Jesaja 56-66
INLEIDING
Over de verhouding van dit derde deel van het boek Jesaja tot de beide vorige delen werd in de inleiding op de hstt. 40-55 reeds het nodige gezegd. We beperken ons nu, in deze inleiding, tot enkele opmerkingen die kunnen bijdragen tot het goede verstaan van de hstt. 56-66.
Wij treffen in dit derde deel profetieën aan die van verschillende achtergrond blijk geven. Naast teksten die klagen over de verwoesting van Sion zonder dat er kijk is op herstel (64:10vv) staan andere die erop wijzen, dat de terugkeer uit Babel heeft plaats gehad en dat aan de herbouw van de tempel begonnen is, zij het ook, dat deze met grote moeilijkheden gepaard gaat (62:1, 6, 66:1); weer andere teksten doen zien, dat de wederopbouw van de tempel voltooid is (56:7). Een enkele keer krijgt men zelfs de indruk nog in de tijd vóór verwoesting en wegvoering te zijn (56:9-57:13, zie de uitleg). Behalve klanken die sterk doen denken aan de hstt. 40-55 (vooral hstt. 60, 61, 62) horen we ook scherpe oordeelspreking. De achtergrond is in grote trekken deze: de terugkeer uit Ba-bel heeft plaats gehad, de beloften van 40-55 zijn in vervulling gegaan, maar – zeer gedeeltelijk: er is ook tegenslag en teleurstelling, en vooral: de grote, wonderlijke ommekeer die was aangekondigd is uitgebleven: God zelf is niet verschenen. De grote geschiedenis, waarin Juda een onbelangrijk onderdeeltje is, gaat gewoon verder en ook in het volk van Juda, voorzover dat naar het oude land is teruggekeerd, gaan zonden en misstanden gewoon verder. We hebben hier een soortgelijke situatie, een soortgelijke teleurstelling en een soortgelijk probleem als later in het Nieuwe Testament, wanneer de op korte termijn verwachte wederkomst van Christus uitblijft en de geschiedenis gewoon verder gaat.
Uit een en ander blijkt, dat de hstt. 56-66 een eigen plaats innemen in het geheel van het boek Jes. en dat zij een eigen, zij het wisselende, achtergrond hebben. Wat de tijd betreft, die is voor de meeste van deze profetieën de periode na de terugkeer uit de ballingschap; nadere dateringen worden, voorzover mogelijk, gegeven in de inleidingen op de verschillende gedeelten.
De voornaamste betekenis van deze hstt. is de prediking, dat de belofte van het komende heil haar kracht behoudt, ook wanneer de vervulling uitblijft en alles schijnbaar gewoon doorgaat.
Inhoud jesaja 56-66
We onderscheiden de volgende profetieën:
De nieuwe gemeente en het komende heil 56:1-8
Oordeelsprediking tegen de ontrouwe leiders en het afgoderij bedrijvende volk 56:9-57:13
Het heil voor de verbrijzelden 57:14-21
Het ware vasten en de sabbat 58:1-14
Profetische liturgie, uitlopend op heilsprediking 59:1-21
Heilsprofetie: de nieuwe heerlijkheid van de stad Gods 60:1-22
Heilsprofetie: heerlijkheid voor verbrokenen 61:1-11
Heilsprofetie: heil voor Sion 62:1-12
Eschatologisch overwinningslied 63:1-6
Klaaglied, gebed om ingrijpen van God 63:7-64:12
Heil en onheil in de eindtijd 65:1-25
Tegen de verkeerde tempeldienst 66:1-4
Profetie van heil en oordeel in de eindtijd 66:5-24
Duidelijke echo’s van dit deel van het boek Jes. horen we in het N.T. op de volgende plaatsen: Mat. 21:13; Mar. 11:17; Luc. 19:46 (Jes. 56:7); Rom. 3:15-17 (Jes. 59:7, 8); Rom. 11:25, 26 (Jes. 59:20, 21); Luc. 4:18, 19 (Jes. 61:1, 2); Mat. 21:5 (Jes. 62:11); Rom. 10:20 (Jes. 65:1); Rom. 10:21 (Jes. 65:2); 2 Petr. 3:13; Op. 21:1,4 (Jes. 65: 17); Hand. 7:49, 50 (Jes. 66:1, 2); Joh. 16:22 (Jes. 66: 14); Mark. 9:48 (Jes. 66:24); 2 Petr. 3:13 (Jes. 66:22).
VERKLARING
De nieuwe gemeente en het komende heil 56:1-8
Dit gedeelte predikt, dat het heil nabij is voor het volk van God, dat bestaat uit allen, die recht betrachten en Gods wil doen, ongeacht de vraag of zij tot Israel behoren of niet. De aanleiding tot deze profetie kan een vraag aan de profeet geweest zijn, waarin een godsspraak gevraagd werd mbt. een verschil van mening, dat gerezen was binnen de kring van de gemeente van na de ballingschap: mogen ook de vreemdelingen, die niet van Israel afstammen, en de ontmanden, die geen afstammelingen kunnen hebben, tot de gemeente gerekend worden? Door deze vraag bevestigend te beantwoorden – op voorwaarde van het dienen van de God van Israel -, geeft deze godsspraak een nieuwe invulling aan de begrippen ‘verbond’ en ‘volk van God’ en doet daarmee een stap in de richting van het N.T. Het is waarschijnlijk, dat deze vraag aan de orde kwam in een tijd, die niet al te ver verwijderd was van de ingebruikneming van de herbouwde tempel (516 v. Chr., vgl. vss 5 en 7).
1.Zo zegt de Here: omdat dit de wijze is waarop een bode spreekt (zie Gen. 32:4; 1 Kon. 20:31), noemt men deze bij de profeten veel voorkomende formulering ‘bodenformule’; de profeet kenmerkt zich hierdoor als bode, afgezant van God, als iemand, die namens God spreekt. Recht: zoals dat in door God gegeven voorschriften vastligt. Gerechtigheid: wat in overeenstemming is met Gods wil; omdat de gerechtigheid Gods ook en vooral opkomt voor hen die niet zichzelf kunnen verdedigen, kreeg dit woord tevens de betekenis ‘hulp, redding’; in de tweede helft van dit vs betekent gerechtigheid dan ook ‘verlossing’. Mijn heil: het heil, dat God beloofd had (zie de hstt. 40-55) en dat nu leek uit te blijven (zie de Inl. op de hstt. 56-66).
2.Welzalig: zaligspreking, als in Ps. 1:1. Sterveling, mensenkind: reeds door het gebruik van zulke algemene woorden geeft de profetie aan, dat men geen Israëliet behoeft te zijn om deel te hebben aan het komende heil. Sabbat: het houden van de wet in de zin van voorschriften en ceremonieën krijgt hier een grotere nadruk dan in de hstt. 40-55; zie echter ook teksten als Jer. 17; Arnos 8: 5; Hos. 2:10.
3.Vreemdeling: blijkbaar waren er al niet-israelieten die zich bij de gemeente van de teruggekeerde ballingen hadden aangesloten; deze proselyten zullen met Israel delen in het komende heil. Ontmande: het hier gebruikte woord (saries) is eigenlijk een assyrisch woord voor ‘hoveling’; de bepaling van Deut. 23:1, dat een ontmande niet in de gemeente mocht komen, wordt hier opgeheven. Dorre boom: zonder nakomeling, dus zonder zegen, vgl. Gen. 15:2. Een ingrijpende verandering in de wijze, waarop het volk van God bijeengebracht en uitgebreid wordt!
4.Verbond: verschuiving in het begrip ‘verbond’, omdat de afstamming niet meer beslissend is.
5.In Mijn huis: blijkbaar waren er onder de teruggekeerden, die aan vreemden en eunuchen, ook al geloofden zij in de Here, geen plaats in de gemeente en in de tempel wilden geven. Gedenkteken en naam: Hebr.: jad wa-sjeem (hieraan is de naam ontleend van het monument inhet huidige Jeruzalem ter gedachtenis van de slachtoffers van de vervolgingen van de Joden door de Nazi’s), een gedenkteken, dat de naam levend houdt, vgl. 2 Sam. 18: 18, beter dan zonen en dochters dit zouden doen: de gewone voorstelling was, dat iemand, resp. iemands naam, voortleefde in zijn nageslacht, vgl. Deut. 25:6. Of dit gedenkteken letterlijk of figuurlijk bedoeld wordt, valt niet te zeggen.
6.Dienen, liefhebben: wie dat doet, behoort tot de gemeente Gods, vgl. Mat. 7:21. Sabbat: zie bij vs 2. Verbond: zie bij vs 4.
7.Mijn heilige berg: de berg, die God gekozen heeft om er te wonen en die aan Hem gewijd is, Ps. 15:1, 68:17. Vreugde: de blijdschap over het dienen van God en het daarin geborgen zijn, Ps. 26:7, 8, 27:4, 5, 100:2. Bedehuis: naast de (hier ook genoemde) offers werd het gebed steeds belangrijker in de eredienst; het feit, dat in de ballingschap geen offers konden worden gebracht, zal daartoe hebben bijgedragen. Want Mijn huis: de nadruk in dit gedeelte van het vs ligt op ‘voor alle volken’; zonder deze woorden wordt het aangehaald in Mat. 21:13.
8.Die de verdrevenen van Israel bijeenbrengt: zoals de terugkeer uit ballingschap bewezen had, vgl. ook Jes. 11:
11, 12; Ps. 147:2. Nog meerderen: niet alleen Israëlieten, maar ook vreemdelingen.
Oordeelsprediking tegen de ontrouwe leiders en het afgoderij bedrijvende volk 56:9-57:13
De toon is hier heel anders dan in 56:1-8; het stuk bevat oordeelsprediking tegen de leiders van het volk, die hun ambt verwaarlozen of misbruiken, 56:9-57:2, en tegen het volk, dat zich aan afgoderij prijsgeeft, 57:3-13. Zowel het getekende kwaad als de wijze waarop het bestraft wordt doet denken aan wat we lezen bij profeten uit de tijd vóór de ballingschap; we hebben uit de tijd na de ballingschap nauwelijks berichten, die op dergelijke toestanden wijzen (vgl. echter 65:3, 4, 11, 12). Hoewel het heel goed mogelijk is, dat in de tijd na de terugkeer allerlei zonden van vóór de ballingschap nawerkten, is het toch iets waarschijnlijker, dat we hier te doen hebben met een profetie uit de oude tijd, die in de kring van de leerlingen van Jesaja bewaard gebleven was en hier in de verzameling een plaats vond. Dat ze juist hier opgenomen werd, kan veroorzaakt zijn door 57:13; evenals in het vorige gedeelte gaat het hier over de vraag wie een plaats krijgen op de heilige berg van de HERE.
Tegen de ontrouwe leiders 56:9-57:2
9.Gedierte: vooral roof- en aasdieren zijn bedoeld. Om te eten: de lichamen van de leiders, die, door vijanden gedood, ten prooi zullen vallen aan wilde dieren. Vgl. 1 Sam. 17:44, 46; 1 Kon. 14:11; Ps. 79:2; Jer. 12:9. Deze uitnodiging aan de roofdieren vormt een zeer plastische aankondiging van het oordeel over de leiders.
10. Wachters: degenen, die op de uitkijk staan en moeten waarschuwen als er gevaar dreigt; omschrijving van de taak van (vooral geestelijke) leiders, vgl. Ez. 33:1-6. Geen kennis: van God en van de noden van het volk, Ps. 14:4. Stomme honden: hier worden de verantwoordelijke personen vergeleken met waakhonden, die moeten blaffen als er gevaar nadert, vgl. Job 30:1.
11. Vraatzuchtig: de leidende figuren, ingeslapen als het over geestelijke en andere gevaren gaat, zijn zeer uitgeslapen mbt. hun eigen voordeel: zij zuigen het volk uit, vgl. Mi. 2:11, 3:5; Sef. 3:3, 4. Herders: een ander beeld; leiders, vooral de koning, worden vaker met herders vergeleken, zie 2 Sam. 5:2; Jes. 44:28, 63:11; Jer. 2:8, 23:1, 2; Ez. 34:2; daarin lijken zij op God, Ps. 23:1, 80:1; vgl. ook Joh. 10:11, 21:15-17. Eigen weg: in plaats van in Gods wegen te gaan, Ps. 25:4, 8, 9, 12, 32:8, gaan zij eigen wegen, doen eigen wil, Jes. 53:6, en zijn daarmee uit op eigen gewin; dit woord heeft de bijklank van ‘onrechtmatig verkregen winst’, Gen. 37:26; Ex. 18:21.
12. Komt: omdat de leiders elkaar toeroepen ‘Komt om te drinken’, zegt God tot de roofdieren: ‘Komt om te eten’, vs 9. Vs 12 kan een toen bestaand drinkliedje geweest zijn.
57:1. De rechtvaardige komt om: omdat de leidende en verantwoordelijke figuren nergens naar omzien, heerst er onrecht en geweldpleging in het land.
2.Waarschijnlijk is de tekst hier in de war geraakt: mede daardoor is de vert. onzeker. Bevat dit vers de toevoeging van iemand, die wilde zeggen, dat er voor de rechtvaardige hier weliswaar vervolging en moeite is maar rust en vrede na zijn dood? En worden met legersteden daarom graven bedoeld?
Tegen het afgoderij bedrijvende volk 57:3-13
3.Nadert herwaarts: komt hierheen om de bestraffing door de rechter aan te horen. Kinderen van een tovenares: het volk wordt als moeder voorgesteld, de leden van het volk als kinderen, vgl. Hos. 2:1. Tovenares: afgoderij gaat met magische en andere bijgelovige praktijken gepaard. Echtbreker (waarschijnlijk is beter ‘echtbreekster’ te lezen) en overspeelster, wanneer de verhouding tussen God en Israel als een huwelijk(sverbond) kan worden voorgesteld (Hos. 3:1; Ez. 23:5), is afgoderij echtbreuk en overspel; tevens zal in deze beeldspraak meeklinken, dat de kanaänitische godsdienst, waartoe Israel verviel, een sterk sexueel karakter droeg en gepaard ging met cultische prostitutie.
4.De mond opensperren en de tong uitsteken zijn uitingen van spot en minachting. De bedoeling van de vraag is niet helemaal duidelijk; is met ‘tegen wieV bedoeld: tegen God (vgl. 37:23)? Of: tegen de vromen? Of is de bedoeling: u behoeft heus niet verachtelijk op te treden tegen kinderen die uit ontucht geboren zijn, want dat bent u zelf ook – maar dan geestelijk gesproken? Zie vs 3.
5.Wellust bij de terebinten: losbandige afgoderij in de natuurlijke heiligdommen, onder terpentijnbomen, vgl. Lev. 18:22; Deut. 12:2; Jer. 17:2; Hos. 4:13. Kinderen slacht: kinderoffers, vgl. 2 Kon. 23:10.
6.De betekenis is niet erg duidelijk. Het Hebr. bevat een woordspeling: het woord voor gladde (stenen) en dat voor deel lijken veel op elkaar. Speelden stenen geraapt uit de beekdalen een rol in toverpraktijken? En wordt in aansluiting daarop een of ander oordeel aangekondigd, bv. dat ze op den duur alleen onvruchtbare, steenachtige gronden zullen overhouden?
7.Op een hoge berg: de kanaänitische (natuurgodsdienst werd veelal op hoge punten uitgeoefend, zie Jer. 3:6 en de aant. bij vs 5. Legerstede: om overspel (= afgoderij, zie ook de aant. bij vs 3) te plegen.
8.Achter deur en (deur)post: behalve de afgoderij in de open lucht is er ook de eredienst voor afgoden in huizen en kapellen. Herinneringstekens: een of ander afgodisch symbool of beeld, dat verband houdt met de cultus van de vruchtbaarheid. Legerstede, bijslaap: zie de aant. bij de vss 3 en 7. Loon: als een ordinaire prostituée, die geld vraagt. Schaamte: in het Hebr. staat er jad, hand; hier als aanduiding van het mannelijk lid? Vgl. ook vs 10.
9.Olie en zalven (of reukwerk): offergaven voor vreemde goden, van wie Moloch (er staat overigens mèlèk, koning) in het bijzonder genoemd wordt; verschillende goden droegen deze titel. Verband tussen Molochdienst en kinderoffers (zie vs 5) leggen ook Lev. 18:21, 20:2, 3; Jer. 32:35. Boden: om elders vreemde goden te vereren of te raadplegen, vgl. 2 Kon. 1:2. Tot in het dodenrijk: toespeling op het vereren van goden van de onderwereld?
10. Door uw verre tocht: zie vs 9 (boden), maar tevens zal de bedoeling figuurlijk zijn: met een volharding, een betere zaak waardig, heeft Israel afgoden gediend zonder te zeggen: ik geef het op, omdat afgoderij de kracht van het volk sloopt. Integendeel, het vond nieuwe kracht –hoewel de betekenis van deze woorden (er staat: ‘het leven van uw hand’; zie de aant. bij vs 8) niet duidelijk is.
11. Voor wie waart gij beducht: wie waren eigenlijk die afgoden, die u uit vrees ging vereren? Er was geen reden hen te vrezen: zij stellen niets voor en kunnen u evenmin straffen als redden. Trouweloos werdt: of ‘u met leugen inliet’; afgoderij als afval van God en het verwisselen van waarheid voor leugen. Zweeg Ik niet: God zweeg, dwz. greep niet in, liet in Zijn geduld Israel begaan zonder het te straffen; de bedoeling was, dat Israel daardoor tot inkeer zou komen, maar de reactie was juist, dat zij Hem niet vreesden omdat Hij toch niets deed. Vgl. Rom. 2:4; 2 Petr. 3:9.
12. God zal Zijn volk in het gericht brengen en daar hun gerechtigheid, di. hun trouw aan de dienst en de wil van God, meedelen. De uitspraak is ironisch: die ‘gerechtigheid’ en die ‘werken’ (samen betekent dat: rechtvaardige daden) zijn van die aard, dat zij in het gerecht Israel niet zullen baten.
13. Schreeuwt: van angst en om hulp. Godenvergadering: spottende benaming voor de verschillende vreemde goden; het is ook mogelijk met een kleine verandering te vertalen ‘uw gruwelen’, een gewone aanduiding van afgodsbeelden,2 Kon. 23:24; Jes. 66:3. De wind neemt hen allen op als kaf, als het op redden aankomt blijken alle afgoden niets te zijn. Wie bij Mij schuilt: vgl. Ruth 2:12; Ps. 7:2; Sef. 3:12; op die laatste plaats gaat het, evenals hier, over de vraag voor wie het land zal zijn, vgl. Ps. 37:9-11; Mat. 5:5. Mijn heilige berg: zie bij 56:7; mogelijk ligt in dit vs de reden waarom dit gedeelte hier een plaats gevonden heeft, zie de inl. op de verklaring van 56:9-57:13.
Het heil voor de verbrijzelden 57:14-21
Dit gedeelte doet door vorm en inhoud denken aan de belovende en vertroostende gedeelten, zoals we die tegenkomen in 40-55, zie bv. 40:3, 43:2, 48:20, 21, 49:10, 11, 55:12: God laat een weg banen voor Zijn volk. Deze profetie sluit daarbij aan, maar geeft er tevens een andere richting aan: wat bij de Tweede Jesaja zag op de reis van de ballingen, vän Babel naar Jeruzalem, door de wildernis, wordt hier toegepast op de gang van Gods volk door leven en geschiedenis.
De ontstaanstijd van deze profetie is niet nader te bepalen; verder dan de algemene aanduiding ‘uit de tijd na de terugkeer uit ballingschap’ komen we niet.
14. Hij zegt: God. Verhoogt: vgl. Jes. 40:4; Ps. 68:5; de bedoeling is: bereidt de weg door de kuilen op te vullen. Hier is dat verhogen en wegbereiden figuurlijk bedoeld: het gaat om de weg naar het komende heil. Struikelblokken: al wat een mens op weg naar het heil ten val zou kunnen brengen: omstandigheden, maar ook zonden. De gebiedende wijs (bereidt, verwijdert) is een stijlfiguur; bedoeld is, dat God zal zorgen, dat de weg bereid wordt voor Zijn volk; zie het volgende vs.
15. De Hoge, Verhevene, Heilige: doet denken aan Jes. 6:1-3. Het heil is niet zonder meer voor heel het volk, maar voor de verbrijzelde en nederige van geest, vgl. Ps. 51:19, 113:5-7. Gedacht is daarbij aan wie door de omstandigheden, de straffende hand van God, is neergebogen, maar zich voor God verootmoedigt. Opleven: door de barmhartige aanwezigheid van God ontvangen zij kracht en nieuw leven.
16. Niet altoos twisten: vgl. Ps. 103:9; twisten: een rechtsgeding voeren. Anders zou de geest bezwijken: anders zou de mens geen leven hebben, vgl. Ps. 130:3. God wil niet de dood van de zondaar, maar dat deze zich bekeert en leeft. Terwijl Ik zelfde levensadem gegeven heb: (vgl. Gen. 2:7). God wil Zijn eigen werk niet vernietigen. Een vs als dit sloeg oorspronkelijk op concrete omstandigheden, die een oordeel van God inhielden, maar waaraan een eind zou komen; vervolgens kan het echter een meer algemene betekenis krijgen.
17. Hebzucht komt hier wel wat onverwachts; waarschijnlijk is het beter te vertalen (met een kleine wijziging van de tekst): om zijn zonde was Ik een ogenblik toornig, vgl. Ps. 30:6; Jes. 54:7. In toorn verborg: Ik wendde Mij van hen af, liet Mijn genadig aangezicht niet zien en hoorde hun roepen niet, vgl. Ps. 10:1, 27:9, 104:29. Maar het (volk)…ging zijn eigengekozen weg: lett.: de weg van zijn hart; het woord ‘weg’ wordt hier weer figuurlijk gebruikt, maar in een enigszins andere betekenis dan in vs 14, nl. in de zin van ‘het gekozen gedrag’. Mogelijk wil dit vs zeggen: ook de afwending van het aangezicht van God bracht het volk niet tot inkeer. Een andere mogelijkheid is, dat hier opnieuw de reden gegeven wordt waarom God Zich voor het volk verborg; in dat geval kan het begin van vs 18 met deze woorden verbonden worden: het volk ging afgewend op de wegen van zijn hart, zijn wegen zag Ik en Ik zal het genezen.
18. Zie voor de aansluiting de aant. bij vs 17. Genezen: zowel van zijn zonde als van de gevolgen daarvan; zo belooft dit woord bekering en herstel. Maar het concrete, dat zulke woorden bij Deut. Jes. hadden, waarbij zij zagen op een wonderlijke terugkeer uit de ballingschap en een tijd van herstel daarna, is er hier wat af; daardoor krijgen ze een verdergaande strekking, die betrekking heeft op bekering en vernieuwing in het algemeen, op allerlei tijden, en ten slotte ook op het herstel van alle dingen in de eindtijd. Hetzelfde geldt voor het woord vertroosting, vgl. Jes. 40:1. Het heil is hier minder concreet geworden, algemener, maar ook smaller, specialer: het isalleen voor de treurenden onder het volk, vgl. vs 15 en Sef. 3:12; Mat. 5:4.
19. Vrucht der lippen: het heilswerk van God verandert de klacht van de treurenden in dankzegging en lofzang, vgl. Ps. 30:6; Heb. 13:15. Vrede: inbegrip van wat in vs 18 als genezing, leiding en troost is omschreven, een toestand van heil in de allesomvattende zin van het woord. Deze toestand roept het loflied op. Verre en nabij: zowel wie in en om Jeruzalem woont als wie in de verstrooiing onder andere volken verblijft; zit er misschien ook in: degenen die nu en zij die later leven, vgl. Hand. 2:39?
20. De belofte geldt niet zonder meer het hele volk, zie vss 15, 18. Niet tot rust: inwendig en uitwendig; zij kennen de vrede van vss 18, 19 niet. Slijk en modder: beeld van het kwade en troebele in hun gedachten, woorden en daden, maar daardoor ook in hun omstandigheden.
21. Vgl. 48:22. De herhaling van dit vs kan erop wijzen, dat de profetie van 48:12-22 met die van 57:14-21 te vergelijken is; zie voor het verschil in betekenis de aantt. bij de vss 16, 18 en de inl. op de verklaring van dit gedeelte.
Het ware vasten en de sabbat 58:1-14
Van ouds waren er in Israel dagen waarop gevast werd, als verootmoediging voor God en ter ondersteuning van het gebed, in moeilijke omstandigheden (droogte, sprinkhanenplaag, oorlog). Na de terugkeer uit de ballingschap werd op bepaalde vastendagen de verwoesting van stad en tempel herdacht en gebeden om herstel. Aanleiding tot deze godsspraak is een vraag die in verband met dit vasten (evenals in Zach. 7:3 niet aan een priester maar) aan de profeet gesteld werd: waarom helpt ons vasten niet? ondanks al onze gebeden blijft het beloofde heil (in vs 8 horen we de echo van de beloften van 40:5, 42:16, 46:13, 49:6) steeds uit! In antwoord daarop wijst de profeet op wat het ware vasten en het echte dienen van God is – zonder dat is geen heil te verwachten.
De vss 13 en 14 breiden wat over het vasten gezegd is uit tot de sabbat.
Op grond van stijl en gedachtengang (die ergens tussen Deut. Jes. en Zach. in staan) en op grond van vs 12 (de wederopbouw is nog nauwelijks begonnen en in elk geval is de tempel nog niet herbouwd; daarmee hangt samen, dat wel van vasten en sabbat, niet van offers e.d. gesproken wordt) kunnen we deze profetie dateren tussen 538 (terugkeer uit Babel) en 516 v. Chr. (ingebruikneming van de herbouwde tempel).
1.Roep, verhef: dit gebiedt God de profeet. Dit vs doet vermoeden, dat de profeet met deze boodschap publiek is opgetreden. In vorm en inhoud sluit dit vs zich aan bij oudere profetieën als Hos. 8:1 en Mi. 3:8. Als een bazuin: de sjofaar (ramshoren) werd ook gebruikt om de vastendag uit te roepen, Joël 2:15.
2.De zonde van het volk ligt niet in gebrek aan belangstelling voor God en Zijn woord. Zoeken van de HERE is soms bidden, soms een godsspraak vragen, soms meer algemeen: God (willen) dienen; hier vooral de tweede en derde betekenis, blijkens het verdere vs. Mijn wegen: de wegen die Ik wijs, het leven en de dienst die Ik van hen vraag. Gerechtigheid en recht: tsedaqa en misjpat, zie de aant. bij 56:1. Tot God te naderen: niet om te offeren (zie de inl. op de verkl. van dit gedeelte) maar met gebed en vooral met vragen om aanwijzingen voor het leven in de dienst van God.
3.Deze vraag, via de profeet tot God gericht, vormt de aanleiding tot deze godsspraak, zie de inl. op dit gedeelte. Waarom…, alsGij…: beter is te vert.: waarom vasten wij wel maar schenkt U er geen aandacht aan? dwz. U verhoort de daarbij opgezonden gebeden niet. Verootmoedigen: vasten als onthechting, concentratie, ontledi-ging voor God. Zie: heeft in dit en het volgende vs bijna de betekenis: hierom. Het wil erop wijzen, dat de schuld niet bij God ligt, maar bij Israel. Doet gij zaken: eigenlijk ‘vindt gij’, dwz. zij komen ter gelegenheid van vastendagen anderen tegen en nemen de kans waar om zaken te doen. De uitdrukking, die met ‘zakendoen’ is vertaald, is wat dubbelzinnig: er klinkt ook in door ‘u zoekt uw eigen plezier’; zie ook vs 13.
4.Tot twist en strijd: gaf het zakendoen op vastendagen aanleiding tot twist? De formulering is zeer scherp: eigenlijk staat er, dat hun vasten dient om te vechten enz. Het lijkt wel of ze het erom doen, en alsof vasten niet diende om je stem, di. je gebed, in den hoge, daar waar God woont, te doen horen, maw. ter ondersteuning van het gebed.
5.Wanneer alleen de uiterlijke vormen overblijven, verliezen die hun zin en worden bijna belachelijk: jezelf vernederen, rondlopen gebogen als een bieze; eenzelfde soort ironische taal als in Jes. 1:12, waar druk tempelbezoek genoemd wordt ‘Mijn voorhoven plat treden’. Kritiek op het vasten als zodanig is dit niet, evenmin als Deut. 10:16 afkeuring van de besnijdenis is. Vgl. ook Mat. 6:16. Rouwgewaad: als teken van schuldbelijdenis en ootmoed.
6.Boeien der goddeloosheid: banden van slavernij of armoede, waarmee men op goddeloze wijze, di. in strijd met de wil van God, anderen gevangen houdt. Los te maken: zie voor een dergelijk ‘losmaken’ Jer. 34:8vv. Alle vier in dit vs gebruikte uitdrukkingen spreken van het ophouden met verdrukken, het vrijmaken van de naaste. Waarom wordt dat aangeduid als (het) vasten (dat Ik verkies)? Is de bedoeling: alleen het vasten, dat daarmee gepaard gaat, is het echte? Of wil de profeet een inwendig verband leggen: wie vast legt zichzelf beperkingen op, wil bepaalde dingen opgeven, loslaten – dat moet evenzo gebeuren tegenover de naaste: geen beslag op hem leggen, hem kunnen vrijlaten?
7.Vgl. Job 31:13-22, 32; Mat. 25:35, 36. Zwervelingen: mensen die door verarming geen dak meer boven het hoofd hebben. Naakt: misschien omdat hij zijn kleren van armoe heeft moeten verkopen of verpanden, Deut. 24:12, 13. Uw eigen vlees en bloed: uw volksgenoot, vgl. Gen. 37:27; misschien speelt ook de betekenis ‘medemens’ mee, vgl. Job 31:15.
8.9a. Dan zal: er zijn uitleggers die de profeet verwijten, dat hij in wezen niet zo veel anders denkt dan zijn volksgenoten: immers, ook hij zou menen, dat menselijke verdiensten het heil naderbij zouden brengen. Maar er staat niet, dat mensen het heil verdienen door tegenover de naaste het goede te doen; alleen dat de onder het volk levende zonden de komst van het heil tegenhouden; vgl. ook 59:1, 2. Licht: heil, verlossing, door het komen van God, vgl. 60; 1, 2. Als de dageraad: die niet tegen te houden is en alle donker overwint; overigens is ook de dageraad zelf weer beeld van verlossing, 8:20. Uw wond zich sluiten: lett. zal een nieuwe huid (op de wond) uitspruiten; wond is beeld van het beschadigde bestaan van land, stad en volk; het woord ‘spruiten’ (niet in NBG) doet aan een wonderlijk proces van herstel denken. Uw heil: uw tsedaqa, zie bij 56:1. Voor u uitgaan enz.: doet denken aan de reis door de woestijn met wolk- en vuurzuil, Ex. 13:21, 22,14:19; meer nog aan de belofte van 52:12 mbt. de terugkeer uit Babel; maar de betekenis is hier meer algemeen geworden, zie de aantt. bij 57:16, 18. Antwoorden: door hulp en redding te geven, vgl. 30:19, 65:24. Deze vss laten iets zien van de achtergrond van deze profetie, zie de inl. op dit gedeelte.
9b, 10. Dit is in hoofdzaak herhaling van de vss 7, 8, 9a. Juk: dat anderen ten onrechte wordt opgelegd. Wijzen met de vinger: gebaar van bespotting, uiting van minachting, Spr. 6:13. Spreken van boosheid: lasterpraat. Uw donkerheid als de middag: zelfs het donker zal nog licht zijn; beeld van volkomen verlossing.
11. Leiden, in dorre streken verzadigen: doet denken aan profetieën van Deut. Jes. ivm. de terugkeer uit Babel, 40:11, 42:16; de mensen vroegen zich af, of er van de vervulling daarvan ooit nog iets terecht zou komen, zie de inl. op dit gedeelte en de inl. op 56-66. De betekenis van deze beloften wordt hier meer algemeen gemaakt: niet ‘leiden door de woestijn’, maar ‘rijke zegen onder allerlei omstandigheden’, zie de aant. bij 57:16, 18. Bron: vgl. 43:19, 20; de tekening is bijna paradijselijk.
12. Hier blijkt wat de wonden van vs 8 waren: de puinhopen van stad, tempel en volk. Vgl. 61:4. Men zal u noemen: een nieuwe situatie vraagt om (of komt uit in) een nieuwe naam, 19:18, 47:1, 60:14, 62:4.
13. Sabbat: wat van de vastendagen geldt, geldt ook van de sabbat. Deze oeroude instelling in Israel kreeg vooral door de ballingschap en het ophouden van de tempeldienst steeds grotere betekenis: meer dan de offers werd de sabbat teken van het verbond tussen God en Israel. Over…heenloopt: of misschien ‘als u op de sabbat uw voet terughoudt’, dus: niet op pad of aan het werk gaat. Uw zaken te doen: zie bij vs 3; hetzelfde woord nog eens tegen het einde van het vs (NV uw gewone bezigheden). IJdele taal uit te slaan: onzekere vert., er staat ‘een woord te spreken’; is gedacht aan onderhandelingen, zakelijke gesprekken?
14. Dan zult gij: de wet stelde strenge straffen op overtreding van het sabbatsgebod, Ex. 31:15, vgl. Num 15: 32-36; blijkbaar was in de tijd van deze profetie aan die oude bepalingen de hand niet meer te houden en kwam in de plaats van de straf op de overtreding de belofte van zegen bij onderhouding van het gebod. Rijden over de hoogten: beeld van blijdschap en welvaart, vgl. Deut. 32: 13; Hab. 3:19 (en de aant.). Erfdeel: het herkregen maar nog niet herbouwde land, breder: de beloofde zegeningen.Jakob: de vermelding van Jakob in vs 1 en in vs 14 bindt dit gedeelte samen tot een geheel.
Profetische liturgie, uitlopend op heilsprediking 59:1-21
De vraag achter dit hoofdstuk is dezelfde als die achter hst. 58: waarom blijft het beloofde heil uit? Het antwoord wordt gegeven in de vorm van een profetische liturgie: evenals in een werkelijke liturgie wisselen verschillende soorten teksten, aan verschillende personen in de mond gelegd, elkaar af. In verband met (de navolging van) het liturgisch karakter is de taal sterk traditioneel. De vss 1-8 bevatten (in tweeStrophen, vss 1-4 en vss 5-8) de aanklacht tegen het volk; de vss 9-15a zijn (eveneens in tweeStrophen, de klacht van vss 9-11 en de schuldbelijdenis van vss 12-15a) een klaaglied van het volk; de vss 15b-20 geven (opnieuw in tweeStrophen, vss 15b-17 en vss 18-20) de belofte van verlossing (vs 21 valt buiten het kader van de profetische liturgie). Dat we hier met een profetische (dus niet werkelijk uitgevoerde) liturgie te doen hebben, houdt oa. in, dat het klaaglied van vss 9-15 niet werkelijk gezongen is; de profeet bedoelt te zeggen, dat het volk (zo) zijn schuld zou moeten belijden. Evenzo is (om nog een voorbeeld te noemen) vs 15b profetisch bedoeld: als het volk zijn schuld zal belijden, dan zal de HERE het zien enz. Het antwoord op de vraag, die achter dit hst. ligt, luidt kort en goed: dat ligt niet aan God, maar aan Israel. Wat de tijd betreft, dit gedeelte stamt waarschijnlijk uit dezelfde tijd als hst. 58, nl. tussen 538 en 516 v. Chr.
Aanklacht tegen het volk 59:1-8
1, 2. Hand… niet te kort: Zijn macht is niet te klein, vgl. 50:2. Oor niet onmachtig: eig. zwaar; God wil de gebeden om uitredding wel verhoren. Israel was gaan twijfelen, of God de beloften van het komende heil wel kon en wilde vervullen, zie de inl. op dit gedeelte. Uw ongerechtigheden: het Hebr. kent veel woorden voor ‘zonde’, een hele reeks daarvan komt in dit hst. voor; het hier gebruikte legt vooral de nadruk op het schuldigmakende karakter van de zondige daad. Aangezicht…verborgen: een Israëliet, die (vooral in de tempel, maar die was in de tijd van dit hst. nog niet herbouwd) ging bidden, zocht (daar) het aangezicht van de HERE, dwz. Zijn genadige aanwezigheid; daartegenover staat het verbergen van Gods aangezicht, dat het niet horen van de gebeden insluit.
3, 4. Handen, vingers, lippen, tong: plastische taal, die de mens tot in zijn verschijning toe als zondaar tekent (dezelfde plastiek, maar dan met omgekeerde betekenis, in 50:4-6); de taal is traditioneel, vgl. Ps 5:10,12:3,4, 26: 10, 50:19, 59:13; Jes. 1:15; Jer. 9:3, 5, 8ea. Om wat voor zonden het in concreto gaat, blijkt hier niet; ook de volgende vss geven daar geen aanwijzingen over. Niemand: stijlfiguur van de hyperbool (overdrijving), vgl. Ps. 53:2, 3. Ook de profeten van voor de ballingschap klagen over de slechte rechtspraak, Jes. 1:17, 5:7, 29:21; Jer. 5:28; Am. 5:10. IJdelheid: Hebr.: tohoe (Gen. 1:2), het chaotische, het lege, het niets. Gaan zwanger… en baren: spreekwoordelijke zegswijze, vgl. Job 15:35; Ps. 7:15. Moeite: die men anderen aandoet, Hab. 1:3. Onheil: sterker woord dan ‘moeite’: ellende waarin men anderen brengt.
5.8. Deze strophe werkt de beeldspraak van de zonde, in vs 4 begonnen, in een reeks traditionele beelden, die geen inzicht geven in de aard van het bedoelde kwaad, verder uit; hier wordt niet, zoals in vss 1-4, het volk aangesproken in de 2de persoon maar een tekening gegeven in de 3de persoon.
Broeden uit: deze vert. kan niet juist zijn: een uitgebroed ei kan men niet opeten; beter: zij leggen eieren van eengiftige slang.Wie van hun eieren eet zal sterven: hun plannen en daden brengen anderen de grootste schade toe. Webben deugen niet tot kleding: hun intriges doen noch anderen, noch hunzelf enig goed. Snellen naar het kwade enz.: vgl. Spr. 1:16; de bedoeling is: zij brengen hun snode plannen haastig tot uitvoering. Weg, pad, sporen: aanduidingen van gedrag, handelwijze, in dit geval van de goddelozen. Wat oorspronkelijk van zondaren in bijzondere zin gezegd werd (zie Spr. 1: lOw) wordt hier gebruikt als tekening van de toestand onder het volk in het algemeen. Vrede: zie 57:19-21 en de aant. Recht: misjpaat, zie 56:1 en de aant. Zie Rom. 3:16, 17.
Klaaglied van het volk 59:9-15a
Binnen de profetische liturgie is de bedoeling: zo zou het volk moeten klagen, wil het verhoring van zijn gebeden ontvangen.
Klacht over de toestand 59:9-11
9.Recht en gerechtigheid: hier moet bedoeld zijn: het verlossend optreden van God, zie verder de aant. bij 56: 1. De beeldspraak van licht en duisternis, geliefd bij Jes., voor leven en dood, geluk en onheil, is duidelijk. Wachten op licht: wachten op de vervulling van de beloften van God, gedaan door Deut. Jes., zie de inl. op hst. 58.
10. Tasten als blinden: beeld van radeloosheid. Struikelen: hier niet zozeer in de zin van ‘zondigen’, maar van niet weten wat te doen, dingen doen die verkeerd aflopen; vgl. Klaagl. 4:14. In de kracht van ons leven: onzekere vert.; anderen: wij zitten op onbewoonde plaatsen (kerkhoven) als doden, of: wij zijn in de duisternis als doden, of: wij zijn verstijfd als doden; vgl. voor de beeldspraak Ez. 37:11.
11. Grommen als beren: onduidelijk beeld: als wilde beren, omdat wij God ahw. met geweld het heil afhandig zouden willen maken? als gevangen beren, die klaaglijk grommen? als onheilspellend geluid? Kirren als duiven: de jammerende toon van klaagzangen deed aan het kirren of koeren van duiven denken, zie Jes. 38:14; Nah. 2: 7. Recht: als in vs 9.
Belijdenis van schuld 59:12-15a
Ook hier is de taal conventioneel, zoals past bij een liturgie.
12. Overtredingen: dit woord voor ‘zonden’ legt de nadruk op het karakter van zonde als afval van, opstand tegen, God. Zijn wij ons bewust, kennen wij: het gaat niet om een vage belijdenis, niet om een conclusie uit de omstandigheden: wij zullen wel gezondigd hebben, want de omstandigheden zijn moeilijk; nee, het is een belijdenis op grond van kennis en inzicht, vgl. Ps. 51:5. Ongerechtigheden: zie bij vs 2.
13. Overtreden: zie bij vs 12. Afvallen: eigenlijk ‘wijken van achter onze God’, Hem niet meer volgen, niet meer ‘wandelen achter de HERE’. Het gaat hier niet over afgoderij, zie 58:2, 3. Het zijn typisch samenlevingszonden, die hier worden beleden, vgl. 58:6-10. Blijkbaar werd de maatschappij gekenmerkt door een hoge mate van onbetrouwbaarheid en rechteloosheid.
14. 15a. Recht en gerechtigheid: hier in de verhoudingen tussen de mensen, dus anders dan in vs 9. Stijlfiguur van de personificatie: recht en gerechtigheid worden voorgesteld als personen, die worden tegengehouden. Wordt slachtoffer van uitbuiting: het is niet mogelijk neutraal te zijn, men doet mee met het kwade of men wordt slachtoffer.
Boodschap van het heil door het komen van God 59:15b-20
God rust zich toe om te komen 59:15b-17
15b, 16a. Zag: zie de inl. op dit gedeelte. De zinnen van 15b en 16a lopen parallel; met dat er geen recht was wordt bedoeld dat niemand tussenbeide trad, dat wil in dit verband zeggen: dat niemand het klagende en schuldbelijdende Israel te hulp kwam. In het kader van de profetische liturgie is Israel nu niet meer degene die schuldig staat, maar degene die hulp nodig heeft – dat is het effect van de belijdenis van schuld.
16b, 17. Zijn arm: Zijn eigen macht, Hij doet het zonder hulp van anderen. Zijn gerechtigheid: Zijn reddende kracht; dezelfde betekenis heeft dit woord ook in vs 17a. Deze vss tekenen de HERE als een strijder, die zich toerust tot de strijd, zie 63:1-6 en de aant. Helm des heils: heil heeft hier de betekenis van overwinning, overwinnende kracht (anders dan in Ef. 6:17). Wraak is hier, blijkens de parallellie met ijver, meer een eigenschap dan een daad van God: wrekende kracht. IJver: het opkomen voor Zijn eer en het warm lopen voor Zijn volk, vgl. Jes. 9:6, 63:15 en de aant. bij Nah. 1:2. Gods verlossend optreden 59:18-20 Ook hier wordt in bestaande conventionele taal gesproken, die in het verband van de profetische liturgie, wat de uitleg betreft, aan de situatie moet worden aangepast.
18. Grimmigheid: vgl. Nah. 1:6 en de aant. Kustlanden (zie de aant. bij 40:15): gelden als de meest afgelegen delen van de aarde, vgl. Sef. 2:11; overigens is de tekst van heel dit vs nogal onzeker.
19. Vanwaar de zon ondergaat enz.: over de gehele aarde; vgl. Ps. 113:3. Men zal vrezen: of misschien ‘men zal zien’; in elk geval is ‘de naam des HEREN vrezen’ hier niet: in de HERE geloven, maar: Zijn verschijning (met vrees) aanschouwen; naam is hier zoveel als aanwezigheid, vgl. het parallel ermee gebruikte woord heerlijkheid, Zijn stralende verschijning. Het vs tekent een theophanie, vgl. 30:27, 28.
de oorspronkelijke liturgische tekst trad God op als vijand tegen de vijanden (van Israel), vgl. vs 18, en als Verlosser voor Sion; hier wordt nader gepreciseerd en ook binnen Israel onderscheid gemaakt: de verlossing is voor wie zich, binnen het volk van Jakob, bekeren, vgl. de aant. bij 57:18. Verlosser: go’el, zie bij 41:14. In sterk afwijkende vorm, meer in overeenstemming met de griekse vert. dan met de hebr. tekst, wordt dit vs aangehaald in Rom. 11:26.
21. Dit vs valt, door stijl en inhoud, uit de toon en maakt geen deel uit van de profetische liturgie. Het is toegevoegd toen, bij de verzameling van de profetische woorden, ondanks bekering en gebed, nog steeds het beloofde komen van God niet had plaats gehad; het wil zeggen: ook al blijft de verlossing uit, de Geest van God en het profetische woord zullen Israel door de eeuwen heen blijven vergezellen. De belofte blijft waar.
Heilsprofetie: de nieuwe heerlijkheid van de stad Gods 60:1-22
De hstt. 60, 61 en 62 horen, blijkens de grote overeenkomst in stijl en inhoud, bij elkaar. Ze doen sterk denken aan de hstt. 40-55; soms is er woordelijke overeenstemming, zie de verklaring. We horen in 60-62 niet de troostende woorden van 57:14-21, niet de veroor deling van zonden en misstanden als in 56:9-57:13, 58, 59; niet het roepen om het ingrijpen van God als in 64; alleen juichende aankondiging van het heil, dat zal aanbreken door het komen van God. Dit komen van God (theophanie) houdt echter niet, zoals bij Deut. Jes., verband met de terugkeer uit ballingschap, maar met de grenzeloze heerlijkheid van Jeruzalem en de tempel die God zal doen komen. Nog minder dan bij Deut. Jes. is bij deze hstt. de vervulling in bepaalde historische feiten aan te wijzen; de tekening gaat zelfs over in het eschatologische, zie 60:19v.
Een overtuigende datering van deze hstt. is niet te geven. Mogelijk mag uit 60:7,13,17 worden opgemaakt, dat de tempel herbouwd was; uit 60:10, 15, 61:4, 62:4, 7 blijkt, dat de muren van Jeruzalem nog niet herbouwd waren. Misschien dateren deze hstt. uit de tijd, dat de herbouwde maar zeer sobere tempel in gebruik werd genomen, of iets later, dus tussen 516 en ± 500 v. Chr. Daarmee kan in overeenstemniing zijn, dat ze in sommige opzichten doen denken aan Hag. (2:7-10) en Zach. (2:1-5, 6-13), die ongeveer in diezelfde tijd profeteerden.
De plaats, die deze hstt. innemen in het geheel van de verzameling, nl. na 58 en 59, is in elk geval zinvol: als aan de voorwaarden, in 58 en 59 genoemd, voldaan is, kan het heil komen.
1.Sta op: aangesproken is Jeruzalem, als vrouw voorgesteld; vgl. 51:17, 52:1. Word verlicht: weerkaats het licht, dat over u opgaat (vs 2); wie terneergeslagen blijft liggen, vangt en weerspiegelt geen licht. Vgl. Ef. 5:14. Uw licht: heil, verlossing voor u, vgl. Ps. 13:4, 27:1; Jes. 58:8, 59:9. Heerlijkheid des HEREN: de glans waarmee Hij verschijnt, vgl. 6:3, 58:8, 59:19. Gaat over u op: zoals de zon. Een theophanie wordt getekend, een reddend komen van God, nu niet (zoals in 40-55) om Israel uit de ballingschap te doen terugkeren, maar om een heel nieuwe situatie te scheppen: een vrij, machtig en rijk Jeruzalem; maar de tekening gaat nog verder, zie de vss 18vv.
2, 3. Duisternis: de duisternis van de volken, die de HERE niet kennen en Zijn verlossende wonderen niet ervaren, steekt sterk af tegen het licht over Sion. Daarom komen volken en koningen (wat, parallel met volken gebruikt, practisch ‘koninkrijken’ betekent) naar uw stralende opgang, naar de glans van het over Sion opgaande licht, vgl. 2:2, 3. Zal de HERE opgaan: vgl. Deut. 33:2.
4.Zie rondom: Jeruzalem, opgestaan, moet de verstrooide Israëlieten zien aankomen. Vgl. 49:17, 18, 22. Velen waren in Babel achtergebleven of onder andere volken verstrooid, Zach. 2:6, 7, 6:15. Zonen en dochters: leden van het volk, aanstaande bewoners van Jeruzalem; vgl. 57:3 en de aant.
5.Zien en stralen van vreugde: vgl. Ps. 34:6. Ontroerd verruimen: nogal onzekere vert.; letterlijk is er sprake van beven: is Sion aanvankelijk bang omdat het erop lijkt of legers van alle kanten aankomen? – bij nader inzien blijken het de in het vervolg genoemde schatten te zijn. Rijkdom der zee: wat over zee wordt aangevoerd, de rijkdom die het resultaat is van zeehandel. Vermogen der volken: vgl. Hag. 2:8; de van verre komende volken brengen behalve de ‘kinderen’ van Sion ook allerlei rijkdom ter verfraaiing van (stad en) tempel. Dat zij komen om te aanbidden, en het Woord van God te horen (zoals in 2:2-4) staat hier niet; we zijn hier meer in de lijn van Ps. 72:10, 11, met dit verschil, dat het eerbewijs hier geen koning geldt; bij Tr. Jes. speelt geen koning of heerser een rol, zie ook vs 17.
6.Kamelen: karavanen brengen allerlei rijkdom naar het nieuwe Jeruzalem. Midian en Efa: in het N.W. van de Arabische woestijn, ten Z. en O. van Israel; vgl. Gen. 25: 4. Seba: vgl. 1 Kon. 10:1, 4, 10, 13; Ps. 72:10; in Zuid Arabië, bekend om wierook, specerijen, zilver, goud. Goud en wierook: vgl. Jer. 6:20; Mat. 2:11; wierook is een lekker ruikende hars, vooral bij reukoffers gebruikt. Roemrijke daden: vgl. Ps. 78:4; bedoeld zijn hier de daden, die de volken God zien verrichten bij Zijn komst. Blijde verkondigen: vgl. 52:7, 61.T; Sept. gebruikt hiervoor een woord, waarvan ons woord ‘Evangelie’ is afgeleid.
7.Kedar en Nebajot: vgl. Gen. 25:13; Jes. 42:11; ergens tussen Egypte en Edom; blijkbaar bekend om hun rijkdom aan klein vee. Schapen en rammen stellen zich ten dienste: het is alsof zij uit eigen beweging zich komen aanbieden als offerdieren. Komen: eig. opgaan, een woord, dat oa. ook voor terugkeren uit ballingschap en opgaan op het altaar (als offer) gebruikt wordt. Luister: eig. sieraad, pracht; de vele offers zijn een sieraad voor de tempel. Uit dit vs (vgl. ook vss 13 en 17) zou kunnen worden afgeleid, dat de tempel herbouwd was.
8.Wie zijn deze: deze vraag is litterair, dwz. ze bedoelt niet dat iemand dit vraagt en van iemand anders antwoord ontvangt, maar dient als inleiding op de mededeling wie daar aankomen, vgl. 63:1. Sion, nu uitkijkend in W. richting, over de zee, vanwaar de wolken komen, ziet schepen naderen.
9.Op Mij zullen de kustlanden wachten: de tekst is hier in de war, deze woorden zijn ingedrongen uit 51:5; mogelijk heeft er oorspronkelijk gestaan: ‘schepen van de kustlanden verzamelen zich’ of iets derg. Zie voor de kustlanden de aant. bij 59:18. Tarsis: vgl. 23:1, 6,10,14; phoenicische kolonie in N. Afrika (of Spanje?); geldt, evenals de kustlanden, als ver weg, Ps. 72:10. ‘Schepen van Tarsis’ kan ook in het algemeen ‘grote zeeschepen’ betekenen, vgl. 2:16. Motieven die elders (Ps. 72) op de koning worden toegepast, worden hier gebruikt ivm. het nieuwe Jeruzalem, zie de aant. bij vs 5. Uw zonen: zie bij vs 4. Heilige Israels: benaming voor de HERE die 31 maal voorkomt, waarvan 25 x in het boek Jes, zie bij 41: 14.
10. Vreemdelingen: niet Israel zelf; anderen zullen hen dienen, zoals zij zolang anderen hebben gediend, vgl. 61: 5 en 1 Kon. 9:21v. Muren: waren dus nog niet herbouwd; dit werk was pas voltooid in de tijd van Nehemia (± 445 v. Chr.).Hun koningen: natuurlijk niet letterlijk, maar als aanduiding van heerlijkheid. In Mijn toorn: zie bij dit gedeelte van het vs Ps. 30:6; Jes. 54:8.
11. Poorten…zullen openstaan: niet op de wijze van Zach. 2:4, 5 (Jeruzalem zal een stad zijn, die geen bescherming van muren en poorten nodig heeft, omdat God haar bescherming is), maar om de voortdurende stroom van geschenken door te laten; vgl. bij vs 18 en zie Op. 21:24vv. Worden meegevoerd of: weggevoerd, als gevangenen; dit past niet bij wat eerder (vss 3, 10) over de koningen gezegd is; beter is met een kleine wijziging te lezen: ‘onder aanvoering van hun koningen’; zie ook het volgende vs.
12. Te gronde gaan, verwoest worden: dit vs valt uit de toon, zie de vorige aant.; het is waarschijnlijk een toevoeging van iemand, die het ‘weggevoerd’ van het vorige vs wilde verklaren (vandaar ‘want’).
13. Heerlijkheid van de Libanon: de prachtige bomen (35:2) die het mooie hout leveren, vooral voor de tempel, zoals ten tijde van Salomo, 1 Kon. 5:8-10. Tot u: tot Jeruzalem. Op te luisteren: vgl. Ezra 7:27; Jes. 55:5. Plaats van Mijn voeten: vgl. 1 Kron. 28:2; Ps. 99:5, 132:7; Jes. 66:1.
14. Zonen: vorige generaties hadden Israel verdrukt. Aan uw voeten: nog steeds is Sion aangesproken; vroegere overheersers zullen het straks hulde brengen, vgl. Ps. 72:9. Noemen: zie de aant. bij 58:12. Heilige Israels: zie bij vs 9.
15. Verlaten en gehaat: beeld van de stad als versmade vrouw, vgl. 49:14, 54:1, 6, 7 en voor een bredere uitwerking van het beeld Ez. 16. Eeuwig: niet in de zin van ‘tijdloos’, maar^van ‘voor zeer lange tijd’.
16. Melk der volken: Sion zal de krachten en rijkdommen van de volken in zich opnemen; het beeld is er een van onbekommerd en welverzorgd zijn, vgl. 49:23, 26. Gij zult weten: vgl. 43:10,45:3,6,49:23,26; Gods daden zullen tonen wie Hij is; de uitkomst geeft het geloof gelijk en bevestigt het. Verlosser: zie bij 41:14. De Machtige (God) van Jakob: oude benaming voor de HERE, Gen. 49:24; Ps. 132:2, 5; Jes. 1:24, 49:26.
het laatste gedeelte van het hst. gaat de tekening, meer dan in het voorafgaande, datgene wat in de geschiedenis gerealiseerd kan worden te boven en krijgt ze een eschatologisch karakter. Vgl. Op. 21:9vv. Voor koper: in dit vs klinken de armoede van die tijd en de soberheid van de herbouwde tempel door, vgl. Hag. 2:2-10. Zie voor de materialen 1 Kon. 10:14-27. Vrede tot uw overheid: van vrede, rust en welvaart kan letterlijk gezegd worden, dat zij heersen alom. Gerechtigheid: de (ook onderlinge) opbouw van het leven volgens de wil van God, vgl. 56:1, 59:9, 16. Heerseres: zuiver beeldspraak, van regerende personen is geen sprake; zie de aant. bij vs 5.
18. Geen geweld: in tegenstelling tot 59:13-15. Uwmuren heil, uw poorten lof: het beeld is niet dat van een open stad, die geen stenen muren nodig heeft omdat het heil de muur is (Jes. 26.T; Zach. 2:4, 5), maar dat van een stad, die door heilzame en roemrijke muren beschermd wordt, zie bij vss 10,11. Noemen: vgl. de aant. bij 58:12.
19. 20. Zon…niet meer tot licht: het licht, de stralende verschijning van de HERE (vss 1, 2), maakt zon en maan overbodig, vgl. Op. 21:23. De nieuwe situatie, ontstaan door het komen van God, verandert ook de gang van de hemellichamen. Reeds in oude schilderingen van theo-phanieën roept het komen van God kosmische reacties op, Ri. 5:4, 5, 20; Ps. 68:8, 9, 76:9, 97:5, 6; wat hier in Jes. 60 getekend wordt gaat verder: een stap in de richting van de nieuwe aarde. Rouw: zie Ps. 30:12; Jes. 40:lw, 61:3.
21. Rechtvaardigen: verwant aan het woord ‘gerechtigheid’, zie bij vs 17; is bedoeld: ‘zij die de wil van God doen’, ‘zij die het heil deelachtig worden’ of beide? Voor altoos: zie bij vs 15 (eeuwig). Het land bezitten: zie 63:18 en Ps. 37:9; verder Mat. 5:5. Scheut: vgl. Ps. 80:9-12; Jes. 5:1-7; Am. 9:15.
22. Machtig volk: wonderbare uitbreiding van het volk, vgl. 54:lw; Zach. 2:4; het omgekeerde in Am. 5:3. Te zijner tijd…volvoeren: in letterlijke zin is deze profetie nooit vervuld; in overeenstemming met de eschatologische trekken, die zij tegen het einde steeds sterker vertoont, is ze overgenomen en voortgezet in de profetie van het Nieuwe Jeruzalem in Op. 21, waarbij zowel ‘nieuw’ als ‘Jeruzalem’ nog iets meer en iets anders gaan betekenen dan in verband met dit hst.
Heilsprofetie: heerlijkheid voor verbrokenen 61:1-11
Zie de inl. op hst. 60. De eerste vss van hst. 61 zijn vooral bekend geworden door de wijze waarop de Here Jezus ze op Zichzelf toepaste in Luc. 4:18-21.
1.Geest: de profeet vertelt geen roepingsvisioen, maar weet wel heel zeker met de Geest begiftigd te zijn. Op mij: op de profeet, die hier spreekt. Dit vs doet denken aan de zgn. ‘Liederen van de Knecht des HEREN’, zie 42:1, 50:4, 5; verder Mi. 3:8. Dat deze vss uiteindelijk vervuld zijn en zullen worden in en door de Here Jezus, is daardoor niet uitgesloten. Gezalfd: niet letterlijk, maar in de zin van datgene wat de betekenis van de zalving is: mededeling van de Geest, 1 Sam. 16:13; 2 Sam. 23:1,2, en verlening van een opdracht (gezonden). Blijde boodschap: vgl. bij 40:9 (vreugdebode) en 60:6. Oot-moedigen: die zich buigen onder de hand van God, vgl. 57:18; Sef. 2:2, 3; geleidelijk kreeg het woord de betekenis ‘vromen’. Om te verbinden: strikt genomen is het niet de profeet, die verbindt, maar de boodschap, of liever: het verbinden is de inhoud van de boodschap, vgl. voor een soortgelijk spraakgebruik Jer. 1:10. Gebrokenen van hart: vgl. Ps. 51:19; ook daar is verband tussen verbro-kenheid van hart en herbouw van muren, vs 20 (de vss 20 en 21 zijn mogelijk in de tijd van Jes. 61 aan Ps. 51 toegevoegd). Het is mogelijk, dat met gebrokenen, gevangenen, gebondenen bepaalde groepen onder de uit de ballingschap teruggekeerden bedoeld worden (bv. mensen-die door verarming en onrecht in slavernij zijn geraakt, 58:6); waarschijnlijker is echter, dat de uitdrukkingen in geestelijke zin bedoeld zijn, vgl. 57:15, 18.
2.Jaar: het gebruik van de woorden jaar en dag in dezelfde betekenis bewijst, dat ze niet letterlijk bedoeld zijn, maar in de zin van ‘tijd(stip)’. In jaar van het welbehagen klinkt het jubeljaar (Lev. 25, een jaar van herstel en vrijlating) door, in dag der wrake van onze God klinken profetieën over de Dag des HEREN door, zie Sef. 1: 7-9 en de aant. Wrake: de nadruk ligt niet op wat de vijanden overkomt (zij worden niet genoemd), maar op het herstel van het volk. Treurenden: zie bij 57:18. Troosten: vgl. 40:1, 49:13, ea. De troost is, dat er werkelijk iets gebeurt, zie vss 4vv.
3.De tekst is enigszins onzeker. Hoofdsieraad: tulband, vgl. vs 10. As: op het hoofd gestrooid als teken van rouw, 2 Sam. 13:19. De woorden bevatten een woordspeling: pe’er (tulband) in plaats van ‘eper (as). Vreugdeolie: gekruide olijfolie als cosmeticum, Ps. 23:5. Noemen: zie bij 58:12. Terebinten: grote bomen (terpentijn-bomen), vgl. Ps. 1:3. Der gerechtigheid: van het heil; aan hun sterke, gezonde toestand is te zien, dat zij delen in het gekomen heil, vgl. Ps. 92-13-16. Planting: zie bij 60: 21.
4.Puinhopen: zie de inl. op hst. 60; verder 58:12. Van geslacht op geslacht: verschillende geslachten achtereen, sinds ± 600 v. Chr., hadden de steden niet anders dan als puinhopen gekend.
5, 6. Vreemden: zie 60:10 en de aant. Maar gij: de Judeeërs. Vermogen der volken: zie 60:11, 16.
7.Tekst en vert. zijn wat onzeker; in plaats van ‘uw schande’ is misschien beter ‘hun schande’ te lezen. Schande: van de verwoesting van het land en de wegvoering van het volk, als oordeel van God. Dubbele vergoeding: vgl. 40:2, 61:8, 9. Recht: in zekere zin hebben de uit ballingschap teruggekeerde Judeeërs na zoveel leed recht op herstel. Onrechtmatige roof: al was de plundering van Jeruzalem een oordeel van God (Klaagl. 1:8), ze was ook een daad van onrecht en geweld van de kant van de Babyloniërs. Loon: vergoeding voor de vele geleden ellende, vgl. 40:10. Eeuwig verbond: zie bij 55:3, 60:15, 21. Nageslacht: vgl. 60:23. Zullen erkennen…dat de HERE gezegend heeft: vgl. Gen. 12:1-3; Ps. 67:8; Jes. 60:16.
10, 11. Loflied als antwoord op de verkondiging van het heil. Ik: de profeet als vertegenwoordiger van het volk. Klederen des heils: is hier feestkleding bedoeld die past bij de toestand van herstel en geluk of wordt hier in beeldspraak het heil als kleding voorgesteld? Vgl. voor de beeldspraak 49:18, 59:17. In elk geval: de kleding weerspiegelt de toestand, Gen. 41:42; Ester 6:7-9. Bruidegom: de bruiloft geldt als het feest bij uitstek. Hoofdsieraad: zie vs 3. Uitspruiten: beeld van wat zeker komt, als iets geheel nieuws, en tegelijkertijd als iets dat aansluit bij Gods eerdere werk. Gerechtigheid: verlossing, zie bij 56:1.
Over de vervulling van deze profetie zie aan het eind van hst. 60. Een letterlijke vervulling mbt. het land en de steden van Juda is uitgesloten; door de wijze waarop Christus de eerste vss van dit hst. aanhaalt in Luc. 4 wijst Hij Zichzelf en Zijn verlossend werk aan als vervulling.
Heilsprofetie: heil voor Sion 62:1-12
Zie de inl. op hst. 60. Hier in hst. 62 wordt het heil niet alleen aangekondigd, ook een zeker ongeduld waarmee ernaar wordt uitgezien, valt niet te miskennen (vgl. Zach. 1:12). Ook in dit hst. vindt sterke aansluiting bij woorden van Deut. Jes. plaats; in de samenhang en de omstandigheden van deze profetie krijgen die woorden echter een enigszins andere betekenis, vgl. ook de inl. op 57:14-21.
1.Om Sions wil zal ik niet zwijgen: de profeet wil ahw. door zijn voortdurend vurig uitgesproken profetie de heilstijd voor Sion naderbij brengen (een soortgelijke gedachte, maar dan tav. het kwade, in Am. 9:10). Totdat: typerend verschil met 40-55: daar stond het heil voor de deur. Opgaat als een lichtglans: zie 60:1-3 en de aant. De toestand is nog steeds niet rooskleurig voor Jeruzalem. Fakkel: vuur als beeld van de tegenwoordigheid van God.
2.Volken zullen uw heil zien: vgl. 40:5, 60:3; Ps. 126:2; zoals de volken ook de schande van Israel hadden gezien, Jer. 29:18; Sef. 3:19. Koningen: zie bij 60:3. Nieuwe naam: vgl. bij 58:12, zie ook 65:15; Jer. 33:16. Welke die nieuwe naam is, wordt hier niet gezegd, ook niet in vs 4. Zie Op. 2:17, 3:12.
3.Gij: Jeruzalem. Kroon: diadeem, Ps. 21:4; Jer. 13:18. In de hand des HEREN: een kroon hoort eigenlijk niet in de hand maar op het hoofd, maar dat beeld vond de profeet te gewaagd: Jeruzalem is geen kroon op het hoofd van God, wel omgekeerd, 28:5. Tulband: ander woord dan 60:3, 10.
4.Noemen: zie bij vs 2. Verlatene: zie bij 60:15; verder 49:14vv, 54: lw. Vreemd genoeg komt de naam ‘Verlatene’ (Azuba) inderdaad als vrouwennaam voor, 1 Kon. 22:42. Mijn welgevallen (is aan haar): komt eveneens als vrouwennaam voor (Hefziba, 2 Kon. 21.T). Door deze naam en door ‘gehuwde’ wordt aangegeven, dat de (als huwelijk voorgestelde) gemeenschap tussen God en Sion hersteld zal zijn. Het beeld van het huwelijk omvat volk, land en stad, vgl. Hos. 1:2, 2:2; verder de aant. bij 57:3.
5.Uw tonen: heel onwaarschijnlijk, want ‘uw zonen’ huwen ‘u’ natuurlijk niet en vs 4 en de tweede helft van vs 5 zeggen, dat het God is die Sion huwen zal; ipv. ‘uw zonen’ lees (met kleine wijziging) ‘Hij die u bouwt’, nl. de HERE, vgl. Ps. 147:2.
6.7. Op uw muren: beeldspraak, want de muren liggen nog in puin. Heb ik wachters aangesteld: bedoeld is niet dat God maar dat de profeet dit gedaan heeft, vgl. vs 1. Elke stad had wachters, 2 Kon. 9:17vv; Hoogl. 5:7; Ez. 33:lw. De hier bedoelde wachters zijn denkbeeldig; zij, moeten uitzien naar het heil en daardoor de HERE herinneren aan Zijn beloften; met wachters en gij die de HERE indachtig maakt worden dus dezelfde (denkbeeldige) figuren bedoeld. De bedoeling is het volk op te roepen tot verwachting en gebed. Die indachtig maakt: het hebreeuwse woord (mazkiri) duidt ook een functie aan, 2 Sam. 8:16, 20:24; 1 Kon. 4:3 (kanselier). Totdat: zie bij vs 1. Lof op aarde: vgl. 60:18, 61:11; Ps. 48:3; Sef. 3:19, 20.
8, 9. Gezworen: onder ede beloofd. Bij Zijn rechterhand: waarmee Hij Sion ook herstellen zal, 40:10, 41:10. Nooit…meer… tot spijze geven: vgl. 65:21, 22; Sef. 1:13 en de aant. In ‘nooit meer’ klinken bittere ervaringen door: door de eeuwen heen werd het voedsel van Israel gestolen door plunderende nomaden, roofzuchtige buren en uitbuitende overheersers. De voorstelling is hier enigszins anders dan in 61:5. Eten…en drinken…in de voorhoven: op de grote feesten, Pascha, Wekenfeest en Loofhuttenfeest, die allereerst oogstfeesten waren.
10- deze vss leunt de profeet al heel sterk op wat we lezen in de hstt. 40-55, tot in de woorden toe. Door de verandering van situatie krijgen de woorden een enigszins andere betekenis. Vgl. 40:3, 9-11, 52:10-12. Trekt door de poorten: de bedoeling van deze woorden, die herinneren aan 48:20 en 52:11, is niet duidelijk. Hier zijn niet de poorten van Babel bedoeld, maar waarschijnlijk ook niet die van Jeruzalem (dat past niet bij wat volgt). Is de bedoeling geestelijk: gaat op weg naar de toekomst van God? Of is gedacht aan de poorten van de tempel (Ps. 100:4, 118:19) – gaat de tempel binnen om door uw gebed de weg te banen? Ook tav. bereidt de weg is eengeestelijke betekenis het meest waarschijnlijk, zie de inl. op 57:14-21 en de aant. bij 57:14. Andere uitleggers denken aan een pelgrimstocht naar Jeruzalem, waartoe in de hele wereld wordt opgeroepen. Banier boven de volken: vgl. 49:22; het vaandel om zich bij aan te sluiten op weg naar het heil (anderen: als aanwijzing voor verzamelpunten voor de pelgrimstocht naar Jeruzalem). Dochter Sions: zie bij Sef. 3:14. Zijn loon; Zijn vergelding: zie bij 61:8; ook 40:10. Noemen: zie bij 58:12. Het heilige volk: priesters van God, niet zozeer in de zin van 61:6, meer in die van Ex. 19:6. Begeerde, niet verlaten stad: beeld van de (niet meer) versmade vrouw, zie bij vs 4 en bij 60:15. In letterlijke zin, ten aanzien van de stad Jeruzalem, is deze profetie niet vervuld en een dergelijke vervulling is ook door het Nieuwe Testament achterhaald. Haar uiteindelijke vervulling vindt zij in het nieuwe Jeruzalem en de nieuwe aarde; zie de aantt. aan het eind van hst. 60 en van hst. 61.
Eschatologisch overwinningslied 63:1-6
De keerzijde van de verlossing van Gods volk is het oordeel over andere volken. Dit wordt hier getekend in de vorm van het lied van een overwinnaar. Het lied is eschatologisch, dwz. ziet niet op bepaalde historische gebeurtenissen maar op het laatste der dagen. De tijd van ontstaan is niet nader vast te stellen.
1.Wie is het: de vraag is litterair, dwz. dient om degene die aankomt (de HERE) gelegenheid te geven te zeggen wie Hij is. Erachter ligt de voorstelling van de wachter (62:6) die ieder die de stad nadert naar zijn naam vraagt. Van Edom: verschijningen van God (theophanieën) worden meestal getekend als komend uit het gebied ten Zuiden van Israel, zie Hab. 3:3 en de aant. Ook is mogelijk, dat Edom hier model staat voor vijandschap tegen (de God van) Israel, vgl. hst. 34. Met een kleine tekstwijziging vertaalt men ook wel: wie is het die daar komt roodgekleurd! Van Bosra: stad in Edom, Jer. 49:13; Am. 1:12. Ipv. ‘van Bosra’ vertaalt men met een kleine wijziging ook wel: roder van kleren dan een wijngaardenier, vgl. vs 2. Gerechtigheid: verlossing voor Israel, oordeel over de volken, vgl. bij 56:1.
2.Waarom: voor de bedoeling van de vraag zie bij vs 1. Wijnpers: hier letterlijk, in vs 3 beeldspraak.
3.Pers…getreden: beeld van vernietigend oordeel, vgl. Klaagl. 1:15. De volken zijn de druiven, hun bloed is het sap. In soortgelijke zin wordt ook ‘dorsen’ gebruikt, Am. 1:3; Hab. 3:12. Alleen: bij het eschatologische oordeel treedt God alleen op, zonder (zoals dikwijls in de geschiedenis) van de dienst van volken gebruik te maken.
4.Dag, jaar: zie bij 61:2. Voor wraak in verband met verlossing zie 59:17, 61:2.
5.Ik zag rond: op zoek naar helpers; het beeld bedoelt duidelijk te maken, dat God het heel alleen doet, vgl. ook 59:16. Mijn arm: Mijn eigen kracht, Ik alleen.
6.Maakte hen dronken: welke volken bedoeld worden wordt niet gezegd. Het beeld van het dronken maken als oordeel ook 49:26, 51:17; Jer. 25:15vv. Zie bij dit gedeelte ook Op. 14:17-20.
Klaaglied, gebed om ingrijpen van God 63:7-64:12
Dit is een ‘klaaglied van het volk’; evenals andere soortgelijke klaagliederen begint het met een hymnische terugblik op de daden van God in het verleden, waardoor het verdrietige heden te schrijnender uitkomt, vgl. Ps. 77: 6vv, 12vv, 89:2. Het metrum is overwegend dat van het klaaglied (qina), waarbij een versregel uit een langer eerste en een korter tweede gedeelte bestaat. Alles wijst erop, dat de dichter zich niet in Babel, onder de weggevoerden, maar in Palestina bevindt. Er is nog geen enkele hoop op herstel (zoals bij Deut. Jes.). Het lied zal gedicht zijn in de kring van hen, die na de verwoesting van Jeruzalem in het land achtergebleven; mogelijk is het bedoeld en/of gebruikt voor een bijeenkomst van boete en gebed. Als tijd van ontstaan kan 560 ä 550 v. Chr. aangenomen worden.
Gods grote daden in het verleden 63:7-14
7.Ik zal vermelden: zie voor dit hymnische begin de inl. op dit gedeelte. Gunstbewijzen: liefdevolle daden, die Hij verrichtte in trouw aan Zijn verbond. Vermelden: in mijn lied, vgl. Ps. 77:12, 89:1, 105:2. Roemrijke daden: daden die onze lofzangen opriepen. De vele woorden voor ‘gunst’ en ‘goedheid’ in dit vs willen zeggen: de geschiedenis van Israel is de geschiedenis van de trouw van God; als het heden droevig is, ligt dat dus niet aan God maar aan onze zonden. Aan de andere kant: op die genade en trouw mogen wij ook nu een beroep doen. Vgl. Ps. 77:9, 10. Hij zeide: zij zijn Mijn volk: Hij sloot een verbond met Israel en verklaarde het tot Zijn uitverkoren volk. Niet trouweloos: zoals God trouw was aan Zijn verbond, verwachtte Hij dat ook van Israel.Verlosser: alleereerst uit Egypte, zie de volgende vss. Mogelijk horen de eerste woorden van vs 9 nog bij dit vs: Hij werd hun tot een Verlosser in al hun benauwdheid.
9.Zowel de indeling in vss en zinnen als de tekst en de vertaling zijn hier zeer onzeker. In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd: dit is een gedachte die (hoewel buitengewoon mooi) aan het O.T. vreemd is en die ook niet goed past in het verband. Ook de Engel zijns aange-zichts (waarmee dan een bijzondere openbaring van God zelf bedoeld zou zijn, vgl. de ‘Engel des HEREN’) komt verder in het O.T. niet voor. Waarschijnlijk moeten wes met enige wijziging van de tekst, in navolging van de Sept. vertalen: ‘Hij werd hun tot een Verlosser (9) in al hun benauwdheid. Geen bode, geen engel, Zijn aangezicht (= Hijzelf) heeft hen gered’. Zie voor ‘geen engel maar uw aangezicht = Uzelf. Ex. 33:2, 14, 15. Verlost: uit Egypte. Droeg hen: eerst door de woestijn, later door de geschiedenis, vgl. 46:3, 4. Dagen van ouds: vooral de tijd van uittocht, reis door de woestijn en intocht.
10. Zij waren weerspannig: niet alleen tijdens de reis door de woestijn, maar ook later, zoals de historische boeken Richt., Sam. en Kon. doen zien. Bedroefden zijn Heilige Geest: bedroefden de Heilige God, die met hen door de geschiedenis ging; vgl. Ps. 51:13. Streed tegen hen: oa. door andere volken, die Israel in het nauw brachten, Ps. 44:10vv, 63:11. Waar is: meer een klachtdan een vraag. Herders zijner kudde: Mozes en Aäron, vgl. Ps. 77:21, 80:2. Uit de wateren: van de Rode Zee -of is (ook) de redding van Mozes uit de Nijl bedoeld? Zijn heilige Geest: zie bij vs 10; in hun binnenste of: in hun midden: God zelf was bij hen om hen te leiden en te redden.
12. Arm, rechterhand: de macht, die Israel verloste en vijanden bedwong, vgl. vs 5, Deut. 4:34, ea. Wateren kliefde: bij de doortocht door de Rode Zee, Ps. 78:12. Om Zich een eeuwige naam te maken: om Zich voorgoed als deze God te doen kennen; de heilsgeschiedenis getuigt van God, vgl. Ps. 77:15.
13. Waterdiepten: van de Rode Zee, maar mogelijk klinkt de herinnering aan de overwinning op de chaos mee; het zelfde woord in Gen. 1:2 (vloed). Waarschijnlijk is vs 13 beter zo te lezen: die hen deed gaan door de waterdiepten als een paard door de steppe, zonder te struikelen (vgl. Ps. 106:9).
14. Als aan het vee: lieflijk beeld van vrede en rust; voor God als Herder, zie Ps. 80:2. Geest des HEREN: zie bij vss 10, 11. Rust: de aankomst in Kanaän, dikwijls het krijgen van of ingaan in de rust genoemd, Deut. 12:9; Ps. 95:11; zie ook Mat. 11:28-30 en Heb. 4. Naam: zie bij vs 12.
Eerste bede: zie toch! 63:15-19
15. Schouw, zie: de vraag om liefdevolle aandacht; als God eens goed zou zien hoe wij eraan toe zijn, zou Hij wel willen helpen, Ri. 10:16; Ps. 9:14, 80:15, 94:7, 9. Heilige woning: de hemel; God kan Zich toch niet in de heerlijkheid van de hemel terugtrekken en zijn volk in de ellende laten? Waar zijn: zie vs 11. IJver, zie bij 59:17. Jegens mij niet laten gelden: als deze weergave juist is, maakt de dichter (zie vs 7) zich hier tot de tolk van zijn volk. Misschien moeten we vertalen: Waar zijn uw innerlijke bewogenheid en uw ontferming? Houd U toch niet in, want U bent onze Vader (voor ‘zich inhouden’ zie 64: 12).
16. Gij zijt onze Vader, hoort waarschijnlijk nog bij vs 15. Vader: zie vs 8 (kinderen); Jer. 3:4, 19. Abraham, Israel (Jakob): ook dikwijls ‘onze vaderen’ genoemd, 51: 2, maar zij zijn verleden, geen vader in de zin van helper. Verlosser, onze go’el, zie bij 41:14.
17. Waarom: hoort bij de stijl van het klaaglied, zie bv. Ps. 22:2; Hab. 1:3. Liet Gij ons afdwalen: merkwaardig boude uitspraak, die echter meer Israel dan God beschuldigt: had U ons maar, desnoods met geweld, tegengehouden – U weet immers hoe wij zijn… Uw wegen: de door U voorgeschreven wegen; wegen als beeld van levenswandel). Verharddet: gaf U ons over aan de macht van onze eigen zonden, vgl. Ex. 7:3. Keer weder, nadat U ons verlaten hebt. Stammen van uw erfdeel: de stammen, die U Zich tot duurzaam eigendom hebt gekozen.
18. Voor een korte tijd in het bezit daarvan geweest: als met ‘daarvan’ het land bedoeld is (het woord ‘erfdeel’ uit vs 17 klinkt dan nog na, maar dan in de betekenis ‘land’) is deze korte tijd meer dan 600 jaar; als het (wat waarschijnlijker is) over de tempel gaat, meer dan 300 jaar. Toch een korte tijd, want ze zouden er ‘eeuwig’ wonen en de tempel zou ‘eeuwig’ staan, 1 Kon. 8:13; Ps. 132:14. Tekst en vertaling van dit vs zijn overigens onzeker.
19. Naam … uitgeroepen: als proclamatie, dat zij zijn eigendom waren, Deut. 28:10; 2 Sam. 6:2.
Tweede bede: scheur de hemelen! 64:1-7
In de hebr. tekst, die in hst. 64 elf verzen telt, loopt de nummering steeds 1 vers achter bij die van de vertaling. Wat in de vertaling 64:1 is, is in de hebr. tekst 63:19b.
1, 2, 3. Och, dat enz.: 63:15 vroeg om zien, deze vss vragen om krachtdadig ingrijpen van God, een theophanie (verschijning van God tot redding van zijn volk); vgl. voor de tekening Ri. 5:4, 5; Ps. 68:8, 9. Uw naam te doen kennen: vgl. 63:12, ook 41:23. Dat wij niet verwachtten: omdat wij het gevoel hadden gekregen, dat zulke daden alleen in vroeger tijd plaats vonden.
4.Niet gehoord, noch vernomen: alleen de God van Israel, en dan nog lang geleden, daarom verwachtte men het niet meer; vgl. verder 40:18, 25, 43:11 en de echo van dit vs in 2 Kor. 2:9.
5.Zoals dit vs in de vertaling luidt, valt het uit de toon, want om dit Gij komt hem tegemoet wordt juist zo dringend gevraagd en het met vreugde gerechtigheid doen is in strijd met de belijdenis van schuld in de volgende vss. Heeft er oorspronkelijk zoiets gestaan als ‘O, kom toch tegemoet wie zich bekeert en gerechtigheid doet, die uw wegen gedenken’? Ook het verdere vs is onzeker.
6.Als een onreine: door onze zonden zijn wij geworden als mensen die volgens de ceremoniële wetten niet met U en uw dienst in contact mogen komen, Lev. 5:1-6; Num. 9:6. Zelfs het beste aan ons, al onze gerechtigheden, werden als een bezoedeld kleed, onrein in de zin van Lev. 15: 19vv. Vielen af als loof: de zonde verwoestte de kracht van het volk.
7.Niemand die uw naam aanriep: zelfs bidden om hulp deden we niet meer. Want Gij hebt… prijsgegeven: ook hier de merkwaardige combinatie van aanklacht tegen God en belijdenis van eigen schuld, vgl. 63:17. Uw aangezicht verborgen: U aan ons onttrokken, zodat we uw verhorende en reddende aanwezigheid moesten missen, vgl. Ps. 27:8, 9 en de aant. bij Jes. 57:1.
Derde bede: blijf niet zwijgen! 64:8-12
8.Maar nu: geeft niet alleen de van God gevraagde wending aan, maar ook de spits van het gebed, datgene waar het om gaat. Onze Vader, uitspraak van vertrouwen, waarop het gebed berust,vgl. bij 63:8, 16. Wij zijn het leem: na ‘Gij zijt onze Vader’ was eerder verwacht ‘wij zijn uw kinderen’; de uitspraak ‘wij zijn het leem’ is veel nederiger, maar doet toch het vertrouwen niet te niet. Leem, formeerder (boetseerder): beeld van macht en beschikkingsrecht, maar ook van vertrouwen: wij zijn uw maaksel, vgl. Ps. 103:14; Jer. 18:6. Bedoeld is hier niet: wij zijn uw schepselen, maar: wij zijn het volk van uw verkiezing. Vgl. voor het beeld 29:16, 45:9.
9.Niet bovenmate toornig: belijdenis van schuld (wij hebben uw toorn verdiend) en tevens gebed om barmhartigheid (spaar ons), vgl. Ps. 6:2, 85:5, 7. Gedenk niet: vgl. Ps. 130:3. Niet altoos: laat er een einde zijn aan uw toorn, Ps. 103:9. Zie, aanschouw: vgl. bij 63:15.
10. Uw heilige steden: de steden waar U woonde temidden van uw volk. Sion is een woestijn: door de verwoesting in 587 v. Chr., Ps. 79:1; Klaagl. 1.
11. Het allerergste: de tempel is verwoest, ons heilig en luisterrijk (60:7) huis, waar U onder ons woonde en waardoor wij ons geborgen voelden. Waar onze vaderen U loofden: het loven van God als het hart van de eredienst en van het leven van Israel.Al wat ons dierbaar was: een andere omschrijving van de tempel?
12. Zult Gij U hierbij, dit alles ziende, inhouden, zodat U ons niet te hulp komt? Zwijgen: werkeloos toezien, vgl. Ps. 28:1, 35:22, 83:2. Zo eindigt het gebed, met een vraag – het antwoord is nu aan God. Maar op dat ogenblik was er van een antwoord nog geen sprake.
Heil en onheil in de eindtijd 65:1-25
Dit hoofdstuk is oorspronkelijk een zelfstandige profetie, niet het antwoord op de vraag waarmee hst. 64 eindigt: de toon van strenge veroordeling in het begin van hst. 65 past niet bij een antwoord op de oprechte belijdenis van schuld in 63:7-64:12. Maar in het kader van het boek Jes. is hst. zoverre een antwoord op het voorafgaande, dat hier gezegd wordt: er komt heil, maar ook onheil; er loopt een scheidslijn dwars door het volk van Juda. Naar het einde van het hst. toe blijken onheil en (vooral) heil steeds meer eschatologisch te zijn, dwz. geen fase in de geschiedenis maar de schepping van een heel nieuwe toestand. Dit houdt oa. in, dat niet in een bepaalde periode in de geschiedenis naar een (volledige) vervulling van deze profetie gezocht moet worden. Vooral op grond van de in vs 11 genoemde afgodische praktijken heeft men dit hst. wel in late tijd (4de eeuw v. Chr.) willen plaatsen. Daar is echter niet voldoende grond voor. Wat wel de ontstaanstijd van deze profetie is, valt nauwelijks te zeggen. We zullen moeten volstaan met: na de herbouw van de tempel (516 v. Chr., zie vs 11).
Tegen de afgoderij onder het volk 65:1-7
1,2. Te raadplegen … vroegen: Ik was voor hen bereikbaar en beschikbaar, maar zij vroegen niet naar Mij; evenzo het erop volgende: zij hadden Mij kunnen vinden als ze Mij gezocht hadden, maar dat deden ze niet. Hier ben Ik: Ik wil er voor u zijn, als uw God. Dezelfde betekenis heeft vs 2: Ik breidde Mijn armen uit: in een gebaar van liefdevolle uitnodiging, maar zij gingen hun eigen wegen. In vs 2 gaat het dus over hetzelfde volk als in vs 1; een andere zin geeft Paulus eraan in Rom. 10:20, 21.
3.Blijkbaar was ook na de (terugkeer uit de) ballingschap afgoderij niet verdwenen, zie ook Ez. de hoven: afgodendienst in de open lucht, in de tuinen, vgl. 1: 29, 57:5. Offers ontsteken: reukwerk in rook doen opgaan. Op de tichelstenen: de bedoeüng van deze woorden is niet duidelijk; zie verder vs 7.
4.In de graven zitten: om geesten van doden te raadplegen, in strijd met Lev. 19:31;Deut. 18:11. Opverborgen plaatsen overnachten: om een openbaring in de droom te ontvangen, vgl. 1 Kon. 3:4-15. Vlees van zwijnen eten: mogelijk ook in verband met afgodendienst. Verfoeilijk voedsel: onrein geworden, bv. door te lang bewaren; gedacht zal zijn aan offermaaltijden voor afgoden.
5.Blijf daar: niet geheel zekere vertaling van een uitdrukking die letterlijk betekent ‘nader tot uzelf. Ongenaakbaar voor u: te heilig voor je, of: ik zou je heilig maken. Duidelijk is, dat deze mensen vol zitten met heidendom en magie. Rook in mijn neus: bron van toorn, verdriet en ergernis; dezelfde betekenis heeft vuur dat de. hele dag brandt: durende ergernis, vgl. Jer. 17:4.
6.Staat geschreven: ze moeten niet denken, dat God het vergeet, vgl. Mal. 3:16. Zwijgen: werkeloos toezien, vgl. 64:12. Vergelding in de schoot werpen: zonder tekort of reserve doen toekomen; het woord voor ‘schoot’ betekent ook: ruimte in het kleed boven de gordel, waarin men dingen kan meenemen (zoiets als onze binnenzak), vgl. Jer. 32:18 (boezem).
7.Ongerechtigheden: zie bij 59:2. En van uw vaderen: zie Ex. 20:5. Op de bergen en op de heuvels: zie bij 57:5, 7; vgl. ook de offerdienst op de ‘hoogten’. Mij hebben gehoond: door hun afgoderij. Loon in hun schoot: zie bij vs 6.
De twee groepen binnen het volk 65:8-16
Het eerste gedeelte van het hst. sprak in het algemeen; nu blijkt, dat er twee groepen zijn: er loopt een scheidslijn dwars door het volk heen. Deze gedachte heeft zeer oude wortels; zie wat Tr. Jes. betreft ook 57:14-21.
8.Verderf hem niet, gooi hem niet weg, want er ligt een zegen in: zegswijze, misschien liedje, bij het sorteren van de trossen in de druivenoogst (leverde dit liedje misschien de melodie voor Ps. 57 ea.? Zie het opschrift van die Ps.; de kwestie van de melodieën van de Ps. is overigens heel onzeker). Een zegen: iets dat God heeft laten groeien en dat gooi je niet zomaar weg. In het kader van Jes. 65 is de bedoeling: door Gods genade is er temidden van het kwaad ook nog iets goeds (Mijn knechten), daarom zal God niet het hele volk (niet alles) te gronde doen gaan. Definitief gaan de twee groepen pas uiteen in de eindtijd, vss 17vv.
9.10. Het trouwe gedeelte. Beelden van een voorspoedig wonen in het land, vgl. Ps. 85:10vv. Nakomelingschap: de trouwen zullen het land bezitten en hun nakomelingen na hen. Uitverkorenen: vaker parallel met ‘Mijn knechten’, 42:1, 45:4. Saron: kustvlakte ten Zuiden van de Karmel, bekend om bloemen (Hoogl. 2:1) en runderweiden (1 Kron. 27:29); eigenlijk te goed voor schapen dus. Achor, ‘ongeluksdal’, in de omgeving van Jericho, Jozua 7:24-26; Hos. 2:14 (Heb. 2:17). Dat Mij zoekt: dit woord voor ‘zoeken’ kan ‘raadplegen’ betekenen (als in vs 1), of ‘bidden’, maar ook in het algemeen ‘God dienen’, zo hier.
11, 12. Het ontrouwe gedeelte. Die de HERE verlaat: Hem niet meer volgt, niet meer dient. Mijn heilige berg vergeet: de tempeldienst verwaarloost ten gunste van afgodische praktijken. Blijkbaar was de tempel inmiddels herbouwd. Voor Gad een tafel aanricht, en voor Meni mengdrank inschenkt: men richtte maaltijden aan waarbij deze goden als mee aanzittend werden gedacht. Gad; geluk, en Meni (de naam heeft met toeschikken, bestemmen te maken) zijn goden die je lot bepalen en van wie men geluk verwachtte. Ik zal u bestemmen: in het woord voor ‘bestemmen’ (mnh) zit een toespeling op de naam Meni. Neerknielen om geslacht te worden: zoals mensen die onthoofd worden. Niet geantwoord toen Ik riep: zie vs 1.
13, 14. Daarom: leidt vaker een vonnis in, 2 Kon. 19:32 ea. Zo zegt de HERE: bodenspreuk, vgl. bij 56:1.
15. Uw naam tot een vloekwoord: wanneer iemand een ander kwaad wil toewensen, zal hij daarvoor uw naamgebruiken en zeggen: moge het jou even slecht vergaan als… Andere naam: zie bij 58:12.
16. God der waarheid: God van ‘amen’. Wie zich in den lande zegent, resp. zweert: alleen diegenen zullen overblijven in het land, die blijkens hun zegen- en eedsformules leven bij de naam van God, vgl. Sef. 1:5. Benauwdheden zijn vergeten: alleen heil blijft over, zo radicaal, dat de vroegere ellende vergeten zal zijn. Zo’n toestand is er binnen de geschiedenis nooit geweest, vandaar de vss 1725 over de eindtijd.
Heil in de eindtijd 65:17-25
17, 18. Nieuwe hemel en een nieuweaarde: niet te theoretisch opvatten; bedoeld is: een geheel nieuwe toestand. Niet meer gedacht: zo grondig nieuw zal alles zijn, vgl. 43:18, 19. Ook van dat nieuwe blijft Jeruzalem het middelpunt; de voorstelling blijft beperkt, zie ook de volgende vss.
19. Ik zal Mij verblijden: vgl. 62:5. Geschreeuw: van angst en/of om hulp.
20. Een zuigeling die slechts weinige dagen leeft: er zal geen kindersterfte meer zijn; kinderen zullen opgroeien tot jongelingen en wie jong is zal ook heel oud worden. De voorstelling is dus niet die van een ‘eeuwig’ leven. Zelfs de zondaar … getroffen worden: deze weergave is onjuist en waarschijnlijk is de tekst in de war: er zal immers noch ‘zondaar’ noch vloek meer zijn.
21. 22. Huizen bouwen en die bewonen enz.: hun arbeid zal gezegend en zinvol zijn, zij zullen ervan genieten. Voor het omgekeerde, als oordeel, zie Hab. 2:13; Sef. 1: 13. Zo dikwijls waren hun huizen verwoest en de vruchten van hun arbeid door anderen weggenomen, zie bij 62:10; verder 60:10, 61:5.
23. Herhaling van vss 20-22.
24. Antwoorden voordat zij roepen: tegenstelling tot vs 1. Geen ‘eeuwig’ leven, maar een langdurig leven, vol van zegen en verhoring van het gebed.
25. Herinnering aan hst. 11, vooral aan 11:6, een paradijselijke toestand. En de slang zal stof tot spijze hebben: vgl. Gen.3:14; dit ziet eruit als een toevoeging, die enigszins uit de toon valt en waarvan de bedoeling niet duidelijk is.
Over de vervulling van de profetie van dit hst. kan een soortgelijke opmerking gemaakt worden als aan het eind van de hstt. 60, 61, 62 gemaakt werd.
Tegen de verkeerde tempeldienst 66:1-4
De betekenis van dit gedeelte en de samenhang ervan met wat voorafgaat en wat volgt zijn zeer omstreden. Maar hoe het ontstaan ervan ook geweest moge zijn, er is in woorden en thematiek overeenkomst met het voorafgaande en het volgende, vgl. 66:2 met 66:5, 66:4 met 65: 12 en het thema van de tempeldienst in dit gedeelte met 65:11 en 66:23; in samenhang daarmee spreken alle drie gedeelten van de twee groepen binnen het volk en van heil en onheil. Deze profetie lijkt in vs 1 alle tempelbouw, in vs 3 alle offerdienst te verwerpen, maar dat is slechts schijn, zie 1 Kon. 8:27-29; Jes. l:10vv.
Op grond van de vss 1 en 3 kunnen we de tijd van ontstaan met enige waarschijnlijkheid bepalen: tijdens de herbouw van de tempel, tussen 538 en 516 v. Chr.
1.Zo zegt de HERE: bodenspreuk, zie bij 56:1. De hemel is mijn troon: vgl. Ps. 11:4, 103:19. De aarde de voetbank mijner voeten: vgl. Klaagl. 2:1; op andere plaatsen wordt de ark van het verbond zo genoemd, 1 Kron. 28:2; Ps. 132:7. Waar zou dan het huis zijn dat gij Mij zoudt bouwen: God, die hemel en aarde geschapen heeft en vervult, kan niet in een huis ondergebracht worden; tempelbouw mag niet uit verkeerde gedachten voortkomen of daartoe leiden. Reserves tegenover tempelbouw zijn er in Israel altijd geweest, vgl. (hoewel op andere gronden) 2 Sam. 7:4-7. Rust: vgl. Ps. 132:8.
2.Dit alles: hemel en aarde en al wat erin is. Op zulken sla ik acht: God vraagt niet tempelbouw als zodanig, maar een bepaalde geesteshouding. Ellendige: zie bij Sef. 3:12. Verslagene van geest: vgl. 57:15. God, die zeer hoog woont, ziet zeer diep, Ps. 113:6vv; Jes. 57:15v. Niet bij wie klein genoeg denkt van God om Hem in een tempel onder te willen brengen wil God wonen, maar bij wie groot denkt van Hem en klein van zichzelf. Koor mijn woord beeft: vgl. Ezra 9:4, 10:3. Horen van het woord is meer dan offerdienst, een oude gedachte, 1 Sam. 13:12, 13, 15:22.
3.De bedoeling van dit vs is onzeker. Viermaal worden twee dingen genoemd waarvan het eerste (wie een stier slacht, schaap offert, spijsoffer brengt, wierook brandt) door de wet is voorgeschreven, het tweede (verslaat een mens, breekt een hond de nek, (offert) zwijnebloed, prijst een afgod) verboden. Hoe is de verhouding tussen die twee? Vooral twee opvattingen komen in aanmerking, a. U doet weliswaar het eerste, voorgeschrevene, maar ook het tweede, het verbodene; u brengt dure offers (stier!), maar u pleegt ook moord; u brengt de voorgeschreven offers (schaap), maar offert ook op heidense wijze (hond), enz. b. Wie het eerste doet, maar niet in de goede gezindheid (verslagen van geest), is even erg als wie het tweede doet; wie offert zonder nederigheid is niet beter dan wie een mens doodt, enz. Gedenkoffer: Lev. 2: 2, 24:7. Eigen wegen: vgl. 63:17. Gruwelen: meestal in verband met beelden- en afgodendienst, 1 Kon. 11:5; 2 Kon. 23:13, 24.
4.Wat zij vrezen: vgl. Jer. 6:25 (schrik); Ps. 34:5; verder Jes. 65:12.
Profetie van heil en oordeel in de eindtijd 66:5-24
Dit gedeelte vormt mogelijk oorspronkelijk een eenheid met vss 1-4; zie de inl. daarop. Er is geen reden dit laatste gedeelte in zeer late tijd te plaatsen. Het vormt, met zijn eschatologische profetie, zijn aankondiging van wereldwijd heil en altijddurend oordeel, een zinvolle afsluiting van het boek en laat nog een keer de strekking van de prediking van Tr. Jes. goed zien (zie de inl. op de hstt. 56-66).
5.Die voor zijn woord beeft: zie bij vs 2. Uw broeders die u haten: niet de Samaritanen, met wie na de terugkeer uit ballingschap voortdurend spanningen waren (die werden niet ‘broeders’ genoemd!); dit vs getuigt van een diepe verdeeldheid binnen de gemeente zelf. Steeds minder vertoont het Jodendom, dat in deze tijd ontstaat, een geestelijke eenheid. Die u verstoten: uit de gemeenschap bannen. Dat de HERE zijn heerlijkheid tone: uitdagende uitnodiging aan de HERE nu eindelijk de uitbundige beloften, gedaan door Deut. Jes. en herhaald door Tr. Jes., te vervullen: tot op heden zijn ze niet of maar zeer ten dele vervuld en de heerlijkheid van de HERE is niet verschenen, zie de Inl. op 56-66. Een soortgelijke vraag dus als in 2 Petr. 3:3, 4.
6.Er klinkt: of ‘hoor’, vgl. 40:3. Het naderende oordeel wordt aangekondigd in de vorm van het vernemen van het geluid ervan, vgl. Sef. 1:10, 14. Gedruis: de komst van God om te oordelen en te herstellen wordt gehoord voordat ze gezien wordt (vs 15). Uit de stad, uit de tempel: bij een theophanie (God komt om te redden en te oordelen) komt God meestal uit het gebied ten Z. van Israel, zie bij 63:1 en Hab. 3:3, soms uit de hemel, zie bij 64:1, 2, 3, hier uit de tempel in Jeruzalem, vgl. Ps. 50:2. Vergelding: vgl. 59:18, 65:7. Vijanden: niet alleen die van vs 5, heil en onheil zijn hier wereldwijd geworden, zie het vervolg.
7-9. Voordat zij smarten kreeg heeft zij gebaard: Sion heeft onverwachts en zonder veel moeite kinderen gekregen; zonder beeldspraak: Jeruzalem is wonderlijk snel weer bevolkt na de terugkeer uit de ballingschap. De profeet wil zeggen: diegenen die twijfelen aan de vervulling van de beloften hebben de betekenis van het wonder van de terugkeer niet gezien; hadden zij dit wonder verstaan, dan zouden ze ook verdere vervulling verwachten en niet de schampere vraag van vs 5 stellen – God doet immers geen half werk (dat laatste is de zin van vs 9). Voor kinderen in de zin van ‘bewoners’ zie bij 57:3, 60:4.
10, 11. Verheugt u: vgl. 60:5, 61:3, 10. Ook hier is Jeruzalem het centrum van het heil in de eindtijd. Die over haar treurt: om de toestand waarin de stad door verwoesting en wegvoering is komen te verkeren, zie bij 64: 10, en die ook nu, na de terugkeer, nog lang niet rooskleurig is. Opdat gij zuigt enz.: beeld van vertrouwen, geborgenheid en welvaart, vgl. 60:16. Voor het beeld van moeder en kinderen (in de zin van: de stad en haar bewoners) zie bij vss 7-9 en Ps. 87:4-7.
12-14. De taal doet hier sterk denken aan die van Deut. Jes. en van de hstt. 60-62; zie de aant. bij vs 5. Zo zegt de HERE: bodenspreuk, zie bij 56:1. Vrede: sjalom, het totaal van welzijn en welvaart als gave van God, hier in eschatologische zin. Als een rivier: vgl. 48:18. Heerlijkheid der volken: vgl. 60:11, 13. Zuigen: vgl. 60:16; maar waarschijnlijk is de tekst in de war en moeten we lezen: en haar kindertjes zullen op de heup gedragen en op de knieën vertroeteld worden. Op de heup gedragen: vgl. 49:22, 60:4. Troost: het herstel van het leven door de gunst van God, vgl. 40:1. Hand des HEREN: de macht om zijn beloften te vervullen, vgl. 59:1.
15-17. Als vuur: beter ‘in vuur’, vgl. Hab. 3:4; Nah. 1:3. Vuur en wagens, vgl. 2 Kon. 2:11; beide behoren bij de theophanie (zie bij vs 6), Ps. 68:5, 18. Tekst en vertaling van vs 16 zijn onzeker, maar duidelijk is, dat het over een totaal gericht gaat als in Sef. rZich heiligen en reinigen om … naar de hoven te gaan: voorbereiding op de afgodische eredienst van 65:3 (het is zelfs mogelijk, dat dit vs niet hier maar in hst. 65 thuis hoort). Achter de ene man in het midden: onzeker; gaat het hier over iemand die bij geheimzinnige riten de leiding heeft? Vgl. Ez. 8:11 (Jaäzanja in hun midden). Zwijnevlees: zie 65:4. Gruwelijke beesten: of ‘kruipend gedierte’. Vgl. bij een en ander (nogmaals) Ez. 8:11. Muizen: werden deze dieren, onrein volgens Lev. 11:29, in godsdienstige ceremonieën gegeten? Waarschijnlijk behoort het begin van vs 18 nog bij vs 17: hun werken en gedachten, tezamen zullen ze verdwijnen.
18. De hebr. tekst geeft geen goede zin; NBG heeft een paar woorden ingevoegd om er zin aan te geven: (ken) en (de tijd). Beter is ‘hun Werken en hun gedachten’ bij vs 17 te voegen en vs 18 te vertalen: Tk kom om alle volken en talen te vergaderen; zij zullen komen enz.’. Heerlijkheid: als Hij zijn volk verlost en alles vernieuwt, zie bij vs 5.
19. Een teken: wat voor teken? Gods verlossende aanwezigheid? Vgl. Ps. 86:17. Ontkomenen: vgl. 45:20. Hier in hst. 66 zullen diegenen bedoeld zijn, die tot andere volken behoren maar zich door de HERE laten redden. Zenden: de geredden worden uitgezonden om anderen te redden; nergens in het O.T. wordt zo duidelijk over wereldwijde zending gesproken als hier in dit eschatologische gedeelte. Vgl. Mat. 24:14. Tarsb: vgl. bij 60:9. Pul: beter ‘Put’, in Noord Afrika, vgl. Jer. 46:9; Nah. 3:9. Lud: Lydië, in Klein Azië. Tubal: in de omgeving van de Zwarte Zee. Jawan: Jonië, de westkust van Klein Azië. De verre kustlanden: vgl. 59:18, 60:9. De opsomming bedoelt te Zeggen: tot de einden der aarde.
20. Zij zullen al uw broeders brengen: er komt een optocht van geredde heidenen naar Jeruzalem en die zullen de verstrooide Israëlieten (Judeeërs) als offergave voor de HERE meebrengen, vgl. 60:9, 62:10, 11.
21. Ook uit hen: ook uit de bekeerde heidenen zullen er tot priesters worden aangenomen. Dit is binnen het O.T. ongehoord en gaat verder dan 61:6.
22. Vgl. 65:19-23.
23. Nieuwe maan en sabbat als feestdagen en dagen van samenkomst, zie 2 Kon. 4:23; 1 Kron. 23:31; Jes. 1:13. Vgl. bij deze profetie ook Zach. 14:16 (andere volken komen naar het Loofhuttenfeest).
24. Dit vs is mogelijk een latere toevoeging, hoewel het gericht in dit gedeelte al eerder ter sprake kwam, vss 5, 14, 16; zie ook Zach. 14:16, 17. Uitgaan: uit de stad, Jeruzalem; naar het dal van Hinnom (Jer. 7:31, 32), dat later de naam leverde voor de hel (Gehenna)? Hun worm zal niet sterven, het vuur niet uitdoven: het is mogelijk, dat hier geen eeuwigdurende pijniging bedoeld wordt, maar alleen wordt gezegd, dat hun lichamen nooit zullen vergaan maar als téken van oordeel en afschrikwekkende ongehoorzaamheid bewaard zullen blijven, zonder door worm of vuur verteerd te worden. In elk geval is er een definitief en onveranderlijk oordeel door aangeduid. Vgl. Mar. 9:44.
Omdat zij vonden, dat een schriftlezing niet met zulke oordeelswoorden mag eindigen, schreven de rabbijnen voor, dat bij lezing in de synagoge vs 23 na vs 24 nog eens werd gelezen (zie ook de aant. bij Klaagl. 5:22).