Menu

Basis

Jezus en de sabbat

Bijbelwetenschappen

Alternatief bij 3e zondag van de zomer (Johannes 5:1-18)

De perikoop begint heel onschuldig met een verslag van hoe Jezus naar Jeruzalem komt en een chronisch zieke geneest. Pas in Johannes 5:9b komt Johannes met de clou: het was die dag sabbat.

Het jodendom in de tijd van Jezus was pluriform. Veelkleurig waren ook de zienswijzen op de sabbat. Deze hadden gemeenschappelijk dat doordat men het werk en de alledaagse zorgen opzij legde, deze dag in het teken stond van de dienst aan God. Samen met de besnijdenis was de sabbat immers datgene dat joden onderscheidde van de rest van wereld – een teken van het verbond tussen God en Israël.

Volgens sommigen was de sabbat zelfs de belangrijkste feestdag überhaupt. Groeperingen met een mystieke inslag zagen de sabbat als een tempel in de tijd. Om deze heilige dag te beschermen tegen ontheiliging, streefden ze ernaar hem in rituele reinheid te vieren. Met de associatie van de sabbat als tempel in de tijd ging de voorstelling gepaard, dat door gehoorzaamheid aan de geboden de aardse gemeenschap in haar uitvoering van de sabbatrituelen instemde in en deel had aan de eeuwige hemelse lofprijzing van God door de engelen. Verwijzingen hiernaar zijn onder meer te vinden in de Dode Zeerollen, het boek Jubileeën en het Damascus Document.

Sabbat halacha

Deze joodse groeperingen, waartoe onder andere de sadduceeën en de gemeenschap van Qumran behoorden, hanteerden dan ook uitermate strikte opvattingen over wat er al dan niet was toegestaan op de sabbat. Zo propageerden vertegenwoordigers van deze richtingen naast een staat van rituele reinheid bij het vieren van de sabbat ook het vermijden van loos gepraat, en hanteerden ze een beperkte actieradius voor de toegestane sabbatwandeling. Andere groeperingen – waartoe onder meer Philo, Josefus, de vroege Tannaïten en de farizeeën behoorden – hielden er een gematigder kijk op het naleven van de sabbat op na. Naast een wat ruimere actieradius voor de sabbatwandeling en een wat ontspannener omgang met praten tijdens de sabbat, stonden deze groeperingen in enkele situaties – bijvoorbeeld wanneer het leven van een mens in het geding was – zelfs een overtreding op het verbod van werken op de sabbat toe.

Ondanks deze verschillen was er ook een groot aantal gezamenlijke sabbatregels. Zo was men het er bijvoorbeeld over eens dat bij een wandeling langs een veld het toegestaan was om op de grond gevallen aren op te rapen, maar niet om actief aren te plukken. Rondom de kwestie van genezingen op de sabbat gold een vergelijkbaar principe. Als het toevallig gebeurde, was het geen probleem, maar intentioneel dingen doen om te genezen werd als werk beschouwd en was zodoende verboden.

Jezus’ genezing

Het genezingsverhaal is in deze perikoop meer het decor waartegen Johannes het conflict tussen Jezus en de joodse autoriteiten plaatst. In de synoptische parallellen (Matteüs 9:5; Marcus 2:9-12; Lucas 5:23-25) staat Jezus’ volmacht om zonden te vergeven centraal. De genezing van de lamme dient als bewijs voor die claim. Elementen hiervan zijn ook hier nog aanwezig (5:14), maar de focus ligt op Jezus’ (min)achting voor de sabbat.

Heel terloops brengt Johannes het feit ter sprake dat het sabbat is. Eerst staat hij uitgebreid stil bij Jezus’ aankomst in Jeruzalem en hoe Hij geheel toevallig – gewoon omdat Zijn weg er nu eenmaal langskomt – in de hallen van Betzata een zieke tegenkomt. In alle rust laat Johannes zich de ontmoeting ontvouwen. De lezer komt te weten dat de zieke al vele jaren ziek is en de hoop op genezing eigenlijk al heeft laten varen (5:7). In deze troosteloze situatie spreekt Jezus zijn genezende woorden en draagt Hij de zieke op zijn bed op te pakken.

Conflict met de autoriteiten

In vers 9b schakelt de perikoop dan naar een hogere versnelling. Zoals te verwachten was, roept het gevolg geven van de genezene aan Jezus’ opdracht de joodse autoriteiten op het toneel. Het dragen van een slaapmat is immers werk en als zodanig verboden op de sabbat. Zoals God rustte op de zevende dag, rust immers ook Israël als collectief ten teken van zijn verbondstrouw. De overtreding van een enkeling straalt af op de hele gemeenschap.

Wanneer de genezene wordt aangesproken op zijn overtreding, wijst hij naar Jezus; en vervolgens verschuift de focus van de autoriteiten naar Hem. Tenslotte was Hij het die de man de opdracht gaf – nog erger: die hem op de sabbat heeft genezen. Wanneer de autoriteiten Jezus hiermee confronteren wordt het interessant. In plaats van een halachische discussie met de autoriteiten aan te gaan, waarin Hij beargumenteert waarom volgens Hem een genezing op de sabbat niet in conflict is met het gebod de sabbat te heiligen, komt Jezus met een antwoord waarmee Hij de autoriteiten nog meer tegen zich in het harnas jaagt: ‘Zoals Mijn Vader aan één stuk doorwerkt, doe Ik dat ook’ (5:17).

Het eerste deel van dit verweer is op zich niet echt problematisch. Er was in het jodendom van de Tweede Tempel immers een discussie gaande met betrekking tot de juiste uitleg van de woorden ‘en God rustte op de zevende dag’ (Genesis 2:2-3). Zo waren de rabbijnen van mening dat God op de zevende dag weliswaar van zijn werk aan de wereld rustte, maar niet van zijn werk aan goddelozen of rechtvaardigen (Bereshit Rabba 10,11). En Philo legt uit dat God nooit ophield scheppend bezig te zijn, omdat scheppen de essentie van Zijn wezen is (Legum Allegoria I 5).

Problematisch is het ‘mijn Vader’ in combinatie met ‘zoals Hij ook Ik’, omdat Jezus hiermee claimt gelijk te zijn aan God. In plaats van zijn gedrag inhoudelijk toe te lichten, komt Jezus dus met een autoriteitsargument. Als Gods Zoon is Hij de vleesgeworden wil van God, en is het niet aan de joodse autoriteiten om commentaar te hebben op zijn gedrag.

Deze exegese is opgesteld door Chanan Raguse.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken