jesaja tot Jesaja zelf. De opdracht tot de profetische uitbeelding van en de uitleg van dit teken vormen tezamen de profetie. 4-6. De profeet geeft aanschouwelijk een beeld van de toekomstige werkelijkheid. Zo zullen de koningen van Egypte -Ethiopië als gevangen weggevoerd worden naar Assyrië, in hemd, blootvoets, met ontbloot onderlijf; een toonbeeld van vernedering, als barbaren, kwetsbaar. Het tegenbeeld van vorsten, op wie men zijn vertrouwen kan stellen. 6. Kustland, kennelijk is bedoeld het gebied van de Filistijnen. De profeet legt aan een gezantschap uit die streek deze toekomstige uiting van teleurstelling voor, om Juda ervan af te houden uit angst de zijde van Egypte – Ethiopië te kiezen. Tot de HERE zal men gaan om redding (10:3, 31:1; vgl. 17:7). Dan behoeft men niet te vrezen (7:2, 12:2). In rustig-zijn en vertrouwen ligt de kracht van het volk (7:9, 26:4, 30:15).
Godsspraak over Babel, Duma en Arabië 21:1-1
Deze oordeelsspreuken geven in fragmenten van grote spanning een scherpe uitbeelding van de schrik en ontzetting van de profeet over wat er staat te gebeuren. Babel, Duma en Arabië zijn symbolische namen.
Babel is gevallen 21:1-10
1.De beelden van de woestijn met zijn striemende zandstormen, en van de zee met zijn stormvloeden worden hier met elkaar verweven (vgl. Jer. 51:42, 43): woestijnvan-de-zee. Babel zal in dit noodweer ten onder gaan, maar haar val betekent bevrijding voor de ballingen (vs 10). 2-7. De ziener is er op een dubbele wijze persoonlijk bij betrokken. De dialoogvorm voert de spanning op. Een vreselijk schouwspel… een rover die aan het roven is – een vernieler die aan het vernielen is. De verschrikkingen worden op ‘heterdaad betrapt’. Doe wat je doen moet… Elam … Medië … Betoon geen medelijden. De ziener dreigt te bezwijken bij het zien van dit alles. Let op de opeenvolging in de werkwoorden (vs 3). De ondergang van Babel is zijn geheime wens geweest, maar hoe verschrikkelijk dat is, wordt hij nu gewaar (vs 4). Het is geen tijd voor feest vieren meer (vgl. Dan. 5). Niet jezelf moet je met olie bestrijken, maar het leer van je schild heeft een onderhoudsbeurt nodig (vs 5). De wachtpost die uitgezet wordt is de profeet zelf: Hij krijgt opdracht op welke formatie hij moet letten. 8, 9. Toen riep de uitkijk; dit roepen is een signaal van zijn waakzaamheid en tegelijkertijd verslag uitbrengen: de formatie komt er aan: Gevallen, gevallen is Babel. De stad, het rijk en de godenbeelden zijn onderuit gehaald en aan stukken (Jer. 51:8; Op. 8:12). 10. Babel is ‘gedorst’, niet Israel (vgl. Mi. 4:13; Hab. 3:12; Jes. 41:15, 51:33), platgestampt zoals men een dorsvloer aanstampt.
Dageraad en nacht over Duma 21:11, 12
De ziener is een wachter die gevraagd wordt verslag uit te brengen over de toekomst. De plaatsnamen verwijzen naar Edom. Duma of Kedar (21:17) ligt in het gebied van de noordarabische woestijn. De profeet is raad gevraagd, maar zijn antwoord is een raadselspreuk. Morgen komt, maar ook nacht. Het is de vraag naar het hoelang van het lijden (vgl. 6:11). Er komt redding, maar een nieuw onheil zal daarop volgen (vgl. 34:5v). Dat de ziener zich niet alwetend acht, blijkt uit zijn aansporing: vraagt, keer terug, komt. Dat is, als je weer met vragen zit, kom dan opnieuw bij mij, om zo mogelijk hoopvolle antwoorden te vernemen.
Arabië, wat blijft er over van Kedar? 21:13-17
Dedan is een oase in de arabische woestijn, ten noord-westen van Medina. De Dedanieten zijn afstammelingen van Abraham en Ketura (Gen. 25:3). Tema is een knooppunt van karavaanwegen. De karavaanreizigers zijn door het oorlogsgeweld overvallen. Zelfs in die zuidelijke streken dringt de macht van Assyrië door. Vs 14 spoort aan tot hulp aan de vluchtelingen en tot het verlenen van asielrecht: het recht om daar te verblijven. De Aedarieten zijn befaamde boogschutters, die waarschijnlijk als hulptroepen van de Assyriers de karavanen overvielen, beroofden en de mensen uitmoordden. Met hun macht (heerlijkheid; vgl. 10:3; 16:4) zal het spoedig zijn gedaan. Op welke wijze zij zullen worden teruggebracht tot een ‘rest’ staat er niet bij.
Godsspraak vanuit Jeruzalem 22:1-25
De vallei-van-het-gezicht is een symbolische naam (vgl. 21 ;1, 11, 13) die aangeeft vanwaar uit de profeet de volken heeft geschouwd. Ook deze plaats blijft niet buiten het oordeel. Het is mogelijk een aanduiding voor Jeruzalem (vgl. Ps. 125:2) of een dal daar in de buurt. Het kan ook slaan op wat zich in dat dal afspeelt voor de ogen van de profeet (vs 5). Daar houdt de HERE gericht (vgl. Joël 4:12, 14).
Jeruzalem verwoest 22:1-14
1.Op de daken klimmen de mensen om de sterrenmachten te aanbidden (vgl. 15:3; Jer. 48:38). 2. De uitzinnige feestvreugde (vgl. vs 13) van een volk zonder toekomst, eist zijn slachtoffers. Ook dat is oorlog. 3-5. De profeet ziet – een eeuw later – de verwoesting van Jeruzalem (586 v. Chr.). Zonder slag of stoot valt de stad de vijand in handen; de legerleiding is gevlucht (vgl. 2 Kon. 25:40). De aanblik is smartelijk, de ziener is ontroostbaar. 6. Met visionaire oplettendheid wordt de aanvaller getekend (vgl. 5:26-30, 10:28-34, 21:2). Elam ligt ten Oosten van Assur en ten Zuid-Oosten van Babel.Kir (2 Kon. 16: 9) behoorde tot het gebied van de assyrische machtsinvloed (vgl. 11:11). Het schild ontbloot, voor de strijd wordt het leren schild uit de beschermhoes gehaald. 7-14. Als de aanvaller gereed staat voor de aanval, valt op slag de verblinding van de ogen van het volk. De benauwende situatie dringt tot hen door. In allerijl worden voorbereidingen getroffen. In het woudhuis behoren wapens te liggen (vs 8); de muren moeten versterkt (vss 9, 10). De watervoorziening is van levensbelang bij een belegering (vs 11; vgl. 2 Kon. 20:20 over de verbetering die Hizkia aanbracht). Zo wordt de stad heen en weer geslingerd tussen grote bedrijvigheid enerzijds en anderzijds een vlucht in feestvieren en hulp zoeken bij magische krachten. Er is geen geloof dat opziet naar de HERE (vs 11). Er is geen berouw en terugkeer tot Hem, de Bouwer van Jeruzalem en de Maker van de mens (vs 12). Zo luidt de profetische aanklacht (vgl. 1:3, 37:26, 40-66). Waar de verhouding tussen God en zijn volk niet wordt hersteld, is geen plaats voor verzoening, daar heerst de dood (vs 14; vgl. 1 Kor. 15:32).
De HERE verwijdert die misbruik maken van hun macht 22:15-19
Terwijl het volk zo handelt, dringt de overste van het huis van de koning zich op de voorgrond en bouwt aan zijn naam-in-eeuwigheid, een graf hoog in de rotsen tussen de koningsgraven. De tekening heeft treffende overeenkomsten met egyptische dodenverzorging: in het graf vereeuwigt de Egyptenaar zijn naam (vs 16; vgl. vs 18). 15. De hofmaarschalk voert de bevelen van de koning uit, regelt de hofhouding, int de belastingen, onderhandelt namens de koning (36:3v, 37:2v). Hij is de tweede man in het rijk, een ‘vader’ voor het volk, öf een op eer en macht beluste tyran. 16. Dit laatste verwijt de profeet aan Sebna met zijn egyptische instelling over leven endood. 17,18. Ongemeen scherp is de spot van de profeet. Als een mummie zul je ineengewikkeld worden en opgerold als een bal zul je weggeworpen worden in een ver land. Daar zullen je praalwagens bij je begrafenis (?) dienst kunnen doen. Schandvlek; de afgodendienst van deze vooraanstaande man met zijn invloed is de HERE een gruwel (vgl. 30:1-17, 31:1-9).
Uitstel van de ondergang 22:20-25
De profeet wijst een andere hofmaarschalk aan. Het tegenbeeld van Sebna; dit komt uit in zijn naam Eljakim, dat is: ‘God richt op, doet opstaan, bevestigt, doet vaststaan’. Hij wordt mijn knecht: Hij zal waarlijk een dienaar van de koning en van het volk zijn. Zijn kleed en de tekenen van zijn functie, de sleutels van het huis van David, zal hij op waardige wijze dragen. Deze messiaanse figuur ontvangt in de sleutelmacht de hoogste beslissingsbevoegdheid onder de koning (vgl. Mat. 16:19, 18: 18; Op. 3:7, 8). De /Ar-figuur, dat is de HERE, zal hem vastmaken als een tentpin. Hij zal in waarheid een ingezetene zijn (vgl. 5:8). Maar de verplichting die hij op zich neemt om voor zijn familieleden te zorgen op een wijze die niet in overeenstemming is met de waardigheid van zijn functie, zal de ondergang voor hem en zijn familie worden, luidt de ontmoedigende uitspraak in de vss 24 en 25.
Godsspraak over Tyrus en Sidon 23:1-18
Deze oordèelsspreuk heeft wel een vreemde plaats na de godsspraken over Jeruzalem en de volken, maar is inhoudelijk verbonden met het hoofdthema van de jesa-jaanse profetie: er zal een dag komen waarop de HERE de hoogmoed en trots van de mensen bestraft, dan zullen zij vernederd worden (2:12, 10:17). In deze klaagzang over Sidon, de landstreek waarin de steden Tyrus en Si-don lagen, wordt de ondergang van de ‘koopman van de volkeren’ bezongen in de vorm van een slecht-nieuws-be-richt dat de zeeën overgaat en schepelingen en zeehavens opschrikt. Haar handelaars en zeevaarders waren bekend vanaf de Indische Oceaan (1 Kon. 10:22) tot aan het Engelse Kanaal. In Op. 17 en 18 worden de oordeelsspreuken over Tyrus en Babel met elkaar verweven in het beeld van de wereld als de grote misleider en onderdrukker tegenover de stad van God. 1-14. Schepen van Tarsis (vgl. 1 Kon. 10:22), dat is de vloot van de grote vaart. Tarsis is waarschijnlijk Tartessos in Spanje. Wanneer de schepen terug komen van hun verre tochten, komt de onheilstijding hen tegemoet bij Cyprus (het land van deKit-tieten, de hoofdplaats van Cyprus is Kition): er is geen thuishaven meer (vs 1). De handelaars en bewoners van het oude Phenicië waarin de grote overslaghaven van het egyptische graan (Sihor) is gelegen, wordt de mond gestopt (vss 2, 3). Stomheid en schaamte resten hen. De bedrijvigheid op zee is op slag verdwenen: er is geen volgende generatie zeevaarders meer (vs 4). Egypte, de oude vertrouwde handelspartner, schrikt op van dit bericht (vs 5). De schepen die terugkeren uit Tarsis wordt aangeraden weer daarheen terug te gaan. Wie had kunnen denken dat het een havenstad met een zo rijke geschiedenis van waar uit zoveel kolonies zijn gesticht, zo zou vergaan? Het slechte bericht wordt met ongeloof ontvangen (vs 6). Het land van Chaldea wordt als aanvaller genoemd; dit gebied is zelf gevallen onder de macht van Assyrië (vs 13). Sargon II (772-705 v. Chr.) belegerde Tyrus vijf jaar. Sanherib teisterde Phenicië in 701 v. Chr. Asanhaddon nam in 677 v. Chr. Sidon nogmaals in. Later is Tyrus dertien jaar belegerd door Nebukadnessar (vgl. Ez. 29:17-21). In 332 v. Chr. nam Alexander de Grote de stad in na een belegering van zeven maanden. Weer later kwamen de Grieken, de Saracenen, de Kruisvaarders … De profeet ziet in de ondergang de straffende hand van de HERE (vss 8,9). Hij heeft een eind gemaakt aan die handelaars van koopwaar en koningen (nl. van Tyrus en Sidon) van hun trotse tronen gestoten (vss 8, 11). De zeevaart is voor hen ten einde, de overgeblevenen moeten zich maar over het land verspreiden en de akkers gaan verzorgen (vs 10). De uitzinnige vreugde van de wereldstad is voorbij. Het land is weerloos als een meisje dat sexueel misbruikt wordt. Ook in haar thuisland Cyprus zal zij geen rust vinden (vs 12). Vs 14 sluit het klaaglied af met een herhaling van vs 1.
Nog een periode van economische groei 23:15-18
De toon van dit gedeelte is grimmig, bijtend, spottend. Het beeld van het misbruikte meisje is vervangen door dat van een prostituée die over haar glorietijd heen is en met ophitsende liedjes om aandacht bedelt (vs 16). Na een periode van zeventig jaar (vgl. Jer. 25:11) zal de handel (even) opleven (vs 17). Maar de koopmanswinst heet nu hoerenloon en de wereldhandel het werk van een prostituée die zich met allerlei mannen afgeeft. Het is een wreed en schokkend beeld. Wie zulke zaken doet zal het zo vergaan. De idee van de vergelding staat hier op de achtergrond tezamen met nog een andere gedachte. Zoals de volken der aarde naar de Sionsberg zullen komen (2:2) om van de HERE zijn wegen te leren, zo zullen de kostbaarheden van de aarde in Jeruzalem aan God worden aangeboden (vgl. 61:5v, 45:14, 49:23 , 60:6, 9-11). Dit ten gunste van hen die voor het aangezicht van de HERE zitten: de gelovigen die in de tempel bidden, vasten en leren (30:19; Ps. 61:8).
De toekomst is aan God 24:1-27:13
Na de oordeelsspreuken over de verschillende volken afzonderlijk, komt nu de bewoonde wereld als een geheel in zicht. Deze derde reeks profetieën wordt wel de apocalyps van Jesaja genoemd. Echter, het eenzijdig accent op die andere werkelijkheid, het symbolisch gebruik van getallen en berekeningen daarmee, de tweedeling van deze en die andere werkelijkheid, de starre rechtlijnigheid van denken en het verzonnen auteurschap dat toegeschreven wordt aan een groot gelovige uit de begintijd, al deze kenmerken van de apocalyps ontbreken hier. Wel gaan deze profetieën over de eindtijd, over de strijd tussen de macht van de HERE en de kwade macht. Centraal staat het grote gericht, de redding van de ‘rest’ op Sion, het alomvattend koningschap van de HERE en de herschepping van hemel en aarde. In een liturgisch geheel van klaag- en dankliederen afgewisseld door profetische uitspraken worden twee steden getekend, de stad die ontruimd wordt en de beveiligde sterke stad (24:10, 25:2,26: 1, 27:10). De vijanden zullen vallen (24:21v, 27:1). Ookde dood zal worden overwonnen (28:8). Er zal een opstanding uit de dood zijn in een nieuw lichaam (26:19). (Hoe aangrijpend de oordeelsprofetieën hier ook zijn, de vreugde over een nieuwe blijvende heilstijd wint. De ge-dachtenontwikkeling is die van een wisselwerking waarin de voortgaande groei en de vernietiging van het kwaad tegenover de voortgang van recht en vrede wordt gesteld. De directe aanleiding tot de beelden is waarschijnlijk een verschrikkelijke aardbeving in Moab (24:18-20, 25:10), het buurland (vgl. 15:16). Wat de profeet vanuit zijn eigen positie schouwt – dat is Jeruzalem, Juda, Moab met als internationale machten Assyrië en Egypte – is de concrete uitbeelding van wat aan het eind der tijden staat te gebeuren: het einde van een wereldperiode en de inzet van een nieuwe werkelijkheid van heil.
De wereld gaat ten onder 24:1-23
Verwarring 24:1-13
De krachtige tekening in woorden wordt nog versterkt door herhalingen, het ritme van de woorden, en woordspelingen. 1-3. Jeruzalem en omstreken zullen ontledigd, ontruimd worden door de HERE (vgl. vs 13). Evenals Moab (vs 18) omgekeerd is door een aardbeving, zal de hele leefruimte van de mens wereldomvattend worden ontruimd, verwoest, ontregeld, zodat de mensen her en der een heenkomen moeten zoeken (vgl. Gen. 11:8). Niemand van hoog tot laag zal aan de bange vraag van hoe te overleven ontkomen, nu de aarde is verarmd door wanbeheer en de natuurlijke hulpbronnen zijn uitgeput. 4. De aanblik van die radikale teruggang is ontzettend, de natuur is verziekt, de machtigen zijn nergens meer. 5, 6. Samenleving en leefmilieu zijn ontwijd, di. misbruikt. De orde van leven en overleven (het eeuwig verbond) is aangetast vanwege het onrecht tegen de mensheid (10:14, 14:17, 20,15:6). Dan blijft dezegen uit, en de vloek blijft over (vgl. 1:19, 20). 7-12. Dan blijft er niets feestelijks meer over. Het leven van mens en natuur is gebroken. 13. Ja, zo is het in het midden der aarde. Op deze wijze zal het Jeruzalem en Israel vergaan (vgl. daar tegenover 25:4, 26:1). Slechts enkelingen blijven over zoals ook bij de oogst het geval is (17:6).
Een loflied naast wanhopig geschreeuw 24:14-16
De verwondering over hun redding is groot. Men, letterlijk ‘zij’, dat zijn zij die ontkomen zijn aan de ramp, halen opgelucht adem. Zij danken de HERE, omdat Hij hen heeft gespaard. Van de zee af is een plaatsbepaling: in het westen in het cultuurland rondom Jeruzalem. Dit staat tegenover de streken van het licht: ten Oosten van Juda waar de zon over de heuvels heen komt. Vanaf de rand der wereld horen wij liederen … (vgl. 44:21 v, 48:20, 49:12, 51:10). De heerlijkheid van de HERE wordt weerspiegeld in de heerlijkheid van de rechtvaardige rest (60: 21). Maar dan dringt de verschrikkelijke werkelijkheid van dat ogenblik weer op. Tegenover de ‘zij’ van daarginds, roept een /Ar-figuur wanhopig om hulp (17:4-6, 21: 2; vgl. 16:7, 15:5, 2:22). Is dit de profeet zelf? En gaat het om plunderaars die in de puinhopen de overlevenden aanvallen en beroven?
De HERE laat zich kennen als de Koning van de aarde 24:17-23
17, drie directe woorden wordt de schrik en ontzetting over het oordeel dat over de aarde raast, zichtbaar en voelbaar. Vluchten kan niet meer (Am. 5:19). de tekening van de aardbeving wordt het schokkend gebeuren van geboren worden herkenbaar. Zal er een nieuwe mensheid door de geboorteweeën heen geboren worden (vgl. Rom. 8:18v)? 20. Het gaat om meer dan een natuurramp. Wie de tora van de HERE overtreedt, maakt niet alleen anderen tot slachtoffer, maar hij laadt daarmee een zware last op zijn schouders waaronder hijzelf bezwijkt. Zie voor het beeld van een beschonkene ook 19:14. 21-23 Te dien dage, een nieuwe inzet van profetisch spreken. De HERE zal het heer van de hoogte ten te vinden. Zijn hier de sterren bedoeld (40:26) of de machten in de lucht (Ef. 6:12) of de koningen der aarde (2 Petr. 2:4)? Wanneer de HERE zijn koningschap aanvaardt zullen de machten die zich tegen Hem verheffen (Dan. 10:13, 20v; Ps. 82) worden gevangen genomen en opgeborgen in afwachting van hun definitieve berechting (vgl. de kroningspsalmen 93-100). 23. Dan zullen zon en maan tezamen met de vorsten die zich zelf zon en maan waanden, verbleken (zich schamen; vgl. vs 6) bij de heerlijkheid die het koningschap van de HERE uitstraalt (vgl. Ex. 24:9v) in een nieuwe wereldorde (vgl. Op. 20: 21).
Loflied ‘Onze God slaat toe en maakt recht’ 25:1-12
Bij de aanvaarding van het koningschap van de HERE past het loflied van allen die zich aan Hem verbonden weten (vgl. Ex. 15:2; Jer. 31:8; Ps. 118:28, 143:10).
Bevrijd van onderdrukking 25:1-5
Het loflied van de geringen en verdrukten op de grote daden en leiding van de HERE (vgl. 9:6, 28:29) staat tegenover de liederen van de onderdrukker (vs 5): Een wonder van raadsbesluiten hebt Gij verricht. Wat de HERE besluit zal werkelijkheid worden, hoe lang het ook nog zal duren (vgl. 22:10). Het is juist een teken van zijn betrouwbaarheid dat Hij lang van te voren zijn oordelen aankondigt (41:23,26v, 43:9v). 2-5. Destad, deversterk-te veste, de burcht der vreemden, dat is het bolwerk van de onderdrukkers en hun goden die zij daarin vereerden. Wanneer dit op Moab betrokken wordt (vgl. vs 10), dienen wij te denken aan de vruchtbaarheidscultus van Kamos en Baäl-Peor (vgl. 2 Kon. 3:27; vgl. Num. 21:29; Jes. 48:13). In beelden van uitzonderlijke weersomstandigheden wordt de verschrikking van de onderdrukking getekend: als verzengende hitte en als een stortbui die de muren week maakt en ondergraaft (vs 4). Niet alleen de overwinning van de HERE wordt bezongen, maar ook dat Hij het was die hen in leven heeft gehouden onder dit vernietigend geweld.
Bevrijd van duisternis en dood 25:6-8
6.Het loflied in de verzen 1-5 is een onderbreking. In vs 6 wordt nadrukkelijk aangesloten bij 24:23: op deze berg (vss 6, 7, 10). De redding van de HERE wordt meestalgetekend in het beeld van de genezing van een ziekte. Hier wordt de bevrijding gevierd met een feestmaal. Dit past bij het kroningsritueel (1 Sam. 11:15; 1 Kon. 1:9, 25). Er is iets tot stand gebracht, met de nieuwe koning breekt een nieuwe periode aan. Het feestmaal is daarvan de viering. Het geeft ook iets weer van overvloed: olie, koren, wijn. In het feestmaal wordt de vreugde gedeeld (vier maal staat alle in de vss 6-8; vgl. Mt. 26:29). De heilige maaltijd brengt gemeenschap met de HERE. Het is als zodanig een tegenbeeld van de vruchtbaarheidscultus op de hoogten met offers, feesten en maaltijden (vgl. Jer. 2:20; Hos. 3:10; Am. 2:8). 7. De sluier heeft betrekking op rouw (vs 8) of op blindheid van de mensen, dat is het onvermogen om de daden van God te onderkennen (6:9). Ook daarmee maakt de HERE een nieuw begin (2: 1-5): alle volken zullen de Koning in zijn schoonheid (luister) aanschouwen (33:17), zonder schrik of doodsdreiging. 8. Hij heeft de verslindende macht van de dood (Hab. 2:8) verslonden. En dat is iets heel anders dan de magiepraktijken om onsterfelijkheid te verwerven. De HERE maakt een einde aan de rouw. Hij droogt als een vader, een moeder, een vriend de tranen van hen, die door droefheid overvallen worden. Hij is het ook die een einde maakt aan de verachting, hoon, spot die zijn volk de geschiedenis door ten deel valt (vgl. Op. 7:17, 21:4).
Bevrijd van verwaandheid en list 25:9-12
9.Sluit aan bij het voorgaande. Verlossing of bevrijding is het werk van de HERE. Hopen is hier meer dan wachten (26:8, 32:2, 48:31). Zie, is aandacht richtend. Aan de maaltijd ontmoet men niet alleen elkaar maar ook de HERE (vgl. 1 Kon. 12:28; Ps. 48:15). 10-12. Moab staat hier, zoals elders Assyrië of Babel, model voor de anti-goddelijke macht (vgl. 15:16). De hand van de HERE, zijn Geest en Kracht, zal men hier leren kennen. De oervijand van Israel en van de Heilige Israels wordt uitgestoten (vgl. 14:14, 15, 19) en definitief vernietigd. Deze onderdrukkende macht wordt onder de voet gelopen ineergestampt), neergedrukt in de mest (vs 10). Hoe deze ook spartelt als een zwemmer (vs 11), hij zal geen ter vinden (vgl. Num. 25:18) om te ontkomen. Wanneer deze oervijand is neergehaald (vs 12), is er ruimte voor het koningschap van God over de hele aarde.
Danklied ‘vertrouw op de HERE’ 26:1-21
Tegenover de stad van het kwaad (25:2, 10), staat de stad van God (vss 1-6), tegenover de mensen die van de HERE en zijn tora vervreemd zijn, staan degenen die de HERE zoeken om Hem te leren kennen (vss 7-18). Tegenover de dood van hen die misdaden tegen de mensheid hebben gepleegd, staat de opstanding van degenen, die zijn tora hebben leren kennen en Hem zijn trouw gebleven (vss 19-21).
In de stad van God 26:1-6
1.Tegénover de stad van de hoogte (vgl. 24:10, 25:2) met haar bewoners die uit de hoogte doen (2:12) en op meedogenloze wijze hun afgoden op de hoogten vereren (vs 21), wordt hier het beeld getekend van de stad van God en die haar bewonen. Te dien dage, de profetische inzet spreekt over de stad van de toekomst. Haar sterkte is geen bruut geweld, maar de redding van de HERE, die voor haar bewoners tot een blijvende rots is (vs 4; Ps. 46: 2). 2. Daarom worden haar poorten open gesteld voor allen die zijn tora in acht nemen (vgl. 2:3). 3. Deze stad van vrede en recht is Jeruzalem. Het is een messiaanse stad met een messiaans volk (vgl. hstt. 7,9,11 met 60), dat op de HERE vertrouwt (Ps. 112:7). Zin, is gezindheid, drift, levenshouding. Vrede is welzijn, welvaart, meer dan geen oorlog. Hier is het centrale thema van Jesaja: die vertrouwen op de daden van redding door de HERE zullen leven in vrede. 4. Met zang en tegenzang wordt de HERE bejubeld. 5, 6. Hij is het die de hoogten in meerdere betekenissen (zie boven) heeft neergehaald. De machtelozen maken zijn werk af, zij ‘vertrappen’ de hoogmoedige stad en haar glorie op zoek naar iets van hun gading in de puinhopen.
Op Uw recht wachten wij 26:7-18
7.Het beeld verspringt steeds. De overgeblevenen in de puinhopen maken plaats voor het effen pad van de rechtvaardigen (vgl. Spr. 5:6). Zo springt het beeld van de vernietiging over naar dat van de bevrijding en weer terug. 8. De toon wordt heel persoonlijk. De profeet voelt zich er dicht bij betrokken. Hij is één van die rechtvaardigen en spreekt uit wat er bij hen boven komt: verlangen naar God tegenover de verschrikking van de situatie. De naam en gedachtenis van de levende God staan tegenover wat gezegd wordt in vs 14: mensen blijven niet in leven, zij sterven en zelfs de herinnering aan hen verdwijnt. Tegenover hen die zonder God en zonder zijn gerechtigheid leven (vss 10, 11, 21), staan zij die de HERE zoeken (vs 16). Zij zijn het die gerechtigheid leren onderkennen in de gerichten van God (vss 8, 9; vgl. daar tegenover 1:3). Zij zijn het ook die de Naam van de HERE (vss 8, 13) leren ‘spellen’ (en uitroepen, vgl. Ps. 34:3, 68:4) in de vrede (vs 12) en de volheid (vs 15; vgl. 9: 2) van volk en land (vgl. 30:8). Het woord voor gedachtenis wil zeggen plechtig uitroepen, proclameren, prijzen, vereren. 9. Zij zien er naar uit dat de HERE komt om recht te doen (vs 11; vgl. 5:24, 10:17) en recht te maken (vs 9; vgl. 2:3), zoals een zwangere vrouw uitziet naar het einde van de zwangerschap (vss 17, 18). In dat beeld wordt de moeite van het wachten op de HERE en zijn daden van bevrijding getekend en naar zijn grens gevoerd: wel weeën, geen geboorte, wel moeite en verdrukking, geen verlichting en bevrijding (6:11, 49:4): De mens tobt zich af, maar kan zichzelf geen nieuw leven schenken (vgl. 13:7v, 37:3). 14. Doden herleven niet … de heersers en hun goden tegenover de HERE zullen het afleggen. Bij de dood is hun macht ten einde (vs 19; vgl. vs 5). De afgoden zijn dode dingen (46:7).
Uw doden zullen herleven 26:19-21
19. Deze tegenstelling wordt verder uitgewerkt. Omdat de HERE de Levende is, zullen die Hem vinden ook leven en opnieuw gaan leven door zijn reddend handelen (vgl. 25:8). Dit is het antwoord van de HERE aan die naar Hem vragen (vgl. Dan. 12:2). Het is een belofte als de morgendauw, die de woestijn omtovert in bloeiend land (Ps. 110:3). Schimmen, vgl. vs 14, zie ook 14:9. 20. Het directe spreken tot de doden wordt vervolgd in de aansporing tot ‘mijn volk’ om zich te verbergen (vgl. Job14:13) tegen de verschrikkingen om hen heen, zoals bij Noach (Gen. 7:16), en in Egypte, toen de doodsengel rondging (Ex. 12:22). dat gericht zal de HERE de misdaden tegen de mensheid aan het licht brengen en de onrechtdoeners zullen hun straf niet ontgaan. In het volgende vers krijgt deze strijd een wereldomvattende betekenis. Zoals in de oertijd de chaos moest worden tegengegaan om orde te vestigen, zo zal de HERE opnieuw de strijd aanbinden met de machten van de duisternis.
Een volk voor de HERE 27:1-13
1.In een beeld ontleend aan de kanaänitische vrucht-baarheidscultus, nl. dat van de oerstrijd tussen Baäl de heer, of Anat de jageres, met de vernietigende slang Lotan of Leviatan, wordt de strijd tussen God en de anti-goddelijke machten getekend als een zwaardgevecht (vgl. Ri. 7:20; Jes. 34:6; Jer. 12:12, 47:6). De Leviatan (of Ra-hab, Job 26:12) is hier snel en kronkelend, een zeemonster. De symbolische betekenis wordt heel verschillend aangegeven. Is dit een oermonster dat chaos brengt? Dan is er overeenkomst met het babylonische scheppingsverhaal, de strijd tussen Marduk en het chaosmonster Tia-mat. Of moeten wij denken aan de verwoestende kracht van rivieren die buiten hun oevers treden in de regentijd (vgl. vs 12)? Of is het een stormvloed vanuit zee, die het land bereikt en dood en verderf brengt? Of is het een combinatie van de vernietigende kracht van zee en woestijn? De slang hoort immers thuis in het woestijngebied. Of staan deze vernietigende natuurmachten model voor de wereldmachten met hun goden en vernietigende lege-rexpedities? Hoe het ook zij, de HERE zal te dien dage deze macht van de verwoesting overwinnen, luidt het woord van de profeet.
De wijngaard des HEREN zal vrucht voortbrengen 27:2-6
2, 3. Opnieuw een profetische aanzet. Wanneer de demonische machten overwonnen zijn, zal de HERE zijn voortdurende aandacht wijden aan zijn wijngaard, Jakob – Israel. Deze verzen staan tegenover Jes. 5, (vgl. Ps. 80 en Gen. 2:4, 5). De toorn des HEREN zal niet meer de wijngaard verwoesten (5:6). Hij zal het onkruid wegdoen op zijn tijd (vgl. Mat. 13:24-30). Of het ‘onkruid’ zal moeten veranderen en in vrede met de Ik-figuur, dat is de HERE, gaan leven. 6. De vrucht van deze wijngaard zal de aarde vervullen: het heil uit Israel zal wereldwijde betekenis hebben (vgl. Jes. 2,5; 7, 9, 11).
Het onrecht wordt verzoend of vernietigd 27:7-11
De omkeer (in vs 5) tot de levende God brengt verzoening tot stand (vs 9). Voor hen die niet tot zijn Vrede komen, geldt de vloek van een totale vernietiging (vss 10, 11). 7, 8. De HERE heeft Juda geslagen vanwege hun onrecht, maar niet in de mate waarin zij onrecht tegen de mensheid hebben gepleegd. Hij heeft hen uiteengejaagd, zoals een woestijnwind een karavaan uiteenjaagt. 9. Echter, niet Jakob wordt vernietigd, maar het kwaad van de kanaänitische cultus zal worden weggedaan (17:8). De verschrikking van het lijden betekent voor hen die leven in vrede met God een beproeving, een zuivering. Hun ongerechtigheid wordt verzoend (40:2). Voor hen is de ballingschap niet zonder zin (vgl. Spr. 16:6). 10, 11. Afgodendienst en de wreedheid van de wereldsteden hangen blijkbaar samen (24:21, 25:2; vgl. ook 7:21,25). Wat er van overblijft is een woestenij. Van de bomen, eens de trots van die steden, zullen kalveren de twijgen afvreten, en bedoeïenenvrouwen zullen van de takken brandhout maken. Groter kan de ontluistering niet zijn (vgl. 44:18v, 45:6v).
De oogst als beeld van de terugkeer 27:12, 13
Ook deze reeks profetieën eindigt met een heilsverkondi-ging. Die uiteen geblazen zijn (vs 8) zullen ‘geoogst’ en ingezameld worden. De profeet voorziet de terugkeer van de ballingen, dat zijn zij die ‘dood’ zijn of ‘verloren’ zijn – vluchtelingen die vertoeven buiten het beloofde land (vgl. Jer. 23:1; Ez. 34:4; Ps. 119:176). De rivieren van de vruchtbare halve maan worden genoemd: over het gebied van Egypte tot Assyrië toe hebben de mensen zich verspreid. Aren dorsen, zij moeten losgeklopt worden, want de heersers laten hen niet gaan (vgl. Ex. 8:32, e.a.). Zij zullen ingezameld worden als de oogst in de boomgaard of de wijngaard. De bazuin (Hebr.: sjofar) is een grote ramshoorn, waarop het signaal van de terugkeer zal worden gegeven (vgl. Ri. 3:17; 1 Sam. 13:3; 2 Sam. 20:12). De grote overwinning van de HERE staat hier niet in het teken van de strijd (vs 1) of van een nieuwe schepping, maar eenvoudigweg als het inzamelen van de vruchten in de oogsttijd (Op. 7:9v).
Verwachten wij hulp van de HERE of van mensen? 28:1-31:9 “
Deze reeks profetieën in Jes. 28 tot 35, met als aanhangsel Jes. 36-39, sluiten inhoudelijk aan bij de eerste reeks, Jes. 1-12. De internationale verhoudingen zijn zeer onzeker. Waarschuwde de profeet toen koning Achaz tegen te nauwe banden met Assyrië (Jes. 5), nu waarschuwt hij koning Hizkia om niet zijn vertrouwen te stellen op de macht van Egypte. Deze reeks profetieën behoort tot de latere periode van de profeet. Het zijn reacties op de gebeurtenissen tussen ongeveer 720 en 700 v. Chr. Samaria is gevallen (722 v. Chr.), maar Jeruzalem is gespaard gebleven tot dan toe (701 v. Chr.).Deze lokale gebeurtenissen vormen voor Jesaja de concretisering én het concentratiepunt van zijn profetisch spreken over ondergang en redding van de wereld.
Oproep aan hen die God verachten 28:1-29
Deze oordeelsspreuk past bij die van Jes. 13-23, maar staat’ hier aan het begin van de profetieën over de bedreigde en gespaarde stad Jeruzalem als waarschuwend voorbeeld. Dit profetisch woord verplaatst ons naar de tijd vóór de val van Samaria (722 v. Chr.).
De verwaandheid van Samaria wordt haar ondergang 28:1-6
1- deze verzen schetst Jesaja Samaria als een stad van feesten, drinken en religieuze prostitutie (vgl.Am. 2: 8, 12, 4:1, 5:11, 6:6). De uitzonderlijke schoonheid van deze aantrekkelijke stad wordt hier onthullend getekend in haar neergang. De stad met haar brede stadsmuren gelegen op een platte heuvel te midden van vruchtbaar akkerland, is als een trotse kroon, een krans, maar dan één op het hoofd van een dronken feestvierder, met verlepte bloemen: een toonbeeld van vreugderoes en overmoed. Noodweer zal deze uitzinnige stad treffen. De trotse krans zal onder de voet gelopen worden door de machtige aanvaller die de HERE daarvoor achter de hand heeft. Als een vroege vrucht zal de stad ontdekt en verslonden worden. 5, 6. Maar dat is het einde niet, de HERE zal een nieuw begin maken. Hij zal de heerlijkheid van deze ontmuurde stad worden met haar rest van bewoners (10:20-23). Dan wordt de stad een toonbeeld van recht en welzijn (sjaloom; vgl. 4:4, 9:6, 11:1-5), van betrouwbare rechters en moedige aanvoerders.
De bestuurders raken verstrikt in hun eigen regels 28:7-13
7, 8. Zoals Samaria in haar roes ten onder is gegaan, zo zal het van hoog tot laag in Jeruzalem vergaan in de regeerperiode van Hizkia (na 715 v. Chr.). Men vlucht in een feestroes om te ontkomen aan de harde werkelijkheid van onrecht en onvrede (Mat. 15:11, 19). De uitbeelding is realistisch. Niemand heeft meer vaste grond onder de voeten. De overblijfselen van de feestmalen zijn walgelijk. Flarden dronkemanspraat klinken nog na. 9, 10. Een woordenwisseling tussen valse en ware profeten (vgl. 1 Kon. 22:13v; Am. 7:14; Mi. 2:6-11): … hij, dat is de profeet Jesaja, moet hij ons nog iets leren? Zij praten hem spottend na. De profeet slaat volgens hen kinderachtige taal uit, zijn profetie is kinderwijsheid. Een vertaling van vs 10 is niet te geven. Het is een herhaling van twee hebreeuwse letterklanken, zoals kinderen, die leren praten, klanken eindeloos kunnen herhalen. 11-13. Jesaja geeft weerwoord; Zinloze kinderpraat? Je zult bedoelen de onverstaanbare roa/klanken van vreemde onderdrukkers. Door hen spreekt de HERE. Hij is het die rust heeft beloofd aan de vermoeide woestijnreiziger (Deut. 25:17-19; vgl. 7:9, 30:15, 26:14, 32:2). Zij hebben niet geluisterd. Zo zullen de woorden van de HERE voor jullie onverstaanbare klanken vormen. Zonder Zijn tora zullen jullie achterover vallen, neerstorten, verstrikt, gevangen raken als opgejaagd wild (vgl. 8:14, 15).
De hoeksteen van het recht tegenover een verbond met de dood 28:14-22
14. Daarom, in verband hiermee … Het woord wordt gericht tot spotters, lett. ‘spreukendichters’ (vss 7-10) en heersers, lett. ‘grootsprekers’, de bestuurders, de koning en zijn adviseurs. 15. Het verbond met de dood staat tegenover de hoeksteen die de HERE heeft gelegd als basis voor de vrede en toekomst van zijn volk (vs 6). Is dit een verbond met Egypte (het land van de dodencultus) of met machten uit de onderwereld (8:19) of staat dit voor leugen en bedrog! Hoe het ook zij, zo hebben deze tegenstanders dit niet gezegd. Zijn dit woorden uit een protestlied tegen valse profeten? Duidelijk is wel, dat de bestuurders gerust zijn. De aanstormende watermassa of stormvloed (gesel is minder juist vgl. Job 9:23) van de Assyriers zal hen geen dood en verderf brengen, menen zij, geruggesteund door de verdragen met Egypte. Leugen en bedrof kan ook slaan op list, sluwe handigheid. 16. Op de hoeksteen treffen de fundamenten elkaar (8: 14). Deze hoeksteenbelofte wordt in het N.T. naar voren gehaald (Rom. 9:33; 1 Kor. 3:10v; Ef. 2:21 v; 1 Petr. 2:110). De HERE is bouwmeester. Hij bouwt een nieuwe tempel voor die geloven. Haasten, is ‘zich opgewonden tonen’; dit is het tegenovergestelde van rustig wachten en vertrouwen op de daden van de HERE (vgl. Rom. 9:32, 33; Jes. 7:9; 49:23 tegenover 30:3, 5). ‘Haasten’ is hier verbonden met angst en verwarring. de woorden meetsnoer en paslood wordt het beeld van het bouwen voortgezet (vgl. 30:13v; Am. 7:7v). De Assyriers zullen als een noodweer komen opzetten en als een stormvloed de valse fundamenten van listigheid ondergraven. 18. Het verbond met de dood zal bezwijken onder die druk. Vertrapt worden, vgl. vs 3 en 26:6. 19. De vijand kan er in en uit, wanneer hij maar wil: dit is een toonbeeld van onveiligheid. Roversbenden zaaien dood en verderf. 20. Het zal gedaan zijn met hun gerustheid. Het verdrag dekt hen niet als een deken, het is geen rustplaats als een bed. 21. De bergen Perazim in het Zuid-Westen, tussen Jeruzalem en Bethlehem enGibeon twee uur gaans ten Noorden van Jeruzalem (2 Sam. 5:17-25) herinneren aan de oorlogen des HEREN (2:19). Hier is echter God aan de spits van de vijand: Vreemd en ongewoon is dit bestraffende optreden van de HERE (vgl. Am. 3:8; Hos. 13:7). 22. De godsspraak sluit af met een oproep tot omkeer (vgl. vs 14, 29:20): spot niet. De profeet getuigt: ik heb hst gehoord van de HERE der heerscharen (vgl. 8:122).
Een gelijkenis: het werk van de landbouwer 28:23-29
In de verteltrant van de wijsheidsleraar keert de profeet zich met een gelijkenis tegen de kritiek van zijn tegenstanders (5:20, 29:14, 31:lv). Zoals een landbouwer voortdurend wisselt van werkwijze bij het voorbereiden van de grond (ploegen, eggen) en het zaaien van de verschillende gewassen, zo zijn ook de verschillende daden van God en de uitspraken van zijn profeet daaromtrent te verstaan. Wie de verschillende bewerkingen van de grond voorbereiden, van zaaien, en van dorsen kent, is ingewijd in de kennis die van God komt. Ook dat is tora (vs 26). Ook als Gods werk vreemd en ongewoon is (vs 21) is het de wijsheid van de HERE (vgl. de namen van de Messias in 9:5 en 11:2 met de lofprijzing in vs 29). Wanneer de profeet verschillende standpunten inneemt, in verschillende situaties, dan blijkt daaruit dat hij het levende spreken van de HERE verwoordt. Vs 28 gaat in op kritiek. Hoe kan de HERE zich als een vijand tegen zijn volk keren? De mensen zijn het koren dat Hij dorst. In de verschrikkingen van onderdrukking en onrecht bewaart Hij het graan; dat wordt niet verbrijzeld. Zo is er voor mensen die de tora in acht nemen redding temidden van hun vijanden.
Jeruzalem in bet nauw gebracht en bevrijd 29:1-24
In deze oordeelsspreuk wordt uitgebeeld wat in het voorgaande kort werd aangeduid. Bestraffing én redding zijn beide en tegelijk het werk van de HERE. Niets ontkomt aan het oordeel wat veroordeling verdient en niets wat waarde heeft gaat verloren. Is de historische achtergrond hier de aanval van Sanherib in 701 v. Chr. op Filistea en Juda?
De bevrijding komt onverwachts 29:1-8
1-4. Ariël (vuurhaard) wordt naar Ez. 43:15 vertaald met haard van het altaar. In vs 8 blijkt het over Jeruzalem te gaan. Ariël is Sion, de stad waar het altaar zich bevindt. De verovering van de stad doorDavid speelt hier in door (2 Sam. 5:6-9; 1 Kron. 11:4-7). Temidden van de feestencyclus rond nieuwjaar spreekt de profeet het wee u uit. De feestceremonieën (vgl. l:10v) brengen geen zegen, en bannen geen boze machten uit. De stad van de vuurhaard van het altaar zal zelf tot een vuurhaard worden waarin haar bewoners zullen vergaan. De vss 2 en 4 verwijzen aanschouwelijk naar de verschrikkingen van een holocaust – een volkerenmoord (8:19, 30:33; 1 Sam. 28: 3, 7). De /Ar-figuur, dat is de HERE, verricht dit vreemde vijandige werk door de stad in het nauw te brengen; alle verdragen waar achter men zich veilig waande ten spijt (vs 16). 5-8. De belofte van een onverwachte bevrijding gaat in 701 v. Chr. gedeeltelijk in vervulling (vgl. 37:3337). Het te hoop lopen van volkeren tegen Jeruzalem (vs 7) en de grote tekenen van de vernietigende aanwezigheid van de HERE verwijzen echter naar een grotere strijd (vgl. Zach. 14: lv). Een verschrikkelijke macht zal de stad belagen, maar op het laatste moment zelf worden weggeblazen als kaf bij het dorsen (28:28). De teleurstelling van de aanvaller daarover wordt levendig getekend (vss 7, 8) nog wel in beelden die in de belegerde stad niet onbekend waren: wensdromen over bevrijding, over eten en drinken. Net zo min als die werkelijkheid waren, zullen de verlangens van de aanvaller voor hen werkelijkheid worden.
Israels duisternis en omkeer 29:9-24
Het volk wordt in zijn voortbestaan bedreigd (vss 1, 2, 4) en leeft zonder profetie (vss 9-12) met een geloof van louter woorden (vss 13, 14) aan zijn Schepper voorbij (vss 15, 16). Dan brengt de HERE een omkeer teweeg: de onderdrukker moet het afleggen (vss 17-21) en zijn volk komt tot inzicht en leert Hem prijzen (vss 21-24).
Het volk is verblind 29:9-12
9.Het volk dat de profeet uitjouwt en nabauwt (28:7-10) raakt uit zijn koers, gaat slingeren als een beschonkene, terwijl het zich wanhopig vastklemt aan vermeende zekerheden (28:15). 10. Deze kernachtige zin jullie ogen, de profeten, laat zien dat Israel het onderwerp is van deze godsspraak. Het volk beneemt zichzelf (30:10) het zicht op de eigen situatie en de toekomst (Spr. 29:18; 1 Sam. 3:lv). Dan verbergt de HERE zich voor hen. 11,
12. Het volk zonder profeten, hoofden, zieners, zonder boek van de waarheid, zal worden als kinderen die nog niet kunnen lezen (vgl. 28:9, 10).
Hun godsdienst bestaat enkel uit woorden 29:13, 14
13. Wanneer godsdienstigheid verminderd wordt tot uiterlijk vertoon, zonder dat de mens zelf meekomt als gesprekspartner dan is het een ‘uit het hoofd geleerd lesje’.14. Wanneer de godsdienst geen werkelijkheid is voor de mensen, dan houdt hun wijsheid op wijs te zijn. Dan tast men rond in het duister (vs 9; 1 Kor. 1). Ook dat is het werk van de HERE.
Verachters van God 29:15, 16
15. Wanneer de echte wijsheid is verloren gegaan, maakt men in eigen hoogmoed plannen in het verborgene. Dat zijn samenzweringen, waarin men niet welkome waarheden ten onder tracht te houden (30:9v; Jer. 2:26, 23:13v; Ez. 8:12). 16. Deze houding is een ontaarding van het menszijn: De verhouding tussen Schepper en schepsel is in zijn tegendeel veranderd (45:9, 64:8; vgl. Rom. 9:20v).
De grote omkeer 29:17-21
In die uitzichtloze situatie zal de HERE een omkeer teweeg brengen (vss 17-19). Dan zal het gedaan zijn met hen, die spotten met God in een leven vol onrecht en geweld (vss 20, 21). 1.7. De vernieuwing van de mensensamenleving wordt zichtbaar in de natuur. Het felbegeerde en dikwijls omstreden gebergte van de Libanon is hier een toonbeeld van uitbuiting en verkeerd natuurbeheer (10:34, 32:15). Op de leeggeroofde berghellingen zullen opnieuw de ceders groeien en een woud van bomen vormen. 18. Die doof en blind waren voor de tora (vgl. 6:9) zullen tot inzicht (1:3) komen (vs 24). 19. Zij die het slachtoffer waren van onrecht en geweld, de eenvoudi-gen en armen (11:4, 14:30; Am. 2:6v) zullen van harte (vgl. vs 13) de Heilige Israels kennen en lofprijzen. 20,21. Betere tijden breken aan (vgl. 1:25, 26). Het is de messiaanse heilstijd.
Een volk tot eer van God 29:22-24
22. Daarom, dat is in verband hiermee, behoeft Jakob zich niet te schamen of te verbleken (zie 19:9). De heilsgeschiedenis wordt in één beeld vastgelegd: Abraham is bevrijd. Waarvan? Uit Ur der Chaldeeën? Uit de dienst van de sterrenmachten? Uit de precaire situatie in Egypte? Uit zijn vreemdelingschap? Hoe het ook zij, zijn nageslacht Jakob zal in ere kunnen leven (vgl. 25:6v). 23. Het leven krijgt weer glans in de aanwezigheid van de HERE. Het geloof wordt tot een werkelijkheid in het leven van de mensen. Zij heiligen zijn Naam. deze toewijding trekken zij ‘verdwaalden en botterikken’ mee.
Stel geen vertrouwen op de macht van anderen 30:1-31:9
De heilloze plannenmakerij in de jaren vóór 701 v. Chr. om op de macht van Egypte te vertrouwen tegenover die van Assyrië is hier evenals in 28:14-22 het onderwerp en wordt verder concreet gemaakt (vgl. Jes. 20). De profeet waarschuwt tegen het gezantschap dat Juda heeft uitgezonden om zich van de steun van Egypte te verzekeren.
Een verbond met Egypte biedt geen bescherming 30:1-7
In de vorm van een ‘wee u’-spreuk (vs 1) richt de profeet, die niet geraadpleegd is, zich tot hen die het voorstel om de bescherming van Egypte in te roepen, ondersteunen. De missie zal niet alleen tevergeefs zijn (vs 7), maar zelfs schadelijk (vss 5, 6). 1, 2. Opstandige kinderen worden zij genoemd: kinderen naar 28:9-13 en opstandig, omdat zij niet rekenen met de HERE (29:15; zie vs 9). Een verbond sluiten, een andere vertaling is, een beschutting vlechten: zich achter vermeende zekerheden veilig voelen.Zonde op zonde, het ene verdrag na het andere (vgl. 2 Kon. 18:14). 3-5. De profeet is duidelijk: dit brengt hun geen bescherming, maar schande, geen schaduw maar smaad (vgl. 25:4), geen voordeel maar verlies (vs 6; vgl. 28:20). Zoan of Tania is een grensstad in de Nijldelta. Hanes ligt meer stroomopwaarts naar het Zuiden. 6. Last of godsspraak, kan hier ook letterlijk zijn de last van de geschenken die het verzoek om steun aantrekkelijk moeten maken (vgl. 22:25; Ex. 23:5). De reis van de gezanten met hun spullen loopt door de woestijn (Zuiderland), een land van benauwenis en beklemming, vanwege wilde dieren en demonen (vliegende draken), een land van de dood. 7. Wie zoekt daar zijn redding? Het is een doodlopende weg. Want Egypte is lucht en zijn hulp is waardeloos. Rahab, lett. de aanstormende, de onstuimige (3:6), is het chaosmonster (vgl. 27:1) dat door de HERE verslagen is (Ps. 51:9, 89:1U Job 26:12; in Ps. 87:4 de naam van Egypte). Stilzittend is een vertaling voor hulpeloos of futloos zijn. In één naam vat de profeet zijn waarschuwing samen: Egypte is onstuimig-futloos.
Wie het woord van de profeet verwerpt, zal zelf neervallen 30:8-17
Het centrale thema van Jesaja wordt hier aanschouwelijk verwoord: Niet een opgewonden, zenuwachtige activiteit (vs 16), en ook niet slinkse diplomatie (vs 12) zal u redden van de dreigende ondergang (vss 13, 14), maar stil vertrouwen op de HERE zal uw kracht zijn (vs 15). 8. Voor het volk dat nu niet wil horen naar de profeet (vss 10, 11), zullen de woorden worden opgeschreven in een boek (waarschijnlijk twee plankjes met in het midden scharnieren) om die te bewaren voor de toekomst (vgl. 8: 1). 9. Weerspannig volk, een uitdrukking uit de boeken van Mozes over de woestijntocht: Zij staan hier op tegen de profeet (vs 1), zij stellen hun vertrouwen op leugens (29:15) en niet op de tora, de leef-aanwijzingen van de HERE. 10, 11. De wereld wil bedrogen worden (vgl. 5: 20, 6:10, 29:10). 12, 13. Daarom, in verband hiermee komt het oordeel. Wie achter een muur van laster (onderdrukking) en leugen (of slinksheid) zich veilig waant, en niet bouwt op de rots die de HERE is, zal zelf het slachtoffer van die ongerechtigheid worden. Zijn veiligheid is een scheve muur, die op hem valt (vgl. Ez. 13:10v; Am. 7:7v; Hab. 2:9-11). 14. De muur die bescherming moest bieden, blijkt minder te zijn dan een lemen vat, dan een breekbare kruik in de huishouding (vgl. 29:16; zie 2 Kor. 4:7 voor een andere toepassing van dit beeld). 15, 16. Hierin is de profetische aanklacht samengevat: maar gij hebt niet gewild (28:12). Tegenover alle panische bedrijvigheid (vs 16) van wanhopige mensen, stelt de profeet: zitten en rustig zijn, je stil houden en vertrouwen op de HERE (vgl. 28:16). In bekering, dat is terugkeer tot God (10:21) en niet in wapens en verdragen met andere volken ligt de weerbaarheid van de gelovigen (vgl. Joz. 23:10; Jes. 7:9). 17. Wie deze verhouding tussen de Schepper en zijn schepselen omkeert, is niet wijs, maar dwaas (vs 1), vindt niet de kracht van rustig vertrouwen, maar vlucht in paniek weg, de bergen in (2:19). De banier (seinpaal), het teken van verzamelen voor de aanval (13:10) wordt tot een teken van de vlucht. Of van een nieuw begin?
De beloften van de HERE zijn richtingwijzers naar een toekomst van vrede en recht 30:18-26
18. Evenals in 29:17 gaat de oordeelsspreuk direct over in een heilsprofetie. De HERE ziet op zijn beurt uit naar hen die naar Hem uitzien (vs 15). Hij brengt een keer in hun uitzichtsloze situatie. Hij zal zich verheffen: opstaan en zich over hen heen buigen om hen recht te maken (vgl. daar tegenover 5:15, 16). De HERE brengt hen in een rechte verhouding tot Hem (vss 19-22) en in een leven van welzijn (23:20). 19. Die in Jeruzalem gezeten zijn, zal Hij troosten. De directe aanspraak gij onderstreept hoe de HERE bij hen zal zijn. 20, 21. Een andere vertaling maakt dat duidelijk: Hij zal u het brood van de benauwer geven, het water van de onderdrukker… Leraar, is een woord uit de wijsheidsliteratuur, het sluit aan bij 28:26 en staat tegenover 29:14. De HERE staat achter hen en zal hen zijn weg wijzen (vgl. Joz. 24:24). 22. Dan zullen de mensen zelf inzien wat zij verkeerd deden en hun afgodendienst van zich afwerpen (vgl. vs 9). 23, 24. Zij zullen onder de zegen van de HERE in welzijn leven (4:2; Am. 9:13v; Hos. 2:21; Jer. 31:2v). Let er op hoe ook de dieren delen in die vrede (vgl. 1:3, ll:6v). 25, 26. De dag des HEREN is als een aardbeving (vgl. 15, 16) én een nieuwe schepping, een dag van verwoesting én herstel. Enerzijds wordt gesproken over een licht met een geweldige intensiteit (zevenvoudig), een vuurbal met de kracht van een kernaanval. Anderzijds is daar de HERE die als een zorgzame vader, de verwondingen die zijn kinderen hebben opgelopen, verbindt (vgl. l:5v).
De vijand zal door vuur vergaan 30:27-33
Het bevrijdingsfeest betekent voor de onderdrukkers het einde. Jeruzalem viert feest (tegenover de feestroes in Jes. 29) en zingt als Mirjam bevrijdings/feeteren (vs 32, vgl. Ex. 15:20) bij de ondergang van Assyrië (vs 31; vgl. 14:24-27; 2 Kron. 30:lv). Dit gebeuren is voor de profeet een concretisering van de oordeelsdag in de eindtijd (vs 33). Ook hier een godsopenbaring, als bij de Schelfzee, herkenbaar voor mensen: De Naam des HEREN (vgl. Deut. 33:2; Ri. 5:4; Hab. 3). De aan God vijandige machten zullen hun verslindend werk (vs 28) moeten stoppen. Het bit dat doet dwalen, zoals een andere vertaling luidt, herinnert aan de wreedheid van Assyrië om gevangenen met een touw om de nek waaraan een hout of haak bevestigd was, weg te voeren (vgl. 38:29; Am. 4:2, 3). In dezelfde beelden als waarin hun moorddadige expedities en deportaties zijn weergegeven, wordt nu de strijd van de HERE tegen het onrecht getekend (vss 2830). Centraal staat hier het verterend vuur of de vuurhaard (vss 26, 27; vgl. 9:18, 13:9, 29:1-8). Uit Jer. 7:31 blijkt dat deze vuurzee getekend is naar die van de Mo-lochcultus (vgl. 2 Kon. 23:10). Daar waren het kinderen die geofferd werden aan de vuurgod Kamos. Hier worden de aan God en mensheid vijandige machten door vuur vernietigd. In vs 33 wordt de vuurgloed in verband gebracht met zwavel dat vrijkomt bij vulkanische uitbarstingen (vgl. Gen. 19:24; Deut. 29:23; Jes. 34; Ez. 38:22; Op. 19, 20).
Vertrouw niet op de macht van de paarden die Egypte heeft 31:1-3
1.Deze wee-spreuk (vgl. 3:9, 11, 5:8v, 10:4) zegt het oordeel aan over degenen die zich veilig wanen achter de strijdmacht van Egypte (29:15,16) en niet opzien naar de Heilige Israels om redding (Jes. 6). De blik richten op, doet denken aan het kijken naar afgodsbeelden; bij Israel is het de toewending tot de HERE (17:7, 22:11). 2, 3. De profeet gaat in op kritiek (vgl. 29:26, 29). De toon is ironisch. De HERE kan het opnemen tegen de wijsheid van Egypte, waarvan jullie zo onder de indruk bent (vgl. 5:21, 19:11, 29:14). Hij zet zijn plannen door, ongeacht geweldenaars en tovenaars (vgl. 26:5, 45:7; Am. 3:6). In de tegenstelling vlees – geest wordt de verhouding Schepper – schepsel getekend. De Egyptenaren met hun paarden zijn geen goddelijke krachten, maar sterfelijke wezens, die in de strijd met de HERE het onderspit delven (vgl. 36:8v, 37:36v).
De HERE strijdt vanuit Sion 31:4-9
Is de historische achtergrond van deze vss de belegering en aftocht van Sanheribs legers in 701 v. Chr.? De zorg van de HERE voor Jeruzalem staat hier op gespannen voet met vs 3, 4, 5. De profeet staat in een persoonlijke verhouding met God – tot mij (8:11, 18:4, 21:6, 16, 22: 14). De zorg van de HERE wordt in twee beelden getekend. Enerzijds in zijn vernietigende kracht als een grommende leeuw die zijn buit verdedigt (Joël 3:6; Am. 1:2; Jer. 25:30), anderzijds in zijn zorg voor de mensen, zoals vogels hun jongen beschermen (Deut. 32:11). Een betere vertaling is: … Hij beschermt en daardoor redt Hij. Hij schept ruimte en daardoor doet Hij ontkomen. 6, 7. Omkeer is voor de profeet belangrijker dan bevrijding (29:15). Dan zullen de mensen hun afgodsbeelden de rug toekeren (2:20, 30:22). 9. De vijand Assur zal op ongewone wijze het onderspit delven (27:1); Jes. 37:26 vertelt over een onbekende ziekte die het leger treft. Hun rots, de koning zal in paniek raken (vgl. 26:4; Deut. 32: 31). Banier: veldteken (13:10). Vuur, oven, zie Jes. 27; 30:27; 33).
De redding en de moeilijke tijd die daaraan vooraf gaat 32:1-35:10
Deze laatste reeks profetieën vóór de geschiedenis van onderdrukking en bevrijding ten tijde van koning Hizkia, sluit inhoudelijk aan bij het voorgaande en een vervolg daarop. Het antwoord op de vraag: verwachten wij hulp van de HERE of van mensen? – levert een dubbele werkelijkheid op en een scheiding tussen de mensen. Die op de HERE vertrouwen zullen zijn Heil zien. Dezen worden aangeduid als de levende rest, het volk van God in de eindtijd. Die zich afkeren van God, vervallen tot onrecht. Dezen vormen een heilloze macht die de mensheid tegen de mens- en godvijandige machten voert. De mensen worden opgeroepen tot Hem terug te keren en te leven naar zijn Recht en in zijn Vrede. In dit spanningsveld staat de opeenvolging van oordeelsspreuken en heil-sprofetieën, waarin heil en onheil concreet gemaakt worden.
De Koning komt en maakt recht 32:1-20
Deze vierde profetie over de Koning die komt (7:14, 9: 6v, 11 :lv) laat zien wat zijn heerlijkheid uitwerkt in het leven van mensen van hoog tot laag (vss 1-8). Tegenover deze voortgaande groei in gelovig leven door de gaven van de Geest (11:2, 32:15) staat de oordeelsspreuk: zorgeloosheid voert tot wanhoop (vss 9-14). Dit gedeelte wordt afgesloten met een tekening van toekomstig heil: waar recht is komt vrede (vss 15-20).
Samen leren leven en geloven 32:1-8
1, 2. Tegenover de macht van Assyrië die vernietiging ten doel heeft (31:9) staat de Koning die gerechtigheid najaagt. De wijsheid (vgl. 31:2) van koning en ambtenaren toont zich wanneer zij recht doen; dan betonen zij zich dienaren van de HERE te zijn (vgl. vs 2 met 25:4v en 26: 4). 3, 4. Zienden, kunnen zieners, profeten zijn (1 Sam. 9:9, 11, 18) evenals horenden, discipelen of leerlingen (50:4). Men zal niet langer voorbij gaan aan het werk van de HERE (vgl. 6:10 met 5:19, 22, 28:7-19). Inzicht (1:3), kennis (2:3) en duidelijke taal komen dan in de plaats van dwaasheid, onbezonnenheid, stamelen (Spr. 17:27, 28). 5. Vgl. de omkering van de woorden in 5:20v. De edele, dat is de mens die van de HERE wijsheid heeft geleerd, in een leven tot welzijn van de mensen (vgl. 13:2; Ps. 83:12; Num. 21:18; Ps. 118:9; Spr. 19:6, 25:7). 6-8. Tegenover de wijze mens staat de dwaas die dwaasheid uitbrengt en ongerechtigheid overweegt om – in een andere vertaling – vervreemding te bewerken en om wartaal tot de HERE te spreken. Mooie woorden en gebaren van dwaze leiders, priesters, profeten kunnen lege woorden en daden blijken te zijn (vgl. Mat. 25:31v) of nog erger (vs 7; vgl. 29:21).
Zorgeloosheid leidt tot wanhopig klagen; waar recht is komt vrede 32:9-20
9, 10. De tekening van oververzorgde vrouwen die zich geen zorgen maken waar de rijkdom vandaan komt waarop hun leventje van feesten, zich mooi maken en niets doen, steunt, is een rake typering van de levenshouding van de rijke bovenlaag in die dagen (3:16v, 22:1-14, 28:15). Is dit een korte opleving na de mislukte invasie van Sanherib in 701 v. Chr.? Hoe het ook zij, de profeet voorzegt op schokkende wijze dat er spoedig een einde zal komen aan hun verwaandheid en zelfverzekerdheid (in drie opeenvolgende vss genoemd: zorgeloosheid). 1114. De feestroes is uit, de zegen van de wijnbouw (vs 10) en de akkerbouw (vs 13) verandert in een ramp (vs 14; vgl. ook vs 19; zie 6:11). Het gebrek dient zich aan. Het feestvieren slaat om in schrik, ontzetting, rouwklacht. De feestkleren moeten uit, een rouwkleed past hen (vss 11, 12). Deze beschrijving zou kunnen slaan op de situatie van Jeruzalem na de verovering door Nebukadnessar in 586 v. Chr. 15. De schets van het messiaanse vrederijk (vss 1-4) wordt voortgezet, nu op een meer persoonlijke toon: bij ons, mijn volk (vs 18). Na de uitzichtsloze situatie van rampspoed of vloek in vs 14, wordt een paradijselijke uitbeelding gegeven van zegen en heil (vss 15, 20; vgl. 29:15) in een land waar het goed wonen is. Dit is het antwoord op de vraag uit 6:11. Hoelang…? Wij vertalen’totdat de Geest wordt onthuld boven ons Het is als op Pinksteren, waar het hemels Jeruzalem zichtbaar wordt tegen de achtergrond van het aards Jeruzalem. …uit de hoogte, dat is vanuit Sion, de tempelberg (11:9, 33:5). 16-18. Deze Geest is de Geest van vernieuwing,van een nieuwe schepping; een land van recht, waar vrede heerst en een gerust leven mogelijk is. 19. Opnieuw de keerzijde: hagel wordt genoemd als één van de strijdmiddelen in de strijd van de HERE (28:2, 17, 30; Ex. 9, 10; Joz. 10:11; Job 38:2). 20. Niet alleen de mens prijst zich gelukkig, ook de dieren delen in het recht, de vrede, de rust.
De Koning breekt de stad af en herbouwt haar 33:1-24
Dit lied is een psalm opgebouwd uit stem en tegenstem (vgl. Ps. 15:24), dat in de liturgie gebruikt is in tijden van grote nood (vgl. vss lOv met Ps. 60:6v en de dialoog in vss 13v met Ps. 24:3v).
O HERE wees Gij onze hulp in nood 33:1-9
De aanhef met het dreigwoord (vs 1 gesproken door een profeet of priester), de smeekbede (vss 2-4) van het volk, de lofprijzing (vss 5, 6) en de rouwklacht (vss 7-9) volgen elkaar snel op. 1. De verwoester, de verrader wordt niet met name genoemd. De bedoeling is duidelijk: aan het eind zullen jullie zelf de slachtoffers zijn (vgl. Mat. 7: lv). 2…. onze arm, bescherm ons door de kracht van uw arm; … in de morgen, dat is de tijd dat het licht doorbreekt na de nacht, een nieuwe tijd, een nieuw begin. 3. Rumoer, een geluid dat uw tegenstanders schrik aanjaagt (Num. 10:35; 2 Kon. 6:7). De HERE brult als een leeuw (Jer. 25:30; Jos. 30:30): Hij doet zich horen, vernietigend én reddend. 4. Is de vijand verdreven, dan is er buit te verdelen. Dit beeld past in de oorlogen des HEREN. 5. Zo wordt de HERE bejubeld (32:15, 16). 6. Heil, wijsheid, kennis (zie 31:2; vgl. 8:3, 11:2, 3, 9). Deze rijkdom van de HERE is voor het volk meer dan oorlogsbuit (vgl. Spr. 1:7). Hij komt op zijn tijd die vaststaat om hun zijn gaven te schenken. 7-9. De rouwklacht over de verstoring van de levensorde. Het is een uitzichtsloze situatie. Het is alsof de HERE zich in de verwoesting doet kennen. De gezanten zijn afgewezen, het verkeer ligt stil, de natuur deelt in de rouw (vgl. 32:13 tegenover vss 15, 16). Tegenover geestelijke rijkdom (vs 6) wordt de verschrikking van de verwoesting geplaatst: heil temidden van onheil.
De HERE strijdt als een verterend vuur 33:10-16
10. Een nieuwe stem in een directe Godsspraak: de HERE zal opstaan tot de strijd. 11, 12. Wordt met gij, de verwoester en verrader aangesproken (vs 1) die omkomt in zijn eigen misdaad als in een vuuroffer (vgl. 29: 1, 2, 30:30, 33 zie ook 5:24)? 13, 14. Niet alleen de verwoester, ook de onrechtdoeners in Sion zullen de verterende vuurkracht van de HERE gewaar worden. Is hier evenals in 30:27-33 het offervuur in de tempel voorwerp van aanschouwelijk onderwijs? 15. Zij die de tora van de HERE in acht nemen, luidt het antwoordvers, zullen daar veilig wonen (vgl. vs 19; 6:5, 7).
De HERE is onze rechtvaardige Koning 33:17-24
17. Was vs negatieve bewoordingen gesteld, hier is de belofte van het messiaanse heil: Wie zijn ogen sluit voor het onrecht, zal de Koning aanschouwen in zijn luister (vgl. Mat. 5:8). Ook zal die mens een groot land en een nieuw Jeruzalem aanschouwen (vss 17, 20). 18, 19. Het zal gedaan zijn met onderdrukkende belastingen en met de vreemde onderdrukker. 20, 21. De stad is hier positief woonstede van God en mensen. Van de stad gaat de blik weer omhoog tot de HERE. Zijn heerlijkheid wordt getekend als brede rivieren (vgl. daar tegenover de Leviathan 27:1; zie ook Ez. 47; Ps. 46; Zach. 14:8). 22. Vgl. vs 6. De titels geven nog op andere wijze zijn macht aan. De Rechter neemt beslissingen. De Wetgever stelt de leefregels. De Koning leidt en bevrijdt het volk. 23. Het nieuwe Jeruzalem zal rijk gemaakt worden. Het beeld van de havenstad dringt hier opnieuw naar voren (vgl. vs 21). Staat Tyrus hier model? 24. De lammen die delen in de rijkdom, worden aanleiding tot een vraag die in het volgende vers beantwoord wordt. Zijn er nog zieken in het nieuwe Jeruzalem? Nee, de bewoners zullen niet ziek zijn en hun ongerechtigheid zal hun vergeven zijn (vgl. 29:18; Ex. 15:26; Ps. 103:30).
De vijand wordt vernietigd 34:1-17
De profeten Jeremia (49), Jesaja (63), Ezechiel (25), Obadja hebben in felle, grimmige oordeelsspreuken het leedvermaak van Edom over de ondergang van Jeruzalem veroordeeld. In deze lijn staat Jes. 34. Het gericht over-de wereld (vss 1-5) wordt concreet gemaakt aan het gericht over Edom (vss 5-15) en afgesloten met enige aantekeningen (vss 16, 17). Het is een laatste krachtmeting tussen de HERE en de mens- en godvijandige machten, elders aangeduid als Moab (25:10v), Assyrië of Ba-bel.
Het gericht over de wereld 34:1-5
1.Als bij een rechtsspraak, in de liturgie van een samenkomst, of bij een profetisch vloekwoord worden de volken, natiën, ja hemel en aarde (1:2, 44:3) uitgenodigd als getuigen. 2. Met de ban slaan, houdt in, dat er geen gevangenen worden gemaakt: het loopt uit op een slachting. 3…. de bergen versmelten, nu niet vanwege het verschijnen van de HERE (Mi. 1:4; Ps. 97:5), maar vanwege dit verschrikkelijk bloedbad. Is dit ‘versmelten van smart’? 4. Het heer des hemels … Wanneer de vorsten van Assyrië, Babel, Perzië (vgl. Dan. 10:12, 20) vergaan, is het ook met hun goden, de sterrenmachten gedaan (vgl. Deut. 4:19). Een andere lezing is: ja, mijn zwaard zal aan de hemel verschijnen.
Edom zal tot een woestenij worden 34:6-15
6, 7. Het is als het bliksemend zwaard (Deut. 32:40-42) dat het werktuig van de HERE is om zijn oordelen te voltrekken, tegenover het gevreesde zwaard van Edom (Gen. 27:40; Am. 1:11). Bozra is een hoofdstad van Edom geweest ten Zuiden van de Dode Zee, een gebied met weefactiviteiten, bekend om zijn karmozijnrode kleurstof. De beelden van een offermaaltijd en van een offerslachting zijn hier met elkaar vermengd tot een gruwelijk tafereel. De dierennamen kunnen staan voor de bestuurders en de aanzienlijken (vgl. 63:1-6). 8-10. Heeft Edom misbruik gemaakt van de noodtoestand waarin Juda verkeerde toen Sanherib binnenviel in 701 v. Chr.? Dan is het duidelijk hoe Edom gesteld wordt tegenover Sion, op de dag des HEREN (63:4; Hos. 9:7). De vergelding wordt getekend in het beeld van vulkanische uitbarstingen met brandende zwavelstromen. 11. Het wordt een gebied voor vogels (vs 11), wilde dieren en demonen (vss 14, 15; vgl. 13:21v), wanneer de mensen verdwenen zijn, afgemeten met meetsnoer en paslood. Vandaar de namen: snoer-van-de-wildernis, paslood-van-ontruiming. Dit laatste slaat waarschijnlijk op de markering van het gebied met ‘gewichtsstenen’ of grensstenen. 1215. De chaos keert terug (vgl. Gen. 1:28; Jes. 45:18). Er is niemand om leiding te geven (vgl. 3:16). Gevaarlijke dieren vinden hun broedplaats in dit gebied van dood en verderf.’ 16-17. Opmerkelijk is de eerbied voor het geschreven woord, het boek des HEREN (vgl. 8:1, 16, 30: 18) en de voorstelling dat ook deze chaos zorgvuldig is ingericht door het woord en de geest des HEREN. Dit verlaten gebied wordt in woorden beschreven die aan de scheppingsverhalen doen denken. Het is een on-bewoon-bare wereld die door de HERE met zorg is afgegrensd van het woongebied van de mens. Dit is een hoopvol teken, dat het oordeel anders dan in vss 1-4 niet zo radi-kaal zal zijn.
Een volk voor de HERE keert terug 35:1-10
Evenals bij andere oordeelsspreuken zoals over Assur, Egypte, Samaria, Damascus, Juda is het verhaal over het wereldgericht niet afgelopen met de schokkende beelden van een geteisterde met bloed doordrenkte en ontluisterde aarde. Een rest blijft over. Ook hier wordt een groep gespaard, een volk dat gelouterd te voorschijn komt uit de nacht en de brand van het gericht. Het is het verhaal van een nieuwe exodus, groter dan de eerste, naar een nieuwe bewoonbare aarde. Na het inferno in Jes. 34 volgt het paradiso in Jes. 35 als een machtig toekomstperspectief. 1, 2. Het verlaten land zal worden tot begroeid land vol van bloeiende bloemen (de bloemsoort die genoemd wordt heeft waarschijnlijk meer weg van een krokus dan van een lelie of een roos), met ceders als van de Libanon, met wijngaarden en eikebomen als van de Karmel en vruchtbare akkers als in de vlakte van Sa-ron. In al deze bekende beelden wordt de heerlijkheid van de HERE die komt, weerspiegeld. Zij, dat is deze plantenpracht, zullen Zijn Heerlijkheid aanschouwen. Als Hij komt, wordt de chaos, de leegte, het land van de dood, tot een volle zware schitterende pracht van leven (vgl. 4:2, 29:17, 32:16). 3, 4. Het oordeel is niet alleen vernietiging, maar ook loutering. De wraak van de HERE betekent voor de overgeblevenen redding: De bloeiende woestijn vormt het landschap van een nieuwe terugkeer. Versaagden van hart, zijn de mensen die zich snel laten ontmoedigen. Deze bange, zwakke mensen die het niet zien zitten en dreigen om te komen in hun gevoelens van vergelding en wraak, worden op een nieuw spoor gezet (26:7). Let er op hoe zij kort, terzake en met gevoel voor hun tekortkomingen worden gestimuleerd (vgl. Heb. 12:12; Luc. 4:19-21; 2 Tess. l:7v; Jes. 61:2). 5, 6. De bevrijding vernieuwt de mens helemaal; zij zullen zien en horen, springen, jubelen (29:9, 18, 32:3, 33: 23, 24, 42:16, 18, 43:8). De reden is duidelijk: water dat leven brengt overstroomt de woestijn (vs 1; vgl. 33:21, 41:17v, 43:19, 44:3). 7, 8. Zoals het land tot leven komt, wanneer de HERE komt (vss 1-6), zo zal het ook zijn wanneer de mensen terugkeren naar Sion (vss 6-10). Het dorre land zal worden veranderd in een gebied van water, riet en biezen met daar door heen een begaanbare weg (vgl. 11:6, 40:3 , 43:19, 49:11, 62:10). Een heilige weg, dat is een weg die toegewijd is aan een bepaald doel, het is de thuisweg naar Sion en de Godsberg; en daarom alleen een weg voor de geheiligden (Jes. 6, 33:15; Ps. 15, 24). Reizigers, beter: zij die de weg-van-de-tora-gaan. Vandaar dat dwazen (28:26, 31:2, 32:5) er niet zullen ronddwalen (Deut. 32:6, 21; Ps. 14:1). 9. Het is een veilige weg zonder gevaarlijke dieren (vgl. 34:13-15). 10. Vrijgekochten: dat zijn bevrijde slaven. Moeten wij hier denken aan de terugkerende ballingen uit Babel? Of zijn het bevrijde joodse slaven uit Edom, het centrum van slavenhandel en mensenroof (vgl. Am. 1:6, 9; 2 Kron. 28:17). De tekst van vs 10 komt overeen met die van Jes. (51:11), en verwoordt de vreugde van de terugkeer die groter wordt naarmate men Jeruzalem nadert (vgl. 40: 31). Deze climax in de profetie overstijgt de situatie in Jesaja’s tijd en wordt overgenomen in de hstt. 40-66. Het is een loflied op de nieuwe exodus, het komen van de HERE zelf, het opnieuw bewoond worden van Sion en de eindeloze vreugde van het volk dat bevrijd is.
Het koningschap van Hizkia over Juda 36:1-39:8
In de geschiedenis van de belegering en wondervolle bevrijding van Jeruzalem (701 v. Chr.) ten tijde van koning Hizkia, wordt concreet gemaakt hoe de HERE als de Duistere, Onbekende: oordelend, en als de Barmhartige, Getrouwe, reddend werkzaam is om Zijn volk naar Zijn toekomst te leiden. In deze hstt. geraakt de politieke situatie zoals die ontstaan is ten tijde van de profetieën van Jesaja in een crisis. Dit wordt nog versterkt doordat de koning in twee opzichten op de proef gesteld wordt, nl. wat betreft zijn vertrouwen op het reddend ingrijpen van de HERE en wat betreft zijn geloofwaardigheid als koning. Behalve de psalm van Hizkia die alleen voorkomt in 38:9-20, komen deze hstt. bijna woordelijk overeen met 2 Kon. 18-20. Voor een gedetailleerd commentaar wordt naar deze hstt. verwezen.
Het land wordt aangevallen, maar ook bevrijd 36:1-37:38
Zie voor details 2 Kon. 18:13-19:37, de zgn. Jesaja-cy-clus. In de tekst van Jesaja ontbreekt het gedeelte van 2 Kon. 18:14-16 en een gedeelte van vs 17.
36:1- dit hoofdstuk worden staaltjes van misleiding (vgl. Gen. 3:1-5) en van intimidatie aanschouwelijk naverteld, die herkenbaar zijn in alle tijden. Het doel van de uitdager is om aan de koning, zijn adviseurs en soldaten en aan de bewoners van de belegerde stad en hen die daar naar toe gevlucht zijn, de moed te ontnemen zich tegen de belegeraar te blijven verzetten. Door deze psychologische oorlogsvoering met woorden wil hij hen dwingen zich aan de macht van Assyrië te onderwerpen. In de redevoeringen (vss 4-10; 13-20) merken wij op hoe de uitdager listig (vgl. 28:15, 29:15) de waarheid verdraait en zijn grootspraak staaft met ‘onweerlegbare’ feiten, zoals in de scherpe spot over Egypte (vs 6); hoe hij het falen van de afgoden benadrukt (vs 19); hoe hij hen met belachelijke voorstellen bespottelijk maakt (vs 18); hoe hij bedreigingen uit (vs 12), en zich van de mooie kant laat zien (vss 16v). Dit alles om met een schijn van waarachtigheid de mensen voor zich te winnen. Ook van Hizkia’s hervormingen en de tegenstand die deze hebben opgeroepen, maakt hij een listig gebruik (vs 7). De profetieën van Jesaja zijn hem niet ontgaan (vs 10, cf. 10:6-12). Hij gaat echter (psychologisch) in de fout door Hizkia in zijn vertrouwen op de redding van de HERE rechtstreeks aan te vallen (vss 7, 18); niet minder dan zevenmaal valt het woord vertrouwen. In zijn overmoed plaatst deze grootspreker de HERE in de rij van overwonnen steden en hun goden (vss 18-20). Dat de koning van te voren reeds zijn verborgen bedoeling doorziet, blijkt uit de aanwijzingen die hij aan zijn dienaren geeft: gij zult hem niet antwoorden (vs 21).
37:1-38. (Zie voor een gedetailleerd commentaar 2 Kon. 19). Dit hoofdstuk is een modelvoorbeeld hoe men op intimidatie kan reageren. Hizkia’s standvastigheid (vgl. 26: 3) heeft niets te maken met blind optimisme; zijn rouwgewaad (vs 1) is daar het bewijs van. Zijn verzoek aan Jesaja te bidden (vs 4) maakt duidelijk op Wie hij zijn vertrouwen stelt. Zijn beeldspraak over de moeite van een bevalling (vs 3) toont aan dat hij een man van inzicht is, die niet blijft bij het oude, maar uitziet naar een nieuwe (wereld)orde (vgl. 36:7 over zijn hervormingen). Zijn woordspeling over de rest (vs 4) maakt duidelijk, dat hij aandacht heeft voor de prediking van Jesaja (10:20v). Hij is ook verstandig genoeg om niet in te gaan op een hernieuwde poging van Sanherib tot een zenuwoorlog (vss 9v). Dat hij de brief van de vijand uitspreidt (vs 14) voor de HERE is een dringende bede, vervuld met eerbied en lofprijzing (vs 20); daarbij gaan evenals in veel psalmen bevrijding en de ere Gods samen. Het is opmerkelijk dat in de antwoorden die Jesaja geeft (vss 5-7, 2135) geen persoonlijke rancune jegens anderen wiens adviezen nu blijken te falen, doorklinkt (28:14, 30:lv; zie over Eljakim en Sebna 22:15v). In het indrukwekkende overwinningslied (vss 22v) wordt de uitdaging van Sanherib: op wie vertrouwt gij dan wel…? (36:5) nu pas beantwoord met een tegenvraag: weet je wel wie je hebt gehoond en bespot...? (37:23). Ook Sanherib is niet meer dan een werktuig in de hand van de Heilige Israels om zijn plannen uit te voeren (vs 26; 22:11). Heel het verhaal laat zien dat de overwinningen die een mens behaalt en waarop hij zich in zijn hoogmoed verheft, niet buiten het koningschap van de HERE om gaan.
De koning wordt ziek maar mag verder leven 38:1-22
Nadat Hizkia aangevallen is op zijn vertrouwen op het reddende ingrijpen van de HERE en men zijn geloofwaardigheid als koning heeft trachten te ondergraven, wordt hij doodziek. De profeet draagt hem in een godswoord op afscheid te nemen van het leven (vs 1). Een vergelijking met Job ligt voor de hand. Zoals Job handhaaft dat hij rechtvaardig geleefd heeft tegenover de HERE, zo houdt Hizkia staande dat hij als koning en mens een oprechte dienaar van de Koning is geweest (vs 3; vgl. 7:15, 11:3-5). 4-8. Dat de HERE zijn klagen hoort, het besluit over zijn sterven verandert, zijn leven verlengt en dit met een teken bevestigt, is voor Hizkia een diepe geloofsbeleving. In een danklied doorleeft hij zijn naderende einde (vgl. bv. Ps. 88) en het bevrijdend uitstel daarvan. Zijn geloofsbevestiging is voor elke gelovige in nood een bemoediging (vss 19-22; vgl. Ps. 25, 22, 51:18v). Zie voor een gedetailleerd commentaar van 38: 1-8, 20-22 de overeenkomstige verzen in 2 Kon. 20:1-11.
Het danklied van Hizkia 38:9-19
9.Geschrift, met nadruk wordt aangekondigd dat dit een document is van Hizkia. Het gebruik van deze psalm wordt aangegeven in de vss 20-22: het is voor de samenkomst in de tempel, een dank-, levens-, genezingslied.
10. Dit sluit aan op vs dit danklied ziet de mens die genezen is, door welke verschrikkingen hij heen is gegaan. De moed om terug te kijken is een deel van zijn genezing (vgl. Ps. 30:7v, 31:23,41:5-11,116:4-6). De ziekte tast de zieke aan in zijn persoonlijkheid: hij dreigt uiteen te vallen doordat de ziekte hem onttrekt aan het gewone leven, vrienden en bekenden hem mijden, hij aangevallen wordt door die vreemde macht, en angst en schrikbeelden hem overvallen. De zieke verkeert in het grensgebied van de dood – het dodenrijk (vs 18; vgl. 14:9). 11. Zijn leven wordt ‘gestopt’. Het land der levenden is hier niet alleen het omgaan met familie en bekenden, maar ook met de HERE in de gemeenschap van de tempel (vgl. 33:17). Het dodenrijk wordt daar tegenover uitgebeeld als een stad, een gevangenis, een dodengemeenschap (vs 18); ook wel als een verslindend monster (5:14). 12. De ziekte sloopt zijn krachten, zoals een huis afgebroken wordt. Het beeld van de wever die ‘een eind maakt’ aan zijn produkt door het los te snijden van de doorgaande draden, laat zien hoe de zieke voelt dat alle draden die hij heeft met het leven één voor één worden doorgesneden (vgl. Hos. 13:4; 2 Kor. 5:1, 3). Vandaar: dag en nacht zijt gij bezig mij af te maken; dit wordt herhaald in vs 13. De zieke ervaart de nacht als de moeilijkste tijd om door te komen. Hier staat: ror aan de morgen leg ik het neer, dat is naar Ps. 16:8: ik leg mijn nood neer voor God. De leeuw is de vernietigende kracht, de doder bij uitstek (Hos. 5:4; Job4:14; Jes. 31:4). 14. Met afnemend stemgeluid (hoog als van vogels; vgl. 29:4, 59:10, 11) richt de ontredderde mens nu rechtstreeks zijn blik op de HERE (vgl. 8:16-23, 17:7) om hulp. Alleen God kan borg staan voor de mens in het nauw (vgl. Job 17:3; Ps. 119:22). 15. Wat zal ik zeggen?, geeft de verlegenheid van de spreker aan. De HERE heeft hem geantwoord op zijn klacht (vgl. Ps. 30:1 lv, 22:22) een keer gebracht in zijn toestand. Door de HERE geholpen mag de gelovige afstand nemen van zijn bitter lijden. 16. De betekenis is onzeker vanwege een beschadiging in de tekst. Na dit alles komt de mens weer in beweging (vgl. Ps. 42:4; Mat. 5). Zijn geest, dat is de bewegende kracht van de mens, is aan de dood onttrokken en levend gemaakt (vgl. daar tegenover vs 10). Door de zegen van God wordt de mens weer gezond (Ps. 78:6, 7, 145:21, 22:23v). Vandaar de bede: doe mij nu leven. 17. Het lijden mag deze mens nu zien als beproeving. Na het bittere komt het zoete van het welzijn, het heil. Hij kent en looft zijn Redder. … gered is lett. ‘herstellen’, samenbinden. Zoals “de ziekte een mens doet uiteenvallen, betekent genezing weer eenheid (vgl. 1 Sam. 25:29), heelheid. ‘God redt de brokstukken uit de put van de ontbinding en maakt er weer één geheel van,een levend mens’. In een gezegend leven met de HERE is de schuld van de zonde weg (vgl. Mi. 7:19). Genezing en schuldvergeving zijn hier nauw met elkaar verbonden. 18. Dodenrijk en dood worden hier zoals dikwijls in het O.T. in negatieve bewoordingen getekend: dan komt een mens buiten de geloofsgemeenschap te staan, zijn krachten nemen af, hij heeft geen toekomst meer, hij keert terug tot het stof. Voor Hizkia, die opdracht kreeg afscheid te nemen van het leven (vs 1), zijn dood en schuld met elkaar verbonden (vs 17), evenals nu vergeving en leven (vs 19). Hij mag opnieuw toetreden tot de vierende gemeente. In het O.T. komen wij ook tegen dat in positieve bewoordingen over de dood wordt gesproken (vgl. Gen. 5:24; 2 Kon. 2:9; Ps. 49:15, 73:23, 139:13; Jes. 26: 19). het loflied dat de dood tekent, maar ook de levende, wordt het geheim van het leven doorgegeven aan de komende generatie (vgl. Hand. 3:7, 8). 20-22. Dit lied sluit af met nadrukkelijk te verwijzen naar het aandeel van Jesaja in de genezing van koning Hizkia. De vijgen-koek als geneesmiddel of trekpleister op een zweer wordt reeds aanbevolen in de Ras-Sjamra teksten uit de 14e eeuw v. Chr. De samenkomst in de tempel en het loflied zijn hier een ander teken (dan in vss 7, 8) van de genezing door de HERE.
Toch onder de macht van Babel… 39:1-8
Zie voor een gedetailleerd commentaar 2 Kon. 20:12-19. Het geloof van Hizkia dat onder de zwaarste beproevingen stand heeft gehouden, schrompelt ineen onder de vriendelijke woorden van de koning van Babel (Spr. 26: 25v, 27:6). Hij verheugt zich (vss 3, 4) over het gezantschap en doorziet hun bedoelingen niet. Zo vervalt Hizkia in feite in dezelfde fout als Achaz (vgl. 7:17v). De bestraffing is dezelfde (vss 5v). De koning is tevreden met de rust die zijn volk gelaten wordt tijdens zijn leven (vs 8). Maar Jesaja doorleeft reeds de komende verschrikkingen van ondergang en wegvoering (vss 6, 7). Daardoor wordt het centrale thema van zijn profetieën: ga zitten en wees rustig, houdt u stil en vertrouw op het reddend ingrijpen door de HERE (7:9, 30:15) -, tot een woord van bemoediging en van toekomst voor alle ballingen die voortgedreven worden en opgewonden raken, luid klagen en voorbij leven aan de daden van de Heilige Israels (40:1, 2).