Johannes
INLEIDING
Johannes en de synoptici
Dat het evangelie naar Johannes in vergelijking met de synoptische evangeliën een eigen plaats inneemt, is al vroeg opgemerkt. Al vroeg is ook gepoogd daarvoor een verklaring te vinden. Clemens van Alexandrië (3e eeuw n.Chr.) sprak van ‘een geestelijk evangelie’ in onderscheid van de synoptische evangeliën die ‘het leven van Jezus naar het uiterlijke en het lichamelijke beschreven hadden’. Luther verkoos, evenals Augustinus, het vierde evangelie boven de andere drie als ‘het fijne, echte hoofdevangelie’. Calvijn kende het de voorrang toe, omdat het niet alleen laat zien, dat Christus ons door de Vader geschonken is, maar vooral waartoe Hij ons is geopenbaard.
Vergelijken we opzet en inhoud dan springen een aantal verschillen tussen Johannes en de Synoptici in het oog. Zo ontbreekt bij de laatsten het verhaal van de voetwassing (Joh. 13), terwijl Johannes geen melding maakt van de instelling van het Avondmaal tijdens de maaltijd in de nacht waarin Jezus verraden werd. Terwijl de Synoptici allerlei uitspraken bevatten waarin Jezus naar de toekomst verwijst, legt Johannes er alle nadruk op, dat in Jezus’ aardse optreden het beslissende plaatsvindt, al ontbreekt de verwijzing naar de toekomst niet (vgl. bv. 5:24-29; 12:48). Typerend voor Johannes zijn voorts de lange redevoeringen. Gelijkenissen ontbreken in het vierde evangelie; wel vinden we allerlei vergelijkingen. Van de bij Johannes beschreven wonderen vinden er slechts enkele een parallel in de eerste drie evangeliën.
Wekken de synoptische evangeliën de indruk, dat Jezus slechts eenmaal met zijn leerlingen naar Jeruzalem gegaan is om het Pascha te vieren, bij Johannes vinden we vier reizen naar Jeruzalem (2:13; 5:1; 7:10; 12:12). Overigens moeten we dit verschil niet verabsoluteren. Het ‘hoe dikwijls’ in Jezus’ uitroep aan het adres van de tempelstad (Mat. 23:37; Luc. 13:34) veronderstelt een veelvuldige arbeidsperiode in Jeruzalem.
Er zijn voor deze verschillen allerlei verklaringen gegeven. Uit allerlei details blijkt, dat Johannes de inhoud van de synoptische evangeliën en/of de tradities die daaraan ten grondslag liggen heeft gekend en benut. Zo zijn er met name met Marcus en Lucas vele overeenkomsten. Maar de evangelisten hebben de traditiestof op eigen wijze verwerkt en geïnterpreteerd met het oog op de situatie waarvoor zij schreven. Ook Johannes is ten aanzien van bedoeling en opzet een eigen weg gegaan. Kiezend uit het voorhanden materiaal heeft hij op eigen wijze verkondigd en getuigd van het in Christus verschenen heil.
Doel
In 20:31 wordt het doel expliciet aangegeven: ‘…maar deze (nl. de tekenen, vgl.- vs 30) zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam’. Nu worden de woorden ‘opdat gij gelooft’ op twee manieren opgevat. De handschriften bieden nl. twee lezingen. De eerste lezing (pisteusète) kan vertaald worden met ‘opdat gij tot geloof komt’. Dat veronderstelt als lezers niet-christenen. Het vierde evangelie zou dan op te vatten zijn als een zendingsboek, geschreven om bezoekers van de synagogen in de verstrooiing (Joden en belangstellende heidenen, de zgn. Godvrezenden) te bewegen tot geloof in Jezus als Messias van Israel.
De tweede lezing (pisteuète) kan vertaald worden met: ‘opdat gij blijft geloven’. In dat geval gaat het in het ev. naar Joh. om de versterking van hen die reeds geloven. Al moeten we de tegenstelling niet op de spits drijven, omdat het N.T. op vele plaatsen laat zien hoe de ge-loofsopbouw een missionaire dimensie heeft, toch verdient het de voorkeur bij de doelstelling van het evangelie te denken aan de versterking van het geloof van de gemeenteleden, voor wie Johannes schreef. Zulke ‘opdat-zinnen’ zoals in 20:31 geven in het ev. naar Joh. en in 1 Joh. de onderwijzing van gemeenteleden aan (vgl. Joh. 5:34; 13:19; 1 Joh. 1:44; 5:13). Johannes legt dan ook grote nadruk op de noodzaak om te blijven in het Woord van Jezus (bv. 8:31; 15:4). De jonge gemeente had op drie fronten te kampen met aanvallen tegen hun geloof. Allereerst is er de botsing met de Joden. Zij worden getekend in hun verzet en afwijzing van Jezus als Messias en Zoon van God. Als er sprake is van Joden is doorgaans bedoeld: ongelovige Joden. We moeten hier geen anti-ju-daïsme in lezen. De Jood Johannes getuigt er immers ook van, hoe het heil uit de Joden is en hoe God in Jezus komt tot het volk van het verbond. Maar de felle toon is te verklaren uit een verscherping van de tegenstelling tussen kerk en synagoge in de dagen waarin het evangelie geschreven werd. Tegen het einde van de eerste eeuw namen de rabbijnen in het Sjemone-Esre, het gebed van de achttien lofprijzingen, de vervloeking op van de minim, Joden met ketterse ideeën, met name is dan te denken aan de Jodenchristenen. In dit verband is opvallend dat er in dit evangelie driemaal sprake is van mensen die uit de synagoge gebannen worden, dwz. nagenoeg dood worden verklaard (9:22; 12:42; 16:3). Ook deze teksten weerspiegelen de hevigheid van het conflict met de synagoge. De belijdenis van Jezus als de Messias vormde tussen de gemeente en de synagoge het grote twistpunt.
In de tweede plaats is er sprake van een zekere polemiek met aanhangers van Johannes de Doper. Uit Hand. 19:1-7 blijkt dat er in Efeze een groep leerlingen van Johannes leefde. Deze haast sectarische groep verheerlijkte Johannes de Doper als een messiaanse gestalte tegenover en boven Jezus. In dat licht dienen de uitspraken van het vierde evangelie over Johannes de Doper gelezen te worden. Johannes laat zijn lezers zien, wat de juiste plaats van de Doper is, nl. voorloper en getuige van Jezus Christus.
In de derde plaats kwam de jonge gemeente in aanraking met gnostieke bewegingen. De Gnosis (gnosis = kennis-se) of Gnostiek is een beweging in de vroege kerk die we in verschillende vertakkingen en gestalten aantreffen, een religie die zowel joodse als heidense als christelijke vormen aangenomen heeft. Deze gnostieke bewegingen kenmerkten zich door minachting van het stoffelijke en lichamelijke. De wereld is gemaakt uit boze materie. Ze is niet geschapen door de Vader van Jezus Christus, maar door een lagere godheid. In deze gnostieke en gnos-tiserende stromingen werd geleerd, dat Jezus geen echt mens was geweest en dat zijn lichamelijk bestaan slechts schijn was. Johannes legt daartegenover nadruk op de vleeswording van het Woord (1:14) en op de realiteit van Jezus’ dood (vgl. 19:34-35).
Ook de geladen wijze waarop over Jezus gesproken wordt als het ware licht en de ware wijnstok kan te maken hebben met de afweer van allerlei pseudo-heilslerin-gen, die de gemeente in verwarring brachten.
Schrijver
De oudkerkelijke traditie noemt als schrijver van het vierde evangelie de apostel Johannes, de zoon van Zebe-deüs (vgl. Mat. 4:21). Nu wordt in de hoofdstukken 1 t/m 20 van dit evangelie de naam van de schrijver niet genoemd. In vs 24 van hoofdstuk 21, vermoedelijk een aanvulling uit de kring rondom Johannes, wordt gezegd: ‘Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en die deze beschreven heeft en wij weten, dat zijn getuigenis waar is’. De schrijver wordt in dit vers een ooggetuige genoemd en vereenzelvigd met de discipel, die in de vss 2023 gekarakteriseerd wordt als ‘de discipel, die Jezus liefhad’ (21:20). We komen deze ‘geliefde discipel’ ook tegen in 13:23; 19:26; 20:2 en 21:7. Behalve ooggetuige en kroongetuige, in wiens getuigenis alle aspecten van Jezus’ lijden, dood en opstanding naar voren komen, is hij te karakteriseren als de vertrouwensman van de Zoon, die de vertrouwde bij uitstek van de Vader is. Hij representeert de ware gelovige en de echte getuige. Maar wie was hij eigenlijk? Volgens verschillende geleerden moeten we denken aan een anonieme discipel, die niet nader te identificeren is. In elk geval is hij geen gefingeerde gestalte, maar een historische figuur evenals Petrus. Ofschoon volstrekte zekerheid niet te verkrijgen is, is er veel voor te zeggen om met de vroegkerkelijke traditie bij deze geliefde discipel te denken aan Johannes, de zoon van Zebedeüs. Met name Joh. 13:23-24 en Joh. 21:7 geven daartoe aanleiding.
Plaats en tijd
Als plaats van ontstaan wijst de overlevering van de vroege kerk naar Klein-Azië, met name naar Efeze. Uit allerlei gegevens weten we dat de apostel Johannes tot op zeer hoge leeftijd werkzaam is geweest in Efeze.
Ten aanzien van de datering kunnen twee dingen gezegd worden: a. uit een fragment van een papyrus met de tekst van het ev. van Joh. valt af te leiden dat het evangelie omstreeks 120 bekend was in Egypte; b. gezien het feit dat Johannes de synoptische evangeliën gekend en gebruikt heeft moet het later zijn ontstaan dan deze evangeliën. Vrij eenstemmig is men dan’ook van oordeel dat het vierde evangelie ontstaan is tussen 90 en 100 n.Chr.
Theologische motieven
Het thema dat het vierde evangelie beheerst en kenmerkt is de alles te boven gaande heerlijkheid van Jezus als Messias en Zoon van God. Reeds de proloog, 1:1-18, getuigt daarvan (zie de verklaring). Al is de uitdrukking Zoon van God op sommige plaatsen in oudtestamentische en messiaanse zin te verstaan als aanduiding van de messiaanse Koning (vgl. Joh. 1:50 en Ps. 2:7), in de meeste gevallen ligt er toch een diepere zin in. In het bijzonder moet gewezen worden op al die plaatsen, waar over ‘de Zoon’ in absolute zin gesproken wordt (zie bv. 5:19-26). Hier is sprake van een unieke relatie tot de Vader. In 1:14, 18 en 3:16, 18 vinden we de uitdrukking ‘eniggeboren Zoon’. Jezus en de Vader zijn één (vgl. 10: 30; 14:9). Met Hem als de Zoon is niemand te vergelijken. Over zijn werk wordt gesproken als over het werk van de Vader (5:18; 10:32; 14:10).
Op bijzondere wijze komt de heerlijkheid van Jezus ook ter sprake in de Ik ben-woorden. Zeven maal komt deze uitdrukking voor in verbinding met een predikaat als brood, licht, wijnstok, etc. Daarnaast wordt de uitdrukking op vele plaatsen absoluut gebruikt (bv. 4:26; 8:18; 13:19; 18:5-6). De achtergrond van deze uitdrukking moet gezocht worden in het Oude Testament; allereerst horen we in deze woorden doorklinken de Naam van God, zoals deze aan Mozes was geopenbaard (Ex. 3:1314). Vervolgens wijzen we op allerlei psalmwoorden die op het Loofhuttenfeest gezongen werden (Ps. 46:11; 50: 7; 81:9-11; vgl. Joh. 7-8). In de derde plaats staan op de achtergrond van de Ik ben-woorden allerlei bewoordingen uit het tweede gedeelte van Jesaja, bv. 43:1-3, 10-13. Wanneer Jezus zegt: Ik ben, komt in het gebruik van deze openbaringsformule uit, dat in Hem God zelf zich openbaart in zijn heilrijke presentie.
Ook de wijze waarop Johannes spreekt over ‘verhogen’ en ‘verheerlijken’ onderstreept de goddelijke heerlijkheid in Jezus’ werk. Jezus’ dood aan het kruis wordt in 3:14, 8:28 en 12:32-33 aangeduid als verhoging. De heerlijkheid van God openbaart zich in Jezus’ woorden en werken, maar komt nergens heerlijker aan het licht dan in zijn overgave in de kruisdood (vgl. 13:32; 17:4 vv). Ook het woord teken heeft bij Joh. een specifieke betekenis. In 6:30 vinden we het in de negatieve betekenis die we ook bij de andere evangelisten aantreffen en in 1 Kor. l:18vv (Joden die tekenen zoeken), maar op de meeste plaatsen waar Johannes het woord gebruikt doen de tekenen juist Jezus’ heerlijkheid uitkomen en zijn ze gericht op het geloof dat in het teken deze heerlijkheid onderkent (zie 2:11; 4:54; 6:44; 9:16; 11:47; 20:30-31). Wat het laatste betreft, door heel het evangelie heen vinden we de gedachte, dat deze goddelijke heerlijkheid van Jezus als Gods eniggeboren Zoon en Heiland der wereld slechts in het geloof gezien en beleden wordt. De belijdenis van Tomas (20:28) vormt het hoogtepunt van wat reeds in Joh. 1:1-14 is aangeduid.
De nadruk op de heerlijkheid, die in Jezus woord en werk openbaar komt en oplicht voor het geloof, impliceert ook een sterke nadruk op het heden van het heil. Alle heil is in Jezus te vinden. Wie in Hem gelooft, heeft eeuwig leven. Keerzijde is dat wie niet gelooft, reeds geoordeeld is. In de ontmoeting met Jezus valt de beslissing tot heil of tot oordeel. Dat is de grote krisis die zijn woord en werk oproept (vgl. Joh. 9).
Hoezeer het vierde evangelie nadruk legt op de goddelijke heerlijkheid van Jezus, dat betekent niet dat aan zijn mens-zijn tekort gedaan wordt. Het Woord is vlees geworden, lezen we in 1:14. Jezus is waarlijk mens geweest, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde. Allerlei trekken in het Joh. ev. wijzen daarop (bv. 4:28; 6:52 vv; 11:35; 19:5, 34). Het vierde evangelie verzet zich tegen het doce-tisme, de leer dat Jezus mens-zijn slechts een schijnbestaan is.
Tenslotte noemen we als kenmerkende trek van dit evangelie het spreken over Heilige Geest als de Parakleet (zie Joh. 14-16). De vertaling ‘Trooster’ is onvoldoende om de rijke inhoud van het gebezigde griekse woord weer te geven. De parakleet is de voorspreker die in een proces als helper voor iemand spreekt. De Heilige Geest is voorspreker en getuige in het grote geding tussen God en de wereld. Hij is als Parakleet degene door wie de verhoogde Christus zijn werk voortzet. In 14:26 lezen we dat de Geest de jongeren herinnert aan alles wat Jezus gezegd heeft. Hij ontsluit voor hen de zin van de woorden van Christus (vgl. 2:22; 12:16). Hij leidt en inspireert de apostelen in hun getuigenis van Christus en legitimeert dit getuigenis als betrouwbaar en waar. Het vierde evangelie zelf is het getuigenis van hen die door de Geest ingeleid zijn in de volle waarheid aangaande Jezus Christus.
Indeling
Proloog 1:1-18
Jezus’ getuigenis in het openbaar 1:19-12:50
Johannes de Doper en Jezus 1:19-52
Ontmoetingen in Galilea, Jeruzalem en Samaria 2:1-4:54
Genezing en getuigenis in Jeruzalem 5:1-47
Hemels manna 6:1-71
Jezus op het Loofhuttenfeest 7:1-8:59
De Herder en de huurlingen 9:1-10:42
Dood en opwekking van Lazarus 11:1-57
Lijden en verheerlijking 12:1-50
Jezus’ getuigenis voor zijn discipelen 13:1-20:31
Afscheidsgesprekken 13:1-16:33
Het hogepriesterlijk gebed 17:1-26
Het lijden en sterven 18:1-19:52
De opstanding 20:1-31
Epiloog 21:1-25
VERKLARING
Proloog 1:1-18
In deze vss wordt de alles te boven gaande werkelijkheid van de Persoon van Jezus getekend. Terwijl Matteüs de verschijning van Christus in het raam van de heilsgeschiedenis van Israel plaatst (Mat. 1:1-17) en Lucas de geboorte van Jezus in verbinding brengt met de wereldgeschiedenis (Luc. 2:1 w) en de stamboom terugvoert tot Adam (Luc. 3:38) gaat Joh. verder dan Abraham (vgl. 8: 58) en Adam. De heerlijkheid van Christus is die van het scheppende Woord, dat in den beginne bij God was en God was.
Met uitzondering van de vss 6-8 en vs 15 vertoont de proloog een poëtisch-hymnische stijl. Vele geleerden zijn van oordeel dat Johannes een hymne over de Logos (= het Woord) heeft overgenomen. Maar de proloog van het vierde ev. vertoont allerlei stijlkenmerken die we in het evangelie terugvinden. De hymnische stijl is te zien als een door de schrijver gekozen middel om de verhevenheid van Jezus te laten uitkomen. Allerlei thema’s uit de proloog worden in het evangelie nader uitgewerkt. De eenheid van de proloog is ook van belang voor de inhoud. Het gaat in deze 18 verzen niet om een Logostheologie maar om Christusverkondiging. Overal waar in de proloog van de openbaring van het Woord gesproken wordt, is sprake van de openbaring in Jezus Christus. Dit wordt nader ontvouwd in een drietal onderdelen die als concentrische cirkels om elkaar heen liggen en betrekking hebben op de verschijning van Jezus Christus. Het eerste gedeelte (1-5) loopt uit op de uitspraak dat het licht van het Woord des levens dat bij God was en dat God was, schijnt in de duisternis. De in vs 5 gebruikte werkwoordsvorm (schijnt) laat zien dat het om de verschijning van het licht gaat in het heden van de evangelist. In vs 9 wordt de uitspraak van vs 5 weer opgenomen. De tweede gedachtenkring (6-13) neemt haar uitgangspunt in de bewoordingen van vs 5. Johannes de Doper is getuige van het licht, dat door in de wereld te komen, ieder mens verlicht. Dit getuigenis maakt de afwijzing (vgl. vs 11) nog des te ernstiger. Maar ook wordt in vs 12 de heilsbetekenis van dit goddelijk licht aangegeven. Het derde gedeelte (14-18) voert tot de climax: het Woord is vlees geworden. Deze vleeswording maakt het mogelijk, dat mensen de heerlijkheid van het Woord kennen en aanschouwen. In Jezus van Nazaret licht Gods heerlijkheid voor het geloof op. Vandaar dat Jezus ver boven Mozes verheven is als Degene in wie God zich doet kennen. Het begrip Logos speelt in de buitenbijbelse religieuze en filosofische voorstellingswereld een belangrijke rol (Philo, Stoa, Gnostiek). Al is het niet onmogelijk, dat Johannes’ spreken over het Woord, de Logos, een antithetisch element bevat, in die zin, dat Christus gepredikt wordt als de ware Logos tegenover de vele logoi van de hellenistische wereld, toch doen we er goed aan de achtergrond van Joh. 1 niet te zoeken in de hellenistische wereld. Heel de proloog staat in het kader van de oudtestamentische openbaring.
In den beginne (1): dat wijst op het scheppingsverhaal, Gen. 1:1. Het scheppende Woord van God roept de dingen in het aanzijn, vgl. Ps. 33:6; Jes. 55:11; Jer. 23:29.
Ps. 107:20 spreekt van de heilbrengende kracht van het woord van God. Was God: dat wordt in Gen. 1 zo niet gezegd. Joh. accentueert in zijn ev. steeds dat Jezus Gode gelijk is, vgl. 20:28. Woord-leven (4): in het O.T. wordt van de tora gezegd dat deze levend maakt (Ps. 119:25, 107, 154; vgl. Deut. 30:20). Licht (4): vgl. Ps. 119:105. Schijnt in de duisternis (5): Christus komt in de van God afgevallen, Hem vijandige wereld. Zie ook Joh. 3:19-21; 8:12; 9:39; 12:35; 1 Joh. 1:5 vv; 2:8. Niet gegrepen: het griekse woord omvat tal van betekenissen, zoals: met vijandige bedoelingen aanpakken, in bezit nemen, maar ook: begrijpen, verstaan. Het vs is in tweeërlei zin op te vatten: de duisternis moest het afleggen tegen het licht, of: de duisternis heeft het niet verstaan, niet aangenomen.
Johannes (6): dwz. de Here is genadig. Zijn bijzondere heilshistorische positie wordt aangegeven met de woorden: getuige van het licht, door God geroepen en gezonden. Het geloof rust niet op verdichtsels maar op het betrouwbare getuigenis, dat van Godswege voor het forum van de wereld verkondigd wordt. In het vierde evangelie wordt de Doper specifiek als getuige getekend (vgl. 3:26; 5:32). Anderzijds snijdt de evangelist elke verheerlijking van de Doper de pas af. Johannes is een mens (vgl. Ezechiël: mensenkind). Met nadruk wordt gezegd: Hij was het licht niet (8). In tegenstelling tot alle anderen die zich als lichtdragers opwerpen is Jezus het waarachtige, echte licht. Het… licht… was komende in de wereld (9): grammaticaal is het ook mogelijk de woorden ‘komende in de wereld’ te verbinden met ‘elk mens’. Maar de parallellie met vs 5 en vss 10-11 pleiten voor de vertaling van het NBG. De wereld(10): Christus kwam tot de kosmos, zijn schepping. Niet gekend: dwz. afgewezen. Kennen heeft de oudtestamentische betekenis van kennen in liefde. In vs 11 spitst Johannes het toe op de verhouding van Christus tot Israel.De Zijnen zijn de leden van het verbondsvolk. Macht (12): bevoegdheid. Kinderen Gods: Johannes reserveert het woord Zoon voor Jezus. De gelovigen zijn tot kinderen van God aangenomen door Hem. Dat is niet vanwege vleselijke kwaliteiten of godsdienstige prerogatieven, maar omdat zij uit God geboren zijn (13), vgl. 3:3. Aangenomen (12): d.i. in Hem geloven. Het behoren tot het volk Israel is op zich geen garantie (vgl. 8:37 w).
Vlees geworden (14): het woord ‘vlees’ duidt de mens in zijn broosheid en sterfelijkheid aan. Het ‘is geworden’ duidt op een nieuwe bestaanswijze waarin het Woord inging. Jezus is waarlijk mens. Gewoond: dat God woning maakt onder de mensen lezen we al in Lev. 26:11; Jes. 57:15. Lett, betekent het griekse woord ‘in een tent wonen’ (vgl. Ex. 25:8; 29:46). In het ‘wonen’ ligt iets van duurzaamheid. De heilstijd is in de komst van Gods Zoon in het vlees aangebroken. Hier ligt de grond en de zekerheid van het geloof. Wij: dwz. de apostelen. Zijn heerlijkheid: de manifestatie van God, de glans van zijn majesteit (Ex. 15:11; Ez. 1:1). Zie ook Joh. 2:11; 11:4, 40; 13:31; 17:5. Als van: het was een heerlijkheid zoals behoort bij Gods eniggeboren Zoon. Vol van genade en waarheid: vgl. Ez. 34:6; Ps. 25:10; 40:11; 85:11. In Christus worden Gods beloften vervuld. Deze was het (15): hier grijpt de evangelist vooruit op iets wat later verteld wordt. Vs 15 anticipeert op vs 30. De Doper trad wel eerder op dan Jezus. Maar Jezus was er al voordat Johannes de Doper bestond. Hij was eerder en meerder dan de Doper. Uit zijn volheid (16): uit Christus’ volheid wordt in toenemende mate genade geschonken. Genade heeft hier vooral de betekenis van liefdevolle en trouwe solidariteit. De wet (17): Christus gaat boven Mozes uit. Hij vervult wet en profeten. In joodse geschriften wordt de Wijsheid gepersonifieerd en als praexistente gestalte gezien. Voorts wordt gezegd dat zij haar woonplaats in Israel heeft gevonden en identiek is met de tora. Er is sprake van een zekere antithese in Joh. 1:17 tot deze joodse kijk op de wet. Maar de wet is daarmee niet gediskwalificeerd. Zie ook 5:36. Zij is door bemiddeling van Mozes van Godswege gegeven. Wel wordt de betekenis gerelativeerd: ze is niet Gods meest wezenlijke gave. Niemand… gezien (18): vgl. Ex. 20:4; 33:20. God bewoont een ontoegankelijk licht. De eniggeboren Zoon: een andere lezing luidt: de eniggeboren God. In Jezus hebben we met Godzelf te maken. Voor onze kennis van God zijn we op Jezus Christus aangewezen. Doen kennen: ons woord ‘exegese’ is van het hier gebruikte griekse woord afgeleid.
Jezus’ getuigenis in het openbaar 1:19-12:50
In vs 19 begint het eerste hoofddeel van het evangelie, dat we kunnen typeren als Jezus’ zelfopenbaring voor de wereld, zijn getuigenis in het openbaar in Israel. Evenals bij de syn.ev. gaat aan het bericht over Jezus’ werk een bericht over het optreden van de voorloper Johannes de Doper, vooraf.
Johannes de Doper en Jezus 1:19-52
Nadat Johannes verklaard heeft dat hij de Messias niet is maar slechts diens wegbereider en getuige (19-28) en na zijn getuigenis aangaande Jezus als de Christus (29-34), horen we in de vss 35-52 hoe dit getuigenis leidt tot het begin van de discipelkring, de christelijke gemeente. De eerste leerlingen worden getuigen voor elkaar van het in Jezus’ verschenen heil.
Het getuigenis van Johannes over zichzelf 1:19-28
en officiële deputatie vanuit Jeruzalem stelt een onderzoek in aangaande het optreden van de Doper. De delegaties stellen hem twee vragen: wie ben je en waarom doop je? Getuigenis (19): zie bij vs 6. Ook uit 10:41 blijkt dat Johannes als getuige getekend wordt. Joden: hier is wel bedoeld het Sanhedrin, de joodse Raad. In die roerige tijd waarin messiaanse bewegingen voor onrust zorgden wilden de joodse autoriteiten de religieuze bewegingen onder controle houden om geen last met de bezetter te krijgen. Zie voor twijfel tav. de Doper ook Mar. 11: 29-33. Priesters en Levieten: deze groepen komen verder in het evangelie niet voor. Beleed… ontkende… beleed (20): de woorden accentueren het gewicht van de uitspraak van de getuige in het proces. Is het belijden doorgaans gericht op het belijden van Jezus als de Christus, hier wordt negatief gezegd dat Johannes de Christus niet is en zo impliciet ruimte gemaakt voor het getuigenis van de vss 29-34.Elia: zie bij Luc.1:17, Mat. 17:10. Depro-feet: niet alleen de gedachte van de weerkerende Eliaspeelde een grote rol in de joodse eschatologie, maar ook de verwachting van de profeet van de eindtijd, een man van het formaat van Mozes (vgl. Deut. 18:19 w). De stem (23): alle verheerlijking van Johannes wordt ook hier, evenals in de vss 6-7, bij de wortel afgesneden. Johannes is enkel wegbereider en getuige. Niet meer en niet minder. Gelijk… Jesaja: hier wordt Jes. 40:3 geciteerd. Roept in de woestijn: zo ook de LXX. ln de hebr. tekst is sprake van het recht maken van de weg des Heren in de woestijn. Uit de Farizeeën (24): wellicht een tweede groep afgezanten die de eerste delegatie aanvult. Waarom doopt gij dan: als Johannes een messiaanse figuur zou zijn, dan zou zijn doop voor het gevoel van de leiders heilsbetekenis kunnen hebben in de zin van Zach. 13:1, maar van ‘de stem’ in Jes. 40 wordt niets over dopen gezegd. Johannes geeft in zijn antwoord aan, dat zijn getuigenis en zijn doop van zich zelf afwijzen naar de Messias, wiens voorloper hij is. Midden onder u (26): dwz. het heil is ophanden. Het uur van de vervulling is gekomen, dat elk mens voor de beslissing plaatst. Staat: lett. hij heeft zich gesteld en staat nu. Van wie gij niet weet: dat wil niet zeggen dat Johannes’ gesprekspartners niets van de Messias zouden weten, maar men weet alleen niet, wie Hij is. Beter de SV: ‘die gij niet kent’. Jezus is de Messias incognito, de grote Vreemdeling (vgl. 1: 10-11). Zijn oorsprong is een andere die dan die van mensen (vgl. 7:28; 8:23). Slechts door openbaring is Hij te kennen. Niet waardig (27): ten opzichte van de Messias beschouwt Johannes zich minder dan een (heidense) slaaf. Te Betanie (28): van Jeruzalem uit bezien lag het aan de overzijde van de Jordaan, in Perea. Een afwijkende lezing is: Betabara. Dit Betanie is niet hetzelfde als het dorp dat in Joh. 11 genoemd wordt.
Johannes wijst op Jezus 1:29-34
Het Lam Gods (29): met dit woord – programmatisch voor het evangelie – wordt de heilsbetekenis van de Messias aangegeven. Jezus is de lijdende Messias, wiens sterven in onze plaats heil betekent. Hij is het Lam Gods, dwz. door God gegeven (vgl. 3:16). Op de achtergrond van dit woord staan vooral de oudtestamentische woorden over het Paaslam. Het Pascha speelt bij Johannes een belangrijke rol vanaf 2:13. Zie ook Joh. 19:14, 33. Jezus is het ware Paaslam, wiens dood de exodus van het nieuwe volk van God betekent. Daarnaast kunnen we de uitdrukking zien in het licht van de oudtestamentische prediking over de offercultus, en de woorden uit Jes. 53: 7, 10, 12. Ook kan gewezen worden op de vraag van Isaak en het antwoord van Abraham in Gen. 22:7, een hoofdstuk dat in de joodse traditie een grote rol speelt. Dat… wegneemt: Jezus’ lijden en sterven is verzoenend lijden en sterven, vgl. Jes. 53. Door heel het N.T. klinkt dit getuigenis. Na mij… eer dan ik (30). Hier wordt de gedachte van vs 15 en 27 opgenomen. Hij die na mij komt: de komende is de Messias. Qua tijdsvolgorde volgt zijn werk op dat van Johannes. Maar in betekenis rijst Jezus ver boven Johannes uit. Evenals in vs 15 wordt hier getuigd van zijn praeè’xistentie als de eeuwige Zoon van God. 31 Zelf wist ik niet van Hem: net als ieder ander mens is ook de Doper van de openbaring van God afhankelijk om het geheim van Jezus te verstaan. Door een goddeUjke .openbaring (vs 33) wist hij dat Degene op wie de Geest Gods zou neerdalen als een duif de Messias zou zijn. 31: Geopenbaard worden: het passivum wijst er op dat het God zelf is die Jezus aan Israel bekendmaakt door het getuigenis van Johannes. 32 Ik heb aanschouwd: vgl. ook vs 33 (‘ziet’) en 34 (‘gezien’). Johannes is ooggetuige. In het geding van God om de wereld is hij de eerste getuige van het in Jezus verschenen heil. Hij bleef op Hem: vgl. Mar. 1:10. Dat de Geest op Jezus bleef (vgl. Jes. 11:2; 42:1) kenmerkt Hem als Messias. Deze… doopt (33): Christus vervult de oudtestamentische verwachting aangaande de heilstijd, nl. de uitstorting van de Geest (vgl. Jes. 32:15; Ez. 36:26; Zach. 12:10). Zie ook Joh. 3:34; 7:37-39; 20:22. De Zoon van God: vgl. 2 Sam. 7:14. Een belangrijke tekstvariant luidt: ‘de Uitverkorene’, vgl. Mat. 3:17 par.; Jes. 42:1.
Jezus’ eerste discipelen 1:35-52
De eerste twee leerlingen komen tot Jezus via het getuigenis van de Doper. Stond (35): dwz. hij stond klaar om te dopen, óf: hij stond uit te kijken naar Jezus. Opnieuw wijst Johannes Jezus aan als het door God gegeven Lam. Volgden (37): dat betekent in eerste instantie ‘zij gingen achter Hem aan’, maar de herhaling van het woord (vss 38, 40, 43) laat zien dat het om de navolging gaat, discipelschap, het opgenomen-zijn in de levensgemeenschap met Jezus (vgl. 8:12; 10:4 v, 27; 12:26; 13:36 v; 21:19v, 22). Wat zoekt gij? (38): de vraag van Jezus, die allen doorziet (vs 32, 47) dient om hen de gelegenheid te geven zich uit te spreken. Verblijf… gij zult het zien (39-40): achter deze gewone vragen naar verblijfplaats en adres gaat het eigenlijke schuil: hun verlangen naar contact met Jezus. Het tiende uur: dwz. ongeveer 4 uur n.m. Dit kleine trekje verraadt dat de schrijver nauwkeurig ingelicht was over het gebeuren. Was één van de twee de geliefde discipel, de schrijver van het evangelie? Het verblijf op die dag, het samen-zijn met Jezus, draagt vrucht. Zij spreken Hem aan als rabbi; zij worden door Hem onderwezen en het licht gaat hen op. Zij vinden in Hem de Messias.Andreas (41): broer van Simon Petrus. Hij is een van de minder bekende discipelen (vgl. 6:8 en 12:22). Hier wordt hij genoemd als degene die Petrus, de woordvoerder van de apostelkring, tot Jezus geleid heeft en-laat hij zien wat werfkracht betekent. Het horen naar en volgen van Jezus lokt een kettingreactie uit. De leerling wordt op zijn beurt getuige (vgl. vss 42, 47). Andreas treedt op de drie plaatsen, waar hij genoemd wordt op als contactman, om anderen in aanraking met Jezus té brengen. Deze vond (42): het ‘vinden’ speelt in dit gebeuren een grote rol (zie vss 42, 44, 46). De ‘gevondenen’ geven uiting aan wat zij in Jezus gezien, ontdekt en gevonden hebben, nl. de van God geschonken Heiland en heilbrenger, de Beloofde. Zag hem aan (43): Jezus ziet, doorziet en kent de mensen.
Simon ontvangt een nieuwe naam (vgl. Gen. 17:5; 32:28; Jes. 62:12). Kefas: aramees woord voor ‘rots’ (vgl. het griekse woord petra). Filippus (44) door Jezus gevonden, geeft spontaan uiting aan Jezus oproep Hem te volgen. Op verschillende wijzen worden mensen leerling van Jezus. Zie over Filippus Joh. 12:22; 14:8. Betsaida (45): = ‘vissersstad’, gebouwd door een zoon van Herodes de Grote en genoemd naar de dochter van keizer Augustus: Betsaida Julia. Deze joodse plaats aan de oostelijke oever van de Jordaan lag in een heidense omgeving. Andreas(= de manhaftige) en Filippus(= paarde-vriend) dragen dan ook griekse namen. Mozes (45): Jezus is de in wet en profeten beloofde Messias. De Schriften getuigen van Hem (5:39). Natanaël: = geschenk van God (Theodorus). Volgens Joh. 21:2 kwam hij uit Kana. Iets goeds (46): dwz. het messiaanse heil, vgl. Jes. 52:7. Uit Nazaret: de Messias zou volgens de profetie uit Betlehem komen. Voor een vrome jood was het een onverdra-gelijke gedachte, dat Hij zou komen uit het onbetekenende Nazaret in het van onrechtzinnigheid verdachte Galilea. Kom en zie: vgl. vs 40. ‘Zien’ wil zeggen: leren kennen.
Jezus zag… komen (47): het zien van Natanaël wordt voorafgegaan door het feit dat Jezus Natanaël reeds eerder gezien en gekend heeft. Een Israëliet, in wie geen bedrog is: ‘bedrog’ betekent ‘arglist, kwade trouw’ (vgl. Hand. 13:10; 2 Kor. 12:16; 1 Tess. 3:2). Ook in Ps. 32:2 is sprake van een man in wiens geest geen bedrog is. Zie ook Jes. 53:9 (de knecht des Heren). Maar vooral is te denken aan de tekening van Jakob (Gen. 27:36). Natanaël is een oprecht lid van het volk van God, die er waarlijk op uit is Jezus te vinden itt hen, die Jezus zoeken onder een voorwendsel (vgl. Rom. 2:28). Vijgeboom: boom die veel schaduw biedt. Beeld van vrede en veiligheid (Mi. 4:4). Rabbijnen plachten in de schaduw van een boom de tora te bestuderen. Vandaar dat wel de gedachte geuit is dat Natanaël bezig was met Schriftstudie en in gebed verkeerde. Antwoordde (50): wat van God geldt volgens Ps. 139:1-2 geldt ook van Jezus. Dat is voor Natanaël voldoende om Jezus als Messias en Koning van Israel te belijden. Opvallend is in dit gedeelte de opeenhoping van christologische titels. Grotere dingen (51): de belofte volgt op de toezegging, plechtig ingeleid door ‘Voorwaar, voorwaar’ (= amen, amen, vgl. Neh. 8:7). De hemel open: zie Gen. 28:10-19. Wat Jakob aanschouwde zullen de leerlingen (ulieden!) in werkelijkheid zien. God is present in Jezus, de Zoon des mensen (vgl. Dan. 7:13 v. De naam accentueert bij Johannes de hemelse oorsprong en de hemelse bestemming, vgl. 3:12; 5: 26-27; 12:32-34). Engelen Gods: door Jezus die in voortdurend contact met de hemel staat is er voor de gelovige een toegang tot het Vaderhuis.
Ontmoetingen in Galilea, Jeruzalem en Samaria 2:1-4:54
De evangelist vertelt in dit gedeelte een aantal gebeurtenissen, die de aard en de inhoud van Jezus’ heilswerk openbaren, terwijl hij tevens laat zien hoe zich in de ontmoeting met Jezus de beslissing voor of tegen Hem voltrekt. In Joh. 2-4 is Jeruzalem het prototype van de plaats van conflict, ongeloof en misverstand (2:13-3:21), terwijl Galilea de plaats is van geloof (2:1-11; 4:46-54). Ook de reactie in Samaria vormt een contrast met de afwijzing in Jeruzalem. Toch, al begint Jezus in Galilea en moet hij door Samaria gaan, Hij gaat naar Jeruzalem, want het heil is, dwz. komt uit Israel.
De bruiloft te Kana 2:1-12
Op een bruiloft openbaart Jezus zijn messiaanse heilbrengende heerlijkheid. Water wordt veranderd in wijn. Er vindt herschepping plaats, die past bij de heilstijd vanhet Koninkrijk. De bruiloft is in de Schrift vaak een aanduiding van de nieuwe werkelijkheid van het Rijk van God (Jes. 61:10-11; Mat. 22:1 w; 25:1 w). Sommige exegeten wijzen op parallellen met het griekse feest ter ere van Dionysus, in de nacht van 5 op 6 januari, waarbij volgens de legende de tempelbronnen op de eilanden Anaros en Theoa wijn in plaats van water gaven. Maar de openbaring van Jezus’ heerlijkheid in Kana vormt juist een fel contrast tot het geloof in de god van de wijn Dionysus of Bacchus. In de Dionysus-legende blijft een mens gevangen in de kringloop van het onverloste leven waaraan hij telkens voor even ontsnapt in de roes, maar Christus schenkt werkelijk en blijvend vreugde en verlossing. Hij vraagt geloof in Zijn Persoon en werk.
Op de derde dag(): vgl. 1:29, 35, 44. De evangelist dateert deze hier genoemde feiten in een dag-voor-dag opsomming. Het zijn dagen van heil. De moeder van Jezus (2), Maria, was aanwezig. Misschien als familielid. In ieder geval blijkt ze een goede bekende te zijn. Bruiloft: een zeer feestelijke gebeurtenis die zeven dagen duurde en waarop steeds nieuwe gasten verschenen. Het gold als een verdienstelijk werk het bruidspaar eer te bewijzen. Zelf rabbijnen onderbraken met hun leerlingen dan de studie van de tora.
Zijn discipelen: nl. de vijf, in hoofdstuk 1 genoemden. Gebrek aan wijn (3): gezien de lange duur van de bruiloft en het grote aantal gasten waren aanzienlijke hoeveelheden nodig. Een tekort aan wijn betekende een blamage voor het bruidspaar, een schande die hen na jaren nog aangerekend zou worden. Zeide… tot Jezus: Maria, overtuigd van het messiaanse heilgeheim wil haar Zoon ertoe aanzetten zich als Messias aan het volk te openbaren. Vrouw (4): Jezus laat merken dat de band van vlees en bloed niet beslissend is. Hij is de Zoon van God, vgl. Joh. 19:25. Wat heb Ik met u van node: een in het O.T. veel voorkomende uitdrukking (Richt. 11:12; 2 Sam. 16: 10; 1 Kon. 17:18; 2 Kon. 3:13; 2 Kron. 35:21). Er is geen sprake van een grove bejegening. Wel laat Jezus Maria gevoelen, dat Hij zijn eigen gang gaat en zijn eigen tijd kiest. Mijn ure: dat is het uur om zijn heerlijkheid te openbaren, het uur van zijn heilswerk. Vgl. Joh. 7:1-9, 7:30; 8:20; 12:37; 13:1; 16:21; 17:1. In het geheel van het ev. van Joh. ziet het op het uur van zijn lijden en sterven. Wat Hij u ook zegt, doet dat (5): zie Gen. 41:55. Maria’s woorden getuigen van geloof in Jezus macht en bereidheid om te helpen. Zesstenen watervaten: dit water werd gebruikt voor de door de wet geëiste ceremoniële reiniging. De inhoud van elk vat was twee of drie metreten: dwz. elk ongeveer 2 of 3 X . De woorden volgens het reinigingsgebruik der Joden vormen een verklaring van de evangelist voor lezers, die dit joodse gebruik niet meer kenden. Het is niet onmogelijk dat het wonder van de verandering van water in wijn ook wil wijzen op de vreugde in Hem die de wet vervult en mensen bevrijdt van knechtende bepalingen. De leider van het feest (8): het woord hangt samen met het griekse woord voor bank of sofa, waarop gasten kunnen plaatsnemen en dat dan ook de betekenis krijgt van feestmaal. De leider draagt verantwoordelijkheid voor de maaltijd, in de grieks-romeinse wereld was een dergelijke functionaris naast de tafelpresident heel gewoon. Water dat wijn geworden was (9): het gaat wel niet alleen om het wonder dat zichvoltrok aan het water in die bewuste kruik. Jezus brengt overvloed van vreugde. Hij redt de bruiloft. Vgl. het oude huwelijksformulier waarin gezegd wordt ‘dat Jezus de huwelijkse staat geëerd heeft met zijn tegenwoordigheid, giften en wondertekenen te Kana’. Hij wist niet, waar deze vandaan kwam: de vraag naar het ‘vanwaar’ van Jezus en het door Hem geschonken heil klinkt door in het hele Joh. ev. De goede wijn bewaard (10): in tegenstelling tot de normale gang van zaken dat men eerst de beste kwaliteit serveert en als er veel gedronken is, de wijn van mindere kwaliteit, omdat velen dan toch goede en slechte wijn niet meer van elkaar kunnen onderscheiden, wordt hier het omgekeerde gedaan. De leider van het fèest begrijpt dit niet. Maar deze gang van zaken is kenmerkend voor de heilstijd. De wijsheid van het Rijk is anders dan die van deze wereld. Begin van zijn tekenen: het griekse woord betekent zowel aanvang als principe, beginsel. Het teken wijst heen naar de werkelijkheid van de heilstijd. De openbaring van zijn heerlijkheid wordt in het geloof verstaan (vgl. 1:14).
Naar Kafarnaüm (12): dat lager lag dan Kana. In vs 1 gaat de naam van Maria voorop. Hier wordt Jezus als eerste genoemd. Ook de broers van Jezus bevinden zich in het gezelschap (vgl. 7:1 w).
De tempelreiniging 2:13-25
Met de vss 1-11 vormt deze geschiedenis een tweeluik. Opvallend zijn de contrasten: na de vreugde in Kana het conflict; ipv. de meesiaanse wijn als teken van heil het oordeel van de Messias. Itt. geloof is er sprake van misverstand en vijandschap. Er zijn verschillen in de weergave tussen Johannes en de andere evangelisten, vooral wat betreft de plaats. Verbinden Mat./Mar./Luc. deze gebeurtenis met de intocht aan het begin van Jezus’ weg naar het kruis, Johannes plaatst de reiniging van de tempel aan het begin van Jezus’ werken onder zijn volk. Het is niet juist dit verschil weg te verklaren door twee tempelreinigingen aan te nemen. Dat een dergelijke opzienbarende gebeurtenis van een bijna revolutionair karakter tweemaal op nagenoeg dezelfde wijze plaatsgevonden zou hebben is moeilijk verklaarbaar. Bovendien ontbreekt daarvoor bij de Synoptici elke aanwijzing. Het is ook niet nodig dit aan te nemen. De evangelisten geven verkondigende geschiedschrijving. We moeten hier de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving in rekening brengen, die anders dan onze westers wetenschappelijke manier van geschiedschrijving minder nadruk legt op chronologische exactheid of preciese getallen. ‘De inspiratie is geen notariële optekening geweest’ (H. Bavinck). Dat Johannes de tempelreiniging in het begin van zijn evangelie plaatst heeft te maken met zijn in 20:31 aangegeven doelstelling. Ook dit gedeelte predikt ons de Christus Die door de daad van de tempelreiniging zichzelf openbaart als de nieuwe tempel. De weg van Jezus, uitlopend op kruis en opstanding en de daarmee gepaard gaande krisis van geloof of ongeloof vinden we in dit gedeelte getekend (vgl. de wijze waarop in de prediking van de Doper in Joh. 1:29 als centraal thema genoemd wordt de offerdood van Jezus aan het kruis ter verzoening van de schuld).
Pascha (13): vgl. de Inleiding. Hier wordt al heengewezen naar het laatste pascha (11:55; 12:1; 13:1), waarmee het joodse pascha wordt vervuld. Hier gaat Jezus op naar Jeruzalem. Wanneer het pascha van zijn verheerlijking is gekomen gaat Hij op naar de Vader (7:8; 20:17). In de weergave van het gebeuren is Johannes uitvoeriger dan de andere evangelisten. Alleen Joh. spreekt van runderen en schapen (14), van geldwisselaars die zitten (14). Zweep van touw (15): ook dit alleen bij Johannes. Stokken waren in de tempel verboden. Van het touw, waarmee de dieren vastgebonden waren en waarvan er stukken zullen hebben rondgeslingerd maakt Jezus een zweep, een gesel (SV). Bij Mat./Mar. gooit Jezus tafels en stoelen ondersteboven, in 2:15 werpt Jezus alleen de tafels van de geldwisselaars omver. Hij zeide (16): alleen Joh. maakt melding van een uitdrukkelijk bevel tot de duiven ver kopers. Verkoophuis: vermoedelijk zinspeling op Zach. 14:21: ‘En er zal te dien dage geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HERE der heirscharen’. Het hebr. woord dat met ‘kanaäniet’ wordt vertaald kan ook betekenen: koopman, handelaar. Kanaänieten of Foeni-ciërs waren de grote kooplieden van het oosten (zie Ez. 27-28; Jes. 23). De verdrijving van de kooplui tekent de aangebroken heilstijd. God komt wonen in Christus onder zijn volk. Werden indachtig: zie ook vs 22. De ijver… verslonden: citaat uit Ps. 69:10, een psalm die ook in Joh. 15:25 (Ps. 69:5), Mat. 27:34, 48 (Ps. 69:22) en Hand. 1:20 (Ps. 69:26) wordt aangehaald in verband met Jezus’ lijden. Jezus’ daad bezorgt Hem de vijandschap van de joodse leiders. Het ‘verteren’ zal in Jezus’ kruisdood in vervulling gaan. Welk teken (18): de vraag van de Joden om een teken herinnert aan Mar. 8:11; Mat. 12: 38; Luc. 11:16; vgl. 1 Kor. 1:23. Men vraagt naar een legitimatie voor zijn handelwijze. Breek… af… herrijzen (19): laat men deze tempel maar afbreken (vgl. Am. 4:4 v; Jes. 8:9 v; Jer. 7:21), binnen drie dagen = in korte tijd zal Jezus de tempel opbouwen. Dat de Joden dit woord misverstaan blijkt uit het verhoor van Jezus door het Sanhedrin (Mar. 14:57-58). Zes en veertig jaar: niet alleen is tempelafbraak voor joodse oren een godslasterlijke uitspraak, maar ook een absurde bewering. In 20 of 19 v.Chr. was Herodes begonnen met het herstel en de verfraaiing van de tempel. En Gij: met nadruk gezegd. SV: en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten? De tempel zijns lichaams (21): vgl. 1 Kor. 6:19. In Jezus openbaart God zijn presentie (vgl. 4:23 v; 7:37-39; 15:7). In zijn opstanding en verheerlijking (vgl. het in vs 20 gebruikte woord ‘doen herrijzen’ dat ook ‘opwekken’ betekent) is Hij Zelf de tempel van de eindtijd. Vgl. ook Ef. 2:19 w. Herinnerden (22): het is de Geest (14:26) die na Pasen Jezus’ woorden in herinnering brengt en verheldert. Deze herinnering mondt uit in geloof. De Schrift, en het woord: beiden spreken over hetzelfde, beter nog Dezelfde. Geloofden velen in Hem: de tekenen die Jezus verricht in Jeruzalem leiden bij velen tot geloof in zijn naam. Jezus’ optreden heeft succes. Toch blijkt het dubbelzinnig te zijn. Achter dit geloof wordt een vraagteken gezet. Jezus vertrouwt zich niet aan deze ‘aanhangers’ toe (in het grieks is er een woordspeling met ‘geloofden’). Hij onttrekt zich aan hen (vgl. 6:15). Hij kent en doorziet de mensen en weet dat dit ‘wondergeloof’ snel in afkeer en afwijzing kan omslaan. Vs 25 vormt de overgang naar hoofdstuk 3: het gesprek met Nicodemus.
Het gesprek met Nikodemus 3:1-22
Nikodemus (1): griekse, ook bij de Joden voorkomende naam. De betekenis is: ‘overwinnaar van het volk’. Hij behoort tot de partij van de Farizeeën, is een overste, dwz. lid van het Sanhedrin, de Hoge Raad, het rechterlijke en uitvoerende machtscollege gedurende de romeinse bezetting. Hij is een schriftgeleerde, een leraar, (vgl. vs 10), en nam dus onder de Joden in Jezus dagen een officiële positie in. Het streven van de Farizeeërs was er op gericht de gerechtigheid in praktijk te brengen die de tora eiste om zo deel te krijgen aan de messiaanse toekomst, het koningschap van God, dat door een wonderbaar ingrijpen, onder allerlei voortekenen opgericht zou worden (vgl. Luc. 17:20). Beslissend was hun ijver voor de tora. Des nachts (2): mogelijk uit vrees voor de mensen, omdat hij niet gezien wil worden in gesprek met Jezus. Maar ook is denkbaar dat Nikodemus juist de nacht kiest als tijdstip voor gesprek, omdat de avondlijke (nacht is de tijd zonder daglicht) stilte uitnodigde tot een rustig gesprek. In elk geval komt hij niet uit lust om strikvragen te stellen of een twistgesprek aan te gaan. Oprechte belangstelling in Jezus drijft hem. Rabbi: hij spreekt Jezus aan als leraar en treedt hem tegemoet met een logische redenering zoals onder rabbijnen gebruikelijk was. Toch is voor hem Jezus meer dan een collega, nl. een leraar van God gekomen, dwz. door Hem gezonden. De tekenen (vgl. 2:23) hebben hem aan het denken gezet. Voor Nikodemus kan alleen iemand die tekenen doen als God met Hem is (vgl. Hand. 2:22; 10:38). Wij weten: dat is het ‘wij’ van de groep waarvan Nikodemus de representant is. Vgl. het ‘wij’ in de mond van Jezus tegenover dit ‘wij’. Voor Nikodemus is het de moeite waard met een leraar als Jezus te spreken over de geheimenissen van het Koninkrijk, de vraagstukken betreffende Gods geboden en de toepassing daarvan. De dialoog loopt anders dan hij verwacht had. Jezus laat hem horen dat, als het gaat om de ingang in Gods Rijk zijn wettische ijver ten enenmale ontoereikend is en dat geloof meer is dan een logische, verstandelijke redenering. Het gaat om een nieuwe geboorte, een nieuw leven, door God tot stand gebracht. Voorwaar, voorwaar (3): vgl. bij 1:51. Ik zeg u: Jezus spreekt met gezag. Wederom geboren: het woordje ‘wederom’ heeft in het grieks twee betekenissen: ‘opnieuw’ en ‘van boven af’. Beide betekenissen klinken mee. Het gaat om een opnieuw geboren worden, maar deze nieuwe geboorte is uit God (vgl. 1:13). De oorsprong van dit nieuwe leven is de Heilige Geest, dwz. niet een of andere kracht of substantie, maar God Zelf, de Schepper van alle leven, de Schepper ook van dit geestelijk leven van het kindschap Gods. Vgl. ook 1 Joh. 4:7; 5.T, 4. Het Koninkrijk Gods: alleen in 3:3, 5 gebruikt Johannes deze aanduiding. Doorgaans spreekt hij over het leven of het eeuwige leven. Tekenen de Synoptici Jezus vooral als Degene in wie Gods Koninkrijk nabij gekomen is, Johannes toont ons Hem in de verkondiging van het leven, dat in Hem verschenen is. Zien is een omschrijving voor deel ontvangen aan het heil (vgl. 3:36; Luc. 2:25; Hand. 2:27; 1 Petr. 3:10). Het komt qua betekenis overeen met binnengaan (vs 5), vgl. Mar. 9:47; 10:15.
Nikodemus’ tegenvraag (4) getuigt van misverstand en ongeloof. Ook kan de ergernis meespelen dat Jezus een streep haalt door de leerstellingen van de Farizeeërs. Als hij oud is: hoe kun je dan nog opnieuw beginnen? Kan hij… geboren worden: hiermee wil hij het voor zijn gevoel absurde van Jezus’ woorden aangeven. Geboren worden kan een mens toch maar één keer. Het proces van verwekking, zwangerschap en geboorte kan toch niet overgedaan worden. Jezus herhaalt zijn woorden, met een lichte verandering. In het tenzij (5) klinkt de waarschuwing door. Uit water en Geest: het nieuwe leven als gave van God betekent reiniging en vernieuwing zoals reeds Ez. 36:24-27 laat horen. ‘Water en Geest’ zinspelen ook op de doop. Primair is te denken aan de door de Farizeeën verworpen waterdoop van Johannes de Doper. Deze kondigde de doop met de Geest aan als daad van de Messias. De Geest bewerkt wat de doop met water betekent en verzegelt. Voor de gemeente, aan wie Johannes schrijft, herinneren de woorden aan de christelijke doop, waarin de gave van de vergeving en van het nieuwe leven door de Geest verbonden worden (vgl. Hand. 2:38). Zie ook Tit. 3:5: de doop als bad der wedergeboorte. Vlees… Geest (6): een diepgaand onderscheid. Zwakke, zondige en vergankelijke mensen brengen dit nieuwe leven niet tot stand (vgl. Joh. 1:13; zie ook Ps. 51:7 en Job 14:4). Ook al zou een mens opnieuw beginnen kunnen, het zou hem niet baten. Alleen Gods Geest schept dit nieuwe leven, dat zich openbaart in de vruchten, zoals het vleselijk bestaan wrange vruchten voortbrengt (vgl. Gal. 5:19 vv). Het gaat in de wedergeboorte niet om verbetering, maar om vernieuwing. Verwonder u niet (7): Jezus peilt Nikodemus’ pijnlijke verbazing. De wind blaast (8): het griekse woordpneuma betekent zowel geest als wind. De wind spreekt van Gods macht in de schepping (Pr. 11:5). Zijn weg is onnaspeurlijk, alleen het geluid is waarneembaar. Ook de wedergeboorte is een geheimenis, onnaspeurlijk en onverklaarbaar. Wel is het een werkelijkheid. Er is het geluid, de stem van de Geest. Niemand weet, waar het nieuwe leven ontspringt en waarop het uit zal lopen, maar de werkelijkheid van het kindschap Gods is te onderkennen. Hoe kan dit geschieden (9): als Nikodemus opnieuw in een vraag zijn onwetendheid verwoordt, krijgt hij van Jezus te horen dat hij dat als leraar van Israel (10) behoorde te weten. Van een schriftgeleerde mocht toch kennis van de Schriften verwacht worden, die in Jer. 31 en Ez. 36 getuigen van dat nieuwe door God gewekte leven. Het gij staat met nadruk voorop. Wij spreken (11): ook Jezus neemt het ‘wij’ in de mond. Hij spreekt als de Zoon van God met majesteit. Het meervoud is het zgn. ‘majesteitsmeervoud’. Voor de lezers van het Joh. ev. ligt in het ‘wij’ ook opgesloten de eenheid van Jezus’ getuigenis en het door de Geest gewerkte getuigenis van de gemeente. Hun spreken is gefundeerd in Jezus’ woord. Vanaf vs 11 is alleen Jezus aan het woord. Het gesprek met Nikodemus gaat over in de weergave van Jezus’ onderwijs door de evangelist. Gij neemt… niet aan: dat geldt Nikodemus en allen die in ongeloof Jezus’ prediking afwijzen, vgl. 5:40, 47. Het aardse… het hemelse (12): zie voor de tegenstelling hemel aarde Pr. 5:1; Jes. 55:8-9: als de schriftgeleerde niet gelooft wat Jezus zegt aangaande dingen die op aarde geschieden, nl. de noodzaak van de wedergeboorte door de Geest, hoe zal hij dan de hemelse geheimenissen, die er de oorzaak van zijn, de eschatologische dimensie in de komst en het werk van de Zoon des mensen verstaan?
Laat Nikodemus volledig vertrouwen op Jezus die thuis is in de hemelse wereld. Niemand kan van het hemelse spreken, want niemand is opgevaren in de hemel (Deut. 30:12; Rom. 10:6) dan alleen de Zoon des mensen (13). Hij daalde uit de hemel neer (vgl. 6:33, 38,41,42,50, 51, 58). Zakelijk bedoelt dit woord hetzelfde als 1:14. De uiterste consequentie van deze ‘nederdaling’ is het kruis. Vgl. voor het begrippenpaar af dalen-opstijgen: Ef. 4:10. Opgevaren: vgl. 6:62; 20:17. De komst en het werk van de Zoon des mensen, Jezus Christus, is de enige weg tot God, en daarom ook de enige bron van heil en leven. Het is zeer wel mogelijk dat vs 13 een polemiek en afwijzing bevat van het antieke geloof in verschijningen van goddelijke mensen, incarnaties van de godheid, hemelreizen en extatische gebeurtenissen die de antieke mens heil beloofden. Niemand: vgl. 1:18. Alleen door Jezus is er toegang tot God. De zin en betekenis van de met de woorden ‘afdalen/opstijgen’ aangeduide gebeurtenissen worden ontvouwd in de vss 14-15.
Gelijk Mozes (14): de wijze van Christus’ verhoging wordt belicht vanuit Num. 21:4 w. De slang in de woestijn: de koperen slang, zichtbaar verheven op een staak betekende het door de HERE gegeven redmiddel voor het door slangen gebeten en daarom ten dode opgeschreven volk. Oudchristelijke auteurs noemden deze slang een type van Jezus. In de joodse traditie is sprake van een ‘teken van redding’. Het ‘zoals… zo’ geeft de wijze van verhoging aan en het heilskarakter voor wie gelooft. Moet: naar de raad en de wil van God (zie Mar. 8:31 v). Verhoogd worden: de kruisdood van Jezus is beslissend moment en begin van de verhoging en verheerlijking (vgl. Filp. 2:9 w). De Zoon des mensen is de Knecht des Heren, over wiens verhoging in Jes. 52:13 gesproken wordt. Deze verhoging is tot heil voor ieder die gelooft (15). Geloven is zien op Jezus, de gekruisigde en verhoogde. In Hem ontvangen zij eeuwig leven, dwz. leven dat eeuwigheidskwaliteit heeft, leven in Gods gemeenschap. Dit eeuwig leven is in Christus een presente werkelijkheid, zij het ook in beginsel. De laatste grond voor het heil is Gods liefde (16) tot de van Hem afgevallen wereld. Deze liefde komt tot openbaring in het feit dat God zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (vgl. Rom. 8:32). In dit woord wordt samengevat wat God voor de wereld gedaan heeft. Hij gaf Zichzelf. ‘Geven’ heeft als uiterste spits de overgave tot de kruisdood. Wie in deze Zoon gelooft heeft eeuwig leven (nb: hier is het ‘in Hem’ itt. vs 14 verbonden met het werkwoord ‘geloven’). God wil het behoud van de wereld, niet het verderf (17). Maar of men gered wordt, hangt af van de beslissing tegenover Jezus. Wie niet gelooft, gaat niet alleen verloren, maar is verloren, omdat hij niet geloofd heeft in Gods eniggeboren Zoon (18). Dit is het oordeel (19): het griekse woord betekent zowel gericht als scheiding. Zie voor het komen van het licht Joh. 1:5, 9; 8:12. De duisternis liever gehad: vgl. 1:11. Zij verkozen het duister van hun zondig leven boven Hem die het Licht is. Door deze verkeerde reactie wordt het heilsgebeuren voor hen tot gericht. Hun werken waren boos: daarin openbaart zich de duisternis, in de afwijzing van Jezus. Als misdadigers ontvluchten zij het licht, omdat zij het niet verdragen dat hun ongeloof en verzet aan het licht komen. Het licht van Jezus is ontdekkend licht (20-21). Tegenover deze negatieve reactie staat het positieve: wie de waarheid doet (21): dwz. wie leeft uit de waarheid die in Christus verschenen is. Die behoeft het licht niet te vrezen. In God: God is de eigenlijke Bewerker en de grond. Jezus’ komst heeft een schiftende uitwerking. Dat sluit overigens het laatste oordeel niet uit (vgl. 5:27-29). Zoals het leven een presente en toekomstige realiteit is, zo is het ook met de donkere tegenkant van het gericht.
Jezus en Johannes de Doper 3:22-36
Doopte (22): door middel van zijn discipelen, vgl. 4:2. Te Enon bij Salim (23): de geografische ligging is onzeker. Vermoedelijk in Judea, tegenover Perea. Nog niet in de gevangenis (24): het dopen door Jezus’ leerlingen vindt plaats gelijktijdig met het werken van Johannes de Doper. Terwijl de Synoptici het begin van Jezus’ werk in het openbaar stellen in Galilea na de gevangenname van de Doper, vertelt Johannes van een werkzaamheid van Jezus in Judea, nog voor Johannes’ arrestatie. Geschil (25): leerlingen van de Doper raken in debat met een Ju-deeër die wellicht Jezus’ doop had ontvangen. Had hij van Jezus geleerd dat verplichte reinigingsbaden niet reinigden? Dan zou het dispuut over de vraag kunnen gaan: wie heeft nu gelijk? Zij kwamen tot Johannes (26): als partijgangers nemen zij het op voor hun meester. Ze zijn bang dat Jezus onder hun duiven schiet en dat dat ten koste zal gaan van Johannes’ aanhang. Allen gaan tot Hem: zouden zij Johannes’ prediking verstaan hebben, dan zouden zij zich daarover juist moeten verheugen, want Johannes heeft juist van zichzelf afgewezen en Jezus aangewezen als degene die het heil is en brengt (1:29). In het ‘allen’ schuilt ook iets van de overdrijving als gevolg van hun ergernis. Geen mens… gegeven zijn: een mens ontvangt niet meer dan wat God voor hem heeft weggelegd. Deze regel is zowel op Johannes als op Jezus van toepassing. Ontvangt Jezus meer dan is Hij klaarblijkelijk ook de Meerdere (vgl. 1:15, 33). Voor Johannes’ latere lezers bevat dit gedeelte een afwijzing van de pretenties van de sekte van de Johannes-jongeren. Voor Hem uitgezonden (28): de Doper is de bode en wegbereider van Jezus. Daarom cijfert hij zichzelf weg. Zijn volgelingen hadden dat van Hem vernomen (vgl. 1:19 w). De vriend van de bruidegom (29): de ‘paranymf’ kon al ingeschakeld worden op de dag van de verloving/ondertrouw. Op de trouwdag bracht hij de bruid tot de bruidegom. Was dat gebeurd, dan was zijn taak vervuld en kon hij terugtreden. Ook Paulus vergelijkt zich in 2 Kor. 11: 23 met de paranymf. De gemeente is de bruid van de Messias, de bruidegom (vgl. voor de oudtestamentische achtergrond oa. Hos. 2:19). Blijdschap: een echte vriend verheugt zich over de ontmoeting van bruidegom en bruid. Die vreugde staat wel in scherpe tegenstelling tot de gevoelens van jaloezie en naijver waar Johannes’ leerlingen blijk van geven. De boeteprediker Johannes verheugt zich over het feit dat Jezus volgelingen krijgt. Wassen – minder worden (30): Johannes kan en moet naar Gods raadsplan terugtreden. Zijn heilshistorische positie is die van voorloper. Het gaat om de Messias. Vgl. 1:6-8.
Die van boven komt (31). in verbinding met het voorgaande wijst dit woord nogmaals op de grootheid van Christus die die van Johannes te boven gaat. Echter degelijkenis met vs 13 doet vermoeden, dat de evangelist aanknoopt bij het gesprek met Nikodemus.Uit de aarde: dat wijst op de oorsprong, de afkomst. Jezus komt van Godswege tot mensen die uit en op de aarde zijn, vgl. Gen. 2:7. Hij is boven allen: hij is Godegelijk in zijn relatie tot de wereld, ja Hij is een met de Vader. Neemt niemand aan (32). vgl. 1:11. De aard van de getuige en zijn^ woord stempelen dit ‘niet aannemen’ als schuldig ongeloof. Daar tegenover bezegelt (33) degene die gelooft de trouw en de waarachtigheid van God en zijn openbaring, dwz. hij bevestigt het. Vs 34 zet de gedachtengang voort van de grootheid van Hem, die van boven komt. Jezus is door God gezonden, vgl. 20:21. Hij spreekt en handelt met goddelijke autoriteit. Hij geeft de Geest (34): sommige mss voegen in ‘God, de Vader’. De Messias is door God met de Geest vervuld en dat niet met mate. Wat van David geldt (1 Sam. 16.13) geldt in vollere zin van de Zoon van David. De grond voor dit alles is de liefde van de Vader voor zijn Zoon. Hem heeft de Vader alles in handen gegeven: nl. alle macht en heerschappij over het geschapene, vgl. Joh. 1:1 w; 17:2; Ef. 1:20 w; Mat. 28: 18. Ook ligt er in opgesloten dat Jezus als heilbrenger en rechter, in zijn woord en werk alles van de Vader ontvangen heeft, wat God mensen wil geven. Daarom komt alles aan op de geloofsbeslissing ten opzichte van de Zoon. De Zoon (36): hier klinken alle momenten mee die in vss 31-35 naar voren kwamen. Eeuwig leven: zie bij vs 15-16. Ongeloof is ongehoorzaamheid, niet willen horen naar Hem die ons God openbaart. De toorn Gods duidt het goddelijk strafgericht aan. Wie in ongeloof zich blijft verzetten, vervalt definitief aan dit gericht (vgl.blijft op hem).
Het gesprek met de samaritaanse vrouw 4:1-42
Was in het voorgaande hoofdstuk de ontmoeting van Jezus met een vertegenwoordiger van het rechtzinnige Jodendom aan de orde, hoofdstuk 4 verhaalt de ontmoeting met een samaritaanse, vertegenwoordigster van een godsdienstige gemeenschap die door de vrome Joden als andersdenkenden beschouwd werden (vgl. vss 9, 22). In het wijder verband van het vierde Evangelie beschrijft de evangelist een climax in de geloofsreacties op Jezus. In Jeruzalem is sprake van wondergeloof (2:23-25) en misverstand (3:4 vv), in Samaria ontstaat geloof in Jezus’ woord (4:29) dat uitgroeit tot een overtuigde belijdenis (4:42) en culmineert in het geloof van de hoveling (vs 50). Johannes tekent een bepaalde reisroute van Jeruzalem over Samaria naar Galilea. Er is behoudens enkele uitzonderingen (2:1 w) een overeenkomst met de gang van de evangelieverkondiging zoals Lucas die in het boek Handelingen beschrijft. De ontmoeting van Jezus met de Samaritanen (vgl. vooral de vss 35 w) anticipeert op de zending onder de Samaritanen door de Hellenisten, de kring rond Filippus, in Handelingen 8. De tijd van Jezus en de tijd van de gemeente zijn met elkaar verbonden. Levend water 4:1-15
Toen… dat de Farizeeën gehoord hadden (1): de leiders van het volk die al eerder een onderzoek ingesteld hadden naar de activiteiten van de Doper (1:19 v), hebben gehoord van de groeiende aanhang van Jezus. Dat heeft kennelijk hun achterdocht opgewekt. Jezus vermijdt een conflict. Zijn uur is nog niet gekomen. Hij wijkt uit naar
Galilea. Niet zelf doopte (2): zie 3:22. Weder: vgl. 1:43; 2:12. Hij moest door Samaria gaan (4): reizigers die de kortste weg prefereerden om Galilea te bereiken moesten door het gebied van de Samaritanen reizen. Verschillende exegeten vatten het ‘moest’ in deze zin op. Maar in het licht van 2:4 en 3:14 dienen we toch ook te denken aan het feit dat Jezus in zijn werken gehoorzaamt aan Gods leiding (vgl. vs 34). Gods heilsplan beoogt ook de redding van de Samaritanen. In een stad… genaamd Sichar (5): bedoeld is een dorp aan de voet van de Ebal, op de plek van het tegenwoordige dorp Askar, ongeveer een half uur van Nabloes verwijderd. Dicht bij het veld: zie hierover Gen. 33:19, de koop van een stuk grond van de zonen van Hemor, vgl. Gen. 48:22 en Joz. 24:32. De bron van Jakob: deze put ligt bij een wegsplitsing, ongeveer 1Vi km van Askar verwijderd. Dat de vrouw zich zo ver van huis begeeft om water te putten, terwijl in de buurt van Sichar ook andere putten zijn, is opvallend. De evangelist vermeldt de reden niet. Vs 16 doet vermoeden dat zij uitgestoten was door haar dorpsgenoten. De watervoorziening was in het oude Oosten met zijn langdurige perioden van droogte een zeer belangrijke zaak. Naast in de rotsbodem uitgegraven waterbakken of cisternen, waarin het regenwater opgevangen en bewaard werd, kende men gegraven putten van waaruit men het grondwater ophaalde. Soms moest men diep graven om bij de watervoerende laag te komen. De Jakobsbron was diep. Dit uit bronnen opborrelende water (‘levend water’) werd vanwege de zuiverheid en drinkbaarheid zeer op prijs gesteld als een gave van de hemel. Vermoeid van de tocht (6): Jezus is echt mens geweest, die honger en dorst kende. Vs 34 is daarmee niet in tegenspraak. Het zesde uur: dwz. 12 uur in de middag, op het heetst van de dag. Normaliter was men dan niet onderweg. Vrouwen gingen water putten in de morgen of tegen de avond. Dat de vrouw op dit ongebruikelijke tijdstip bij de put komt, heeft kennelijk te maken met het feit dat ze om haar levenswijze door de dorpsgemeenschap gemeden werd. Joden gaan niet om met Samaritanen (9): de samaritaanse vrouw is hoogst verbaasd dat deze vreemdeling die ze als Jood herkent, haar om water vraagt. De evangelist voegt er de verklaring bij: Joden en Samaritanen meden contact met elkaar zoveel mogelijk. Vooral sinds Johannes Hyrkanus (135-104 v.Chr.) die de tempel op de Gerizim verwoest had, was de verhouding zeer gespannen, wat tot uiting kwam in wederzijdse uitingen van agressiviteit. Zie bij Luc. 9:51 vv; 10:25 w. Gaan om met: lett. hetzelfde voorwerp, i.e. drinkgerei gebruiken. De gave Gods (10): evenals in 3:3 antwoordt Jezus met een woord, waarin iets zichtbaar wordt van zichzelf en het heil dat in Hem gegeven wordt. Voor de rabbijnen is de tora Gods gave, in het N.T. worden de Geest (Hand. 2:38), de gerechtigheid (Rom. 5:17) en de genade (Ef. 3:7) als gaven Gods aangewezen. Hier wordt het heil als eeuwig leven aangeduid. En wie het is: de gave staat niet los van de Gever, Jezus zelf. Water symboliseert in het bijbels spraakgebruik reiniging, lessing van de dorst, bevruchting, wederopleving (vgl. Jer. 2:13; Ps. 36:9; Jes. 55:1-3). De kennis van Jezus betekent leven. Vgl. 17:3. Vs 11 onthult het misverstand van de vrouw (vgl. 3:4). Hoe zou de Vreemdeling die ze eerbiedig aanspreekt als kurie (= heer, mijnheer) in staat zijnzonder emmer het bronwater te bemachtigen? Deze joodse vreemdeling is toch niet groter dan de graver van de put, vader Jakob. In het ‘onze’ klinkt iets door van de samaritaanse hoogachting voor de aartsvader. Hoe komt Gij: beter de SV: ‘vanwaar’. De vraag naar de oorsprong van Jezus wordt doorlopend in het ev. gesteld (2:9; 3:8; 7:27; 8:14; 9:29; 19:9). Een ieder… wie gedronken heeft (14): het water uit de Jakobsbron lest de dorst niet definitief. Het levende water dat Christus geeft stilt de le-vensdorst, schenkt verzadiging met overvloed en wordt in de mens tot een bron van leven (vgl. Jes. 12:3; 55:1; Ez. 47:1 w; Zach. 13.T; Ps. 36:10; Op. 22:17). Zie ook Joh. 7:37-39. De vss 27-42 illustreren, hoe dit water in de vrouw tot een fontein wordt ten behoeve van haar plaatsgenoten. Geef mij dit water (15): nog peilt de vrouw de diepte van Jezus’ woord niet. Ze denkt aan een superieure gave die haar de dagelijkse tocht naar de Jakobsbron zou besparen. Toch vraagt ze om Zijn gave.
Aanbidding in Geest en waarheid 4:16-26
Ga heen, roep uw man (16): met deze vraag dringt Jezus door tot haar persoonlijke levensomstandigheden. Ik heb geen man (17): Jezus kent haar levenswijze, vgl. Joh. 1:48; 2:24. Het verweer van de vrouw wordt voor Hem de aanleiding haar te laten merken dat Hij haar kent en doorgrondt. In het licht van Christus baten geen vluchtwegen. Vijfmannen (18): een vrouw mocht naar joodse opvatting twee of hooguit drie maal trouwen. De samaritaanse leeft op zondige wijze met de zesde samen. Haar privé-leven wordt als schuld blootgelegd. En tegelijk is het de weg waarin Jezus zich als Redder van het verlorene zal openbaren. Een profeet: wie zo als vreemdeling op de hoogte is van iemands levenswijze moet wel begiftigd zijn met profetische gaven. Het inzicht dat ze met een profeet te maken heeft wordt aanleiding voor de vrouw tot een gesprek over de rechte plaats van eredienst. Is het een afleidingsmanoeuvre, waarmee de vrouw een al te persoonlijk gesprek zoekt te ontwijken? Of getuigt haar vraag van echte religieuze belangstelling. In elk geval, Jezus gaat op de vraag in. Deze berg (20): nl. de Gerizim. De Samaritanen erkennen alleen de vijf boeken van Mozes. Op grond van Deut. 27:4, dat zij lazen met een kleine correctie, hielden ze vast aan de berg Gerizim als plek van aanbidding. Deut. 12:5 wordt door hen niet op Jeruzalem betrokken. Het geschilpunt werd verhevigd door de verwoesting van de tempel op de Gerizim in 128 v.Chr. De ure komt (21): Jezus grijpt boven het dilemma uit. Het gaat niet om de plek van eredienst, maar om de God der aanbidding. Gij… wij (22): Jezus laat uitkomen, dat de Samaritanen ten onrechte Jeruzalem als plek van Godsopenbaring verwierpen. Het heil is uit de Joden: God heeft Israel verkoren als volk van de Messias (vgl. Ps. 14:7; Jes. 59:20). Maar zijn komst betekent dat God vanaf dat uur nog slechts op één plaats te vinden en te kennen is, nl. in Zijn Zoon. Wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien (14:9). De vraag is dan niet meer, waar, maar hoe men God aanbidden zal. De echte aanbidders zijn zij, die de Vader aanbidden in geest en in waarheid (vgl. Ps. 145:18). De woorden ‘geest’ en ‘waarheid’ moeten gelezen worden tegen een oudtestamentische achtergrond. Geest staat tegenover vlees (vgl. bv. Jes. 31:3). De openbaring van God in zijn kracht staat tegenover de mens in zijn zwakheid. Waarheid ziet op de trouw van God. Aanbidden in geest en waarheid is aanbidden waar God zich in zijn kracht openbaart en zijn trouw betoont aan zijn eigen Woord, dus in Christus. Deze eis vloeit voort uit het feit dat God geest is, dwz. zich in zijn kracht openbaart. De aanbidding van mensen is gebonden aan en geschiedt als antwoord op de daad van Gods openbaring. Er is geen ware aanbidding van God als Vader buiten Christus om. Op verborgen wijze spreekt Jezus over zichzelf en zijn werk. De vrouw heeft er iets van verstaan, want zij brengt de Messiasverwach-ting van de Samaritanen ter sprake. Ik weet, dat de Messias komt (25): de Samaritanen verwachten de Ta’eb = de terugkerende op grond van hun uitleg van Deut. 18:18, een vers dat in de samaritaanse bijbel aangesloten wordt aan de tien geboden. Tot de profetische functie van deze Ta’eb behoort zijn openbarende werkzaamheid: die zal ons alles verkondigen. Ik, die met u spreek, ben het (26): nu openbaart Jezus zich aan haar als Messias. Hij is de door Mozes beloofde. Het Tk ben’ herinnert aan Ex. 3:14 en de Tk-ben’-woorden uit het vierde ev. Het volle licht valt op zijn Persoon.
De Samaritaanse en de Samaritanen 4:27-42
Verbaasd (27): de teruggekeerde leerlingen zijn verbaasd, omdat Jezus’ gedrag – spreken met een vrouw -afweek van de gewoonte van die tijd. Rabbijnen spraken niet met vrouwen. Niemand: eerbied weerhoudt hen naar Jezus’ bedoeling te vragen. De vrouw… zei tot de mensen: vervuld van het grote nieuws vergeet de vrouw haar waterkruik en geeft ze door wat ze gehoord heeft aan haar plaatsgenoten. Komt mede (29): ze nodigt hen uit zichzelf te overtuigen. Vgl. Joh. 1:44-47. Zou deze niet de Christus zijn?: er ligt een climax opgesloten in de reacties van de vrouw: een Jood (9), heer (11), een profeet (19), en nu vragenderwijs: de Christus.
Rabbi, eet (31): wanneer Jezus geen notitie neemt van het meegebrachte voedsel en spreekt over een andere spijs, is er ook bij de leerlingen misverstand. Mijn spijze is… en zijn werk te volbrengen: de gehoorzaamheid aan Zijn Vader verzadigt Hem met vreugde, alsmede de volvoering van zijn heilswerk (vgl. 5:17, 30; 6:38; 10:18; 12: 40; 14:31; 17:4; 18:11; 19:28-30). Nog vier maanden (35): tussen het tijdstip van het zaaien en de oogst in midden april lagen doorgaans vier maanden. Maar hier is voor Jezus de oogsttijd al begonnen. Slaat uw ogen op: vgl. Jes. 49:18; 60:4. Wit om te oogsten: vgl. Mat. 9:37. De komst van de Samaritanen tot Jezus betekent het aanbreken van de oogst. Opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde (36): wat Arnos geprofeteerd had aangaande de heilstijd (Am. 9:13) gaat nu in vervulling. De een zaait, de ander maait (37): dat een zaaier vruchten zou plukken van zijn arbeid spreekt niet vanzelf. Er kan in vier maanden veel gebeuren: de boer die gezaaid heeft, kan sterven. De oogst kan mislukken. Vijanden kunnen het koren roven (vgl. Lev. 26:16; Richt. 6:11; Job 31:8). Een ander profiteert soms van wat mensen met moeite gedaan hebben. In het Koninkrijk van God bouwt de ene zendeling voort op het werk van anderen. Dat is de verrassing van het zendingswerk. Gearbeid (38): het werkwoord wordt in 1 Kor. 15:10; 1 Tess. 3:5 betrokken op de missionaire verkondiging. Ik heb u uitgezonden… temaaien… anderen… en gij: wat Jezus hier uitspreekt zal na Pinksteren in vervulling gaan in de arbeid van Filippus. Dan zullen de discipelen de vrucht van de arbeid van de Hellenisten mogen plukken. Geloofden velen om het woord der vrouw (39): haar getuigenis draagt vrucht in een aanvankelijk tot-geloof-komen, dat verdiept wordt doordat zij nader onderricht begeren. Hij bleef daar twee dagen (41): vgl. 1:38 w en 8:31. Wij zelf hebben Hem gehoord (42): het getuigenis van de vrouw vormt de brug tot de persoonlijke ontmoeting met Jezus zelf. Dat deze… de Heiland der wereld is: de Samaritanen belijden de Messias van Israel (vs 22!) als de Heiland der wereld. God zelf schenkt Zijn Zoon aan de wereld tot redding (3: 16 v; Mat. 1:21). In de antieke wereld werden oa. de keizers als wereldheilanden vereerd. Christenen belijden Jezus als de enige Heiland (Hand. 4:12): Vgl. 1 Joh. 4:14. De belijdenis van de Samaritanen getuigt van de universaliteit van het Evangelie en tevens van het exclusieve: alleen in Jezus is heil.
De zoon van de hoveling 4:43-54
Jezus keert terug naar Galilea. Een profeet is in zijn vaderland niet in ere (44): dit woord, dat blijkens het verband als motivering dient voor Jezus’ vertrek naar Galilea, is een uitlegkundige puzzel. Volgens Mat. 13:57; Mar. 6:4; Luc. 4:24 is Nazaret in Galilea Jezus vaderstad. Ook volgens Joh. 1:45, 6:42; 7:3, 45, 52; 18:5, 7 en 9:19 is Jezus afkomstig uit Galilea. Maar dat past slecht bij vs 43. Sommige uitleggers denken dat Jeruzalem bedoeld is als stad van David. De bedoeling zou dan zijn, dat Jezus naar Galilea uitwijkt, omdat Jeruzalem de Zoon van David niet aanneemt. Anderen vatten het vs op als een verklaring van de evangelist die wil duidelijk maken, dat Jezus ook in Galilea op tegenstand stuiten zal, vgl. Joh. 6. Weder te Kana (46): zie 2:1-11. De Galileeërs die de Pascha-tijd in Jeruzalem doorgebracht hadden en zo getuigen waren geweest van wat Jezus gedaan had, ontvingen Hem gastvrij. Maar het ware geloof vindt Jezus slechts bij een hoveling in Kafarnaüm (46): vermoedelijk iemand in dienst van Herodes Antipas. Johannes laat in het midden, of de beambte (Gr.:basilikos, dwz. de koninklijke) lid van de hofhouding of militair was. Het feit dat hij beschikte over slaven wijst op welstand en een voorname positie. De man, die wellicht via pelgrims gehoord heeft van Jezus’ tekenen, roept Jezus’ hulp in voor zijn zieke zoon die op sterven ligt. Er zijn overeenkomsten en verschillen met Mat. 8:5-13/Luc. 7: 1-10. Johannes vermeldt de gebeurtenis met het oog op de in 20:31 aangegeven doelstelling. Het teken wordt vermeldt om te laten zien dat Jezus de Messias is.
Indien gijlieden geen tekenen en wonderen ziet (48): in het algemeen richt Jezus zich tegen de Galileeërs en waarschuwt Hij voor een wondergeloof, dat zich vergaapt aan de sensatie van het mirakel. Vgl. 2:23. De beambte blijft aanhouden. Jezus’ antwoord is een beproeving van zijn geloof. Nu zal het er op aankomen of de hoveling genoeg heeft aan het woord van Christus: Ga heen, uw zoon leeft (50). Vgl. 1 Kon. 17:23. Vertrouwend op dit woord gaat de vader op weg naar zijn huis. Onderweg brengen slaven hem het bericht van de genezing van zijn kind. De koorts was geweken precies op het uur waarop Jezus gezegd had: uw zoon leeft. De hoveling komt tot geloof met heel zijn gezin, zijn huis (vgl. Hand. 16:31). Ook hier is een climax te bespeuren. Eerst is er het vragen om hulp in vertrouwen op de helpende macht. Dan is er het geloof in het woord van Jezus. Hierin is deze beambte het tegenbeeld van Tomas. Hij heeft aan het woord genoeg. Na de genezing komt het tot het geloof in de zin van Joh. 20:31, het geloof in Jezus als Degene die leven schept en schenkt. Als tweede teken (54): daarmee legt de evangelist de verbinding met het wijnwonder. In de tekenen van heil en hulp openbaart Jezus zijn goddelijke heerlijkheid.
Genezing en getuigenis in Jeruzalem 5:1-47
Met 5:1 begint een gedeelte dat doorloopt tot 12:50 en dat gekenmerkt wordt door de openbaring van Jezus in de tempelstad (met uitzondering van Joh. 6). Centraal staan in deze hoofdstukken de discussies rondom de vraag: wie is Jezus? Na het bericht over de genezing van de zieke (1-9) en de confrontatie met de joodse leiders (10-18), volgt in de vss 19-47 een redevoering waarin centraal staat de verhouding van de Zoon tot de Vader, waarin tot uiting komt dat Jezus in unieke zin als dé Zoon van God de met volmacht gezondene is. In de houding, die mensen innemen ten opzichte van Hem valt de beslissing over eeuwig leven of eeuwig verderf. Niemand kan de kracht van het getuigenis ontgaan of ontlopen.
De genezing van de achtendertigjarige zieke 5: 1-9a
Het is niet zeker welk feest er bedoeld is in de aanduiding een feest der Joden (1). Sommigen denken aan het Paasfeest, anderen aan het Loofhuttenfeest. Schaapspoort (2): deze reeds in Neh. 3:1 en 12:39 vermelde poort lag bij de oostelijke stadsmuur, ten Noorden van de tempel, in de buurt van de huidige Stefanuspoort. Een bad… Be-tesda: opgravingen bij de St. Anna-kerk hebben duidelijk gemaakt, dat het hier gaat om een dubbele vijver, die door vier zuilengangen omgeven was en door een vijfde van elkaar gescheiden was. De vijver bevatte een inter-metterende bron met geneeskrachtig water. De in de vertaling van het NBG tussen vierkante haken geplaatste woorden in de vss 3b-4 zijn een latere toevoeging, die de geneeskracht van het water zoekt te verklaren. De naam Betesda betekent: huis van barmhartigheid, en is vermoedelijk op grond van het genezingswonder gegeven, in plaats van de oorspronkelijke naam Betzata. Een menigte zieken (3): de opsomming tekent de onvoorstelbaar grote ellende in dit oord waar men wachtte op de beweging van het water en aangewezen was op de liefdadigheid van de voorbijgangers. Achten dertig jaar lang ziek (5): dit is geen symbolische aanduiding voor het volk Israel dat eenzelfde lange tijd in de woestijn rondzwierf zonder het beloofde land in te mogen gaan vanwege de ongelovige reactie op het bericht van de verspieders (Deut. 2:14). De vermelding van de duur van de ziekte (vgl. Mar. 5:25; Luc. 13:16) onderstreept het hopeloze van zijn situatie. Er is geen enkele reden te bedenken dat deze mens nog het ‘beloofde land’ van de gezondheid zal zien. Hem zag Jezus liggen (6): het initiatief gaat van Jezus uit die hem ziet en zijn situatie kent. Het antwoord van de zieke ‘Ik heb geen mens’ laat zien dat hij Jezus’ vraag gehoord heeft als een aanbod tot hulp. Maar er ishet misverstand (vgl. Joh. 4:10 vv) van de mens die Jezus ziet als een voorbijganger, die hem hooguit de helpende hand kan toesteken om zo snel mogelijk in het water te komen. Op het machtswoord van Jezus (8) dat de man gelovig beaamt vindt de genezing plaats (9).
Jezus, de genezene en de Joden 5:9b-18
De Joden (10). hier aanduiding van Jezus’ tegenstanders, nl. de leiders die zich geroepen wisten toe te zien op de handhaving van de wet en haar bepalingen, zie ook bij 7: 1. Het is sabbat (10): ze beschuldigen de genezene van schending van de sabbatsbepalingen. Het dragen van een matras gold als het dragen van een last en was als een vorm van arbeid verboden. Die mij gezond gemaakt heeft (11): daarmee wordt de aandacht gericht op Jezus. De nadruk op het ‘gezond gemaakt hebben’ (vs 11, 13, 14) accentueert het gewicht van Jezus’ daad. De genezene kent Jezus niet, totdat Jezus hem opzoekt in de tempel. Ontweken (13): Jezus wil geen huldiging door de massa (vgl. ook 6:15). Pas bij de intocht zal Hij als Messias en Koning begroet worden (12:12-19). Zondig niet meer (14): er wordt dus een verband gelegd tussen zijn ziekte en een zonde. Uit 9:2 blijkt dat we dit nooit mogen veralgemeniseren. Iets ergers: wellicht een zinspeling op het eeuwig verderf.
Nu de man achter de naam van zijn Weldoener gekomen is, begeeft hij zich naar de autoriteiten: wil hij hen overtuigen van het goed recht van de genezing op sabbat? Of wil hij zichzelf vrij pleiten van de aanklacht van sabbatsschending? De evangelist vermeldt het niet. Alle nadruk valt op het conflict tussen Jezus en de joodse leiders. Wat oorspronkelijk een teken van heil was wordt aanleiding tot een fel conflict. Jezus schond in hun ogen de sabbat (vs 16,18). Vervolgen (16): daarbij blijft het niet. Hun aanval impliceert dat zij Jezus willen doden. Want Jezus heeft niet alleen de sabbat gebroken, maar zich volgens hen ook schuldig gemaakt aan Godslastering (17-18).
Jezus handelen op sabbat betekent geen inbreuk op de wet, maar is teken van zijn relatie tot en afhankelijkheid van de Vader. Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook: hier spreekt Jezus uit, dat zijn werken de openbaring vormen van de werken van God. De genezing is teken van het levenscheppend heilswerk van God (vs 22). In het ‘Mijn Vader’ komt de unieke relatie van Jezus als de Zoon naar voren. Hij is één met de Vader in wezen en handelen. De tegenstanders beschouwden dit als Godslastering.
De Zoon en de Vader 5:19-30
Wat in vs 17 gezegd is, wordt in de vss 19 vv ontvouwd. Kan niets doen van zichzelf (19): het ‘van zichzelf’ wordt in 7:19, 11:51 van mensen gezegd. Tegenover menselijk handelen uit zichzelf dat in tegenstelling tot Gods’ wil staat, staat Jezus’ handelen in gehoorzaamheid aan de Vader. De Zoon voert de wil van de Vader uit en volgt de Vader na.
De Vader heeft de Zoon lief (20): de eenheid in handelen wordt gefundeerd in de liefde van de Vader voor de Zoon (vgl. 3:35; 10:17; 15:9; 17:24-26). Hier wordt voor ‘liefhebben’ een woord gebruikt, dat een zeer persoonlijke relatie van toegenegenheid van een vader jegens zijn kind aangeeft. Vgl. Spr. 8:30-31; Mat. 3:17. Toont: dat is aanwijzen en toewijzen. Grotere werken: niet alleen de genezing van een zieke, maar ook de opwekking van doden en het uitvoeren van het gericht. De werken wijzen Jezus’ levenwekkende macht aan en zijn rechterlijk handelen. Gelijk… doden opwekt (21): in het O.T. is JHWH de God, die doodt en doet herleven, vgl. 1 Sam. 2:6; 2 Kon. 5:7; Hos. 6:2; Ez. 37:1 w; Jes. 26:19; Dan. 12:2. De Zoon heeft dezelfde souvereiniteit en macht. Hij is Here over de macht van de dood. Wie Hij wil: dat is geen willekeur, maar wijst op zijn autoriteit. Het gehele oordeel… gegeven (22): de Vader oordeelt door het woord van de Zoon. Deze vss accentueren het Godegelijk-zijn van de Zoon. Daarom past de Zoon gelijke eer als de Vader. Gezonden (23): in de gezant eert men dan de Zender (vgl. 12:44 vv; 13:20). Zie Luc. 10:16. Op de achtergrond klinkt de gedachte door van het joodse denken over de boodschapper, de gezant, die zijn opdrachtgever vertegenwoordigt, zodat zijn woord diens woord is en die aan hem gehoorzaamheid verschuldigd is.
Voorwaar, voorwaar Ik zeg u (24): het gewicht van deze vss wordt geaccentueerd door het dubbele amen (vgl. 1: 51). De vss 24-26 spitsen toe wat in 21-23 gezegd is. In de ontmoeting met Jezus valt de beslissing-voor altijd. Jezus’ plechtige verklaring bevat ook een nodiging en een appèl om het leven te zoeken en te vinden in Hem. Hoort… gelooft: de samenhang van de werkwoorden wijst er op, dat horen hier zoveel betekent als gehoorzamen (vgl. 8:43, 47; 14:24). Niet in het oordeel: dwz. het veroordelend gericht. Uit de dood in het leven: er vindt ahw. een verwisseling van behuizing plaats, vgl. 1 Joh. 3: 14. Leven en dood zijn de twee domeinen, waartoe de mens behoren kan. Buiten God is de mens ook in dit tijdelijk leven aan de dood prijsgegeven. In Christus heeft hij nu al eeuwig leven. Vgl. Ef. 2:4, 5. De ure komt en is nu (25): vgl. Joh. 4:23. Zie ook 2 Kor. 6:2. Met Jezus’ komst is dit uur van het heil aangebroken. De doden: sommige denken aan lichamelijke opwekking uit de dood en menen dat dit woord vervuld is in de opwekking van Lazarus. In het licht van vs 24 is te denken aan geestelijk doden, die op het scheppend machtswoord van de Zoon opgewekt worden tot een nieuw leven, vgl. Rom. 4:17. De toekomst brengt de ontvouwing van wat in het heden geschiedt, in de beslissing voor of tegen Jezus. Vss 26-27a herhalen wat in 21-22 gezegd is. Er wordt nu aan toegevoegd: omdat Hij de Zoon des mensen ts (27). Zie voor de samenhang met het gericht Dan. 7:13; Mar. 14:62; Mar. 8:38; Luc. 12:8; Op. 14:14. Als de Zoon des mensen zal Christus eenmaal allen die in de graven zijn doen opstaan. Er is sprake, evenals in Dan. 12:2 van tweeërlei opstanding. Het goede… het kwade: ook in 2 Kor. 5:10; 2 Tim. 4.T; Op. 20:11-15 vinden we diezelfde scheiding. Het gericht wordt voltrokken naar de werken. Dat is geen tegenstelling tot het beslissend karakter van het geloof. Het levende geloof is er niet zonder de vrucht (vgl. Joh. 3:18-21). Graven (28): lett. grafkamers. In vs 30 wordt weer teruggegrepen op vs 19. Jezus volbrengt de wil van Zijn Vader. Zoeken de Joden Hem te doden, Hij zoekt de volbrenging van ‘s Vaders wil. Ongehoorzaamheid staat tegenover gehoorzaamheid. Rechtvaardig: De Zoon oordeelt immers zoals de Vader oordeelt. En God de Vader is de Rechtvaardige, wiens oordelen waarachtig zijn.
De getuigen van Jezus 5:31-47
Volgens het joodse recht, dat hier teruggaat op de regel van Deut. 19:15 is in een proces een enkelvoudig getuigenis niet rechtskrachtig. Er moeten er minstens twee of drie zijn. Vgl. Mat. 18:16; 2 Kor. 13:1; 1 Tim. 5:19. Is iemand alleen zijn eigen getuige, dan is dat verdacht. Jezus wijst die verdenking af. Hij is niet zijn eigen getuige. God getuigt voor Hem op drieërlei wijze door het getuigenis van Johannes de Doper (33-35), door Jezus’ werken (vs 36) en door de Schriften (vs 37-45).
Een ander (32): nl. de Vader. Ik weet: itt. tot het ongeloof van Jezus’ opponenten. Waar: dwz. bewijskrachtig, rechtsgeldig.
Tot Johannes gezonden (33). zie 1:19. Van de waarheid getuigd: vgl. 1:29. Van een mens: dat snijdt elke verheerlijking van de Doper af (vgl. 1:6; 3:29-30). Jezus’ getuigenis berust niet op de autoriteit van Johannes. Toch is diens getuigenis van relatieve waarde. Het is bedoeld als middel tot behoud van de Joden. Een lamp (35): dus niet het licht zelf, maar middel om het licht te verspreiden (1: 6-8). Een tijdlang hebben de mensen zich verheugd in het schijnsel van deze lamp. Willen verheugen: dwz. ze waren op Johannes gesteld. Maar de waardering was niet blijvend en leidde niet tot geloof in Jezus. Men keerde ook Johannes de rug toe. Wellicht bevat dit vs ook een aanwijzing dat de schrijver van het vierde evangelie heeft geweten van Johannes’ dood.
Hoger dan het getuigenis wat Johannes gaf is het getuigenis dat de werken (36), dwz. vooral de wonderen, die Jezus doet in opdracht van Zijn Vader, van Hem afleggen. De wonderen tonen aan, dat Hij van God gezonden is (vgl. Joh. 3:2). Deze werken wijzen heen naar het grote verlossingswerk dat Hij in zijn lijden en sterven volbrengen gaat.
De Vader… die heeft… getuigenis gegeven (37): nu komt het spreken van Jezus over het getuigen tot zijn climax. De Vader getuigt aangaande zijn Zoon in alles waarin het hoorbaar wordt: in de wonderen en werken van Jezus, in het getuigenis van Johannes en bij Jezus’ doop (1: 32-34) en in de Schriften, de openbaring van God aan Israel.Nooit zijn stem… of zijn gedaante: dat wijst heen naar de openbaring van God op de Sinai (Deut. 4:12). Maar Israel heeft in de diepe zin van het woord niet gehoord, ook al vernam het een stem. Ook het spreken Gods in het heden gaat bij hen het ene oor in en het andere uit: Gods woord is niet blijvend in hen (38), want ze geloven niet in Jezus, Gods gezant. Jezus’ wonderen worden niet herkend en verstaan als werken Gods. Gij onderzoekt de Schriften (39): kerkvaders, ook de Reformatoren (Luther en Calvijn), alsmede oude vertalingen en de SV vertalen het griekse woord als een bevel: ‘Onderzoekt de Schriften’. Maar het verband waarin deze woorden staan wijst in de richting van de vertaling zoals die door het NBG oa. gegeven wordt. Schriftgeleerden en Farizeeën onderzochten de heilige rollen. De studie van met name de tora nam een grote plaats in. Jezus constateert dat en Hij keurt dat ook niet af. Letterlijk betekent het griekse woord ‘nauwkeurig doorzoeken, napluizen, naspeuren’ (vgl. Rom. 8:27; 1 Kor. 2:10; 1 Petr. 1: 11). Gij meent daarin eeuwig leven te hebben: de tora bevat naar de opvatting van de schriftgeleerden het leven in zich als bron van heil. Maar het tragische is, dat zij niet verstaan dat de Schriften, wet en profeten, getuigen van Jezus als de Messias. Toch… niet tot Mij komen (40): Jezus geeft het eeuwige leven. Het ‘menen’ van vs 39 is een verkeerde mening hebben (vgl. Joh. 5:45; 11:13, 31; 13: 29; 16:2; 20:15). Hun studie van de Schriften brengt hen niet tot geloof in Jezus. Dat maakt hun ongeloof des te schrijnender (vgl. 2 Kor. 3:15-16).
Eer van mensen (41): Jezus snijdt de gedachte als zou het Hem om eigen eer gaan, om applaus van de kant van de mensen, bij de wortel af. In het vervolg van het ev. lezen we dat de Vader Hem zal verheerlijken (vgl. Joh. 17). De liefde Gods (44): dwz. de liefde tot God ontbrak. Dat demonstreren de tegenstanders van Jezus in hun afwijzing van Hem die in de naam van de Vader, dwz. in opdracht van de Vader, tot hen gekomen is.
Een ander… in zijn eigen naam… aannemen (43): hun gebrek aan liefde tot God treedt aan het licht in de houding die zij aannemen tegenover valse profeten en pseu-do-messiassen die op eigen gezag komen (vgl. Hand. 5: 36, 37). Gij die eer van elkaar behoeft (44): de oorzaak van hun ongeloof is het zoeken van eigen eer. Itt. wat in de joodse geloofsbelijdenis, het Sjema (Deut. 6:4), gevraagd wordt, zijn ze uit op eigen eer (vgl. Mat. 23:5-7; Mar. 12:38-40; Luc. 20:45-47). Met name de rabbi’s werden door hun leerlingen geëerd; deze eer was voor joods gevoelen een eerbewijs aan de tora. Eer, die van de enige God komt: vgl. 1 Sam. 2:30. Zie voor de uitdrukking ‘de enige God’, Rom. 16:27; 1 Tim. 1:16; 6:15. De uitdrukking gaat terug op het OT (zie bv. Jes. 37:20).
Uw aanklager is Mozes (45-47): Mozes getuigt van Christus. Oa. is te denken aan Deut. 18:15vv, in laatste instantie aan de tora als geheel. Mozes, de middelaar van het oude verbond (vgl. Ex. 32:32; Deut. 31:24-29) stond bij de Joden hoog in aanzien. Joden, door het Hellenisme beïnvloed, beschouwden hem als de geniale mens, vader van alle wetenschappen, op wie zelfs de griekse filosofie stoelde. Palestijnse Joden eerden hem als de openbaringsmiddelaar bij uitstek, als de goddelijke profeet, als de voorspreker en parakleet. Maar doordat Jezus’ tegenstanders het getuigenis van Mozes aangaande Hem verwerpen zal Mozes in het gericht hun aanklager zijn. Hoe zult gij… geloven?: als ze een erkende autoriteit als Mozes al afwijzen, hoe zullen ze zich dan toevertrouwen aan Jezus, wiens woorden en werken zij in twijfel trekken? Zij zullen dan zeker Hem afwijzen. Vgl. Luc. 16:31. In alle scherpte staat het conflict tussen Jezus en zijn ongelovige tijdgenoten voor ons.
Hemels Manna 6:1-71
In dit hoofdstuk gaat het om de zelfopenbaring van Jezus als het brood des levens. Het wonder van de spijziging (1-15) wordt als teken in zijn betekenis ontvouwd in de rede van Jezus (22-59). De vss 16-21, het bericht over het gaan van Jezus over het meer, is in de weergave in het vierde ev. dienstbaar aan de zelfopenbaring van Jezus als het hemels Manna. Het Tk ben het’ wijst vooruit naar de woorden in de vss 35, 48, dit gedeelte openbaart Jezus zijn goddelijke hoogheid en zijn reddende nabijheid. Het teken van de spijziging vormt het hoogtepunt van Jezus werk in Galilea. Tegelijk is het ook het keerpunt. De zelfopenbaring van Jezus dringt tot geloof. Velen nemen er aanstoot aan. Ook in de kring van zijn volgelingen openbaart zich de crisis: heengaan of blijven (de belijdenis van Petrus). De geografische aanduiding in vs1 sluit aan bij het in 4:43 w vermelde verblijf in Galilea. Toch is er geen reden, zoals sommige exegeten doen, de volgorde van hoofdstuk 5 en 6 om te draaien. Johannes geeft een theologische samenhang. Hoofdstuk 5 eindigt met de verwijzing naar Mozes, die getuigde aangaande Jezus en die door de Joden niet geloofd wordt. In hoofdstuk 6 treffen we opnieuw de discussies aan over de relatie tussen Mozes en de Messias, terwijl de wonderbare spijziging in zekere zin doet denken aan het manna-wonder in de woestijn (Ex. 16).
De spijziging van de vijfduizend 6:1-15
Tiberias (1): stad aan de westkust van het meer van Galilea, gebouwd door Herodes Antipas in 26-27 n.Chr. als nieuwe hoofdstad in plaats van Sepphoris en genoemd naar zijn weldoener keizer Tiberius. Rechtzinnige Joden achtten de stad onrein, omdat bij de aanleg grafsteden waren verwoest, ln het N.T. wordt het meer 2x genoemd ‘zee van Tiberias’ (Joh. 6:1; 21:1). De stad had een gemengde bevolking en was een belangrijk centrum van de hellenistische cultuur. Tegen het einde van de 2e eeuw n.Chr. werd Tiberias centrum van joodse schriftgeleerdheid doordat er een beroemde rabbijnenschool gevestigd was. Een grote schare (2) volgt Jezus niet uit een oprecht geloof, maar uit sensatiezucht en eigenbelang vanwege de door hen geziene tekenen, vgl. vss 26, 30, 36. De berg (3): vgl. Mat. 14:23; Mar. 6:46. Mogelijk is er een reminiscentie aan Mozes, die op de Sinai vertoefde (Ex. 19:20 w). Jezus is meer dan Mozes. Pascha… nabij(4) : de herinnering aan de uittocht uit Egypte en de bevrijding uit slavernij wekte bij de Joden in de romeinse tijd van bezetting de nationale gevoelens op en wakkerde de hoop op de komende verlossing aan. Zie vss 15, 31. ln de messiaanse heilstijd zou de Messias evenals Mozes manna uit de hemel doen neerdalen. De ogen opsloeg(5) : zie 4:35. Er is hier, anders dan in 11:41 en 17:1, geen sprake van een gebedshouding. Opmerkelijk is, dat Johannes in onderscheid van de Synoptici geen melding maakt van het bevel aan de leerlingen om brood te kopen. Alle nadruk valt in zijn beschrijving op Jezus als schenker van het brood. Op de proef stellen (6): Jezus onderzoekt of Filippus vertrouwen heeft in Hem, vgl. 6: 67v; 11:1- vs 5 werd gevraagd: vanwaar zullen wij broden kopen. Maar de leerling doorziet het geheim van dit ‘vanwaar’ niet. Hij verstaat nog niet, dat het brood van Jezus zelf komt, ja dat Hij het levende brood is. Tweehonderd schellingen (7): een denarius of schelling is het loon, dat een arbeider op een dag verdiende (Mat. 20: 2).
Niet genoeg: daardoor komt de grootte van het wonder dat Jezus verricht nog des te sterker uit, zie vs 13. Andreas (8): zie Joh. 1:42-43. Een jongen (9): alleen Johannes vermeldt dit. Gerstebroden: dat was minder waardevol dan tarwebrood, soms werd het minachtend beschouwd als veevoer. Wellicht is er ook herinnering aan2 Kon. 4:42, waar sprake is van twintig gerstebroden. Dit wonder gaat dat van Elisa te boven.
Veel gras (10): Johannes laat de vermelding dat de mensen groepsgewijs moesten gaan zitten (Mar. 6:39 v) achterwege. Bij Johannes valt de nadruk niet op de woestijnreis en het legerkamp (de groepsgewijze indeling van het volk) maar op de heilstijd van het Pascha. Het ‘veel’ onderstreept het feestelijke en het overvloedige. De Herder weidt de kudde in grazige weiden (Ps. 23:2; Joh. 10:9 v). Nam… dankte… verdeelde (11): zoal/de huisvader bij een joodse maaltijd gewoon was. Johannes laat het breken van het brood achterwege. Voor ‘dankte’ bezigt de griekse tekst een woord dat samenhangt met het woord ‘eucharistie’ waarmee in de vroege kerk het gebed dat bij de Avondmaalsviering werd uitgesproken, werd aangeduid. Over een eventueel verband van Johannes 6 met de maaltijd des Heren zie bij de vss 51 w. De nadruk valt op het uitdelen: Jezus schenkt verzadiging (12). Opdat niets verloren ga: niet alleen ligt hierin opgesloten, dat men het brood als gave van God niet verspillen mag, maar mogelijk is er ook een zinspeling op het brood als de spijs die blijft tot in het eeuwig leven (6:27).
Deze is waarlijk de profeet (14): de schare ziet in Jezus de profeet, waarvan sprake is in Deut. 18:15-22. Vgl. Joh. 4:19,25 (ivm. de verwachting van de Samaritanen), ln de joodse toekomstverwachting werd de Messias als een tweede Mozes gezien. ‘Zoals de eerste verlosser (Mozes), zo de laatste verlosser (de Messias)’, luidde een bekend gezegde. Die in de wereld komen zou: vgl. Joh. 1:9; 3:19; 11:27; 12:46; 16:28 en 18:37. De Komende is een messiaanse titel (vgl. Ps. 118:26; Mat. 11:3; 23:29; Joh. 12: 13). Om Hem koning te maken:! Jezus onttrekt zich aan de schare. Zij blijken Hem niet te kennen, zien in Hem een nationale held, een messiaans bevrijder. Juist in Galilea, de bakermat van de beweging der Zeloten, kon een dergelijk nationalistisch-politiek streven gemakkelijk voedsel vinden. Maar Jezus’ koningschap is niet van deze wereld, vgl. Joh. 18:33-37 en 19:12-15. Geheel alleen: in de eenzaamheid met zijn Vader, vgl. Joh. 16:32. Door zich te onttrekken aan de schare, weerstaat Jezus de verzoeking een nationalistische Messias te worden.
Jezus gaande over het meer 6:16-21
Bij vergelijking van de johanneïsche versie van dit verhaal met de Synoptici (Mat. 14:22-33; Mar. 6:45-52) valt de soberheid op bij Johannes. Alles spitst zich toe op de openbaring van de majesteit van Jezus. Avond (16) …reeds donker (17): de duisternis staat als vijandige macht tegenover het licht. De leerlingen zijn in het donker (vgl. 1:5), ver van Jezus blootgesteld aan de aanval van vijandige machten: de zee werd onstuimig (18). Vijfentwintig of dertig stadiën: een stadië is ongeveer 25-30 stadiën is ruim . Zagen zij Jezus over de zee gaan (19): Jezus openbaart de macht Gods. Vgl. Job 9:8; Ps. 18:15 vv; 74:13 v; 89:10; Hab. 3:15. De vrees bij de jongeren van Jezus wordt overwonnen door de zelfopenbaring van Jezus: Ik ben het (vgl. de inleiding). In Jezus openbaart de God van Israel zich die de vrees wegneemt (vgl. Jes. 35:4; 40:9; 43:2, 10; 44:4, 6; 45:18, 21; 46:4; 48:17). Jezus openbaart de macht en de hulp van de HERE.
Het brood des levens 6:22-59
De volgende dag (22): we vinden deze uitdrukking vaker bij Johannes (oa. 1:29). Aan de andere zijde: dwz. de oostelijke oever waar het wonder van de brodenvermenigvuldiging geschied was. De schare: vgl. vs 2, 14. Zag: dat betekent hier zoveel als: ‘stelde bij zichzelf vast’. Men vindt Jezus niet aan het strand van het meer, terwijl men weet dat Hij ook niet met het ene scheepje -blijkbaar dat van zijn discipelen – is meegevaren. Een aantal mensen scheept zich in op andere scheepjes, wellicht vissersboten, om naar Kafarnaüm te varen. Toen zij Hem… vonden (25): nl. in de synagoge, vs 59. Rabbi (26): deze aanspraak getuigt van een zekere erkenning. In zijn antwoord legt Jezus de ware aard van hun zoeken bloot. Hun zoeken vloeit niet voort uit geloof maar uit zucht naar sensationele wonderen. Tekenen: die openbaren Jezus’ heerlijkheid als Zoon van God (vgl. 2:11). Maar daarom is het de schare niet begonnen. De massa zoekt alleen verzadiging door het brood. Het ware ‘zien’ is het gelovig aanschouwen van de christologische betekenis van de tekenen (vgl. 20:31). Werkt niet (27): dat wil uiteraard niet zeggen dat men op moet houden met de arbeid om het dagelijks brood. Het gaat in de tegenstelling om de houding tov. Jezus. Wat zoekt men in Hem? Tegenover het brood dat vergaat staat de spijs die blijft: Jezus, de Zoon des mensen, schenkt de verzadiging van het eeuwig leven. Dat is het thema wat het vervolg van dit hoofdstuk beheerst. In het gesprek met de schare vindt tweeërlei verheviging plaats. Enerzijds is er de voortgaande zelfopenbaring van Jezus die in de vss 55 w zijn climax bereikt en beantwoord wordt door de belijdenis van Petrus. Anderzijds is er escalatie van de vervreemding en de afwijzing van de kant van de mensen. De schare verdwijnt uit het gezichtsveld om plaats te maken voor de Joden, de leiders van het volk, felle tegenstanders van Jezus (vs 41, 52); tenslotte is er de afwijzing van de kant van velen die aanvankelijk zijn volgelingen waren (vs 60). Het gesprek verloopt in drie etappes: vs 26-35; 36-50; 51-59.
Zijn zegel gedrukt (27): een zegel dient om de echtheid en de bevoegdheid te bevestigen. Zoals een gezaghebbende instantie een document met zijn zegel autoriseert, zo heeft de Vader Jezus gemachtigd als Schenker van het ware leven. De volgorde is anders dan in de vertaling. Letterlijk vertaald staat er: want op Hem heeft de Vader zijn zegel gedrukt, God. Sommigen betrekken deze verzegeling op de doop van Jezus (vgl. 1:32-34). Het werk Gods (29): wanneer de mensen op Jezus’ woorden over het werken reageren, neemt Jezus het misverstand weg als zou het om werken der wet gaan. Het werk dat God vraagt is het geloof in Jezus, de Zoon van God, de gezondene. Maar een gezant moet zich, naar joods besef, kunnen legitimeren. Daarom vragen zij: wat voor teken doet Gij? (30): vgl. Mar. 8:11. Ook de Messias zou zich door wonderen legitimeren (vgl. 1 Kor. 1:22). Manna in de woestijn (31): zie Ex. 16. De gave van het manna in de tijd van Mozes werd beschouwd als een machtig teken. Brood uit de hemel geven (vgl. Ps. 78:24-25) is nog wat anders dan gewoon aards brood vermenigvuldigen. Met hun woorden zeggen ze eigenlijk: laat het manna regenen als ten tijde van de woestijnreis. Door een dergelijk wonder zou Jezus zich als Messias, als een tweede Mozes legitimeren; vgl. de opmerkingen bij vs 4. Niet Mozes… mijn Vader (32): Jezus corrigeert hun nationalistische verwachtingen. Niet Mozes, maar Zijn vader is de Gever. Het ware brood: de gave van het manna vindt zijn vervulling in de komst van Jezus, Gods levenschenkende gave. Geeft… neerdaalt… leven geeft… (32-33): de werkwoorden staan in de tegenwoordige tijd. Waar de Joden de messiaanse heilstijd in de toekomst verwachten, laat Jezus horen, dat in Hem de heilsbelofte in vervulling gaat. Het heil is een presente werkelijkheid. Geef ons (34). vgl. Joh. 4:15. Jezus openbaart zich als het ware brood des levens. Hij stilt van Godswege de levenshonger en dorst. Vgl. Jes. 48:21; 49:10; Op. 7:16 v. Nimmermeer (35): dat wijst op het volkomene van zijn heil. In dit Ik oen-woord ontvouwt Jezus de diepe zin van het teken van de spijziging. Hijzelf, in zijn Persoon en werk, is Gods gave aan de wereld. Tot Mij komt: het heil wordt ontvangen in de weg van het gelovig ingaan op Jezus’ uitnodiging. Maar de vervulling in Jezus betekent ook de crisis. Jezus’ hoorders hebben Hem wel gezien; ze waren getuige van zijn tekenen. Maar zij weigerden in Hem te geloven. Toch betekent dat niet de mislukking van Jezus’ werk. Achter Jezus staat de Vader. Het geloof is Zijn gave. De gelovigen zijn door de Vader aan de Zoon gegeven (vgl. 10:29; 17:2, 6-9, 24; 18:9). Geeft (37): nu, in het heden, geschiedt dit geven van God door het werk van Zijn Geest. Vs 37b laat zien dat elke gedachte aan een fatalistische verkiezingsleer afwezig is. Wie tot Jezus komt in geloof, mag delen in zijn gemeenschap. Jezus zelf staat garant voor hun behoud. Hij volvoert de wil en het heilsplan van Zijn Vader. Dat is voor Johannes’ lezers die weten van de dreigende uitbanning door de synagoge (16:2) een geweldige troost. Niet uitwerpen wil zeggen: niet uitsluiten van het heil door het veroordelend gericht (vgl. Mat. 8:12). Ten jongste dage (40): de dag waarop de graven opengaan en de doden opgewekt worden. Dat betekent de voleindiging van het heil dat in Jezus hier en nu in beginsel geschonken is.
Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef (42): de ergernis van de kant van Jezus’ tegenstanders uit zich in gemor (vgl. Ex. 16:2; 17:3). Ze verschillen in niets van het volk dat tegen Mozes in opstand kwam en morde, ondanks hun beroep op de vaderen. Zij ergeren zich aan Jezus’ pretentie dat Hij uit de hemel zou zijn neergedaald. Men kent hem immers als de zoon van Jozef en Maria. Die afkomst staat voor hen in flagrante tegenstelling tot Jezus’ woorden uit de hemel.
De vss 44-46 geven Jezus’ antwoord op hun gemopper, waarin ze onder elkaar (43) hun ergernis uiten. Niet de aardse relaties waarin de Galileeërs Hem kennen, zijn van beslissende betekenis, maar de relatie tot de Vader. Dat ziet men niet door redeneren, maar in de weg van het geloof als gave van de Vader. Tenij de Vader… hem trekke: vgl. Joh. 12:32. In ‘trekken’ zit de gedachte dat weerstanden overwonnen moeten worden. De Vader trekt mensen, zoals Israel in de woestijn door de HERE met koorden van liefde getrokken is (Hos. 11:4). In dit trekkend werk van de Vader gaat het profetisch woord uit Jes. 54:13 v en Jer. 31:31- vervulling. De messiaanse heilstijd, met Jezus’ komst aangebroken, kenmerkt zich door het feit dat allen die in Jezus geloven de HERE als Leermeester hebben. Dit leren staat niet los van het horen naar de Vader via de Zoon, want Hij alleen heeft de Vader gezien, omdat Hij van de Vader komt (6:46) en Zijn Naam openbaart.
Voorwaar, voorwaar (47): na de weerlegging van de bezwaren van de kant van zijn hoorders, volgt opnieuw in aansluiting aan de vss 35 en 40 een dringend appèl, ingeleid door de plechtige verzekering van het ‘amen, amen’ (vgl. 1:51; 5:24; 6:26 enz.). Wie gelooft, heeft eeuwig leven: in de kortheid van de bewoordingen wordt de nodiging van vs 35 aangescherpt. Ook de vss 48-51 vormen niet alleen een herhaling, maar ook versterking van vs 35a. Opnieuw zegt Jezus met grote nadruk: Ik, en niemand anders, ben het brood des levens. Uw vaderen: Jezus stelt zich tegenover zijn gesprekspartners (vgl. het trotse ‘onze vaderen’ in vs 31). In tegenstelling tot het manna dat de Israëlieten in de woestijn ontvingen en dat alleen het tijdelijk bestaan onderhield, geeft Jezus eeuwig leven. Niet het manna is het ware brood, Hijzelf is het levende brood (51), dat uit de hemel is nedergedaald: vgl. vs 33. De woorden hebben betrekking op de vleeswording van het Woord, de geboorte van Jezus in Bethlehem.
Indien… eet (51): het ‘komen tot Jezus’ (vs 35) wordt in dit vs en de volgende vss aangeduid als eten en drinken. Geloven leidt tot een in zich opnemen van Jezus, van het leven dat Hij geeft; het duidt op een innige gemeenschap. Het ware leven is geen vanzelfsprekendheid. Wij ontvangen het door een nieuwe geboorte (3:3), in het geloof, in de gemeenschap met Jezus. Deze innige gemeenschap heeft alles te maken met het offer dat Jezus brengt. En het brood… mijn vlees: vlees is de aanduiding voor het vergankelijke en sterfelijke bestaan (vgl. Jes. 40:6; Joh. 1:14). Jezus vernedert zich tot in zijn zelfovergave in de dood. Vgl. Mar. 14:24. Joh. 10:11 w; 12:24. Voor: ten behoeve van. De doodsweg van Jezus is voor de wereld de weg van het leven. Vgl. 1:29; 3:16. Hoe… te eten geven (52): het gemor van de Joden loopt uit op een onderlinge woordenstrijd. Men vat Jezus’ woorden letterlijk op, weer een voorbeeld van het in het Joh. ev. zo vaak voorkomende misverstand bij de mensen (vgl.3:4; 4:11). Vlees eet… bloed drinkt (53): ook hier is sprake van Jezus’ dood als offer voor onze zonden. Hij is het ware Paaslam (1:29; vgl. 6:4). Het vergoten bloed wijst op de verzoening door zijn sterven voor ons. De Zoon des mensen is de lijdende Knecht des Heren (vgl. Jes. 53:10 vv). Eet… drinkt: om de gave van het leven te ontvangen is nodig dat we deze verzoening ons toeëigenen door het geloof. Mijn vlees… mijn bloed: Jezus zelf in de heilsbetekenis van zijn lijden en sterven voor ons is Gods gave ten eeuwige leven. Blijft in Mij en Ik in hem: door het geloof in hem is er blijvende gemeenschap (vgl. 15:4 w). Gelijk de levende Vader… leven door Mij (57): Jezus is de Middelaar tussen de Vader als bron van het leven en de ontvangers van dit leven. De uitdrukking ‘de levende Vader’ komt alleen hier voor; wel spreken zowel O.T. als N.T. op vele plaatsen over de levende God (vgl. bv. 2 Kon. 19:4, 16; Mat. 16:16; 1 Tim. 3:15). Zie ook Ps. 36: 10. ‘Gelijk’ duidt niet alleen een vergelijking aan, maar wil ook zeggen ‘omdat’. Omdat de Zoon als de gezondene leeft door de Vader en dankzij Deze, leven de gelovigen door de Zoon (vgl. 5:26). De vss 51-58 herinneren in meer dan een opzicht aan de berichten over de instelling van het Avondmaal (vgl. Mat. 26:26-28 par.; 1 Kor. 11: 23-26). Johannes vermeldt deze instelling niet. Maar deze verzen die in eerste instantie spreken over Jezus’ zelfovergave in de kruisdood, hebben mede betrekking op de gaven van brood en wijn in het Avondmaal als tekenen en zegelen van Zijn verbroken lichaam en vergoten bloed. De lezers voor wie Johannes zijn evangelie schreef, worden in sterke bewoordingen gewezen op de betekenis van de maaltijd des Heren en de deelname daaraan door te eten en te drinken in het geloof.
Weggaan of blijven 6:60-71
Aan het begin van dit hoofdstuk horen we van de duizenden die zich om Jezus verdringen, aan het eind vindt de scheiding der geesten plaats. Discipelen (60): hier in de ruimere zin van mensen die Jezus uit allerlei beweegredenen gevolgd waren. Hard: dwz. de uiteenzetting is te scherp. Men stoot er zich aan, zoals aan een puntig, hard stuk steen. Aanstoot (61): dwz. hindernis, struikelblok, waarover men struikelen en vallen kan tot zijn verderf, vgl. Jes. 8.14; 1 Kor. 1:23 v; 1 Petr. 2:7, 8. Letterlijk betekent ‘skandalon’, het zelfstandig naamwoord dat verband heeft met het hier gebezigde griekse ww.: het pinnetje van de vogelklem, valstrik. Wat dan? Indien gij… zaagt opvaren (62): de woorden ‘wat dan’ ontbreken in de griekse tekst. De vertaling van het NBG reikt als verklaring van dit vs aan: als deze woorden over de vernedering van de Zoon des mensen u al zo ergeren, wat zou het u dan nog veel meer aanstoot geven als u Mij ten hemel zou zien varen! Andere uitleggers zijn van oordeel dat Jezus juist zou zinspelen op het einde van de ergernis: als u Mij in Mijn verhoging zou zien, zou uw ergernis dan niet ophouden! In ieder geval is duidelijk dat Jezus wil waarschuwen voor een volharden in het ongeloof. Jezus’ vernedering en verhoging zijn voor het ongeloof een reden tot aanstoot. Alleen in het geloof wordt de ergernis overwonnen, vgl. 14:19. De Geest: (63): alleen de Geest, waarvan Jezus’ woorden doordrenkt zijn, kan de mens tot leven wekken. Vlees: sommigen betrekken dit op de mens, die vlees is en geven als verklaring: ‘de mens met zijn natuurlijke vermogens kan dit niet inzien’. Gezien de context is het voor de hand liggender te denken aan het vlees van Jezus, waarvan sprake is in de vss 51 w. Alleen de Geest wekt door het woord het geloof. Het gaat in het Avondmaal om een eten en drinken met de mond van het geloof door de werking van de Geest. De woorden bevatten een waarschuwing tegen iedere vorm van sacramentalisme. Die niet geloven (64): het ongeloof overvalt Jezus niet. Hij kent de harten van de mensen (vgl. 2:23 vv). Die Hem verraden zou: Johannes trekt de lijn door tot aan de lijdensgeschiedenis. Jezus heeft zich ook door de keus van Judas niet vergist. Het verraad van deze discipel is geen argument dat men aan kan voeren tegen Jezus als Messias en Zoon van God, die alle dingen weet. Daarom (65): vgl. vs 37, 44. Geloof is nodig. Maar dit geloven is geen vrije, menselijke beslissing maar genadegave. Keerden… terug: ook in Galilea komt het tot de crisis, vgl. Luc. 2:32; Joh. 3:19. Velen wenden zich van Jezus af.
Gij wilt toch ook niet weggaan (67): met deze vraag wendt Jezus zich tot de groep van de twaalven. De evangelist veronderstelt hun roeping en verkiezing als bekend. Slechts van vijf wordt die roeping in Joh. 1:35 vv verteld. De vraag dringt tot zelfonderzoek. Er wordt een ontkennend antwoord verwacht. Maar de vraag is zo gesteld dat iedere gedachte aan dwang wordt uitgesloten.
Jezus houdt niemand tegen. Hij stelt hen voor de keus, doet een appèl op hun geloof en liefde.Simon Petrus (68): evenals in Mat. 16:16 en in het boek Handelingen is Petrus woordvoerder namens de anderen. Vgl. het ‘wij’ in vs 68-69 en het ‘hun’ in vs 70. Woorden van eeuwig leven: vgl. vs 63. Buiten Jezus is een mens vervallen aan de hopeloosheid van de dood. Wij (69): dat wordt in het grieks met nadruk aangegeven: er ligt een tegenstelling in tot de velen die heengingen. Geloofd en erkend: de kennis is geloofskennis; het vertrouwen wordt door dit kennen in de zin van verbonden-zijn met Jezus gedragen, en voert tot belijden. De Heilige Gods: vgl. Mar. 1:24; Luc. 4:34. In het O.T. wordt Aäron de heilige des Heren genoemd (Ps. 106:16; vgl. Ex. 28:29, 36), dwz. apart gezet voor de bijzondere taak God te vertegenwoordigen bij de mensen en het volk bij God. Jezus is als Messias apart gezet om profetisch (zijn woorden) en priesterlijk de dienst te verrichten die zijn Vader Hem opdraagt (vgl. Joh. 17:11,19). Tegenover het gemopper van het volken hun ergernis wordt de bijzondere dienst van het offer van Jezus als de priester-koning onderstreept. U twaalven (70): niemand heeft tegen Judas achterdocht opgevat. Alleen Jezus zelf doorziet hem. Zijn woorden bevatten een waarschuwing voor Judas.Simon Iskariot (71): alleen Johannes geeft ons de naam van Judas’ vader, afkomstig uit Kariot, een stad in het gebied van Juda, ten Z. van Hebron.Een uit de twaalven: de verrader komt uit de kring van de intimi. Tegelijk geeft het de scherpe tegenstelling aan tussen ambt en persoonlijk gedrag. Maar ondanks deze schaduw van satanisch verraad en uitstoting tot in de kruisdood die zich reeds aftekenen in de afwijzing door de massa, blijft het licht schijnen: Jezus is de Heilige Gods!
Jezus op het Loofhuttenfeest 7:1-8:59
In de hoofdstukken 7 t/m 10 is Jezus in gesprek met de Joden. Er heerst een geladen sfeer. De gangbare joodse messiasverwachting botst op de zelfopenbaring vati Jezus. Tegelijk is er van Jezus’ kant ook verberging. De gesprekken cirkelen om de vraag: wie is Jezus? ln vele opzichten dragen ze het karakter van twistgesprekken. Er ontstaat verdeeldheid, die in vele gevallen tot afwijzing leidt. Het kruis komt in zicht (vgl. bv. 8:59). Binnen deze hoofdstukken vormt Johannes 7-8 een kleinere eenheid. Johannes 7 speelt zich af op het Loofhuttenfeest en vindt zijn voortzetting in Johannes 8. Daar bereiken de gesprekken een climax, uitlopend in een poging Jezus te stenigen.
Jezus en zijn broers 7:1-9
Trok rond in Galilea (1): lett. ‘wandelen’ (vgl. 8.12). De werkwoordsvorm geeft aan, dat Jezus zich enige tijd in Galilea ophield. Hij wil niet naar Jeruzalem vanwege de vijandschap van de Joden (2): hier niet in neutrale zin (zoals in 6:4; 7:2; vgl. 4:22), maar in de negatieve zin van vijandige, ongelovige Joden (evenals bv. in 5:10). De Joden representeren in het bijzonder de ongelovige wereld (vgl. 1:10-12). Vergelijking van 7:1 met 7:32, 45 wijst uit, dat in vele gevallen vooral de leiders van het volk, overpriesters en Farizeeën, bedoeld zijn. Zij worden ook in Joh. 7 onderscheiden van de schare, bij wie velen sympathiek staan tegenover Jezus. Het gaat te ver hier te spreken van anti-judaïsme. Ook uit de Joden komen er tot geloof (vgl. 1:12; 19:39).
Loofhutten (2): van de drie grote feesten is dit feest, dat in Ex. 23:16 ‘feest van de inzameling’ genoemd wordt, het uitbundigste. In 1 Kon. 8:2 bv. is kortweg sprake van ‘het feest’ (vgl. Joh. 7:37). Het feest had tweeërlei betekenis: nl. dankfeest voor de oogst, vooral de wijnoogst, en herinnering aan de woestijntocht en de genadige bewaring van het volk door de HERE. Het feest werd in de herfst gevierd en duurde 7-8 dagen (in 7:37 is de achtste dag bedoeld). Het volk woonde in hutjes gemaakt van takken, van palmen, mirten en beekwilgen, ln Neh. 8 wordt de dagelijkse voorlezing van de tora aan het feest verbonden. Ook in later tijd onderging het feest allerlei uitbreiding. Van de takken, waarmee de hut gemaakt werd, werd een ruiker, de Mab, gemaakt, die men in de linkerhand hield om er mee te zwaaien als vreugdebetoon, terwijl men in de andere hand een citroenachtige vrucht, de etrog, meedroeg. Gedurende het feest schepte een priester 7 dagen een kan water uit de Siloam-vijver. Met de wijn van het offer vermengd werd dit water over het altaar uitgegoten (als een herinnering aan Ex. 17:6). In deze rite school een bede om regen. Men citeerde Jes. 12:3. Dit alles ging met grote vreugde gepaard. Een rabbijns gezegde luidde: wie de vreugde bij de waterprocessie niet heeft meegemaakt, die heeft in zijn leven nog nooit vreugde gezien. Vooral deze waterprocessie en de feestverlichting (vgl. 8:12) vormden hoogtepunten van het feest. Rabbi’s voerden op de 7e dag fakkeldansen uit. Tekenend vojür de uitbundigheid van het feest, die tot losbandigheden aanleiding kon geven (vgl. 8:3), is een uitspraak van de griekse schrijver Plutarchus die het Loofhuttenfeest vergeleek met de feesten ter ere van de wijngod Bacchus.
Broeders(3): vgl. Mar. 6:3; Mat. 13:55. Zij willen dat Jezus de publiciteit zoekt in de tempelstad Jeruzalem. Blijven in het achteraf gelegen Galilea – bij de Judeeërs weinig in tel – zal volgens hen zijn zaak schaden. Als Jezus pretendeert de Messias te zijn, dan is dat volgens hen alleen zinvol als Hij in de openbaarheid treedt. Laat Hij Jeruzalem overtuigen door nieuwe wonderen. De aandacht… trekkeniA): lett. in de openbaarheid (vgl. 11:54; 18:20). Zelfs zijn broeders (5): zijn naaste verwanten wijzen Jezus af. Een tekstvariant voegt het woordje ‘toen’ in, opgrond van Hand. 1:14; 1 Kor. 15:7; 9:5; Gal. 1:19; 2:9). Mijn tijd (6): dwz. het tijdstip waarop Hij zijn heerlijkheid zal openbaren en zal tonen wie Hij is. Vgl. Joh. 2:4, waar sprake is van de ure, zoals doorgaans in dit ev. Bovendien laat Jezus uitkomen, dat de broers aan de kant van de ongelovige wereld staan en van de haat der wereld niets te duchten hebben, itt. Jezus. De Messias heeft immers niet maar de taak zich door juichende mensen te laten bejubelen, maar is profetisch geroepen te getuigen en de zonden van de mensen, hun boze werken, aan het licht te brengen.
Verschillend oordeel 7:10-24
Ging Hij zelf ook op (10): dit lijkt in strijd met vs 9. Maar Jezus gaat niet in het openbaar en mengt zich niet onder de pelgrims. Hij gaat incognito. Zochten Hem (11): men rekent dus op zijn komst. Veel gemompel (12):de massa is verdeeld. Sommigen beschouwen Hem, wel vanwege zijn genezend werk, als een weldoener, anderen zien Hem als valse profeet en volksverleider (vgl. Joh. 12:19; Mat. 27:63). Vrijuit (13): hetzelfde woord als in vs 4b. Uit vrees voor de Joden: dwz. de leiders.
Hoe… zonder onderricht (15): met verbazing en verontwaardiging reageert men op Jezus’ onderricht. Hoe komt die man (deze heeft een minachtende klank) aan die kennis, zonder bij een rabbi gestudeerd te hebben? Jezus antwoordt, dat Zijn Vader zijn Leermeester is. De gezant spreekt de woorden van de Zender (16). Dat wordt slechts verstaan door wie bereid is Gods wil te doen, en juist op dit punt blijven zijn opponenten in gebreke. Uit zichzelf spreekt: in deze vss staat op de achtergrond de vraag naar de onderscheiding tussen de ware en de valse profeet. Beiden beroepen zich op hun gezonden-zijn. De valse profeet, die afval preekt, moet gedood worden (vgl. Deut. 13:1-5; 18:20). Eigen eer(S): vgl. 5: 44. Scherpzinnige schriftgeleerden werden door hun leerlingen geprezen. De gezant zoekt evenwel de eer, de glorie van Zijn Zender. Waar: dwz. betrouwbaar. Geen onrecht: Jezus is rechtvaardig. Daarom is zijn veroordeling onrecht. Mozes (20): de Farizeeërs beschouwden zich als leerlingen van Mozes (vgl. 9:28; zie ook Mat. 23:2). In dit licht bevat Jezus’ woord een vlijmscherpe aanklacht (vgl. Joh. 5:44-47; Rom. 2:17 w). Te doden: zie Joh. 5: 18. Jezus werd als sabbatsschender beschouwd. De schare (20) is kennelijk niet op de hoogte van dit voornemen en meent dan ook dat wie zulke sombere gedachten koestert, met een boze geest behept is: gij zijt bezeten.
Besnijdenis… sabbat (21-23): een jongetje moest op de achtste dag besneden worden (vgl. Lev. 12:3). Dit gebod had voorrang boven het sabbatsgebod. Jezus laat uitkomen, dat dé Joden zelf het sabbatsgebod opzij zetten als hogere belangen moeten prevaleren. De besnijdenis heeft te maken met één lid van het lichaam. Genezing raakt de hele mens. Als het mindere geoorloofd is, waarom is dan het meerdere verboden? De vaderen (22): de besnijdenis is aan Abraham geboden (Gen. 17:10-14; 21:4; Hand. 7: 8).
Niet naar het aanzien: vgl. 1 Sam. 16:7. Rechtvaardig oordeel: zie Zach. 7:9. Jezus richt zich tot hen die geroepen waren rechters te zijn in Israel.
Verdeeldheid om Jezus 7:25-52
Uit de Jeruzalemmers (25): itt. de grote massa hebben zij er wel weet van dat de leiders Jezus’ dood beramen. Daarom verwonderen zij zich over het vrijuit spreken van Jezus, zonder dat de leiders ingrijpen. Hebben dezen hun mening herzien? Wanneer de Christus komt (27): volgens de joodse messiasverwachting blijft de Messias tot aan zijn verschijning verborgen. In de eindtijd zal Hij verschijnen op een wijze die alleen God bekend is en die zich niet laat verenigen met een gewoon-aardse afkomst. Jezus’ afkomst menen zij te kennen, vgl. 6:42. Riep… leerde (28): zie ook 1:15; 7:37; 12:44. Het gaat om een plechtig verkondigen, proclamerend roepen in een controversiële situatie gekenmerkt door tegenstand. Er is een Waarachtige (SV: Hij is waarachtig Die Mij gezonden heeft). Jezus komt van boven. Zijn Vader heeft Hem gezonden. De Joden kennen Hem niet, ondanks al hun beroep op Mozes en de wet. Zijn ure (30): het door God bepaalde tijdstip (vgl. 2:4).
Velen tot geloof (31): onder de pelgrims kiezen velen de kant van Jezus. In hoeverre hier sprake is van echt geloof, komt hier niet naar voren, vgl. 8:31 w. De menigte is in geestdrift geraakt bij het aanschouwen van Jezus’ wonderen. Die legitimeren Hem naar hun mening genoegzaam als Messias. De reactie van de autoriteiten op deze bijvalsbetuiging bestaat in een officiële poging Jezus te arresteren. Zij sturen de dienaren, de tempelpolitie, er op af (32). Nog een korte tijd… ga ik heen (33): vgl. 8:14; 13:3, 33, 36; 14:4-5; 16:5, 10, 17. Sterven is heengaan tot de Vader. In de hemel is Jezus onbereikbaar voor zijn tegenstanders. Zoeken en niet vinden (34): dat klinkt tegen de achtergrond van Am. 8:12 en Hos. 5: 6 als een oordeelsdreiging. Straks zal het voor hen te laat zijn. Dan zal de kloof onoverbrugbaar zijn: waar Ik ben… niet komen. In de vss 35-36 hebben we weer een typisch voorbeeld van het misverstand dat rijst naar aanleiding van Jezus’ woorden.
De griekse verstrooiing… de Grieken (35): men oppert de gedachte dat Jezus naar het buitenland wil vluchten, naar de Diaspora, de volken waaronder de Joden verstrooid waren. Sommige uitleggers denken bij Grieken aan Joden in de verstrooiing die dan vanuit de optiek van Jeruzalem Grieken genoemd werden, dwz. mensen’die de griekse taal spraken en in hun synagogen de griekse vertaling van het O.T. gebruikten. Anderen verstaan onder Grieken de met het Jodendom sympathiserende heidenen en proselieten, alsmede de heidense volkeren. Wellicht schuilt er ook een zeker sarcasme in hun woorden. Echter uit Joh. 11:49 w en 12:20 blijkt dat de Joden zonder het te beseffen de waarheid spreken. Na Jezus’ verheerlijking zal het evangelie inderdaad aan de Grieken worden gebracht. De laatste… het feest (37): zie bij vs 2. Stond… riep: rabbi’s plachten zittend te leren. Hier gaat Jezus staan om op dit feest plechtig te proclameren dat Hij de levensdorst lest. Indien… dorst… kome tot Mij: vgl. Jes. 55.T-3; Joh. 4:7 w. De uitnodiging geldt ieder (vgl. Mat. 11:28) maar krijgt persoonlijke toespitsing in de noodzaak te komen tot Jezus, dwz. in Hem te geloven. Wie in Mij gelooft… stromen… vloeien (38): hoe meer de gelovige drinkt, hoe meer hij anderen ten zegen zal zijn. De uitspraak is een parallel van Joh. 4:14. Anderen verbinden het ‘wie in Mij gelooft’ met het voorafgaande. Zo de vertaling van de KBS: wie in Mij gelooft, hij drinke. Er zijn dan twee parallelle zinnen, zoals in 6: 35. Het ‘stromen van levend water enz.’ slaat dan op Jezus, als de schenker van het ware leven door de Geest. Vgl. Ex. 17:1-7. Jezus is ‘meer dan Mozes, nl. Gever van het water des levens. De kanttekeningen van de SV noemen deze mogelijkheid zonder een keuze te maken. Gelijk de Schrift zegt: te denken is aan Jes. 12:3; 44:3; 55:1; Ez. 47:1-12; Zach. 13:1; Joël 3:18. Dit zeide Hij van de Geest (39): na kruis en opstanding schenkt Jezus de Geest (vgl. Joh. 20:22; zie ook 16:7). Was er nog niet: deze toevoeging van de evangelist wil zeggen: de Geest komt pas na Jezus’ verheerlijking door dood en opstanding.
Sommigen… anderen (40): de reactie is verschillend. Er zijn er die Jezus zien als een profeet, gelijk Mozes (vgl. 6: 14); anderen zien in Hem de Messias in de lijn van joodse verwachting. Maar bij weer anderen stuit dat op weerstanden, gezien Jezus’ afkomst. De Messias komt toch niet uit Galilea (vgl. 1:46; 6:42). De Schrift... uit het geslacht van David (42): vgl. Mi. 5:1. Verdeeldheid (43): lett. schisma. Gingen naar (45): dwz. naar de raadszaal van het Sanhedrin. Nooit heeft een mens zo gesproken (46): vgl. vs 12. Hun woorden bevatten een meerwaarde. Onbedoeld spreken zij de waarheid. ‘Zij moesten boeien en werden zelf geboeid’ (Ubbink). Hun antwoord ergert de leiders. Laten de tempeldienaren luisteren naar hun leiders en niet naar de domme massa. Een van de oversten (48): ze verwachten op hun vraag een ontkennend antwoord, maar zie Joh. 19:38 w. De schare die de wet niet kent (49): dwz. zich niet bekommert om de bepalingen van de tora en daarom onder de vloek over de wetsovertreders verkeert. In dit woord komt de minachting van de leiders voor het volk naar voren. Wie behoorde tot de schare, dwz. het volk des lands (de am-haaretz) werd beschouwd als een heiden, vanwege zijn onkunde ten aanzien van de tora.Nikodemus: vgl. 3:2 w. Hij pleit voor een eerlijk onderzoek en ontmaskert de huichelachtigheid van zijn collega’s die de schare vervloeken en zelf de hand lichten met de wetsbepalingen (vgl. Deut. 1:16 v; 19:15). Schuchter neemt hij het op voor Jezus. Uit Galilea geen profeet (52): maar zie 2 Kon. 14:25: Gat-Hefer behoorde volgens Joz. 19:13 tot de stam Zebulon in Galilea.
Jezus en de overspelige vrouw 7:53-8:11
In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap staat dit gedeelte tussen vierkante haken. Er is iets bijzonders mee aan de hand, nl. het feit dat dit gedeelte in de oudste griekse, syrische, armenische, koptische en latijnse tekstgetuigen van het vierde evangelie ontbreekt. We hebben te maken met een stukje van de overlevering dat vermoedelijk in de 3e eeuw in het Johannesevangelie is opgenomen. Sommige handschriften plaatsen dit gedeelte na Luc. 21:37-38. Het woordgebruik is niet johan-neïsch, maar doet meer aan de Synoptici denken. Maar ook al is dit gedeelte van jonger datum, daarom behoeft aan de waarheid van hetgeen hier overgeleverd wordt nog niet getwijfeld te worden. Misschien is de nabijheid tot Joh. 8:15 reden geweest dit gedeelte hier te plaatsen (vgl. vs 11).
Olijfberg (8:1): vgl. Luc. 21:37. In de tempel… leerde (2): zie Luc. 19:47. Schriftgeleerden (3): Johannes maakt geen melding van schriftgeleerden, itt. de Synoptici. Op heterdaad betrapt (4): de man, met wie de daad gepleegd is, is kennelijk ontkomen. Weerspiegelt zich hier een dubbele moraal, waarvan de vrouw slachtoffer werd? Voor de joodse leiders is de vrouw demonstratie-object. Ze hebben geen deernis met haar. Hun bedoeling is Jezus te testen (in verzoeking brengen, vs 6) op zijn trouw aan de tora. De wet… Mozes (5): Lev. 20:10 en Deut. 22:22 schreven voor, dat zowel overspeler als overspeelster ter dood gebracht moesten worden. Er staat niet bij, op welke wijze dat vonnis voltrokken moest worden. In Deut. 22:20 v en 22:23 v is sprake van dood door steniging. Maar de Joden hadden geen recht doodstraffen uit te voeren. Wilde men die bepaling van de bezetter ontduiken, dan moest men een vorm kiezen die zo weinig mogelijk opviel, nl. dood door wurging in het geheim. De vraag waarmee men tot Jezus komt, is een strikvraag.
Antwoordde Jezus: stenigen, dan kon men Hem aanklagen (6) bij Pilatus. Ging Hij die beslissing uit de weg of zei Hij: wurging, dan zou Hij in conflict komen met de wet van Mozes. Jezus… schreef op de grond (6): dit wordt tot 2 X toe vermeld (zie ook vs 8). Dat kan betekenen, dat Hij niet op de vraag wilde ingaan. ‘Schrijven’ kan betekenen lijntjes trekken in het zand. Er zijn ook andere verklaringen. Sommigen zien in dit woord een zinspeling op Jer. 17:18. Anderen menen, dat Jezus het vonnis opschreef. Maar waarom dan op de grond? Weer anderen zijn van mening, dat Jezus schreef om na te denken. Maar waarom dan die tweemalige vermelding? Een afdoende verklaring is niet te geven.
Als de joodse leiders blijven aandringen, geeft Jezus antwoord: Wie van u zonder zonde is… steen (8). Volgens Deut. 17:7 moesten de getuigen de eerste steen werpen, waarop vervolgens het hele volk aan de executie deelneemt. Jezus kiest voor steniging, Hij handhaaft de wet, maar Hij legt de beslissing bij de getuigen. Vgl. voor het ‘zonder zonde’: Mat. 5:27 w. In de stringente zin van 2 Kor. 5:21 geldt het alleen Jezus. De aanklagers zijn geraakt in hun geweten. Een voor één, van de oudste af, druipen zij af (9). Jezus… en de vrouw (9): ‘Er bleven twee over, de ellendige en de barmhartigheid’ (Augustinus; de latijnse tekst bevat een woordspeling: misera et misericordia). Ook Ik veroordeel u niet: Jezus is geen getuige en geen rechter. Het ‘niet veroordelen’ betekent niet een vergoelijken van de daad van de vrouw, want Jezus voegt er aan toe: Ga heen, zondig van nu af niet meer (11). Het gebod ‘gij zult niet echtbreken’ blijft onverkort gehandhaafd.
Hel licht der wereld 8:12-20
Licht (12) in het O.T. gebruikt als beeld voor God en zijn heil (Jes. 60:19-20; Ps. 27:1), voor de Knecht des Heren (Jes. 42:7; 49:6), voor de Messias (Jes. 60:1-3; 2 Sam. 21:17), voor de tora (Ps. 119:105; Spr. 6:23). In het ‘Ik ben’ klinkt weer de Naam van JHWH door (Ex. 3: 14). In Jezus openbaart God zich als het heil voor de wereld. Het licht is ook oordelend en ontdekkend licht (vgl. 7:53 w; 12:35 w). Het licht wordt belaagd door de duisternis van zonde en demonie (vgl. 1:5; 1 Joh. 2:8 w). Het licht is als een fakkel die laat zien, waar de begaanbare weg ligt (vgl. vuurkolom in de woestijn, Ex. 13). Christus openbaart dat verlossing nodig is en werkelijkheid is in Hem. Het licht roept tot volgen, dwz. intreden in de levensgemeenschap met Jezus (vgl. 1:37). Voor wie volgt is er de belofte, dat de duisternis hem niet overvallen zal. Licht des levens: vgl. Ps. 56:14; 36:10; 18:29. Dit licht geeft eeuwig leven. Wandelen: dat ziet op de levenswandel, vgl. 12:35. Hebben: het heil is presente werkelijkheid; daarnaast is het ook toekomst (vgl. Op. 21:23). Het wereldwijde en het persoonlijke zijn in dit woord van Jezus verbonden.
Het protest van de joodse leiders, dat iemand die van zichzelf getuigt onbetrouwbaar is (vgl. Num. 35:30; Deut. 17:6) wordt door Jezus beantwoord met een verwijzing naar zijn afkomst. Hij komt bij de Vader vandaan en gaat tot de Vader (13-15). Zie Joh. 7:27-28; 3336. Naar het vlees (15): de Farizeeën leggen menselijke criteria aan die op Jezus niet van toepassing zijn (vgl. 7: 24; 2 Kor. 5:16). Jezus oordeelt niemand, want Hij is gekomen niet om te veroordelen, maar om te behouden (3: 17). Waarachtig (16): als Jezus oordeelt, is dit gefundeerd. Hij is de Zoon, door de Vader gezonden. Niet alleen (16): hier gaat het om de gemeenschap in het zijn en het doen, vgl. 16:32. Daarom is zijn oordelen gefundeerd en betrouwbaar. In uw wet (17): er zit iets in van distantie tov. zijn tegenstanders. Toch handhaaft Jezus de rechtsregel van Deut. 19:15. De Vader is Zijn getuige(18) ; daarmee zijn er dus twee getuigen (vgl. 5.31-39). Waar is uw Vader? (19): getuigen moeten ondervraagd kunnen worden. Hoe kan God in de hemel als getuige optreden, zo vragen Jezus’ tegenstanders. Het misverstand getuigt van ongeloof. Want zij kennen Jezus niet. De Vader is in Christus present en spreekt de hoorders aan door het getuigenis van de Zoon. Indien… kennen(19) : het kennen van Jezus en het kennen van de Vader gaan samen. Bij de schatkamer (20): in de schatkamer, gelegen in de voorhof der vrouwen, werden gelden en goederen bewaard. Men had er geen toegang. Daarvoor bevond zich een overdekte galerij, door een rij zuilen gedragen. Vgl. Mar. 12:41; Luc. 21:1. Uur: vgl. 2:4; 7:30.
Twistgesprekken 8:21-59
De debatten tussen Jezus en zijn tegenstanders gaan voort. Voor de vss 21-24 vgl. 7:33- uw zonde zult gij sterven (21): als het te laat is zullen de Joden Hem als Messias zoeken en niet vinden. De beslissing valt in het heden. Zie voor de oudtestamentische achtergrond Ez. 3: 18; 18:18; Spr. 24:9. Zonde is het niet-erkennen van Jezus als de Gezondene des Vaders, als de Zoon, het Licht; de afwijzing van Hem (vgl. vs 24). Opnieuw is er het misverstand bij de Joden (vgl. 7:35). Zal Hij, zo vragen zij zich af, zichzelf van het leven beroven? De opmerking is daarom des te grievender gezien de veroordeling van de zelfdoding in het Jodendom. Anders dan zij menen zal Jezus zichzelf ten offer geven (vgl. 10:17-18). Gij… Ik (23): het misverstand openbaart, dat zij hun oorsprong hebben in de Godevijandige wereld, terwijl Jezus van de Vader komt. Met grote nadruk staat het Ik van Jezus tegenover de aangesprokenen (gij). Dat Ik het ben (24): dwz. Ik en geen ander, vgl. Deut. 32:39; Jes. 41:4; 43:10. Wat spreek Ik nog met u? (25): Jezus’ antwoord klinkt als moedeloze verzuchting, Vgl. Mar. 9:19. Verder gesprek is nutteloos. Ik heb veel te zeggen (26): toch dwingen zij Hem nog hardere waarheden aan hun adres te zeggen, rijp voor het oordeel als zij zijn. Maar die Mij gezonden heeft: ook daarin spreekt Jezus het woord van Zijn. Vader. De gezant is trouw aan zijn opdracht. Het ‘maar’ is gen antwoord op hun vraag wie Jezus eigenlijk is. Zij hadden (27): Johannes geeft een verklarende toelichting mbt. het ongeloof van de Joden. Verhoogd (28): vgl. 3:14. Wanneer ze Hem gekruisigd hebben – en de kruisdood is de weg tot de verheerlijking – dan zullen zij erkennen, dat Hij en geen ander in een bijzondere verhouding tot de Vader staat, ja dat Hij de Messias is, in wie God zich openbaart, tot heil van de wereld. Ook dit woord wijst heen naar de situatie na Pinksteren (vgl. Hand. 2:36 vv; 3:17-19; 4:1 vv), toen als gevolg van de apostolische prediking een deel van de Joden tot geloof kwam. Die… is met Mij (29): temidden van de vijandschap en het ongeloof is Jezus nochtans overtuigd, dat Hij niet alleen is. De Vader is met Hem en kiest partij voor Hem (vgl. 16:32). En de Zoon gaat gehoorzaam de weg die de Vader Hem wijst. Toen… geloofden… in Hem (30): onder de indruk van zijn woorden komen vele van zijn hoorders tot geloof. Maar niet bij allen blijkt dit geloof diep geworteld te zijn. Vgl. 2:23. Zal het de ergernis kunnen overwinnen? Daarom dringt Jezus er op aan te blijven in Zijn Woord (31): vgl. 15:7; 1 Joh. 2:6; Hand. 11:23. De echte volgeling van Jezus wordt gekenmerkt door volharding in’het geloven. De waarheid: de waarheid van de openbaring in Jezus die zelf de waarheid is (14:6). Het blijven in Jezus’ woorden voert tot verstaan van deze waarheid en leidt tot het heilsgoed van de vrijheid (32). Jezus’ woord dat de waarheid hen zal vrijmaken, wekt tegenspraak op. Zij beroepen zich op hun afkomst, hun behoren tot het nageslacht van Abraham (33). Politiek gezien mogen zij dan leven in bezet gebied, maar ondanks die overheersing hebben zij voor hun gevoel zich gehouden aan Gods geboden en zijn daarom vrije mensen. Toch maakt Jezus hen duidelijk, dat zij bevrijding nodig hebben. Criterium voor vrijheid is niet het behoren tot Abraham’s nageslacht, maar het geloof in Jezus als de Zoon, door God gezonden. Hun slavernij is de slavernij van mensen die de zonde doen (vgl. Rom. 6:15-18). Wat deze zonde inhoudt, maakt het vervolg van dit hoofdstuk duidelijk nl. de afwijzing van Jezus. Jezus, de Zoon maakt werkelijk vrij (36). Een zoon heeft in een huis een andere positie dan een slaaf. De laatste bezit geen recht op het huis, noch erfrecht. Hij is ‘bezit’ en kan verkocht, geruild of vrijgelaten worden. Daarover beslist de heer des huizes, respectievelijk de zoon. Jezus, de Zoon die eeuwig blijft (35), het ware zaad van Abraham (vgl. Gal. 3:16; 4:21 w) stelt slaven in de vrijheid (vgl. Gal. 5:1 w). Ware kinderen van Abraham erkennen de Zoon, geloven in Hem. Jezus ontkent niet dat de Joden in natuurlijke, biologische zin van Abraham afstammen, maar deze adeldom verplicht, roept tot geloof als een treden in de voetsporen van de vader der gelovigen. Maar zijn gesprekspartners trachten Hem te doden. Geen plaats (37): deze vertaling is wat te statisch. Het griekse woord betekent ruim baan scheppen voor iets of iemand, een weg vrijmaken, voortgang hebben. En waar het woord van Jezus niet de ruimte krijgt, ontbreekt het ware leerling-zijn (vgl. vs 31).
Onze vader is Abraham (39): hierin komt de nationale trots van de joodse tegenstanders van Jezus naar voren. Abraham wordt gezien als de eerste proseliet en missionaris, lichtend voorbeeld voor zijn nakomelingen vanwege zijn gehoorzaamheid. Als loon op zijn verdienste werd hij als vriend van God ontvanger van het verbond. Zijn verdiensten komen zijn nakomelingen ten goede. Evenals Johannes de Doper (Luc. 3:8) doorbreekt Jezus deze keten van vanzelfsprekendheden. Laten zij de werken van Abraham doen. In hun verzet tegen Jezus, hun ontkenning in ongeloof van Gods waarheid, Gods openbaring in Jezus, tonen zij dat zij afstammen van een andere vader (40).
Nu vermoeden de Joden dat Jezus denkt aan een geestelijk vaderschap. Ook op dat punt zijn zij gerust. Zij zijn niet uit hoererij geboren: vgl. Hos. 2:4; Mal. 2:10. misschien bevat het woord een hatelijke toespeling op de door de Joden ontkende maagdelijke geboorte. Jezus noemt immers God zijn Vader. Dat trekken zij in twijfel(vgl. 8:18). Maar zij, Abrahams nageslacht, hebben God tot Vader. Eén Vader (41): vgl. Deut. 6:4; Jes. 63:16. Dat is de bijzondere status van Israel onder de volken. Dan maakt Jezus duidelijk, dat hun gedrag ten opzichte van Hem daarmee vloekt. Jezus is immers van de Vader gekomen. Hem zouden zij moeten liefltebben (42). Maar onwil en onvermogen (vs 43), verharding en verblinding (vgl. Jes. 6:9 vv; Joh. 12:40) openbaren, dat zij niet God, maar de duivel tot vader hebben (44). Zij hebben zich in hun ongeloof uitgeleverd aan diens boze begeerten. Men-senmoorder van den beginne: sinds de duivel zijn boze plannen uitwerkt, is hij uit op moord (vgl. Gen. 3; Op. 12:9). Terwijl Jezus de waarheid is en deze openbaart, is de duivel de vader van de leugen, dwz. de oerleugenaar, ahw. geworteld in de leugen. Naar zijn aard: dwz. uit zichzelf, uit eigen bezit, itt. Jezus die spreekt wat Hij van Zijn Vader gehoord heeft. Jezus’ tegenstanders zijn in hun ongeloof en verzet werktuigen van deze oerleugenaar. Zij verzetten zich tegen de waarheid (45). Dat verzet is ongegrond. Immers Jezus is de rechtvaardige. Niemand kan het bewijs leveren dat Jezus een zondaar is. Geen zonde kunnen ze aanwijzen in zijn leven (vgl. 2 Kor. 5:2; Heb. 4:15; 1 Petr. 3:18; Joh. 18:29, 38; 19:4, 6). Daarom is hun haat volstrekt ongegrond (vgl. 15:22). Wie uit God is (47): nl. Gods kinderen. Jezus’ tegenstander zijn geen kinderen van God, maar van de boze. Daarom geven zij geen gehoor aan wat God tot hen zegt. Een Samaritaan (48): al eerder hadden zij Jezus verweten dat Hij bezeten was (vgl. 7:20; zie ook 10:20). Nu voegen ze er het scheldwoord Samaritaan aan toe, wellicht omdat ook de Samaritanen het wettig karakter van Israels godsdienst en eredienst ontkenden. In rabbijnse teksten is dit scheldwoord synoniem met ketter, verleider, magiër, afgodendienaar. Jezus wijst dit scheldwoord af. Hij eert de Vader (49): nl. door zijn gehoorzaam betuigen van Gods waarheid. Doordat de Joden dat niet erkennen, onteren zij Hem en daarmee de Vader. Hoe verborgen Jezus’ heerlijkheid, Jezus’doxa, ook is, de Vader zoekt deze glorie en zal de Zoon verheerlijken (vgl. 12: 23,28;13,31-32; 17:1).
Hij is immers Degene die oordeelt (50): het goddelijk oordeel zal de dingen recht zetten (vgl. Ps. 7:9; 26:1; 35: 22-29; 43:1). Jezus als de Rechtvaardige zal door God in het gelijk gesteld worden, dwz. verheerlijkt worden. Dat impliceert tevens, dat Jezus’ tegenstanders als zij in hun verzet blijven volharden aan dit goddelijk oordeel vervallen. God zelf zal hen veroordelen.
Indien iemand… niet aanschouwen (51): in aansluiting aan het voorafgaande wordt nu positief de betekenis van Jezus als de openbaring van God uitgezegd. Jezus schenkt leven, dat de dood overwint. De dood niet zien = niet sterven, vgl. Ps. 89:49; Luc. 2:26; Heb. 11:5. Vgl. bij vs 51 Joh. 11:25-26. De Joden begrijpen dit niet. Abraham, de vriend van God, de gehoorzame, is immers ook gestorven (52). Wil Jezus pretenderen meer, dwz. de meerdere te zijn van Abraham (vgl. Joh. 4:12 mbt. de aartsvader Jakob)? Voor wie houdt Gij U zelf? (53): dwz. wat beeldt Gij u in te zijn? In de vss 54-55 neemt Jezus opnieuw de gedachte van vs 50 op, dat zijn woorden getuigenis zijn van Gods waarheid. God verheerlijkt Hem. Dat is Dezelfde die zijn gesprekspartners noemen onze God. Jezus en de Joden hebben dezelfde God.
Maar toch is er verschil. Jezus kent God en bewaart Zijn woord. Kennen is gehoorzamen. De Joden gehoorzamen niet. Zij kennen de Vader niet en verstaan daarom Jezus’ aanspraken niet.
Uw Vader Abraham… zich verblijd: Abraham heeft met vreugde de dag van de Messias, dwz. de messiaanse tijd, de eschatologische heilswerkelijkheid gezien (vgl. Mat. 13:17). Vond dit plaats bij de geboorte van Isaak (Gen. 17:17)? In de zoon, hem in zijn ouderdom geschonken, heeft de aartsvader dan de komst van de Messias zien dagen. Opnieuw is er onbegrip bij de Joden. Zij draaien de zaak om. Jezus is nog geen vijftig jaar (57). Zou Hij Abraham gezien hebben? Maar tegenover de mens Abraham is Jezus de eeuwige Zoon: Eer… was, ben Ik (58). Vgl. Ex. 3:14. Dat klinkt hen als godslastering in de oren. Jezus stelt zich immers aan God gelijk. Hij moet gestenigd worden. Maar Jezus verborg zich (59): vgl. 12: 36. Hij weet zich te onttrekken aan zijn vijanden; zijn uur is nog niet gekomen.
De Herder en de huurlingen 9:1-10:42
Het verhaal van de ontmoeting van Jezus met de blindgeborene (hoofdstuk 9) knoopt aan bij 8:12 (vgl. 9:5). Het laat zien wat het betekent, dat Jezus het licht der wereld is. In tweeërlei zin komt de blindgeborene tot het licht. Hij ontvangt genezing, en tevens brengt Jezus hem tot een dieper verstaan van wie Hij is voor de mensen, zodat de man tot echt geloof komt, met alle consequenties van dien. De verlichting die de man ervaart is een niet minder groot wonder dan zijn genezing. Het is een nieuwe geboorte, een herschapen worden tot leven (1:12 v; 3:5; 6: 44). Al is het niet onmogelijk dat het verhaal een zinspeling bevat op de doop, die in de vroege kerk ook ‘verlichting’ genoemd werd (vgl. reeds Heb. 6:4 en 10:32), we dienen dit niet te overaccentueren. De nadruk valt op de reddende daad van Jezus, de gave van het leven en het geloof in Hem. Tegenover het geloof van de genezene staat het ongeloof, de verblinding van de leiders. De kloof die in Joh. 7-8 zichtbaar werd, wordt verdiept. Al is het verhaal een zelfstandige eenheid, er is toch een verband met hoofdstuk 10. Het gedrag van de godsdienstige leiders, de druk die zij op de mensen uitoefenen, hun wijze van gezagsuitoefening staat in schril contrast tot het handelen van de goede Herder.
Genezing van de blindgeborene 9:1-7
Voorbijgaande… blind was (1): vs 1 knoopt aan bij 8:59. Vermoedelijk is het verhaal te situeren bij één van de tempelpoorten waar de man lag te bedelen (vgl. Hand. 3: 1-2). Eén handschrift voegt aan de woorden van vs 1 dan ook toe ‘zittende’. De man is blind van zijn geboorte af; zijn situatie is als hopeloos getekend. Tegen deze donkere achtergrond komt het wonder openbaar als een nieuwe scheppingsdaad. Wie heeft gezondigd (2): dat ziekte een gevolg is van een begane zonde is een in de antieke, en vooral joodse wereld, verbreide gedachte. Dat geldt ook voor de gedachte dat de zonden van de ouders aan de kinderen bezocht worden (maar zie Ez. 18:1-4). De werken Gods (3): Jezus wijst de gedachtengang van zijn leerlingen af. Aan deze man zullen de werken van God, nl. het heil door Jezus, openbaar worden tot eer vanGod. Aan deze man zal openbaar worden, dat en hoe Jezus het Licht der wereld is.
Wij… werken… die Mij gezonden heeft (4): opvallendis de afwisseling van ‘wij’ en ‘Mij’. Vele handschriften zoeken de moeilijkheid op te lossen door of 2 X wij of 2 X Mij in te voegen. Maar de tekst heeft een goede zin. Jezus is door de Vader gezonden om diens werk te volbrengen. De leerlingen worden hierin betrokken. Door hun dienst zet Jezus zijn werk, ook na Pasen, voort (vgl. 14: 12; 20:21). Zie voor eenzelfde woordconstructie ook 3.T 1 en 4:22. Zolang het dag is: mogelijk klinkt op de achtergrond een joods gezegde mee. Een rabbijnse uitspraak luidt: werk, zolang gij kunt en het u mogelijk is en het nog in uw macht staat. Dat wordt hier toegepast op het werk van Jezus. Het verrichten van de werken Gods is niet onbegrensd. Jezus’ aardse optreden is begrensd door zijn dood. Nacht: de nacht van lijden en sterven (vgl. 13:30). Zie ook 7:30; 8:20; 11:8 w; 12:35 w. Zolang Ik in de wereld ben: nü is Jezus voor deze blindgeborene het licht, genezend en reddend. Nü komt het er ook op aan dit licht te volgen in geloof. Als de nacht valt, is het te laat. Enerzijds bevatten de vss 4-5 een appèl en bemoediging om ondanks vijandschap en lijden door te gaan met het werk van God. Anderzijds is er de waarschuwing: als de nacht van de dood valt, is het gedaan met het werken. Wie dan door ongeloof zich is blijven verzetten, zal ontdekken dat het te laat is. Spuwde… slijk op de ogen: oogziekten bestreed men met ogenzalf (vgl. Op. 3:18). Ook horen we van het gebruik van speeksel (vgl. Mar. 8:23). Naar oud volksgeloof meende men dat er een genezende werking van uitging. Hier vindt de genezing plaats op een bijzondere wijze. Jezus spuwt op de grond en smeert het papje van speeksel en zand op de ogen van de blinde. Sommige uitleggers denken aan een vorm van natuurgeneeswijze, een door Jezus vervaardigd geneesmiddel. In elk geval is er geen sprake van een magisch ritueel. Jezus overtreedt door zijn handelwijze het sabbatsgebod: onder de 39 verboden werken werd het maken van slijk speciaal genoemd (zie ook bij vs 14). De kerkvader Irenaeus legde een verbinding met Gen. 2:7: Jezus’ daad als nieuwe scheppingsdaad. Echter het woord ‘slijk’ komt in Gen. 2:7 niet voor. Bovendien wordt de man niet uit klei gevormd, maar wast hij het slijk juist af. Was u in het badwater Siloam (7): Siloam of Siloach (Jes. 8:6) is een oude waterleiding, waardoor het water van de bron Gihon rond de zuidoostelijke heuvel van Jeruzalem naar de vijver Siloam stroomde (vgl. Jes. 8:6: de zacht vloeiende wateren van Siloach). Hiskia maakte via een tunnelverbinding door de rotsen een verbinding tussen Gihon en de waterreservoirs van de stad (2 Kron. 32:30). Volgens volksgeloof had het water reinigende kracht. Voorts werd uit deze bron water geput voor de plenging van het Loofhuttenfeest. Voordat de genezing plaats vindt wordt de man gevraagd zich te wassen. Er wordt geloof gevraagd in Jezus’ wondermacht (vgl. ook 2 Kon. 5:10-14: het bevel aan Naäman).Hetgeen vertaald wordt door: uitgezonden (7): lett. het water dat aldus gezonden wordt. Er ligt een diepere betekenis in, nl. een verwijzing naar Jezus als de gezondene. Misschien bestaat er ook een verband met de Silo-spreuk uit Gen. 49:10, die door de Joden messiaans verstaan werd. Jezus die door de Vader in de wereld gezonden is, is de ware levensbron. Door zich in Hem te wassen, dwz. door tot Hem te gaan, wordt de man genezen. Het motief van het ‘wassen’ kan als een zinspeling op de doop door de lezers van het Evangelie gehoord zijn, maar zeker is dit niet. Hijging heen: de man geeft gehoor aan Jezus’ opdracht. Kwam ziende terug: opnieuw is er een teken gesteld van Jezus’ reddende heerlijkheid. Een teken, dat zoals uit het vervolg blijkt verschillende reacties oproept: van de kant van buren en bekenden (8-12), van de zijde van de Farizeeërs, de leiders van het volk (13-17, 24-34), van de kant van de ouders (18-23).
Zien of niet zien 9:8-41
Hij is het… hij gelijkt op hem (9): de buren en bekenden vragen zich af: is de genezene nu degene die zij als bedelaar gekend hebben, ja of nee. Jezus’ werk brengt de mensen in verwarring, vgl. 7:12, 40-44; 10:20 v. De mens, die Jezus genoemd wordt… Ik weet het niet (1112): de genezene is ziende geworden. Hij weet alleen de naam van zijn Weldoener, maar daar blijft het voorshands bij. Hij kent Jezus nog niet. Stap voor stap zal hij tot het licht geleid worden. De vragen die in dit gesprek met de buren gesteld worden, leiden er toe, dat de grootheid en de werkelijkheid van het wonder duidelijk wordt. Met de vermelding van de naam Jezus komt het hoofdstuk bij het centrale punt: wie is Jezus? De vraag naar het ‘hoe’ wordt afgelost door de vraag naar het geheim van Jezus. Nu de identiteit van de genezene vaststaat (Ik ben het, vs 9), volgt de vraag naar de identiteit van Jezus (zie vs 37).
Farizeeën (13): dwz. de religieuze autoriteiten. De ontmoeting met hen draagt het karakter van een juridisch onderzoek dat in twee fasen verloopt (13-17 en 24-34). Sabbat (14): zie bij vs 6. Niet alleen het maken van modder was verboden, maar ook het genezen van een chronische zieke. Alleen in urgente gevallen was genezing op sabbat toegestaan. Verdeeldheid (16): evenals in 7:43 veroorzaakt Jezus’ optreden een schisma. Is deze mens van God of is hij een zondig mens, dwz. iemand die de tora niet in acht neemt en daarom een valse profeet is. Tekenen (16): niet alleen deze genezing, ook de andere wonderen, waar Johannes van verhaald heeft. Hij is een profeet (17): vgl. Joh. 4:19. Daar zijn het de woorden die Jezus in de ogen van de vrouw kwalificeren als profeet, hier is het het wonder waardoor Jezus zich voor het besef van de man legitimeert als profeet, een door God begenadigd mens (vgl. Luc. 24:19).
De Joden (18), nl. de leiders, de Farizeeën, trekken het feit van de genezing in twijfel. Ze betwijfelen de betrouwbaarheid van de betrokkene en halen diens ouders er bij. Dezen verklaren, dat de genezene hun blindgeboren zoon is (20). Maar op de tweede vraag: hoe kan hij dan nu zien? gaan ze niet in. Ze houden zich op de vlakte. Hij heeft zijn leeftijd (21): om als getuige een rechtsgeldig getuigenis te kunnen geven was een minimumleeftijd van 13 jaar vereist. Dit zeiden zijn ouders (22): omstandig belijden de ouders hun onwetendheid en verwijzen ze hun ondervragers naar de betrokkene zelf. Overigens gaan ze een stap verder dan de Joden. Deze hadden gevraagd naar het ‘hoe’, terwijl zij spreken over het ‘wie’. Zo komt opnieuw de vraag naar Jezus en zijn werken centraal te staan. Bang waren: angst weerhoudthen te spreken: vgl. 16:2, 12:42; 19:38, 20:19. Uit de synagoge gebannen: lett. een aposunagoogos. Wie Jezus als Messias belijdt, werd geëxcommuniceerd uit de synagogegemeenschap. Deze uitstoting betekende voor degene die door een dergelijke strafmaatregel getroffen werd, een volstrekt isolement. Vooral na 70 n.Chr. is deze excommunicatie aanwijsbaar. Vraag het hemzelf (23): de herhaling van vs 21 leidt over naar het vervolg, het tweede verhoor van de genezene door de leiders. Geeft Gode de eer (24): de klassieke inleiding om iemand tot een schuldbelijdenis te brengen (vgl. Joz. 7:19; 1 Sam. 6:5; 2 Kon. 30:8; Jer. 13:16). Gode de eer geven in een proces betekende ook de waarheid spreken. Wij weten: trots handhaven zij hun gezag, vgl. vss 28, 29. Een zondaar: dwz. iemand die de wil van God niet doet. Een ding weet ik (25): de genezene weigert dit te erkennen en betuigt nogmaals het feit van zijn genezing. Opnieuw proberen zijn tegenstanders de getuige onzeker te maken, door nogmaals de vraag naar het ‘hoe’ van de genezing te stellen, in de hoop dat de verdachte een ander verhaal zal vertellen. Een bekende ondervragingstactiek! Wilt gij soms ook discipelen van Hem worden (27): de man legt in zijn antwoord het ongeloof van de Farizeeërs bloot en stelt een ironische vraag: vragen ze soms zo nauwkeurig om leerlingen van Jezus te worden? Dat is olie op het vuur. Zij scholden hem uit (28): het werkwoord betekent ook beschimpen, vgl. 1 Kor. 4:12; 1 Petr. 2:23.
Discipel… van Hem (28): het door ‘Hem’ vertaalde woord heeft een verachtelijke betekenis in hun mond: die kerel, vgl. 11:47. Discipelen van Mozes: Mozes is de leraar van de rabbijnen. In de keten van de overlevering die via de profeten teruggaat tot Mozes zijn zij schakels. Discipelen van Mozes zijn volgelingen van een rabbi die in het leerhuis op de stoel van Mozes zit. Trouw aan Mozes en aanvaarding van Jezus sluiten elkaar voor hun besef uit. Dat openbaart juist hun verblinding en ongeloof, immers Mozes heeft getuigd van Christus (vgl. 5:39, 46). Iets wonderlijks (30): scherp signaleert de genezene dit ongeloof. Jezus’ genezingswerk laat immers zien dat Hij van God komt. Zijn werken getuigen van Hem. Wij weten (31): de genezene beroept zich op een weten, dat hij met de Farizeeërs gemeenschappelijk heeft. Ook hij is leerling van Mozes, in de ware zin van het woord. Dat God naar zondaars niet hoort… die verhoort Hij (31): zie Ps. 66:18; Jes. 1:15; Spr. 15:29. Uit de waarheid dat God rechtvaardigen verhoort en uit het feit van het in deze wereld ongehoorde wonder concludeert de man, dat Jezus van God komt. Anders had Hij niets kunnen doen: Dan is de maat vol. De leiders grijpen het feit dat de man blindgeboren was aan om hem te diskwalificeren als een man, die geheel en al in zonden geboren is (de woorden herinneren aan Ps. 51:7); daarmee gebruiken zij een argument dat door Jezus juist ontkend was: de samenhang tussen schuld en lot (vgl. vs 3). Zij wierpen hem uit (34): daarmee verwerpen zij indirect Christus zelf.
Jezus hoorde… en Hij zeide (35): terwijl de leiders de man verstoten, zoekt Jezus hem juist op (vgl. 6:37). De Zoon des mensen: de SV volgt hier een andere lezing: gelooft gij in de Zoon van God? Maar deze tekstvariant is te zwak betuigd om oorspronkelijk te zijn. Zie over Zoon des mensen Joh. 1:51, 3:1-21; 5:27). Jezus is degene in wie God zich openbaart. Zijn verhoging en verheerlijking is tot heil van degenen die geloven, maar betekent tegelijk het oordeel. Wie is Hij, Here… Ik geloof, Here (36-38): de blindgeborene komt tot het licht. Eerst was Jezus een mens (vs 11), vervolgens een profeet (vs 17), een man van God gekomen (33) en tenslotte de Zoon des mensen (35-38). Jezus trekt de man tot zich (vgl. 6:44; 12:32). En hij wierp zich voor Hem neder (38): de man komt tot geloof en aanbidt Jezus als Here. Dat is de ware aanbidding in Geest en waarheid (vgl. 4:20-24; 12:20). Tot een oordeel (39): als de verhoogde Mensenzoon zal Jezus oordelen op de jongste dag. Maar iets van die scheiding voltrekt zich al in het heden. Zijn komst in de wereld leidt het gebeuren van het gericht in. Zie voor ‘gekomen’ Mat. 5:17, 24; 10:34 v; Mar. 2:17). Het heeft de betekenis: van God gekomen, door Hem gezonden met messiaanse volmacht. Blinden worden ziende en zienden worden blind (vgl. 3:19-21). De laatsten willen niet tot het licht komen. Zij verharden zich in ongeloof. Zijn wij… blind? (40): de vraag is zo gesteld dat een ontkennend antwoord verwacht wordt. Jezus ontmaskert die waan. Indien… zonde (41): blinden kan men moeilijk kwalijk nemen, dat zij niet zien. Dat geldt ook in geestelijk opzicht. De joodse leiders pretenderen echter juist de goede kijk te hebben op religieuze zaken als leerlingen van Mozes. Maar Jezus wijzen zij af. Willens en wetens verzetten zij zich tegen Zijn aanspraken. Dat is juist hun zonde. En hun koppig verzet betekent dat hun zonde blijft (vgl. Joh. 19:11; zie 3:36). Op de achtergrond van dit vs staat mogelijk Jes. 6:13.
De goede Herder 10:1-18
Johannes 10 sluit aan bij het vorige hoofdstuk, met name de laatste verzen. De door de joodse leiders, de vreemden, de huurlingen uitgeworpene wordt gevonden door de goede Herder. Tegenover de uitbanning uit de synagoge staat de vergadering van de kudde door de ene Herder. De vss 1-5 bevatten de vergelijking, terwijl deze in het vervolg toegelicht en geduid wordt. De spits van Jezus’ woorden, waarin Hij zich openbaart als de enige brenger en schenker van het heil, is wel gericht tegen de joodse leiders.
Voorwaar, voorwaar (1): de plechtige verzekering heeft evenals in 3:3, 6:26, 8:34, 38; 13:38 het karakter van een antwoord, vgl. 9:41. Wie… binnenkomt: vroeg in de morgen begeeft de herder zich naar de ommuurde ruimte, waar de schapen onder bewaking van een deurwachter de nacht hebben doorgebracht. Soms waren verschillende kudden in dezelfde ruimte bijeen. De herder roept de schapen, drijft ze naar buiten en trekt voor de kudde uit naar de weiden. Op een andere plaats: beter SV: van elders. De niet geconcretiseerde, wat duistere herkomst typeert het doen en laten van dief en rover, dat verderfelijk is voor de schapen, vgl. vs 8, 10. De deurwachter (3): het is niet nodig hier een allegorische interpretatie aan te geven, zoals door kerkvaders wel gedaan is. Het gaat ook in deze vss om het punt van vergelijking. De figuur van de wachter behoort tot de beeldhelft. Horen naar zijn stem: de in het Grieks gebezigde grammaticale constructie (werkwoord + genitief-verbinding) betekent een opmerkzaam (Joh. 5:28) en gelovig horen (5:25; 10:16, 27, 18:37). Hij roept… bij name (4): palestijnse herders waren gewoon hun dieren namen te geven. Er is verbondenheid tussen herder en schaap. Zijn eigen schapen: de kudde is eigendom van de herder, vgl. 13:1. Naar buiten gebracht (4): het griekse werkwoord betekent letterlijk ‘uitwerpen’. De herder moet temidden van zo’n koppel schapen die elkaar verdringen, soms hardhandig te werk gaan. Gaat hij voor ze uit: ziePs. 77:21; 78:52; Mi. 2:12. Kennen: vgl. Ps. 95:7. Zie voor het volgen en kennen Joh. 7:27 v; 8:14, 19; 9:24, 29. De blindgeborene is een voorbeeld van een schaap dat de herder kent en volgt. Een vreemde (5): het anti type van de herder, vgl. vs 1 en vs 12. Tegenover de verbondenheid met de herder is er de distantie tot het anti-type van de herder. Beeld (6): vert. van het hebreeuwse woord masjaal: spreekwoord, diepzinnige wijsheidsspreuk, raadselspreuk. Vgl. ook 16:25, 39. Het woord komt in betekenis overeen met het begrip ‘gelijkenis’ (parabolè, parabel) en duidt op de verhulde, raadselachtige, indirecte wijze van zeggen. Vgl. Mar. 4: 10-12. De boodschap van Jezus, zijn zelfopenbaring, is verstaanbaar voor wie luistert met een gelovig hart, maar toegesloten voor zijn tegenstanders. Wie achter Pasen en Pinksteren staat zal pas ten volle verstaan (vgl. 2:22). De vss 7-10 en 11-15 ontvouwen de betekenis van deze verhulde woorden rondom de Ik-ben uitspraken van Jezus. Nogmaals (7): vgl. 8:12, 21. Ik ben de deur der schapen: Jezus openbaart zich in de afweer van andere messias-pretendenten en heilbrengers op een exclusieve wijze als de enige Middelaar en weg tot het heil. Op de achtergrond staat mogelijk Ps. 118:20, de psalm waarvan vs het N.T. een messiaanse inhoud heeft (vgl. Mat. 21: 42). In de synoptische evangeliën is dikwijls sprake van de deur die toegang verleent tot het Koninkrijk (Mat. 7: 7; 25:10; Luc. 13:25). Jezus is voor de schapen de deur. Hij brengt tot het heil. ‘Deur’ en ‘herder’ liggen dicht bij elkaar qua betekenis. Vgl. de opmerking van Chrysosto-mus: als Hij ons naar de Vader brengt noemt Hij zich een deur, als Hij zorg voor ons draagt een herder. De herder is tegelijk de deur. Allen die vóór Mij gekomen zijn (8): het ‘voor’ heeft tijdelijke betekenis. De herder komt in de morgen, de dief in de nacht. Met die ‘allen’ zijn niet Mozes, de profeten of Johannes de Doper bedoeld. Er is dus geen reden om met sommige mss het ‘voor Mij’ te schrappen. Mogelijk moeten we denken aan de ondergrondse verzetsstrijders, de Zeloten of de pseudo-messiassen zoals Teudas en Judas de Galileeër (vgl. Hand. 5:36-37). Wellicht zijn ook de politieke en godsdienstige leiders bedoeld. Vgl. Joh. 9:22, 34. Door Mij (9): vgl. Joh. 14:6. Als… binnenkomt: de ruimte van het heil maar ook de noodzaak van het geloof in Jezus worden in dit vs aangegeven. Behouden worden: bij deze herder vinden we vrijheid, leven en veiligheid. Ingaan/ uitgaan: vgl. Deut. 28:6; 31:2. Weide vinden: dwz. voedsel, vgl. Ps. 23:2; Ez. 34:12, tegenstelling tot wat men van de dieven en rovers ondervindt, nl. het verderf en de ondergang, is Jezus gekomen (nl. van God als de gezondene) om leven te schenken in overvloed. Er is bij Hem een volheid van heil (10). Ik ben de goede herder (11): zie voor het beeld van de herder ook bij Luc. 15:1 w. De relatie van JHWH tot zijn volk als die van een herder tot zijn schapen vinden we in Ps. 23, Jer. 23:1-4; Ez. 34:1-24; Zach. 11:4-17; Mi. 5:4; Ps. 78:70-72. Met name Ez. 34 spreekt over de tegenstelling tussen de ware en de valse herder, die ook in dit hoofdstuk zo’n rol speelt (dieven, rovers, huurlingen). Jezus is in tegenstelling tot de valse herders, de huurlingen, de goede herder, goed in de zin van voorbeeldig en geliefd, daar Hij immers vrijwillig zichzelf opoffert voor zijn schapen. De goede herder waagt de schapen er niet aan, maar waagt zichzelf er aan (vgl. David, 1 Sam. 17:34-37). Zoals bij Ezechiël de leiders van het volk worden aangeklaagd omdat ze niet de schapen, maar zichzelf weiden en heersen met tyranniek geweld, met als gevolg dat de schapen verstrooid worden, zo klaagt Jezus de huurlingenmentaliteit van zijn tegenstanders, de leiders van het volk, aan. Niet alleen gedragen ze zich als dieven en rovers, bedacht op eigen voordeel maar ook als huurlingen (12): zulke herders in loondienst waren bij nalatigheid volgens het joodse recht verplicht vergoeding te geven. Maar als gehuurde krachten hadden ze geen hart voor de schapen. Die zijn immers niet van hen. Lijfsbehoud ging hen boven zorg voor de kudde. Dan kan de wolf toeslaan. De wolf is symbool voor het gevaar dat de kudde bedreigt. De huurling laat zich betalen voor zijn werk. De goede herder, de ware herder betaalt met zijn leven. Ik ken de mijnen (14): er is verbondenheid en gemeenschap tussen Jezus en zijn schapen, vgl. Spr. 3:6; Ps. 139:1-2; Jes. 63: 16 voor de betekenis van ‘kennen’. Het kennen van Jezus gaat vooraf aan het kennen van de schapen. De wederkerigheid rust in zijn liefde en wordt gedragen door de verbondenheid tussen de Vader en de Zoon. Gelijk Mij: deze relatie staat model en is tegelijk de grond voor de relatie tussen de Herder en zijn kudde. Deze liefdesgemeenschap vindt zijn schoonste uitdrukking in de opofferende liefde van de herder, de kruisdood van Jezus voor zijn schapen. Ik zet mijn leven in (15): vgl. 15:13; 1 Joh. 3:16. Deze liefde doorbreekt nationale grenzen. Nog andere schapen (26): hierbij kan men denken aan de verzameling van de Joden uit de verstrooiing in de lijn van Ez. 37:24-25. Gods knecht zal Koning zijn over het herenigde volk van God. Anderen denken aan de toebrenging van de heidenen tot de ene kudde uit Israel en de volken (vgl. 4:42). Heb Ik… ook die moet Ik: het geschiedt naar het plan van God. Ondanks alle weerstanden zal de verzameling van de kudde doorgaan. Eén kudde, één herder: zie Ez. 37. Vgl. Joh. 17:20, 24.
Hierom… lief (17): dit vs sluit weer aan bij de vss 14-15. Achter de taak van de Herder staat de wil van de Vader (vs 16). Nu komt de daad van de zelfovergave van de Zoon te staan in het licht van de liefde van de Vader (vgl. 3:35; 17:24). De Zoon gaat in gehoorzaamheid de weg die de Vader Hem wijst (vs 18). Niemand ontneemt het Mij (18): ondanks alle aanslagen die zijn vijanden beramen op zijn leven. De Joden zoeken zijn dood. Maar ten diepste geeft Jezus vrijwillig zijn leven, in gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Vgl. 18:4-8. Zie ook Joh. 19:17, 30. Ik heb macht: dwz. Ik heb recht, volmacht. Deze volmacht is door de Vader verleend. Ook de macht van Pilatus (19:10) neemt Jezus’ vrijheid tov. de mensen niet weg. Macht het weder te nemen: niet alleen in Zijn zelfovergave openbaart zich de beschikkingsmacht, maar vooral in zijn macht over de dood. Dood en opstanding van Jezus zijn onlosmakelijk verbonden.
Verdeeldheid 10:19-20
Zoals al eerder (vgl. 7:43; 9:16) veroorzaken Jezus’woorden een schisma onder zijn hoorders. De Joden (19): hier niet alleen de leiders, maar de toehoorders in het algemeen. Bezeten en waanzinnig (20): dit negatieve oordeel is scherper dan in 7:12, 26, 40-41. Vgl. Mar. 3: 21. Geestesziekte en bezetenheid waren voor de mens van die tijd vaak verbonden met elkaar. Zie Hand. 26:24. Waarom… naar Hem: aan een dergelijke verkondiging dient men geen gehoor, nog minder geloof te hechten. Dat zal ook tot de gemeente voor wie Johannes schrijft van joodse zijde gezegd zijn. Geen woorden… openen (21): anderen herinneren zich de genezing van de blindgeborene. Demonen beschadigen mensen naar lichaam en geest. Jezus geneest. Dat geeft hen te denken.
Op het feest van de tempelvernieuwing 10:22-39
In dit gedeelte worden belangrijke themata uit 5:1-10:21 weer opgenomen. Centraal staat, in aansluiting aan Joh. 9-10 de discussie rondom de openbaring van Jezus als Messias en Zoon van God.
Het Vernieuwingsfeest (22): hebr. Chanukka, feest van de tempelvernieuwing. Judas de Makkabeër had de tempel, die door de syrische koning Antiochus Epifanes IV ontwijd was (door een beeld of altaar voor Zeus op het brandofferaltaar te plaatsen) op 25 Kislew 165 (nov./ dec.) weer ingewijd. Besloten werd tot een jaarlijkse herdenking. Het werd op dezelfde wijze gevierd als het Loofhuttenfeest (mede als herinnering aan de tempelwijding onder Zerubbabel) en duurde 8 dagen. Bij Josefus wordt het feest feest der Lichten genoemd. Winter: dat verklaart waarom Jezus zich bevindt in de zuilengang van Salomo, een overdekte galerij aan de oostzijde van de tempel, die in de winter bescherming bood tegen de felle oostenwinden (vgl. Hand. 5:12). Dat de vermelding van het jaargetijde symbolische betekenis zou hebben, is wel wat erg ver gezocht. Wel dient aangetekend te worden dat ook nu weer het dispuut met de Joden op een feest plaats vindt (vgl. Joh. 7-8). Feesten geven het hart van de joodse religie aan. Zeg het ons ronduit (24): vol ongeduld vragen de Joden Jezus zich ronduit uit te spreken of Hij de Messias is. Nogmaals wijst Jezus op het getuigenis van zijn werken. In hun ongeloof verstaan zij de taal van de openbaring niet (25). Vgl. 5:26. Ten diepste is de oorzaak van hun ongeloof dat zij niet tot zijn schapen (26) behoren. De vss 27-28 herhalen enkele uitspraken uit 10:1- schril contrast tot de ongelovige tijdgenoten zijn het de Zijnen die als zijn schapen naar zijn stem horen en Hem volgen (27). Jezus kent hen en waakt over hen. Niemand zal hen aan zijn hand ontrukken (28). Vgl. 6:39-40; 17:12, 18:9. Pogingen om leden van de gemeente tot afval te verleiden (16:1-4) mogen een dreigend gevaar vormen. De zekerheid van de kudde ligt in de bewaring door de Herder (vgl. Op. 1:16). Wat Mijn Vader… te boven (29): de macht van de Vader bewaart hen voor de boze, voor verzoeking en gevaar. De tekst van dit vs bevat verschillende varianten. Een mogelijke vertaling is: Mijn Vader is, wat diegenen betreft die Hij mij gaf, groter dan allen. Ik en de Vader zijn één (30): hiermee motiveert Jezus, waarom de schapen in zijn hoede even veilig zijn als bij de Vader. Jezus is één in wezen en wil met de Vader. In deze gemeenschap van de Vader en de Zoon zijn de schapen opgenomen.
Droegen… stenen aan (31): met de bedoeling Jezus als godslasteraar te stenigen (vgl. 8:59). Vele goede werken doen zien (32): Jezus verweert zich door op zijn werken, zijn genezingen als messiaanse tekenen, te wijzen. Die werken zijn gedaan overeenkomstig de wil van de Vader, hebben in Hem hun oorsprong (vanwege; lett. uit) en betuigen zijn gemeenschap met de Vader. Niet om… U zelf God maakt (33): nu valt openlijk de beschuldiging van godslastering. Zie 5:17; 8:53; 19:7. Jezus tast volgens hen de majesteit van God aan. Daarmee zou Hij zich plaatsen in de rij van Farao (Ez. 29:3), Nebukadnezar (Jes. 14:14), en ook Joaz (2 Kron. 24:17). Zo’n mens moet naar Lev. 24:16 sterven.
Uw wet (34): nu volgt een Schriftbewijs, zoals bij rabbi’s gebruikelijk was. Wet is hier aanduiding van de gehele Schrift. Gij zijt goden: citaat uit Psalm 82:6. De tweede helft van het vs: en allen zonen van de Allerhoogste, wordt niet aangehaald, maar deze woorden zijn wel mee-bedoeld. Een verkort citaat kwam in het rabbijns gebruik van de Schrift wel vaker voor. In de psalm worden de rechters aangesproken (zie ook Ex. 21:6; 22:28). Maar het gaat in dit Schriftbewijs niet om de oorspronkelijke zin van het citaat in de context, maar om de interpretatie van deze psalm ten tijde van de evangelist. Die ‘gij’ zijn de mensen tot wie het Woord Gods gekomen is (35), nl. de Israëlieten bij de Sinai, de ontvangers van de wet Gods, die toch moesten sterven vanwege de zonde met het gouden kalf, zoals een rabbijnse uitleg van de psalmtekst luidde. Als Hij hen… zegt gij dan tot Hem (36): de gedachtengang is, dat als de ontvangers van de woorden Gods al goden en zonen van de Allerhoogste genoemd werden, hoeveel te meer dan degene die Gods woord spreekt en door Godzelf in de wereld gezonden is. De zending van de Zoon van God is vervulling van de belofte. De Schrift kan niet gebroken worden: dwz. kan niet ontkracht worden, maar vindt zijn vervulling juist hierin dat Jezus de Zoon van God is (vgl. 12:38; 13:18; 15:25; 17:12; 19:24, 28, 36). Geheiligd en in de wereld gezonden (36): vgl. Jer. 1:4-7, de afzondering, roeping en toerusting van de profeet Jeremia. Jezus is de Heilige Gods (vgl. 6:69), de drager en schenker van de Geest (1:33, 3: 34; 6:63). Indien Ik de werken… gelooft dan de werken (38): als de Joden door dit beroep op de Schrift nog niet overtuigd zijn van het Zoonschap van Jezus, laten ze dan zijn werken als maatstaf nemen. Laten ze die aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Het geloof in zijn werken moet hen tot het inzicht voeren van Jezus’ eenheid met de Vader. Kennis van deze gemeenschap van Jezus met de Vader is begin en blijvende opgave op de weg van het geloven (vgl. de werkwoordsvormen voor weten en erkennen). De Vader in Mij en Ik in de vader: vgl. 14: 10, 11; 17:21. Te grijpen (39): Jezus’ tegenstanders volharden in hun verzet.
In Perea 10:40-42
Jezus onttrekt zich aan de invloed van de joodse leiders door te gaan naar het gebied aan de overkant van de Jordaan, in Perea (vgl. 1:28). Geen enkel teken (41): dit is mede gericht tegen een verheerlijking van de Doper door bepaalde Doperkringen. Al verrichtte Johannes geen tekenen zoals Jezus, zijn getuigenis aangaande Jezus als Messias was waar en betrouwbaar. Velen… geloofden (42): in contrast met het ongeloof in Jeruzalem komen inhet gebied waar Johannes de Doper van Jezus getuigd heeft, velen tot geloof, dwz. zij erkennen Hem als de Messias.
Dood en opwekking van Lazarus 11:1-57
Na de botsing met het joodse ongeloof (hst. 7 t/m 10) volgt in dit hoofdstuk nog eenmaal de zelfopenbaring van Jezus in het teken van de opwekking van Lazarus. Het is het hoogtepunt in de reeks van tekenen vanaf 2: 11. Jezus is het Licht en het leven der wereld (vgl. 1:4). Opvallend is in dit hoofdstuk de nadruk op het geloof (vss 15, 25-27, 40, 42, 45, 48). In contrast daarmee staat het ongeloof van de joodse leiders die naar aanleiding van dit gebeuren bijeenkomen en besluiten om Jezus te doden.
Naar Betanie 11:1-16
Lazarus (1): griekse vorm van Eleazar, di. God helpt. De verbinding Lazarus van Betanie kenmerkt hem als een historische figuur (vgl. 1:45; 21:2). Betanie: een stadje, drie km (15 stadiën) van Jeruzalem verwijderd en wel in de richting van Jericho. Hiermee komt overeen het tegenwoordige dorp op de oostelijke helling van de Olijfberg, El-Azarije. Maria… Marta: vgl. Luc. 10:38-42. Maria was het (2): de mededeling over de zalving grijpt vooruit op wat in Joh. 12:3 vv verteld wordt (eenzelfde verhaaltechniek vinden we ook in Joh. 1:15, vgl. vs 30). Die gij liefhebt, is ziek (3): in de boodschap zit het stille verzoek om genezing opgesloten. Voor ‘liefhebben’ wordt een woord gebruikt dat wijst op de verbondenheid van vriend tot vriend. Vgl. vs 11 Toen Jezus het hoorde (4): evenals in 9:3 tilt het antwoord van Jezus het gebeuren uit boven het aards-menselijk vlak op het niveau van het heilsplan van God. Het gaat er niet maar om om Jezus’ reddende macht te demonstreren, maar het teken is een openbaring van Gods doxa, zijn heerlijkheid. Ten dode: de richting waarin het gebeuren wijst is niet het donker van dood en verderf, maar de verwachting van het leven. De woorden hebben niet de zin om te suggereren dat het allemaal zo erg niet is, integendeel: Lazarus sterft immers spoedig. Maar de dood zal niet het laatste woord hebben. Ter ere Gods: deze vertaling wekt de indruk, dat de mensen God zullen prijzen om het gebeuren. Maar Lazarus’ opwekking voert tot tweeërlei reactie: geloof en ongeloof. Beter is de SV: ter heerlijkheid Gods (vgl. vs 40) of de vertaling van de KBS: om Gods glorie. God zal door het werk van de Zoon op bijzondere wijze zijn heerlijkheid openbaren. En de Zoon zal er door verheerlijkt worden. Het teken van de opwekking van Lazarus wijst heen naar de opstanding van Jezus zelf. Jezus had… lief (5): nogmaals wordt de liefde van Jezus onderstreept. Hier wordt een ander woord gebruikt dan in vs 3, nl. liefhebben in de zin van de agapè, die de natuurlijke liefde in de zin van vriendschap niet uitsluit, maar toch vooral de nadruk legt op het bewust kiezende van de goddelijke liefde jegens zondaren. Toen… nog twee dagen (6): in het licht van de opmerking in vs 5 over Jezus’ liefde klinkt dit bevreemdend in de oren. Waarom talmt Jezus? In elk geval niet uit onbewogenheid. Hij handelt in gehoorzaamheid aan Zijn Vader, op het uur dat Deze Hem wijst. Laten wij… gaan…gaat Gij weder daarheen? (7-8): na twee dagen stelt Hij zijn leerlingen voor vanuit het Overjordaanse naar Judea te gaan. Judea is het domein van de Joden, de joodse leiders, Jezus’ tegenstanders. Gaan naar Judea betekent komen binnen hun invloedssfeer. Jezus’ leerlingen herinneren Hem aan de poging van zijn tegenstanders Hem te stenigen (10:39). Zij raden Hem dat af.
Gaan er… in de dag? (9): deze vraag herinnert aan 9:4. De indeling in 12 uur is joods. Ondanks de wisselende lengte van de dagen, wat het daglicht betreft, telde men steeds 12 uur. Het licht van deze wereld: di. het zonlicht. Jezus bedoelt met deze spreuk: Mij en ook jullie dreigt op klaarlichte dag geen gevaar. De dag is de Mij toegemeten tijd tot werken. Ongelukken gebeuren niet overdag, maar in de nacht. In vs 10 krijgt het beeld een symbolische betekenis. Bij nacht… stoot hij zich… licht niet in hem is (10): wie niet op de weg van de navolging gaat, in de gemeenschap met Hem Die het licht is, komt ten val. Jezus bemoedigt met dit woord zijn leerlingen – zolang het dag is, vermogen zijn vijanden niets – en waarschuwt hen tevens. Ingeslapen… uit de slaap te wekken (11): nu deelt Jezus zijn leerlingen mee, dat Lazarus ontslapen is. Zie voor sterven als ontslapen Mat. 27:52; Hand. 7.60; 1 Tess. 4:13. Evenals in 1:47; 2:24; 6:64, 12: 33 legt de evangelist nadruk op Jezus’ goddelijk weten. De discipelen… rust van de slaap bedoelde (12-13): de door Jezus gebezigde woorden worden door de leerlingen niet verstaan. Zij vatten het op in de zin van de natuurlijke slaap. Slaap is huns inziens een teken van beterschap. Maar zij begrijpen niet, dat Jezus met ‘uit de slaap wekken’ bedoelde de opwekking uit de doden. Het verblijdt Mij… opdat gij tot geloof komt (14-15): nu spreekt Jezus onomwonden van Lazarus’ dood. Jezus is blij dat Hij niet ter plekke was om Lazarus te genezen. Hij wil door dit teken het geloof in Hem als Messias en Zoon van God versterken. De vert. van het NBG is te sterk op het tot geloof komen gericht. Het gaat om een steeds dieper geloven. De nacht van het lijden zal immers een beproeving voor hun geloof zijn.
Tomas… Didymus (16): Didymus betekent tweeling. In de apocriefe Acta van Tomas wordt deze apostel de tweelingbroeder van Jezus genoemd, maar die bewering mist alle grond. In gnostische kringen gold hij als ontvanger van geheime openbaringen. Het vierde ev. tekent hem als de zwaarmoedige leerling, die twijfelt aan de werkelijkheid van Jezus’ opstanding en toch de rijkste belijdenis aflegt (vgl. 14:5 en 20:24-29). Ook hier komt zijn zwaarmoedigheid naar voren. Van de belofte die in Jezus’ woorden ligt begrijpt hij niets. Voor hem is de dag wel vol doodsgevaar. Toch volgt hij Jezus en wekt de anderen op Jezus op zijn weg te volgen. Voor de aangevochten johanneïsche gemeente is Tomas een herkenbaar discipel.
De ontmoeting met Marta en Maria 11:17-32
Vier dagen: (17): deze tijdsaanduiding wijst er op, dat Lazarus kort na het vertrek van de boodschapper, die het bericht van zijn ziekte aan Jezus bracht, gestorven is. Met deze tijdsaanduiding wordt overigens onderstreept dat Lazarus echt gestorven is. Alle twijfel daaraan is uitgesloten. In de regel werd iemand op dezelfde dag waarop hij stierf, ook begraven, vgl. Hand. 5:6. Vijftien stadiën (18): di. 15 x, ongeveer een half uur gaans van de grens van Jeruzalem. De geringe afstand Jeruzalem-Betanië verklaart ook de aanwezigheid van zovele Joden in het sterfhuis. Het waren blijkbaar bekenden uit Jeruzalem. De Joden (19): zij zijn getuigen van het gebeuren, en blijken straks verdeeld in hun reacties. Het is niet nodig hier speciaal te denken aan vijandige volksgenoten, zoals elders in het ev. Gekomen om… te troosten: het troosten van rouwenden behoorde tot de werken der liefde die geen vrome Jood achterwege zou laten. Behalve bij de graflegging kwam men nog de daaropvolgende zeven dagen in het sterfhuis. Marta… ging tegemoet (20): evenals in Luc. 10:38-42 wordt Marta hier getekend als de meer actieve en daadkrachtige. Indien Gij hier… niet gestorven zijn (21): dit is geen verwijt. Marta spreekt haar vertrouwen uit in de genezende macht van Jezus. Er is verschil met vs 37. Ook nu weet ik (22): Marta blijft vertrouwen op de voorbede van Jezus voor de Zijnen. Haar geloof richt zich meer op de Persoon van Jezus dan op de wijze van de hulp. Al wat… begeert: vgl. 16:30.
Uw broeder zal opstaan (23): Jezus antwoordt in bewoordingen die een dubbele zin hebben (vgl. 4:10, 32; 6: 27; 9:39). Het kan verstaan worden in de zin van het joodse geloof aan de opstanding der doden in de eindtijd; het kan ook aangeven Jezus’ wil de dode Lazarus op te wekken. Het geloof in de eschatologische opstanding was bij de Farizeeërs en onder het volk verbreid (vgl. Mar. 12:18-27 par). Ook Marta’s gedachten gaan in die richting: Ik weet, dat hij zal opstaan… dage (24). Tegenover de joodse toekomstverwachting wordt in de volgende vss de presentie van het heil in Jezus gesteld.
Ik ben de opstanding en het leven (25): dit lk-ben woord vormt een hoogtepunt in het evangelie. Marta behoeft niet naar de toekomst te kijken. Jezus openbaart zich als Degene aan Wie de aan God voorbehouden macht tot levendmaken (5:25) verleend is (5:26). Deze macht waarvan reeds sprake was in Joh. 4:50-53 vindt in deze opwekking van Lazarus haar hoogste uitdrukking. De verbinding ‘opstanding’ en ‘leven’ is geen pleonasme. In Hem, die de opstanding is, waarvan Lazarus’ opwekking nog maar een teken is, is de dood overwonnen. Daarom is Jezus ook het leven (vgl. 14:6). Leven is in het O.T. op vele plaatsen het leven in gemeenschap met God (vgl. Deut. 30:10-20). Zie voor leven als gevolg van en na de opstanding der doden Jes. 26:19; Dan. 12:2. Het leven dat Jezus is en schenkt is in de kwalitatieve zin van het woord eeuwig leven (vgl. 3:16, 36). Om door en met Jezus te leven is nodig door het geloof met Hem verbonden te zijn: wie in Mij gelooft, zal leven… niet sterven (26): de dood is voor de gelovige de doorgang tot het eeuwig leven. Vgl. Gal. 2:20; Rom. 8:35. Het aardse leven krijgt een nieuwe dimensie. Ook de gelovige sterft, maar de verbinding met Hem die het Leven is, betekent eeuwig leven. ‘De gestorvene leeft en de nog levende sterft niet’ (C. Bouma). Reeds nu mag de vreugde van het eeuwig leven gesmaakt worden, ook al blijft er het perspectief op de toekomst. Gelooft gij dat?: het geloof richt zich op de beloften van de Here en daarin op Hem zelf. Door het geloof deelt men in het heil. Ik heb geloofd (27): Marta belijdt bij het graf van haar broeder, in het aangezicht van de dood haar geloof in Jezus als de Messias, de Zoon van God. Vgl. 6:68-69. De gelovige vermag niet het donkere heden te doorlichten met rationele argumenten, noch de toekomst te doorgronden met menselijke prognoses, maar houdt zich vast aan Jezus en is in Hem zeker van zijn heil. Voor de gemeente voor wie het evangelie bestemd is, is Marta’s belijdenis exemplarisch. Die in de wereld komen zou: vgl. Ps. 118:26 en Zach. 9:9. Jezus is de Komende, vgl. Mat. 11:3; Joh. 6:14. De verbinding van de beide titels: Messias en Zoon van God snijdt een nationalistische messiasverwachting af. Riep Maria (28): Marta roept Maria weg uit de kring van de Joden. Het gesprek van Jezus met de Zijnen is van andere aard dan met de ongelovige wereld. De Meester… roept u: Marta spoort Maria aan zich in geloof aan Jezus’ woord over te geven. Stond… ijlings op (29): dat tekent haar verbondenheid aan Jezus. Dat zij… om te wenen (31): als Maria grafwaarts gaat, volgden de condolerende Joden haar. Men is van mening dat zij bij het graf haar tranen de vrije loop wil laten, een zede die als joods rouwgebruik bekend is (vgl. Gen. 50:10; 2 Sam. 3:32; Jer. 38:15 LXX, Mat. 28:1. Here… niet gestorven zijn (32): Maria gebruikt dezelfde woorden als Marta, vgl. vs 21. Verbolgen in de geest (33): Maria en de Joden worden hier getekend als wenenden, klagenden. Het werkwoord wordt elders gebruikt voor de dodenklacht op de begrafenisdag. Het gebeuren wekt bij Jezus een heftige gemoedsbeweging op. Jezus is diep bewogen (vgl. hetzelfde woord in 14:1, 27 en 12:27; 13:21), ja toornig (vgl. Mat. 9:30; Mar. 1: 43; 14:5). Wat is de reden van deze toornige gemoedsbeweging? Volgens sommige uitleggers is het het ongeloof van de klagenden, maar dit gaat ten aanzien van Marta en Maria niet op. We zullen ook mogen denken aan toorn vanwege de macht van de dood. Gelegd (34): dwz. bijgezet, begraven. Kom en zie: zie 1:39. Op levendige wijze schildert de evangelist de gang naar het graf. Hij tekent zowel Jezus’ verhevenheid als de Zoon, zijn alwetendheid, alsook zijn mens-zijn in vernedering. Jezus weende (35): vgl. Heb. 5:7. De tranen van Jezus getuigen niet alleen van zijn solidariteit met de rouwenden, maar ook van zijn droefheid over een wereld, onderworpen aan de macht van de dood. Het evangelie verzwijgt de huiver over dood en graf niet (vgl. Jes. 38; Ps. 88). Juist tegen deze achtergrond van de bitterheid van de dood, komt het wonder van de opwekking in een des te helderder licht te staan. De Joden dan zeiden: zij verstaan niet wie Jezus is en wat zijn werken zijn. Sommigen concluderen uit zijn tranen zijn liefde voor de gestorvene, anderen herinneren aan de genezing van de blindgeborene (Joh. 9). Hij had de dood van zijn vriend toch kunnen verhinderen, menen zij. Itt. vs 21 en 32 klinkt hier een verwijt in mee. Tegelijk legt de evangelist een verbinding tussen beide tekenen: Jezus openbaart zich als het licht en het leven. Wederom bij zichzelf verbolgen (38): vgl. vs 33. Nu betrekt deze toorn zich op het ongeloof van de omstanders, die van Gods wegen en werken niets verstaan. Graf… spelonk… steen: de graven lagen buiten de stad. Vaak werd begraven in spelonken, vaak natuurlijke rotsspleten. Misschien moeten we denken aan een soort grafkamer, die men via een voorhal bereikte. Een steen dekte de grafkamer van boven. Een trap gaf toegang tot het graf. Marta zeide… de vierde dag (39): een kort gesprek tussen Jezus en Marta onderbreekt het gebeuren.
Marta maakt opmerkzaam op het feit dat de ontbinding reeds ingetreden is. Jezus herinnert haar aan de in vss 2526 gegeven belofte. Heb Ik u niet gezegd (40): voor wie gelooft zal de luister van Gods macht over dood en graf zichtbaar worden, vgl. vs 4. Deze treedt naar voren in de daad van de Zoon aan Lazarus, maar in de laatste zin in Zijn opstanding uit de doden. Alle tekenen maken Gods heerlijkheid zichtbaar (2:11), maar wel zeer bijzonder dit teken van de overwinning op de dood. Er is geloof nodig om het te zien.
Jezus sloeg de ogen op: vgl. 17:1. Zie ook Ps. 123:1; Klaagl. 3:41; Mar. 6:41. Hij die uit de hemel gekomen is, staat voortdurend met de hemel in contact (vgl. 1:51). Het wonder is gebedsverhoring. De Zoon voegt zich in alles naar de wil van de Vader, is één met de Vader. We zijn hier wel zeer ver verwijderd van de hellenistische idee van de ‘goddelijke mens’ en zijn bovenmenselijke krachten. Omdat de Vader de Zoon altijd hoort is Jezus’ bidden tegelijk danken. Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt(4): vgl. Mat. 11:25. Altijd (42): omdat de Zoon altijd doet wat de Vader welbehagelijk is (8:29), daarom is Hij altijd zeker van de liefde en de verhoring van de Vader. Ook de gelovige mag zeker zijn van verhoring als hij bidt ‘in Jezus’ naam’ (vgl. 14:13; 15:7; 16:23-24). Ter wille van de schare: de schare is getuige van het wonder. Jezus spreekt dit gebed uit, opdat zij het wonder zullen verstaan als een getuigenis van God met betrekking tot zijn komst en werk. Riep Hij met luider stem (43): het luide roepen drukt Jezus’ macht en hoogheid uit. Het is het goddelijk bevel waardoor de doden ten leven gewekt worden (1 Tess. 4:16; vgl. Joh. 5:28). Zie voor de oudtestamentische achtergrond Ez. 37. De stem, waarmee Jezus de dode Lazarus opwekt is een weerklank van de roep waarmee Hij de mensen die in Hem geloven, roept ten eeuwige leven (vgl. 5:24-25). De voeten en handen gebonden met grafdoeken (44): vgl. 19:40. Zweetdoek om zijn gelaat (vgl. 20:7). Dat Lazarus aldus uit zijn graf treedt wordt door kerkvaders een ‘wonder in het wonder’ genoemd. Maakt hem los en laat hem gaan. De banden des doods (Ps. 18:6; 116:3) worden losgemaakt. Blijkbaar waren de omstanders door het gebeuren verschrikt en hadden zij een aansporing nodig tot handelen. Vgl. bij vs 44 Mar. 5:43. De dode keert terug in het gewone leven. De sobere berichtgeving laat alle nadruk vallen op het tekenkarakter: Jezus is Heer over de dood. Het wonder bevestigt zijn openbaringswoord (vs 25).
Het besluit van het Sanhedrin 11:45-57
Velen… sommigen (45-46): de opwekking van Lazarus bewerkt verschillende reacties. Velen komen tot geloof (vgl. 12:13, 19). Maar andere rapporteren het gebeuren aan de Farizeeërs, met het oogmerk dat zij eventueel maatregelen nemen (vgl. 7:25, 32). Riepen de Raad samen (47): hogepriesters en Farizeeërs, die in het ev. van Joh. de joodse autoriteiten representeren, en met name de laatstgenoemden, roepen de hoge Raad, het Sanhedrin, bijeen. Het samenroepen van de Raad was overigens een recht van de hogepriester. Wat doen wij?: bezorgdheid drijft hen te samen. De door Jezus verrichte wonderen verwekken een volksbeweging. Het gevaar is, dat de Romeinen zullen ingrijpen uit vrees voor een messiaanse beweging tegen de bezetter. Dan is het gedaan met hun nationaal bestaan. Onze plaats (48): dwz. de tempel (vgl. 4:20; Mat. 24:15; Hand. 6:13; 21:28. Ons volk: ethnos als aanduiding van de joodse natie. Het gaat de leiders dus om godsdienstige vrijheid. Maar in hun blindheid zien zij niet dat hun bestaan als Israel alles te maken heeft met de erkenning van de door God gezonden Messias. Ondanks de tekenen komen zij niet tot geloof (vgl. 5:44). En wat zij zoeken te verhinderen, is toch gebeurd. In het jaar 70 is de tempel verwoest en het volk verstrooid. In deze situatie van delibereren is het Kajqfas (49), die een knoop doorhakt. Zijn diplomatieke en politieke slimheid blijkt uit het feit dat hij er in slaagt 19 jaar zijn ambt te bewaren, langer dan enig hogepriester in de le eeuw na Chr.Hogepriester van dat jaar (vgl. 11:51; 18:13): dwz. in dat gedenkwaardige jaar, waarin Jezus gekruisigd werd. De uitdrukking bedoelt niet te zeggen dat men slechts voor een jaar gekozen werd, zoals in de heidense wereld buiten Israel wel voorkwam. Gij weet niets: een felle en trotse uitlating. Maar de evangelist laat uitkomen dat Kajafas met zijn profetie zelf in onwetendheid bevangen is. Dat één mens sterft voor het volk (50): zonder morele scrupules en op cynische wijze laat Kajafas het alternatief zien: of de ene of het hele volk. Nuttigheidsoverwegingen geven de doorslag. Voor ‘volk’ wordt een ander woord gebruikt dan in de vss 48 en 50b, nl. het woord laos = het verbondsvolk. Profeteerde (51): de evangelist becommentarieert de woorden van de hogepriester als onbedoelde profetie aangaande Jezus’ plaats-bekledend lijden. Het is opvallend dat deze profetie met het hogepriesterambt in verband wordt gebracht. God gebruikt deze hogepriester die zich tegen Jezus verzet als zijn werktuig, zoals eens Bileam (Num. 22:24), om de ware Hogepriester die tevens het offer is aan te wijzen. Sterven voor het volk: dwz. ter verzoening van de schuld, vgl. 1:29; 17:19; 1 Joh. 2:2; 5:10. De heilsbetekenis van Jezus’ sterven betreft niet alleen het volk Israel. Jezus sterft om de verstrooide kinderen Gods (52) bijeen te vergaderen. Volgens sommigen slaat dit op de Joden in de Diaspora en staat op de achtergrond van dit vs de oudtestamentische verwachting van de vergadering van ■de Diaspora (Jes. 11:12; Mi. 2:12; Ez. 11:17; 34:12 v, 16; 37:24-25). Zie ook Joh. 10:16. Anderen denken aan de heidenen (vgl. Joh. 3:16; 12:20-32). Mogelijk representeren de verstrooide Joden de heidense volken. Kinderen Gods: vgl. 1:12. Niet de natuurlijke afstamming redt. Het gaat om goddelijke roeping en vernieuwing (vgl. 8: 47; 10:3-4, 27; 13:1; 17:10; 18:37). Is het verstrooien voor joods besef een vloek, in ons vs is sprake van de zegen van Jezus’ heilswerk. De Messias verzamelt door zijn dood en opstanding het nieuwe volk Gods uit Israel en de heidenen. Sinds die dag (53): de dag waarop Lazarus werd opgewekt uit het graf is de dag waarop besloten wordt Jezus te doden.
Naar een stad Efraim (54): nu de vijandschap toeneemt beweegt Jezus zich niet meer vrij onder het volk. Hij trekt zich terug in de dunbevolkte streek ten N.O. van Jeruzalem in een niet verder in de evangeliën genoemd plaatsje Efraïm, vermoedelijk het huidige dorp Et-Taiji-be, ongeveer een dag van Jeruzalem verwijderd. Pascha… nabij (55): het ophanden feest dat altijd al met messiaanse verwachtingen verbonden was, doet de spanning toenemen. Zal Jezus wel of niet op het feest komen?
Mannelijke Joden waren verplicht driemaal per jaar voor het aangezicht des Heren te verschijnen in Gods huis (vgl. Ex. 23:17; 34:23; Deut. 16:16). Uit de vorm van de vraag (56) blijkt dat men verwacht dat Hij op het Pascha zal komen. Om zicch te reinigen: vele Joden van het platteland pelgrimeerden naar de tempelstad om daar vroegtijdig te zijn om de in Num. 9:6-13 (vgl. 2 Kron. 30: 15-19) vereiste reinigingsvoorschriften te volbrengen. Daar de mannen voor het offeren van de paaslammeren de tempelvoorhof moesten betreden, was deze reiniging absoluut noodzakelijk (vgl. ook 18:28). In de vermelding van het Pascha zit ook een theologisch motief: Jezus zal als het ware paaslam sterven.
De overpriesters… nu (57): in tegenstelling tot het volk, dat gespannen uitkijkt of Jezus komt, oefenen de autoriteiten druk uit. Voorschriften: nl. de verplichting om aangifte te doen van Jezus’ verblijfplaats, zo men die weet. Mogelijk moet dit vs gelezen worden tegen de achtergrond van het joodse strafrecht. Het lijden staat voor de deur!
Lijden en verheerlijking 12:1-50
Dit hoofdstuk behelst de laatste episode van het getuigenis van Jezus in het openbaar. Het staat in het teken van het ophanden zijnde lijden en sterven van Jezus. Maar het kruis is de weg tot de verhoging. Dat is de teneur van dit hoofdstuk, dat afgesloten wordt door een samenvattend bericht waarin nogmaals de themata van Jezus’ openbarend werk in woord en teken en de reacties der mensen in geloof en ongeloof naar voren komen.
Dezalving te Betanie 12:1-11
De zalving in Betanië door een vrouw wordt ook verteld door de Synoptici. Bij Matteüs (26:1-16) en Marcus (14: 1-11) vinden we deze gebeurtenis na de intocht. Johannes plaatst dit bericht voor de intocht. Wat betreft Lucas zie bij Luc. 7:36-50.
Elk van de evangelisten verwerkt de traditie-stof overeenkomstig de doelstelling en met het oog op de situatie van zijn evangelie.
Te Betanië, waar Lazarus was (1): de zalving wordt verbonden met Joh. 11. Jezus zit aan aan een maaltijd. De gastheer wordt niet genoemd (in Mat./Mar.: Simon, de melaatse). Lazarus is een van de gasten. Marta bediende (2): vgl. Luc. 10:40. Nu vertelt Johannes wat hij in 11:2 al had aangeduid: de zalving door Maria. Een pond… nardusmirre (3): de nardusolie werd bereid uit de wortel van een in India voorkomende nardusplant. Vgl. Hoogl. 1:12; 4:13 v. Het was een kostbaar parfum. Daarnaast vermeldt de evangelist ook dat de nardus echt was (als wij tenminste het woord pistikè dat in de vert. van het NBG met ‘echt’ wordt vertaald niet moeten afleiden van de pistacio-noot, waaruit de olie gewonnen werd. In dat geval zou Johannes dus een zeer nauwkeurige beschrijving van de dure olie gegeven hebben). Opvallend is de vermelding van de hoeveelheid (1 romeins pond = ). Zalfde… haren: vgl. Luc. 7:38. Door het gehele huis: de verspreiding van de geur wijst op het buitengewone en overvloedige van de daad. De tekening van het gebeuren doet de hoogheid van Jezus uitkomen. Voor zijn dood ontvangt hij dit eerbewijs, dat beantwoordt aan de eervolle begrafenis (vgl. 19:39 v). Judas (4-5): In onderscheid van Mat./Mar. is het hier speciaal Judas, ‘de Iskariot’, die uiting geeft aan zijn ergernis. Men had de olie duur kunnen verkopen (300 schellingen = 300 x het dagloon van een arbeider) terwille van de armen. Omdat hij een dief was (6): geen bewogenheid met de armen drijft hem, maar hebzucht (vgl. Mat. 26: 15), die Judas er toe brengt zich te verrijken ten koste van anderen. Als beheerder van de kas was dat niet moeilijk voor hem. Laat haar begaan en het bewaren (7): dat zou betekenen dat Maria de rest van de nardus moet bewaren voor zijn begrafenis. Maar dat klopt niet met 19: 39. Zie SV: zij heeft dit bewaard tegen de dag mijner begrafenis, een constatering waarmee Jezus aangeeft dat Maria met haar daad anticipeert op zijn begrafenis, vgl. Mar. 14:8. Want de armen (8): vgl. Deut. 15:11. Mij… niet altijd: vgl. 12:35 v. Door haar daad heeft Maria laten zien, wie zij in hun midden hebben. Onbewust heeft zij Jezus’ heerlijkheid ook in dood en begrafenis betuigd. Haar daad is een daad van geloof.
De grote menigte (9): waarschijnlijk wel pelgrims die Jeruzalem bezochten ter gelegenheid van het Pascha. Opdat zij Lazarus zouden zien: een uiting van wondergeloof en sensatiezucht. Uit de doden opgewekt: dwz. uit het rijk van de doden. De Joden zagen uit naar de eschatologische opstanding der doden. Om Lazarus te doden (1011): in contrast tot het geloof van de menigte staat de haat van de priesters. Ook Lazarus moet huns inziens sterven, omdat het met hem gebeurde mensen er toe brengt in Jezus te gaan geloven. De aanhang die Jezus krijgt, ergert hen (vgl. 12:19).
De intocht in Jeruzalem 12:12-19
De volgende dag (12): de dag na de zalving. De grote menigte: een schare pelgrims trekt Jezus tegemoet. Uit vs 17 valt af te leiden dat er ook een stoet is die Jezus vergezelt. Pelgrims vanuit Betanië en vanuit Jeruzalem huldigen Jezus. Palmtakken (13): lett. ‘palmtakken van palmen’, een pleonasme. Palmtakken werden gebruikt bij het Loofhuttenfeest, nl. voor de Mab, de feestruiker (Lev. 23:40), maar van dat feest is hier geen sprake. Palmtakken zijn symbool van de overwinning (vgl. Op. 7:9). Vanaf de dagen van de Makkabeeën had dit symbool in Israel zijn plaats op munten. Een rabbijns gezegde luidde: ‘wie de palmtak in zijn hand draagt, van deze weten wij, dat hij de overwinnaar is’. Gingen uit Hem tegemoet: Jezus wordt als een heerser begroet, nl. als Mes-sias-koning. Vgl. Joh. 6:15. Hosanna: oorspr. ‘help toch’, een vreugderoep ontleend aan Ps. 118. De feestruiker bij het Loofhuttenfeest werd eveneens Hosanna genoemd. In verband met het Hosanna als liturgische roep bij de processie op dit feest. De Koning van Israel (13): vgl. Joh. 1:50. De begroeting is geladen met messiaanse verwachtingen. Jezus wijst deze hulde niet af, maar corrigeert de nationalistische gevoelens, doordat hij gaat zitten op een jonge ezel die Hij vindt (14). Het citaat uit Zach. 9:9 tekent de Messias als vredevorst. Het rijden op een ezel staat in tegenstelling tot het rijden op een paard, het strijdros, teken van macht. Wees niet bevreesd (15): ipv. ‘Jubel luide’ in Zach. 9:9. Waarschijnlijk is het citaat een combinatie van Zach. 9:9 met Sef. 3: 15-16. Het messiaanse heil betekent geborgenheid inGod, vrede en vreugde. Jezus is de ware Koning van Israel, wiens heerschappij niet steunt op geweld (vgl. 18:36) en niet in deze wereld zijn oorsprong vindt (vgl. 18:37) . Evenals in Joh. 2 bij de tempelreiniging deelt de evangelist mee, dat de leerlingen van Jezus pas na de opstanding en na de uitstorting van de Geest (hier te samen genomen in het woord: toen Jezus verheerlijkt was (17)), de relatie van het gebeuren tot de profetie van Zacharia 9 verstonden. Herinnerden:.het is de Geest die hen dit doet verstaan, vgl. Joh. 14:26. De schare (17): vgl. 11:42. Als oog- en oorgetuigen melden zij in Jeruzalem het wonder van de opwekking van Lazarus. Dat is voor de pelgrims reden te over Hem tegemoet te trekken. Zie, de gehele wereld loopt Hem na: met lede ogen constateren de tegenstanders van Jezus, dat zij niets bereiken. Onbewust en onwetend betuigen zij niettemin Jezus’ koninklijke heerschappij, zoals het vervolg laat zien.
Sterven en vruchtdragen 12:20-36
Enige Grieken… opgingen (20): sommige denken aan griekssprekende Joden uit de verstrooiing, maar eerder is te denken aan Grieken, die als proselieten zich bij het joodse volk hebben aangesloten of behoorden tot de zgn. Godvrezenden, mensen met belangstelling voor het geloof van Israel, bezoekers van de synagoge, maar die toch de stap naar het Jodendom niet gedaan hadden. Dat zulke mensen met het Pascha naar Jeruzalem pelgrimeerden vertelt ook Josefus. Aanbidden: vgl. Hand. 8:27. Zien: zij willen Jezus leren kennen, vgl. Joh. 4:20-24. Hun verzoek behoort tot de signalen die heenwij zen naar de toebrenging van de volken (4:42; 10:16; 11:52). Joh. 12:19 wordt werkelijkheid. Filippus-Andreas: deze beide discipelen droegen een griekse naam. De evangelist accentueert de afkomst van Filippus uit Galilea, dat sterker dan Judea hellenistische invloeden had ondergaan en aan heidense gebieden grensde (vgl. Mat. 4:15). De ure… verheerlijkt worden (23): in zijn antwoord laat Jezus horen, dat nu het uur van de verheerlijking voor Hem gekomen is. De werkwoordsvorm kan omschreven worden met ‘blijvend ingetreden’. Door lijden en sterven wordt de Zoon des mensen verhoogd (3:14; 6:62). In het woord ‘verheerlijking’ gaat het zowel om de opstanding en verhoging als om de volheid van de heilsmacht die Hem verleend is om Jood en heiden tot zich te trekken. Jezus gaat niet in op het verzoek van de Grieken. Wil Hij er mee aangeven dat Hij, voordat Hij zijn reddende heerschappij over Israel en de volken kan uitoefenen, eerst verhoogd moet worden aan het kruis? In ieder geval laat vs 24 horen, dat de wijze waarop Jezus verheerlijkt wordt volstrekt anders is dan Grieken zich heerlijkheid voorstelden. Voorwaar, voorwaar (24): plechtig verzekert Jezus dat sterven de enige manier is om vrucht voort te brengen. De gelijkenis van de graankorrel was in verschillende vormen bekend. Volgens de rabbijnen was het zo, dat als de graankorrel naakt in de aarde begraven wordt, maar in rijke bekledingen opschiet, dit zoveel te meer zal gelden voor de rechtvaardigen: zij zullen niet naakt, maar in hun kleren opstaan. Vgl. ook 1 Kor. 15: 12:24 is het beeld op Jezus’ sterven betrokken. Veel vrucht: vgl. Jes. 53:10; Joh. 12:32; 17:2. Na Pasen en Pinksteren zal Jezus de vrucht oogsten door de arbeid van zijn discipelen (vgl. 15:8,16). Wie zijn leven liefheeft (25): de weg van de discipel is de weg van de navolging. Zie ook Mat. 10:39; Luc. 17:33, Mat. 16:25; Mar. 8:35, Luc. 9:24. Johannes stelt tegenover elkaar: liefhebben/ haten (vgl. Luc. 14:26), dwz. prioriteiten stellen. Voor wie Jezus’ zaak prioriteit geeft en Hem dient en volgt is er het uitzicht op het eeuwig leven. Met haten is niet bedoeld een of andere vorm van zelfhaat, maar de bereidheid eigen voordeel en veiligheid terwille van Christus prijs te geven en ondanks de haat van de wereld Hem te volgen en trouw te zijn tot in de dood (vgl. Op. 2:10). Waar Ik ben: nl. het Vaderhuis (14:2-3). De Vader zal de trouwe dienaar van Jezus eren, dwz. deel geven aan de hemelse heerlijkheid.
Nu is… ontroerd (27): vgl. voor het ‘nu’ vs 23. Nu zijn dood nabij is, geraakt Jezus in een heftige emotie. Dat herinnert aan de gebedsstrijd in Getsemane. Vader verlos Mij uit deze ure: anders dan de vert. van het NBG doet, is deze zinsnede als een vraag op te vatten. ‘Zal Ik zeggen: Vader, red Mij uit dit uur van lijden?’ Jezus wil en kan dit niet bidden, want zijn hele leven was gericht op het uur van zijn lijden en verheerlijking. Daaraan onttrekt Hij zich niet. De Zoon gaat de lijdensweg (10:18; 14:30; 16:32; 18-19), met alle donkerheid en smart, maar Hij gaat in gehoorzaamheid. Vader, verheerlijk Uw Naam (28): Gods Naam die Jezus geopenbaard heeft, bergt heiligheid, gerechtigheid, liefde en barmhartigheid in zich. Vgl. Mat. 6:9. Hoogste doel van zijn lijden is, dat door Jezus’ kruisoffer Gods heerlijkheid weer gaat oplichten in deze zondige wereld. Ik heb hem verheerlijkt: nl. in het gehele aardse werk van Jezus tot op dit uur. Zal hem… verheerlijken: door Zijn Zoon te verhogen en zijn dood voor de wereld vruchtbaar te maken. Donderslag… een engel (29): de omstanders staan vreemd tegenover deze openbaring van God. Donderslag: zie voor de donder als teken of stem van God 1 Sam. 12:17-18; Ps. 29:3-9; Job 37:2-5.Engel: vgl. Gen. 21:17; 22:11; Dan. 10:9. Het geloof in engelen was in die tijd zeer sterk. Niet om Mij… om u (30): Gods stem wil de hoorders tot geloof in Jezus wekken. De stem onderstreept het gewicht van dit heilshistorisch ogenblik (vgl. Mat. 3:17; 17:5). Nu (32): nu het uur van Jezus’ dood gekomen is, voltrekt zich het oordeel, de crisis (vgl.3:18-19). Jezus’ verheerlijking betekent de grote wending in deze wereld. Deze wereld: aan zonde en dood vervallen, van God afgekeerd. Overste dezer wereld: Jezus’ verhoging in kruis en opstanding betekent de ontmachtiging van de satan, die weliswaar niet de jure, maar de facto de wereld beheerst. Buitengeworpen: vgl. 16:11. Satan wordt verdreven uit zijn domein. Deze verdrijving betekent ook zijn definitieve nederlaag (vgl. Luc. 10:18; Op. 12:7 w; 20:10). Dit tot troost van een aangevochten gemeente. Door Jezus’ verhoging staat de machteloosheid van de satan ten principale vast. Van de aarde verhoogd: vgl. Jes. 52:13- contrast tot de val van de wereldbeheerser staat de intronisatie van Jezus, de gekruisigde die de verhoogde is, de Here der wereld. Van de aarde: met en door het kruis bereikt Jezus de verhoging in de hemelse wereld, tot redding van de Zijnen. Allen: de ene gemeente uit Joden en heidenen. Trekken: vgl. 6:44. Het woord wijst op de volmacht van Jezus. Tegelijk drukt het ook de zekerheid van het heil uit. Jezus overwint in hen die Hij tot geloof brengt. Om aan te duiden (33).
Met dit verklarende woord geeft de evangelist aan dat er geen andere weg tot de verhoging is dan via het kruis. Jezus is de verhoogde als de gekruisigde. De smadelijke dood aan het kruis is tegelijk de verhoging van de Zoon des mensen (8:28; 18:32). Tegelijk komt naar voren, dat Jezus geweten heeft op welke wijze Hij zou sterven. Uit de wet gehoord (34): de schare protesteert. Wat Jezus zegt over zijn heengaan, klopt niet met de Schrift in hun visie. Mogelijk is er een zinspeling op Ps. 89:37. In het debat van de jonge gemeente met de synagoge was in de tijd waarin Johannes zijn evangelie te boek stelde steeds weer de vraag: hoe kan een gekruisigde de Messias zijn? De schare meent de Schrift beter te kennen dan Jezus (wij tegenover gij). De joodse Messias verwachting botst met Jezus’ prediking en zelfopenbaring aangaande zijn weg als de weg van de Zoon des mensen. Wie is deze Zoon des mensen?: dat is geen vraag naar de Persoon van Jezus, maar een sarcastische opmerking: ‘wat is dat voor een Zoon des mensen die zo spreekt? Zo iemand kennen wij niet!’ Nog een korte tijd… kinderen des lich ts (35-36): Jezus gaat op de tegenwerping van de schare niet in. Hij richt een laatste appèl aan de schare om te komen tot Hem, het licht der wereld, nu het nog kan. Vgl. 8:12. Nu het duister zeer nabij is (vgl. 9:4) en deze als een gevaarlijke macht de mensen dreigt te overweldigen (vgl. 1 Joh. 2:11; zie Joh. 1:5; 3:19) betekent alleen de geloofs-verbondenheid met Jezus’ redding en leven. Kinderen des lichts: vgl. Luc. 16:8; Ef. 5:8; ITess. 5:5 als aanduiding van de Christenen, ln de geschriften van Qumran, de Dode-zee rollen duidt deze uitdrukking de leden van deze esseense gemeenschap aan. In onderscheid van Qumran wordt in het ev. van Joh. het behoren tot de kinderen des lichts bepaald door het geloof in Christus, niet door een bij voorbaat vaststaand dualisme. Met dit indrukwekkend appèl om tot geloof te komen beëindigt Jezus zijn woorden. De evangelist onderstreept het gewicht van dit moment door te wijzen op Jezus’ heengaan. Hij verborg zich: nl. voor het volk, dat Hem niet verstaat en niet tot geloof komt. Er komt een einde aan Jezus’ openbaar getuigenis onder het volk. Vanaf 13:1 spreekt Hij voornamelijk tot de Zijnen.
Openbaring, geloof en ongeloof 37-50
Aan het eind van het getuigenis over Jezus’ werkzaamheid in het openbaar in woord en teken, volgt een terugblik in twee delen. In de vss 37-43 gaat de evangelist in op het feit van het ongeloof van de Joden, ondanks de tekenen die Jezus gedaan heeft. In de vss 44-50 volgden afsluitende woorden van Jezus, waarin als in een coda in een symfonie de grote themata van Joh. 1-12 nog eenmaal klinken: Jezus’ openbaring aan de wereld als de door de Vader gezondene, alsmede het beslissingskarakter van zijn werk: heil voor wie gelooft, gericht voor wie zich verzetten blijft. Evenals in 3:16 w valt de nadruk op Gods heilsbedoelingen. God beoogt de redding van de wereld. Maar wie zich verhardt, valt ten prooi aan het gericht.
Voor hun ogen (37): zij waren getuige van de wonderen die Jezus deed. Geloofden niet… opdat (38): Johannes stelt het feit van het ongeloof in het licht van de Schrift. Hij citeert de klacht van Jes. 53:1 (vgl. Rom. 10:16; 11:7, 25). Hierom konden zij niet geloven (39-40): de evangelist verscherpt zijn woord door te wijzen op het oordeel van de verharding. Het citaat uit Jes. 6:9 v vinden we ook bij de Synoptici (Mat. 13:14; Mar. 4:12), terwijl Lucas de profetie citeert aan het slot van zijn tweede boek (Hand. 28:26-27). Het ‘niet-kunnen’ mag niet afgezwakt worden. Anderzijds laten de vss 42-43 zien dat dit oordeel der verharding niet fatalistisch opgevat mag worden. Hij heeft… verhard (40): Johannes geeft het citaat uit Jes. 6 vrij weer. Bij Jesaja gaat het om een opdracht van God aan de profeet. Johannes haalt de woorden aan als een daad van God, als een rechtvaardig oordeel over hun ongeloof. Ómdat hij… zag en van Hem sprak (49): in een verklarend commentaar betrekt Johannes het visioen van de roeping van Jesaja en het aanschouwen van Gods heerlijkheid (Jes. 6:3 w) op het zien van Jezus’ heerlijkheid. Jesaja sprak over Jezus. In de verwerping van Jezus wordt de Schrift vervuld. En toch (42): met een scherpe zinswending geeft Johannes aan, dat er niet alleen maar ongeloof en verblinding is. Zelfs leden van het Sanhedrin, oversten, geloven in Hem (vgl. 19:38-39). Kwamen… er niet voor uit: vrees voor excommunicatie weerhoudt deze raadsleden om Jezus openlijk te belijden. Het zijn ‘schemerdiscipelen’. De eer van mensen weegt zwaarder dan de eer die van God komt (43). Alleen Jezus zoekt niet zijn eigen eer (7:18; 8:50). Mogelijk geeft de evangelist met dit woord zijn lezers te kennen dat de eer van God het vraagt om Jezus in het openbaar te belijden en te delen in zijn smaadheid.
Jezus riep (44): vgl. 1:15, 7:28, 37. De openbaring van Godswege moet luid verkondigd worden. Wie in Mij… gezonden heeft: Jezus en de Vader zijn één. In Jezus verschijnt God (vgl. 1:18; 14:8-10), zodat wie Jezus ziet tegelijk de Vader ziet. God vinden we in Jezus. Een licht (46): vgl. 8:12; 9:1 w; 12:35- de duisternis blijven: terwijl de duisternis (de macht van zonde, dood, veroordeling) in vs 35 getekend wordt als een dreigende macht die mensen bespringt, is hier sprake van een domein, een gebied waarin mensen zich bevinden en waaruit zij verlost worden door in Jezus te geloven en Hem te volgen. ‘In de duisternis blijven’ betekent onder de toorn Gods blijven (3:36). Hoort… niet bewaart (47): tegenover het positieve staat nu weer de negatieve reactie, het afwijzen van Jezus door zijn woorden niet te bewaren (hetzelfde woord ook in Mar. 10:20 van het in acht nemen van de geboden). Verwerpt (48): lett. voor ongeldig verklaren (vgl. Luc. 10:16). Niet Jezus, die kwam om te redden, zal hem oordelen (vgl. 3:17). Het woord… ten jongste dage: beslissend is wat men doet met Jezus’ woorden, zijn prediking, zijn werk. In het jongste gericht zal het woord dat de ongelovigen moedwillig verwerpen, tegen hen getuigen. Zoals de Vader Mij gezegd heeft (49-50): achter Jezus staat de Vader. Zijn gebod betekent leven (Deut. 30:10-20; 32:47). Jezus’ woorden zijn het Woord van God. Wat is het dat de Vader de Zoon heeft opgedragen? Het is de verkondiging van het eeuwige leven voor ieder die gelooft (17:3; 1 Joh. 1:1-4).
Jezus’ getuigenis voor zun discipelen 13:1-20:31
Afscheidsgesprekken 13:1-16:33
De voetwassing 13:1-20
Hier begint het tweede deel van het evangelie, zie inleiding. Jezus richt zich nu meer tot zijn discipelen. Vss 1-3 zijn inleiding op het geheel dat nu volgt. Paasfeest (1): naar Gods gebod het gedenken van de uittocht uit Egypte, vgl. Ex.12: 6, 8, 15. Jezus wist: Hij weet het werk dat God Hem te doen gegeven heeft en volbrengt het, 17:4; 19:30. Zijn ure: Vroeger was zijn uur niet gekomen, nu wel, 7:30; 8:20 en vooral 12:23, 27. Overgaan…: Jezus is op weg van God tot God. Zijn sterven is een gang, een overgaan uit deze wereld tot de Vader. Alleen zijn sterven is zo aan te duiden. Hij gaat zijn weg, actief in zijn passie, vgl. 5:24; 1 Joh. 3:14. Ook 7:3. De Zijnen: zijn discipelen en allen die door hen in Hem zullen geloven. In de wereld: Hij gaat uit de wereld uit liefde voor hen die in de wereld zijn, ih de boze wereld, vgl. 3:16 v. Tot het einde liefhebben: zonder iets achter te houden. Hij geeft zichzelf in de dood van het kruis, om de zijnen het leven te geven.
De maaltijd (2): een neutrale term, maaltijd, avondmaaltijd, bedoeld is dezelfde als het paasmaal met de avond-maalsinstelling bij de andere evangelisten. Over het tijdstip zie bij 18:28. De voetwassing vindt plaats tijdens de maaltijd. Judas: Iskariot duidt zowel Judas als zijn vader Simon aan. Jezus weet ook wat Judas zal doen, Hij zal hem ontmaskeren, maar niet tegenhouden, vgl. 6:70; 12: 4-6 en 13:27. Duivel: in Luc. 22:3 satan. In deze zin duidt Johannes de ware tegenstelling aan in het proces van Jezus. Mensen zijn instrumenten van de duivel, op Eén na. Wat mensen gaan doen is duivelswerk, wat Jezus doet is Gods werk. Daartoe is het Woord vlees geworden, 1:14, en stelt Hij zich op als slaaf, 4 vv.
Wetend (3): vgl. vs 1; het verraad van Judas verzwakt het zelfbewustzijn van Jezus niet, integendeel. Hij weet dat het aanvaarden van de vernedering zijn weg is van God tot God: Hij staat daarom van de maaltijd op (2 en 3): om zijn weg te gaan. In zijn vernedering straalt zijn heerlijkheid: zijn gehoorzaamheid aan de Vader uit liefde voor de zijnen. Hij gaat hun plaats bereiden, 14:2 vv.
Legde zijn klederen af (4): vgl. Luc. 12:37; Mat. 11:29; 20:28. De woorden herinneren sterk aan die van 10:17 v. Zie ook Filp. 2:7 w. De handeling van de voetwassing is een samenvatting van zijn hele leven onder ons. Hij wil de slaaf van allen zijn om hen te reinigen. Dit is zijn heerlijkheid.Simon Petrus (6): kent de ware ootmoet nog niet, zie zijn woord in 1 Petr. 5:6. Spreekt hij ook hier voor allen? Wat Ik doe (7): Jezus weet wat Hij doet, Petrus nog niet. Verstaan: kennen in de hebreeuwse zin van: in gemeenschap leven met: Dit kennen houdt navolging in, zie vs 15 vv. Petrus zal het verstaan na de opstanding door de Heilige Geest. Geen deel aan Mij: lett. met Mij. Ook de handen en het hoofd (9): de omstuimige Petrus laat zijn verzet varen en geeft zich nu spontaan over. Toch verstaat hij nu nog niet wat Jezus doet. Eerst moet Jezus zijn vernedering geheel vervullen, pas daarna wordt de discipelen duidelijk wat de voetwassing betekent. Wie gebaad heeft (10): Voor het feest wies men zich geheel. De voeten waren echter het eerst weer onrein geworden. Zijn die weer gewassen dan is men weer geheel rein. Gij lieden zijt rein (10): nl. voor God. De uitwendige reiniging duidt als teken altijd op de reiniging van het hart, die men eigenlijk niet zelf kan bewerken. Jezus reinigt hen door zijn woord, 15:3. En zo maakt hij het feest mogelijk in het heiligdom, in het Rijk van God. Niet alleen (10 v): Judas verwerpt het woord, blijft daardoor onrein. Al is hij gewassen, hij raakt toch buiten de kring van de discipelen en heeft geen deel met Jezus, 8, vgl. ook 3:36 en 1 Sam. 2:20. Ook hier weer: Hij wist... vgl. vs 1 en 7. Toch heeft Jezus ook Judas’ voeten gewassen. Dit accentueert zijn zelfvernedering. Judas weigert echter deze Jezus als Messias te dienen en levert Hem over aan zijn tegenstanders. Aangedaan (12): zie vs 4. Meester (13): didaskalos, vgl. Mat. 23:8 en 10. Jezus is de enige Leraar en Here. Ik ben het (13): wat Jezus deed, onderstreept dat Hij het is. Zo is Hij Leraar en Here. Woord en daad gaan bij Jezus volstrekt samen. Elkaar de voeten wassen (14): letterlijk, 1 Tim. 5:10, vooral figuurlijk voor: elkaar in liefde dienen, 1 Kor. 13:4 w. Gal. 6:1,2. Voorbeeld (15): wie met Jezus deel heeft aan het Rijk van God verstaat wat Jezus doet en volgt Hem na, is vrij geworden om anderen, zonder zichzelf te zoeken, te dienen op een wijze die spreekt tot het hart van een ieder. De Schrift wijst steeds op het voorbeeld van Jezus, zie Kol. 3:13; Filp. 2:5; 1 Petr. 2:21; 5:5; 1 Joh. 3: 16; 2:6. Voorwaar, voorwaar (16): wat volgt wordt door de Here dubbel beaamd vanwege het gewicht van de woorden. Hier komt het op aan. Jezus zet deze woorden zo op hetzelfde niveau als zijn uitspraken over de wedergeboorte in 3:3, 5, 11. Zie voor het hele vers Mat. 10:24 v. Bijzonder moet worden gedacht aan het te dragen lijden. Zalig (17): Jezus is zelf degenen die weet én doet en is daarin zoals God Hem wil, de brenger van het heil en weg voor anderen om ook in dit heil te delen. De navolging van het voorbeeld brengt aan het licht dat men Jezus verstaat. Dan deelt men in het heil en nieuwe verhoudingen worden geschapen. Zalig is hij die de wil des Heren weet en doet, Mat. 7:24 w; Jak. 1:25. Er is geen sprake van dat het in het christelijk leven niet zou aankomen op de daad in tegenstelling tot het jodendom, zoals veel wordt gesuggereerd.
Ik weet (18): hier spreekt Jezus voluit als Meester en Here. Hij is de situatie volkomen meester, zoals altijd. Het Schriftwoord: Ps. 41:10. Hij die mijn brood eer. mijn brood. Judas is heel duidelijk een van de zijnen, hij at zijn brood. Tegen Mij: eigl. boven Mij. Hij wordt met de hiel naar beneden getrapt, vertrapt, verbrijzeld. Het is veel erger dan een schop krijgen, het gaat om dood trappen. Maar de Schrift moet vervuld worden, niet omdat het er nu eenmaal staat, maar omdat Jezus op die wijze het bevrijdende heil brengt als het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegdraagt. Ook dit schriftwoord wordt door Jezus een heilswoord. Het antwoord op dit woord-van-de-hiel is de voetwassing! Opdat gij gelooft (19): het verraad mag de discipelen niet van hun geloof afbrengen. Met zijn woord wil hij hun geloof juist versterken dat Hij het is: Ik ben het. Voorwaar, voorwaar (20): voor de tweede maal in deze pericoop, 16. Het gaat om een van de vastigheden van het Koninkrijk Gods. Hij is het, vs 19, daarom zendt Hij hen uit en wie hen ontvangt, ontvangt de Zender en daar Hijzelf ookgezonden is, ontvangt men Hem die Hém gezonden heeft, God, vgl. 3:16.
Jezus waarschuwt Judas 13:21-30
Ontroerd in de geest (21): Johannes geeft vaker aan hoe dingen Jezus diep raken, vgl. 11:33; 12:27. Jezus wist, zie vs 11. Hij gaat het nu zeggen, diep geroerd. Let op de climax die in dit vers wordt bereikt. Hij, de gezondene van de Vader, wordt verraden door een van zijn vertrouwelingen. Getuige (21): opvallend dat het zo wordt gezegd, het verraad behoort bij zijn getuigenis. Hij moet zijn getuigenis gestand doen met zijn leven. In het onzekere (22): SV twijfelende. Blijkbaar is er bij de discipelen geen aanleiding direct aan Judas te denken. Alleen Jezus weet het. Ook dat openbaart het unieke van zijn persoon. Dien Jezus liefliad (23): door verschillende uitleggen wordt aangenomen dat Johannes wordt bedoeld, vgl. 19:26; 20:2; 21:7, 20. Aan de boezem (23): op oosterse wijze ligt men aan, met het hoofd naar de tafel, die in een hoefijzervorm is. Johannes ligt vóór Jezus aan zijn rechterzijde.Simon…wenk (24): waarschijnlijk van een plaats links van Jezus. Johannes kan Jezus vragen zonder dat anderen het opmerken. Brood (26): zie vs 18. Door deze manier van aanwijzen krijgt Ps. 41:10 een bijzondere wrange vervulling. Judas ligt blijkbaar binnen handbereik van Jezus, hetzij links of rechts. De tafelgemeenschap wordt verbroken, de vertrouwensrelatie is reeds verbroken. Satan (27): zie vs 2, op dit moment wordt de onzichtbare geestelijke dimensie van de strijd uitdrukkelijk onder de aandacht gebracht. Lett, mét dit brood, zie Can. vert. Met spoed (27): Jezus spreekt niet satan aan, maar Judas. Hij wil het, laat hij het met spoed doen. Jezus is bereid zijn weg te volbrengen. Vgl. deze woorden met Luc. 12:50. Zie ook Joh. 17 vooral vs 12. Niemand begreep (28): niemand verdenkt Judas, zie vs 22. Jezus’ woord is hun niet duidelijk. Ze denken aan aannemelijker zaken. Alleen Johannes weet het, en wellicht Petrus. Judas kan ongestoord vertrekken. Terstond (30): sluit aan bij vs 27. Nacht: typerende tijdsaanduidingen ook bvin 1:40; 3:1; 4:6. Nacht heeft hier een dubbele betekenis. De grote nacht van het lijden, de nacht, die het ‘licht der wereld’ begeert te doven, vgl. 3:18-21.
Afscheidswoorden 13:31-35
Nu volgen afscheidswoorden tot 16:33.
Zoon des mensen (31): Dan. 7:14; 1:51. Verheerlijkt (32): vgl. Jes. 49:5 waar we ook het contrast van verwerping en verheerlijking vinden ten aanzien van de Knecht des Heren. Jezus weet zich in de weg Gods, Hij is op de. goede weg. Hij geeft zich om Gods wil te doen, daarom zal God Hem eren. God zal zijn macht in Hem openbaren, 17:1; Filp. 2:11. Kinderkens (33) in het Joh. ev. alleen hier, in 1 Joh. zeven maal. Duidt op een tedere verhouding. Een korte tijd: Jezus komt in het vervolg hierop breder terug, 16:16 v. De Joden (33): vgl. 7:33; 8:21. Nieuw (34): het gebod van naastenliefde, Lev. 19:18, krijgt een nieuw fundament in de liefde van Jezus. Hebt elkaar lief, zoals Ik u heb liefgehad. Dat is nieuw. Liefde, hét kenmerk van discipelschap, opoffering van zichzelf voor de ander. Sterk benadrukt ook in 1 Joh. 2:3, 5; 3:19, 24; 4:13, 16, 17; 5:2. Is vrucht van de Geest, Rom 8:4; Gal. 5:14. Let ook op Hand. 2:42 w. Ware discipelen vormen een gemeenschap door onderlinge liefde, die een sterke uitstraling heeft naar buiten.
Petrus verloochening voorzegd 13:36-38
Vgl. Mat. 26:33-35 par. Waar gaat Gij heen, Quo vadis? (36): sluit aan bij 33. Jezus herhaalt zijn antwoord en voegt er aan toe: Gij zult later volgen, vgl. 21:18 w. Inzetten (37) lett. afleggen. Petrus overschat zichzelf. Jezus zet er een vraagteken bij en voorzegt onder dubbele beaming dat hij Hem zal verloochenen. Markus (14:30) spreekt over tweemaal kraaien van de haan. Eer de haan (38): dus deze nacht nog, bij het krieken van de dageraad.
Het huis des Vaders 14:1-14
Ontroerd (1): naar aanleiding van de woorden van Jezus. Hij gaat heen, wordt verraden door Judas, verloochend door Petrus. Genoeg redenen om diep geschokt te zijn. Geloven: het vertrouwen in God niet verliezen, en evenmin in Hem. Jezus laat ook met deze woorden opnieuw uitkomen dat Hij een is met God. Op God kun je aan, op Mij kun je aan. Het huis van mijn Vader (2): daarheen gaat Hij en wel ten behoeve van zijn discipelen, vgl. Jes. 32:18. Ik kom…weder (3): nu spreekt Jezus ook over zijn wederkomst; zo troost Hij hen. Het slot van vs 3 benadrukt de blijvende gemeenschap met Hem. We kunnen reeds bij het Pinksterfeest denken aan de vervulling van deze woorden. Hij komt weder in de Heilige Geest. Hij neemt ze tot zich, in zijn dienst zijn ze gestorven, ze zijn nu bij Hem. Naar de eindtijd toe strekt de betekenis van deze woorden zich uit naar heel het volk van God. Ook gij: Petrus incluis, vgl. Rom. 8:31-39.
De weg (4): deze zin kan ook als vraag worden gelezen. Tomas (5): zie 11:16; 20:24-29. Wij weten niet (5): heeft hij niet geluisterd? Of verstaat hij de beeldspraak van vs 2 niet? De vraag is van belang. Welke weg gaat Jezus naar het vaderhuis? Ik ben de weg (6): dé weg, er is geen andere weg. Het slot van 6 bevestigt dat: niemand… dan door Mij: Jezus is dé Weg tot de Vader. Daarom is Hij ook de Waarheid en het Leven. De drie zelfstandige naamwoorden hangen nauw samen, vormen een eenheid. Jezus is de Weg naar Waarheid en Leven; of, de Weg tot het ware leven. Het leven is doel; het leven met God. Waarheid, zie 1:14, 17. Over de Geest en de waarheid 16:13. Ook leven is een werkwoord van het Joh. Evangelie, zie 1:4; 3:15 v. Jezus is de ingang en de weg des levens, vgl. Mat. 11:27 v. Joh. 10:7; Heb. 4:16; 10: het Ik ben klinkt de Naam door van God, wiens Naam is: Ik ben, Ex. 3:14. IndienlJ): Jezus leidt hen nu verder in de kennis van God in Hem. Zij kennen Hem, maar kennen ze Hem ook als de openbaring van de Vader in het vlees, vgl. 1:14, 18. Nog niet. Nu wil Hij zijn discipelen leren dat Hij toch ook en juist zo in zijn vernedering (verhoging) zijn Vader openbaart. Van nu aan (7): Hij legt ze er op vast, zo zullen ze Hem meer en meer gaan kennen en zo zullen zij getuigen. Hij brengt een leerproces op gang dat niet meer is te stoppen. De Geest zal hen leiden, vgl. 16:13.
Toon ons de Vader (8): Filippus wil God zien, een verschijning. Toch weer een poging God te zien buiten Jezus in plaats van in Jezus. Maar in Jezus openbaart God zijn relatie tot de wereld, verzoenend. Dat heeft Filippus nogniet verstaan. Maar wie dat niet ziet in Jezus, kent Hem nog niet. Inde Vader… in Mij(10): het zien van de Een in de Ander, is een les des geloofs. De spreekwijze drukt de eenheid van de Vader en de Zoon uit, zonder echter het Vader en Zoon-zijn uit te wissen. De woorden: de Zoon openbaart de Vader in zijn woorden en zijn woorden zijn tevens werken, werken van God. Denk aan het hebr. da-bar: woord én daad. Geloof Mij (11): het zij u genoeg dat Ik dit vraag. Om de werken: of woorden, vgl. vs 10, die evenzeer kracht van openbaring hebben. De werken verwijzen weer naar zijn woorden. Voorwaar (12): opnieuw een dubbele beaming om in het volgende vruchten van het geloof aan te duiden. Zijn discipelen mogen zijn werken voortzetten, grotere nog dan de zijne. Is dat op groter schaal, wereldwijd? In ieder geval zal Jezus zijn werk voortzetten door de zijnen. Ik ga: Hij zelf gaat tot de Vader, zij echter blijven niet voor niets achter. Wat gij ook vraagt (13): dit woord staat dus in de contekst van de verheerlijking van de Vader in de werken van de Zoon: Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt: de Vader zal zijn macht tonen in de Zoon. Het gebed van zijn discipelen in zijn naam tot de Vader vindt verhoring: de Vader toont zijn verlossingsmacht in zijn Zoon, nu en na zijn verhoging. Ook tot Jezus zelf mag het gebed worden gedaan. Johannes leert reeds vanaf het begin dat Jezus het Woord is. En het Woord is God (1:1 v). En de Vader heeft hem alles in handen gegeven, 10:28 v. 6:37, 39; 17:2, 7 enz. De overdenking van deze woorden zuivert het gebed. We zien het voltrekken in Handelingen 1 en 2 enz. In mijn Naam (13 v): in mijn opdracht, in overeenstemming met mijn wezen, zending, bestemming. De Zoon kan niets doen tegen zijn wezen in. Wie Hem kent zal dat ook niet van Hem vragen. Ik zal het doen (14): het gebed tot de Zoon gedaan, bevestigt dat Hij in de Vader is en de Vader in Hem.
Jezus belooft de Parakleet 14:15-31
Mij liefhebben (15): in 13:34 v leert Jezus elkaar lief te hebben op grond van zijn liefde tot Hem. Dat houdt in dat ze zijn geboden bewaren, zie vs 21. Liefde en geloof gaan samen, vgl. 14:1 en 11. Maar hoe zullen zij Hem liefhebben? Door de Heilige Geest. Over Hem gaat Jezus nu spreken. Hij zal de Vader bidden om de Trooster, Een andere Trooster (16): Hijzelf is ook ‘Trooster’, maar Hij gaat heen, daarom een ändere Trooster. Grieks: Parakleet. Het gebruikelijke Trooster heeft een andere gevoelswaarde dan het griekse Parakleet. Het gaat om een hulp, een beschermer van een beschuldigde. In I Joh. 2:1 is het vertaald met Voorspraak. Het heeft een juridische inhoud. Daarnaast heeft het woord een lerendaspect. De Heilige Geest staat bij in het gericht over de zondaar en Hij leert de discipelen alle waarheid, vgl. 14:26 en 16:14. Hij is de Geest der waarheid, 14:6; 16:7-11, die Uefde uitstort, Rom. 5:5, Jezus’ werk grootmaakt, 14: 26, wedergeboorte geeft, 3:3vv, alle leugen haat, Hand. 5:1-11, 1 Joh. 4:20. Tot in eeuwigheid: Jezus gaat heen, Hij zelf zal blijven tot de dag van opneming in het Vaderhuis, vs 2, Ez. 43:7; 48:35. De wereld (17): de mensen, zonder Geest, daarom zonder kennis, vgl.1:10;3:19. Gij kent Hem: Zij zullen Hem ervaren bij zich, in zich. De Geest wordt in hun hart uitgestort, dat verandert heel hun leven. Zij zijn tempel van de Geest, 1 Kor. 6:19. Lichaam en geest zijn van God, 1 Kor. 2:9-16. Wezen (18): jonge kinderen zonder vader en moeder, hulpeloos, vgl. Ps. 27:10. Zo laat Jezus hen niet achter. Zij ontvangen de Heilige Geest, de Helper. Na zijn hemelvaart heeft Jezus Hem uitgestort, Hand. 2:33. Maar gij ziet Mij (19): Jezus voegt er aan toe: Ik leef en gij zult leven, nl. door de Geest die Hij geven zal. Dat geeft ogen om Hem te zien, vgl. 3:3. Wie wedergeboren is, ziet het Koninkrijk van God. Te dien dage (20): de dag dat Jezus hen zal opnemen? Gij in Mij en Ik in U: vgl. 14:11. Weer een stap verder in het leerproces: Hij is in zijn Vader, de Vader in Hem, maar nu: zij in Hem en Hij in hen. Dit in-elkaar-zijn van Vader, Zoon en discipelen drukt de onverbreekbare eenheid en gemeenschap uit van Vader en Zoon, maar ook van Vader en Zoon met hem in wie de Geest woont. Zie 15:1 w en vooral 17:20 v. Wie een is met Jezus, is een met God. Wie mijn geboden bewaart (21): vgl. 13:34 v; 14:15. Wie Mij liefheeft: zij ontvangen de verzekering van de liefde van de Vader en van Hemzelf. Het gaat om dezelfde Uefde, maar toch onderscheiden naar de Vader en de Zoon, vgl. 3:16, waar de Vader uit liefde de Zoon geeft en de Zoon zichzelf geeft tot behoud van de wereld. Openbaren: die liefde wordt ontvangen doordat Jezus zich zal openbaren. Het blijft een geestelijk leerproces, vgl. Ps. 25:14. De Geest geeft groei in de kennis van God en van de Zoon aan hen die Hem liefhebben en in waarheid aanroepen, Ps. 145:18. Judas(22): Thaddens Mat. 10:3. Niet aan de wereld: toenemende kennis van God en Christus kan alleen geschonken worden aan hem die Hem liefhebben. Wij zullen bij hem wonen (23): vgl. vs 20, te dien dage, en vs 2, het Vaderhuis. In het Vaderhuis waar Jezus plaats heeft bereid, zal dit vers zijn volkomen vervulling vinden. Niet van Mij (24): deze woorden onderstrepen het gezag en de geldigheid van zijn spreken over de Vader, Zichzelf en de Geest, en dat aan de vooravond van de dag dat Hij door de wereld wordt verworpen en van alle gezag ontdaan! Maar God zal zich in Hem verheerlijken, zijn verlossingsmacht tonen. Trooster (26): zie 16 w. In mijn Naam (26): zie 16, om mijnentwil, op mijn gebed. Alles: betreffende Hem en Gods werk in de wereld. Hij leert: ze zullen allen door God geleerd zijn, Ps 25:9; Jes. 54:13; Jer. 31:34. Zie ook de zaligsprekingen Mat. 5:3-12. Te binnen brengen: zij vergeten veel, maar de Geest brengt Jezus’ woorden weer te binnen. Nodig is ze eerst te horen, anders kan de Geest niets te binnen brengen.
Vrede (27): deze vrede hangt samen met het voorgaande. Daarom is deze vrede van de Messias, ze is bUjvend en on-bedriegUjk: Jezus’ woord en Uefde geven vrede, Daar de wereld Jezus verwerpt, kan ze ook deze vrede niet geven, vgl. Rom. 5:1; Filp. 4:7; 2 Tes. 3:16. Ontroerd: zie 14:1. Versaagd: laf. De discipelen waren laf, vooral Petrus, zie 18:17, 25-27. Ik ga…Ik kom (28): als in 13:33, 36; 14:18. Indien ge Mij liefhad: hun kennis van Jezus is nog in een beginstadium. Als na de opstanding de Schrift opengaat en hun de Geest is geschonken, leren zij zijn Uefde verstaan en breekt de büjdschap door. Dan is er plaats voor de lofprijzingen zoals we die uit de brieven kennen. Verblijd: omdat Hij naar het Vaderhuis gaat, 2. Opdat gij geloven moogt (29): vgl. 13:19; 20:31. Geloof in Jezus, dat Hij het is, is leven. Dat geloof is doel van het evangelie.
Overste van de wereld (20): zie 12:31, satan, duivel, zie in dit verband 13:27. De wereld (31): de mensen. Laten we gaan: 18:1 sluit hier op aan. Zijn de hoofdstukken 15, 16, 17 er tussen geschoven als verklaring van wat in 14 is gezegd?
De ware wijnstok 15:1-8
Oudtestamentische achtergrond in Ps. 80:9 w; 128:3; Jes. 5:1 w; Jer. 12:10; Ez. 17; Hos. 10:1. In Palestina waren veel wijngaarden. Vgl. voor de gedachte 14:20, gij in Mij, Ik in u.
Ik ben (1): zie 14:6. De ware: in het O.T. is de wijnstok Israel. Deze voldeed niet, Ez. 19:10-14 en 15:1-8. Elke rank aan Mij (2): eigl. in Mij; ieder die in Christus is ingeplant door de doop, zie Rom. 6:1-5, ook 1 Kor. 10:113. Er moeten vruchten zijn. Het ware geloof werkt door de liefde. Hij snoeit: de Vader gaat over de wijnstok en ranken. Snoeien, beter: krenten, uitdunnen. Vgl. Ps. 80: 9-12. Hij reinigt (3): zie 13:10-19. Judas is verwijderd in een onvruchtbare rank. Het woord van Jezus heeft de discipelen gereinigd, gezuiverd. Het is een instrument in Gods hand. Blijf in Mij (4): geestelijk leven, vrucht dragen, is niet mogelijk los van Christus. Tn’ geeft de levensverbinding steeds aan. Zie ook 6:56. In Mij…in hem (5): sprekende wederkerigheid, het een is zo waar als het ander, veel vrucht: behalve de vruchten van de Geest in de persoonlijke heiligmaking is er ook te denken aan de groei van de gemeente door het werk van de discipelen. Buitengeworpen (6): het wordt beschreven als reeds voltrokken, vgl. Judas. Het zal u gegeven worden (7): zie 14:13 v. Het is zeer ruim gesteld. Het gaat om vruchten van de wijnstok, Christus, die in hen, door hen openbaar mogen worden. Vruchten die anderen ten goede zullen komen, zodat mensen God er voor danken. Bidden en het doen van de geboden gaat samen, vgl. 1 Joh. 3:22. Discipelen (8): als discipelen zullen zij gaandeweg vruchtdragen en zo de Vader verheerlijken. Hun arbeid is niet ijdel in de Here, 1 Kor. 15:58. Het komt de wereld ten goede, vs 16 v.
Het gebod van de liefde 15:9-17
Vgl. 13:35 v en 14:21. Voor zijn heengaan geeft Jezus zijn ‘laatste wil’: het gebod elkaar lief te hebben. Gelijk (9): geeft maat aan. Jezus geeft hier aan dat zijn liefde even mateloos is als de liefde van de Vader tot Hem. Zijn liefde heeft zijn bron in Gods liefde tot Hem als de Zoon-in-het-vlees, 3:16; 1 Joh. 4:8. Zijn liefde houdt het offer in dat nodig is anderen te behouden. Blijven in mijn liefde: blijf in Mij, vs 4. Jezus wil dat ze Hem navolgen, bereid tot offer, vergeving, verzoening, genade om de ander te behouden door zijn liefde. Denk aan de gelijkenissen waarin Hij deze gedachte uitbeeldt. Mijn geboden (10): vgl. 14:15. Ze weerspiegelen de geboden van de Vader. Denk aan de Bergrede, Mat. 5-7. Het is de liefde betrachten zoals Hij de liefde betrachtte. Zijn leven toont ons wat zijn geboden inhouden. Het gaat om de navolging van God en Christus op de weg van zijn geboden, diep dankbaar voor de geschonken liefde van God. Mijn blijdschap (11): zijn liefde is zijn blijdschap. Die wil Hij op de discipelen overbrengen en tot hun blijdschap maken, vgl. 3:29. Elkaar liefhebben (12): zie 13:34. Jezus’ liefde manifesteert zich in de liefde voor elkaar, Ps. 133. Zijn leven inzetten: (13): vgl. de goede Herder, 10:11, 15, 17v, zijn leven afleggen, 1 Joh. 3:16. Mijn vrienden (14): vgl. Mat. 12:50. Zij die in Hem zijn, één met Hem zijn. Hem navolgen, hetzelfde willen om Zijnentwil. Eenzelfde geest bindt vrienden samen. Jezus stelt zich op als hun vriend, Hij geeft hun de status van zijn vriendschap, Hij koos hen uit, (16). Ze worden zijn intimi (15). Hij heeft ze alles gezegd, wat de Vader wil, de hele raad van God met deze wereld. Zij zijn niet zijn slaven, die niet weten wat ze doen, Rom. 7:15, maar zijn vrienden voor wie Hij geen geheimen kent. Vgl. Hand. 20:27. Uitgekozen (16): 6:70; 13:18, steeds met een doel. Aangewezen: de vriendschap houdt ook een roeping in, vgl. ook 3:29, Joh. de Doper als vriend van de bruidegom. Vrienden van God: Ex. 33:11; Jes. 41:8: 2 Kron. 20:7; Jak. 2:23. Heen gaan en vruchten dragen: zie vs 8. Ze worden gezonden zij zullen ranken zijn aan de ware wijnstok. Hun leven heeft dit bevestigd. Wat gij bidt: geen vrucht zonder gebed, geen waar gebed dat niet de vrucht op het oog heeft die God verheerlijkt en het Koninkrijk Gods bedoelt. Ze mogen bidden om al wat vrucht is van de Geest, de werken van het licht, gerechtigheid, Rom. 6: 12-14; 13:8-14; Gal. 5:22. Dit gebied Ik u (17): Mat. 22:37-40.
De haat der wereld en het getuigenis 15:18-16:4
Vgl. 3:20; 7:7; 17:14; I Joh. 3:13.
De wereld (18): de wereld haat Jezus en de zijnen. Het woord duidt een geheel aan, een collectief, een totaliteit, een organisme dat zich verzet. Het is niet hier en daar, maar overal en totaal. Het spant alles samen om alles wat niet uit de wereld is buiten te houden. Het geheel onder leiding van de overste van de wereld, 14:30; 16:11. Het gaat om weloverwogen, georganiseerd verzet, gericht op het uitroeien van de Naam die onder de hemel gegeven is om behouden te worden. De wereld wil niet door de knieën om te belijden dat zijn werken boos zijn. Ze geloven Jezus niet. De wereld haat u, …Mij zie 7:7: zij haat Mij omdat Ik van haar getuig dat haar werken boos zijn. Zo zullen ook de discipelen gehaat worden, ze hebben geen ander getuigenis van de wereld, vgl.Hand. 4. Eer dan u: voor u„of: meer dan u. Zie ook de voorzeggingen van Jezus in Mat. 10:22; 24:13; Luc. 19:14; Joh. 1:11; Ps. 2:2 v. Van de wereld zijn (19): lett. uit de wereld, opkomend uit en levend naar de nonnen en waarden van de wereld. Het tegengestelde is uit God zijn, van Boven zijn. Het evangelie kent ook de tegenstelling: vlees-Geest, 3:6. Jezus is uit God en daarom gehaat. Wie Hij uitkiest uit de wereld wordt ook gehaat. Gedenkt (20): 13:16; Mat. 10:24. Is eerst in 9-17 de eenheid van Jezus en de zijnen in de liefde op specifieke wijze onder woorden gebracht, op soort gelijke wijze wordt nu de eenheid van Jezus en zijn discipelen in de haat van de wereld benadrukt. Het steeds doorgaande gebruik van het aanvullend parallellisme werkt bijzonder suggestief: u…Mij. U…Mij enz. enz.
Zij kennen Hem niet (21): nu gaat Jezus de diepere betekenis van de haat verklaren. Hem haten is de Vader haten. Ze erkennen Jezus niet als de Gezondene, als de Zoon. Ze zijn uit de duivel, dat is diepere achtergrond, die dit evangelie steeds laat zien, 8:44. Zie ook 1:10; 5: 41; 7:29; 8:19, 55; 14:7, 17. Verzet tegen Jezus komtvoort uit vijandschap tegen God. Geen voorwensel (22): na alles wat Jezus gesproken en gedaan heeft, is er geen verontschuldiging meer voor de zonde van het ongeloof, ze blijven in hun zonde. Rom. 1:20; 2:14 v. Luc. 12:47. Wie Mij haat (23): duidelijker kan niet gezegd worden wat het afwijzen van Jezus inhoudt. Maar de Joden ontkennen juist dat Jezus van de Vader komt. Ze menen God een dienst te bewijzen, zie 16:3. Vs 24 geeft extra klem aan de zaak. Hoewel ze de werken gezien hebben, toch hebben ze Mij én mijn Vader gehaat. Een felle aanklacht aan de vooravond van de kruisiging. Over de werken van Jezus 5:36; 10:25, 37. Hun wet (25): de hele openbaring van het O.T. Zonder reden gehaat (25): Ps 35:19; 69:5. Jezus zal vooral aan Ps. 69 gedacht hebben, vgl. 2:17 en 19:29 waar ook deze psalm wordt geciteerd. Trooster (26): 14:16 vv, 26. Getuigen (26 v.): de Geest der waarheid zal in het rechtsgeding met de wereld bijstand bieden als de hemelse Advocaat. In dit geding gaat het om de Waarheid, om Jezus die als Zoon van God-in-het-vlees de enige weg is tot het ware leven, tot God. De discipelen moeten dat ook getuigen, 27, ook voor hun rechters. De Geest zal hen bijstaan en door Hem zullen ze Hem niet verloochenen. Vgl. in het boek Handelingen de processen tegen de apostelen Petrus en Paulus. De discipelen zijn getuigen van het begin af. Dat heeft rechtskracht. Die het gezien hebben, getuigen. Bij de verkiezing van de plaatsvervanger van Judas Iskariot, houden de apostelen daar ook rekening mee, Hand. 1:21 v. De Geest doet hen de betekenis van Jezus in helder licht zien en geeft kracht en volharding om te getuigen tot het einde toe. 1 Joh. 1:2; 4:14. Geheel Joh. is een getuigenis met het doel in 20:30 v. genoemd. Ook 1:7 en Luc. 24:48. Ten val komen (1): SV zich ergeren. Tot zonde gebracht worden, vgl. Mat. 18:7-9: het tot zonde verleiden. 1 Joh. 2:10: aanleiding tot zonde geven. Uit de synagoge bannen (2): vanwege verboden leringen. Zie Hand. 9:1 v.; Gal. 1:14. Doodt: zover zal het dus komen. Ze zullen des doods schuldig bevonden worden. Op godslastering staat de doodstraf. Evenals Jezus zullen zij daartoe veroordeeld worden door hun volksgenoten. Hand. 6 geeft er een voorbeeld van. Zie ook 9:22.; Mat. 24:9: Noch de Vader, noch Mij (3): Jezus is openbaring van God-in-het-vlees, dat komt steeds terug. Het is de kern van het proces. De Joden kennen Hem niet, erkennen Hem niet, 8:19; 14:7; 15:21; Mat. 11:27. Zie ook 1:10. Deze dingen (4): Jezus wist wat komen zou en ging zijn weg, zo laat Hij de zijnen weten wat komen gaat, opdat ook zij voor zijn Naam zullen lijden en sterven. Zie 13:19; 14:29. Ik was bij «(4): om hen tebewaren, 17:12; Dit vers laat zien dat Jezus het juiste moment weet te kiezen om over bepaalde zaken te spreken. Elk woord heeft zijn tijd.
De Geest der waarheid 16:5-15
Vgl. 14:15-31.
Die Mij gezonden heeft (5): Jezus bedoelt God de Vader en spreekt ook steeds in deze gesprekken over zijn Vader. Maar telkens gebruikt Hij ook deze woorden. Ze duiden in dit verband aan dat Hij zijn zending bijna heeft volbracht. Hij kan heengaan. Niemand vraagt (5): zie echter 13:36 en 14:5. Sommigen menen dat dit deel daarom vooraf moet gaan aan 13:36, andere rekenen met drie composities van het afscheidsgesprek. 14:31 sluit goed aan bij 18:1. Dat geldt ook van 16:4 en tenslotte van 16:32 v. Alle drie willen hetzelfde weergeven: de droeve reactie van de discipelen, terwijl ze zich juist moesten verblijden. Droefheid (6): vgl. 14:27-28. Jezus spreekt daar over hun nog geringe liefde. Trooster (7): zie 14:16 v en 15:27 v. In het volgende komt vooral het juridische aspect van de Parakleet naar voren, 8-11 en het didactische in 12-15. De wereld (8): zie aant. bij 15: 18. Ook de Joden zijn eronder verstaan. Overtuigen: de discipelen getuigen, de Geest overtuigt. Het kan ook weergegeven worden met: terechtwijzen. Iemand terecht wijzen die zich niet wil laten overtuigen, hoewel de argumenten zo zijn dat tegenspraak geen zin heeft. Vgl. ook Mi. 3:8 en Zach. 4:6. In Hand. 2:23; 3:13 w; 4:10 voltrekt het zich. Zonde (9): niet geloven dat Hij gezonden is, vs 5; 3:18; 8:21. Gerechtigheid (10): Hij gaat heen omdat Hij zijn werk volbracht heeft. Als Rechtvaardige heeft Hij gerechtigheid aangebracht, het gericht is Hem gegeven, vgl. Rom. 4:25; Hand. 17:31; 24:25. Oordeel (11): de overste van de wereld is buitengeworpen door Jezus overwinning aan het kruis, 12:31; 14:30; Ef. 2:2; Kol. 2:15. Jezus is degene die in gerechtigheid de overste van de wereld heeft overwonnen. Dat zal de boodschap zijn van de apostelen in het grote proces dat ze met de wereld aangaan. Daar is nog veel van te zeggen (12): dat kan nu niet, dat kunnen ze nog niet aan. Dat zal de Geest hen leren. Met Pinksteren is dat volop gekomen, getuige de Hand., de brieven en de Openbaring. Volle Waarheid (13): in al de waarheid SV. Waarheid heeft hier juridische betekenis. Het is waar wat de Geest zal leren, omdat het niet slechts het getuigenis is van de Geest, maar tegelijk van de Zoon, en de Zoon sprak wat Hij van de Vader hoorde. Hij spreekt wat Hij hoort en dat betreft zeker ook de dingen die komen, 14:17; 1 Joh. 2:27; 1 Kor. 2:916. De toekomst: beter de SV.: de toekomstige dingen, al wat hen zal overkomen om Christus’ wil, maar ook ruimer het einde en doel van de wereld, de komst van het Koninkrijk van God. In dat alles staat Jezus centraal en Hij wordt verheerlijkt. De Geest heeft de apostelen veel geopenbaard, wat wij in het N.T. bezitten. Mij verheerlijken (14): dat is het werk van Geest; zie 1 Kor. 12:3; 1 Joh. 4:2; Hand. 8:31. Als de Geest komt, spreken de apostelen vrijmoedig over Jezus.
Al wat (15): Mat. 28:18; 1 Kor. 12:3, 5. De gemeente kan daarom bouwen op wät de Geest leert, het wordt gedragen door de Zoon én door de Vader, die twee zijn Één. En de Geest is Één met Hen.
Droefheid en vreugde 16:16-33
Een korte tijd (16): dit vers duidt aan dat een en ander zich snel zal ontwikkelen. Jezus gaat heen, eerste korte tijd, Jezus staat op, na nogmaals een korte tijd. Vgl. Jes. 54:8; Ps. 30:6. Wat betekent dit? (17): sommige discipelen begrijpen dit niet, omdat Hij gesproken heeft over heengaan tot de Vader. Veel verstonden ze voor de opstanding nog niet, Luc. 9:45; 2:22. Gij zult schreien (20): Johannes heeft niet zoals de andere evangelisten drie lijdensaankondigingen. Hij geeft op zijn wijze weer hoe Jezus hen heeft voorbereid. Bij elke aankondiging wijst Jezus op zijn opstanding. Hier spreekt Hij daarom van blijdschap na droefheid. Een vrouw (21): het beeld is ontleend aan het O.T.: Jes. 26:17; 21:3; 66:7 vv; Jer. 30:6; Hos. 13:13; Mi. 4:9 v. Achteraf gaat het om een voorspoedige bevalling, daarom is er blijdschap. Uw hart zal zich verblijden (22): Jes. 66:14. Omdat de blijdschap vreugde is over de opstanding, kan niemand die wegnemen. Wel is bestrijding mogelijk, vs 33, maar Jezus heeft overwonnen. Vgl. Paulus in 1 Tess. 2:16 w.; Filp 4:6; Kol. 4:2. Ook 20:20 en Luc. 24:52. Ook van deze blijdschap geldt dat in de eindtijd het volkomen definitief zal komen, maar het werk van Jezus daartoe kan nimmer ongedaan gemaakt worden. Daarom mag hartelijke vreugde al ons doen en laten overheersen, ook bij verdrukking, zie Paulus’ voorbeeld in Hand. 16:25 w. In Mijn Naam (23): vs 26; 14:20. Jezus wijst hier op een verandering in het gebed. Omdat Hij de Messias is, mogen ze voortaan, na zijn volbrachte werk, in zijn Naam bidden, di. in zijn opdracht, naar zijn wil. Dan zullen ze bidden in overeenstemming met de wil van zijn Vader. Jezus spreekt deze woorden in het perspectief van zijn hemelvaart. Zij zullen bidden in zijn Naam (24), de Vader zal het geven in zijn Naam. Jezus verbindt God en mensen, vgl. 1:52. Uw blijdschap vervuld (24): 15:11. Gods liefde wordt in de verhoring ervaren. In beelden (25): vgl. 10:6. Dit spreken staat in contrast met vrijuit spreken, alles zeggen, het is versluierend als je de sleutel van het geheim niet kent. Dan is misverstand mogelijk. De sleutel is het geloof. De Vader zelf heeft u lief (27): Jezus voorziet een doorbraak van liefde en geloof bij de discipelen. De erkenning dat Hij van God is uitgegaan en zijn werk door Kruis en opstanding heeft volbracht. Dat geeft een omgang van de Vader met hen waarbij Jezus als Middelaar op de achtergrond treedt. Dat dit pas voluit geldt in het Vaderhuis, 14:2, laat zich verstaan. Blijft staan dat deze ónmiddelijke gemeenschap van de Vader met de zijnen hangt aan de erkenning in liefde en geloof van Jezus: Hij is van God uitgegaan. Ik ben…gekome-n,…Ikga (28): de kern van het evangelie, door de wereld ontkend, door de discipelen geloofd. Vrijuit (29): direct, zonder verhulling. Hiermee is alles gezegd. Dit is Hij. Niet nodig (30): Hij heeft het niet nodig. Als het zo duidelijk is wie Hij is, behoeft Hem niet meer gevraagd te worden van wie Hij macht heeft ontvangen, vgl. 2:25. Hij weet alles (30): een uiting van vertrouwen; al wat Hij heeft gezegd nemen ze aan als de waarheid waarop ze vertrouwen. Kortom: Gij zijt van God uitgegaan. Vgl. Mat. 16:16v. Joh. 6:68 v. Gelooft gij thans! Jezus betwijfelt het niet, maar wil aangeven dat nu hun geloof op de proef gesteld zal worden. Ze moeten door de verstrooiing heen. Het eigenlijke van het Woord-in-het-vlees moeten ze nog leren kennen: Hem alleen laten in zijn in-de-wereld-gekomen-zijn, Zach. 13:7; Mat. 26:31, 56; 19:27. De Vader is met Mij (32): omdat Hij de wil van de Vader doet, 8:29. Dat krijgt alle nadruk in Joh. Dit werpt ook zijn licht op het van God verlaten zijn, waarvan Mat. 27:46 spreekt. In Mij vrede (33): zie 14:2; 27. Rom. 5.T. Die vrede sluit verdrukking niet uit, in tegendeel, zie hier Rom. 5:1-5, Heb. 12. Houdt goede moed: Jezus heeft door zijn strijd aan het kruis de wereld overwonnen. Vgl. 1 Kron. 29:11; Rom. 8:37; 1 Petr. 1:39; 1 Joh. 5:4.
Het hogepriesterlijk gebed 17:1-26
Na de aankondiging van verdrukking en de bemoediging dat Hij de wereld heeft overwonnen, bidt Jezus dat Hij verheerlijkt wordt, ook in de zijnen. Het moet de discipelen buitengewoon hebben bemoedigd dat Jezus zo voor hen heeft gebeden. En ook voor allen die door hun woord in Jezus geloven.
Hij hief zijn ogen (1): vgl. Ps. 123. Jezus ziet wat de Vader doet, 5:19. Vader. Hij noemt God viermaal Vader, en verder: heilige Vader (11) en rechtvaardige Vader (25). Het gebruik van deze Naam onderstreept het zoonschap. Ure: vgl. 3:14; 12:32; 13:48. Verheerlijk uw Zoon: zie 13:31 v. Hij vraagt om de heerlijkheid, de glorie, de uitstraling te mogen zijn die Hij is: de Zoon-in-het-vlees om de zijnen eeuwig leven te schenken. Daar komt het nu op aan in het volbrengen van zijn werk. Eeuwig (2): Bij Johannes alleen in de samenvoeging eeuwig leven: het duidt de kwaliteit van het leven aan. In die gave verheerlijkt de Zoon de Vader en de Vader de Zoon. Jezus leidt alles terug tot gave van God. Hij is Zelf gegeven, Hem is macht gegeven, de gelovigen zijn Hem gegeven, het is al uit God. Vgl. Rom. 11:36. Zie ook Joh. 3:35. Kennen (3): Actief gemeenschap oefenen met de enige, waarachtige God, is de weg tot het heil, alleen mogelijk door de gemeenschap met Jezus Christus. Vgl. 1: 17. Hier noemt Jezus zichzelf Christus, Messias, Gezalfde. De Joden erkennen niet dat Hij de Zoon is en evenmin dat Hij de Messias is. Ze kennen deze weg ten leven niet. Zie over de heerlijkheid en macht Mat. 28:18; Joh. 5:27-29; 6:39 v.; 1 Tess. 1:9 v. Voleindigen (4): 13:3; 19: 28. De voltooide tijd kunnen we verstaan als uitdrukking van volkomen bereid zijn en volmaakte gehoorzaamheid. Hij is het Lam, 1:29, 36; 4:34. Eerde wereld was (5): zie 1:1; Filp. 2:6; Heb. 1:2 w. UwNaam (6): 1:18; de Naam is God zelf, zoals Hij voor de mensen is in recht en barmhartigheid. Geopenbaard (6): Hij heeft Gods liefde aan hen bekend gemaakt die God Hem gegeven heeft. In de eerste plaats zijn het de discipelen. Verder allen die in Hem geloven. Ze hebben Gods Woord bewaard. Ze behoren aan God en zijn Hem gegeven, zie vs 2 aant. Heb. 2:12; Op. 3:10. Nu weten zij (7): hier is weten geloven, vgl.16:30 v. Het gaat om erkenning van wie Jezus is, de Zoon en de Messias: Tk ben van U uitgegaan’. Jezus doet Gods werken en spreekt Gods woorden. Alle eer is aan de Vader. Ik bid voor hen (9): Tk’ staat met nadruk voorop. Jezus bidt voor hen die in Hem geloven, zie ook vs 20. Zij zijn van God en van Hem, Hij is in hen verheerlijkt, vgl. 6:37 w. Niet voorde wereld (9): de vijandige, ongelovige. Ze ontvangt de Geest niet, 14:17v. Vgl. 23 waar Jezus bidt dat de wereld gelove. Hij bidt hier in 9 dus eerst voor zijn discipelen, daarna in 23 ook voor de wereld, vgl. 3:16. Ik ben niet meer in de wereld (11): Jezus ziet over de dood heen, Hij gaat tot de Vader en draagt zijn discipelen aan Hem op. Eén zoals Wij (11): zie 17-23. Het eenzijn van de discipelkring is de bijzondere zorg van Jezus die Hij de Vader aanbeveelt. Hoe één? Zoals Wij. Vader en Zoon zijn onverbrekelijk één. Scheiding van deze Twee is het einde van God. Onmogelijk. Laat de discipelen zo één zijn en blijven, 1 Kor. 12: 4-6; Ef. 4:4 w. Heilige Vader (11): zo eenmaal in dit gebed. Heilig, boven de wereld verheven in majesteit, geheel anders. Jes. 6:3; Ps 22:4.UwNaam, die Gij Mij gegeven hebt: vgl. 1:18. Het wezen Gods is door Jezus geopenbaard. Dat is zijn liefde. Bewaar hen in uw liefde en laat die hen samenbinden. God is God-met-ons, Ex. 3:14 v; Jes. 7:14; Mat. 1:23; 6:13; 1 Petr. 1:5. Zoon des verder/s (12): hebr. uitdrukking voor verderver. Vgl. 6:39; 2 Tess. 2:3. De Schrift: Ps 41:10; 109:8. Vgl. Joh. 13:18. De Schrift tekent de weg die de Messias zal gaan, ook het verraad. Blijdschap (13): 15:11; 16:24. De vreugde om de Messias die zijn leven zet voor de schapen. Het is zijn vreugde de wil van God te doen. Die vreugde moet overslaan op zijn discipelen. De wereld (14): 15:19. Zij zijn niet uit de wereld; dat blijkt uit hun erkenning van Jezus: Hij is uit God. Dat geloof is uit God, 1:12 v. Wat niet uit God is kan niet erkennen wat uit God is. De boze (15) Mat. 6:13. Persoonlijk op te vatten, zeker bij Johannes die steeds de geestelijke achtergrond van het gebeuren naar voren brengt, vgl. 13:2, 27. De boze zal zijn aanvallen in het bijzonder richten op de discipelen, reeds voor de dood van Jezus, denk aan Petrus, vgl. 16:33. De Vader zal hen bewaren en het gebed van Jezus verhoren. Luc. 22:32; 1 Tess. 3:3; 1 Joh. 5:18. Heilig hen (17): Lev. 19:2; 1 Petr. 1:15 w. Christus is de heiligheid van de zijnen, 1 Kor. 1:30. De heiliging, de wijding tot de dienst van God, gaat vooraf. Ze worden afgezonderd tot deze dienst. In uw waarheid (17): door uw waarheid, Christus. Ze worden afgezonderd om Christus te prediken. Gezonden (18): zoals Jezus zijn zending volbrengt, zo moeten zij hun zending volbrengen. Jezus beroept zich telkens op zijn zending, 5:36, 38; 7:29; 8:42. Ik heilig Mijzelf (19): door de H. Geest, Heb. 9:14. Ook van zijn discipelen vraagt Hij een offer, Rom. 12:1. Ook voor hen (20): vloeit voort uit 18 v. Vgl. vs 9. Het werk van de gezondenen is gedragen door zijn gebed. Maar hun dienst is onmisbaar, Mat. 28:18-20; Mar. 16:5; Rom. 10: 14. Joh. 4:42; 1 Joh. 4:14. Allen één (21): de spits van het gebed is gericht op het één-zijn van allen in de eenheid van Vader en Zoon: dat zij ook in Ons één zijn. De wereld is vol tegenstelling en vijandschap, zonde maakt scheiding. Vader en Zoon zijn een in het verlossingswerk; door het geloof worden mensen in die eenheid op genomen, alle tegenstellingen worden overwonnen, zie vs 11; Hand. 4:32; Joh. 14:10, 20; Gal. 3:28; 1 Joh. 1:7. Vgl. ook Mat. 6:12, 14 v. De wereld gelove: de eenheid van de gelovigen is gericht op de overtuiging van de wereld dat Jezus de Redder der wereld is, want dat is zijn zending. De vss 22 v. bevestigen dit. De heerlijkheid van ~ Jezus is Gods heerlijkheid. In Jezus openbaart Hij de verlossing. Die heeft Jezus de zijnen gegeven. Dat maakt hen één. Dat maakt dat zij in God zijn. Vader en Zoon zijn één. Jezus is in hen werkzaam, de Vader in Hem, door Vader en Zoon moeten zij volkomen één worden in het getuigenis dat de Vader hen evenzeer liefheeft als Hij de Zoon, ook in het vlees, heeft liefgehad. De gelovigen zijn in de liefde Gods opgenomen en via hen wil Hij anderen in diezelfde liefde behouden. (22 v.). Mijn heerlijkheid…aanschouwen (24): het verband leert dat de heerlijkheid van Jezus is dat Hij Gods liefde in het vlees openbaart aan mensen in het vlees. Dit gaat aan de wereld vooraf. Jezus grijpt in dit vers terug op 14:2 v. Gods liefde in Hem is onveranderlijk en gericht op de gemeenschap met al de zijnen in het Vaderhuis, vgl. 1 Kor. 13: 12; Filp. 3:21; 1 Kor. 15:23, 52 v. 1 Joh. 3:2; Heb. 6:20; 12:2. Ook Gen. 45:13. Rechtvaardige Vader (25): alles wat Jezus vraagt is recht, het rust op de rechtvaardige verhouding van Vader en Zoon, daarom kan Jezus een beroep doen op de rechtvaardigheid van God. God openbaart zijn recht in zijn liefde tot de Zoon die als Middelaar Gods Naam bekend maakt. Wie die liefde in Jezus erkent met hart en ziel, deelt in die liefde die allen behoudt. Die behoort tot degenen die de Vader aan de Zoon heeft gegeven. In hen is de liefde, in hen is Jezus. Om twee dingen gaat het in dit gebed: om de eenheid van de discipelen in God, de Vader en de Zoon. En om het winnen van de wereld door dat één-zijn van hen met God. In het N.T. wordt die eenheid inderdaad openbaar, de apostelen zijn één in geloof, hoop en liefde. En hun getuigenis is één getuigenis dat de wereld tot de éne Redder wil brengen omdat God in Hem zijn liefde heeft geopenbaard, 3:16.
Het lijden en sterven 18:1-19:42
De gevangenneming 18:1-11
Na dit gezegd te hebben (1): kan aansluiten bij 14:31; 16: 4 of 16:33. Het kan ook slaan op alles wat vooraf is gezegd. Nu begint het verhaal van de ‘verhoging’. Jezus ging: Jezus neemt het initiatief en Hij blijft de situatie meester. Hij wil deze weg gaan. Kedron (1): de beek loopt tussen Jeruzalem en de Olijfberg richting Dode Zee. Hof(): Luc. 21:37. Gethsemane, vgl. Mat. 26:4753. Afdeling (3): 200 man van de Romeinen, die blijkbaar hun medewerking geven. Dienaars: tempelpolitie. Vroeger konden ze Jezus niets doen, vgl. 7:45 w. Lantaarns, fakkels en wapens: men is op alles voorbereid. Alles wetende (4): vgl. 13:3; 19:28. Krijgt steeds nadruk. Ik ben het (5): dit te zien is het licht van alle andere uitspraken die beginnen met Ik ben… Maar ze geloven niet dat Hij het is. Judas (6): het voorgaande maakt overbodig dat Judas Jezus aanwijst. Jezus geeft zich vrijwillig over. Er is geen sprake van dat Hij zich onttrekt. Niemand verloren (9): vgl. 6:39; 16:32; 13:18; 17:12. Hij wil dat de zijnen vrij heen gaan. Judas blijft hier buiten beschouwing. Rechteroor (10): een bijzonderheid van een ooggetuige. Hij kent ook de naam van de knecht. De Vader (11): het is geheel in de lijn van het Joh. evangelie het zo te tekenen dat Jezus het lijden als een opdracht van de Vader aanneemt. Hij is een met de Vader, de Vader met Hem. Het vaderschap van God wordt ook in het lijdenvoor-de-wereld zichtbaar. Hij is het Lam van God om de zonde weg te dragen. Daarom moet het zwaard van Petrus terug in de schede.
Verhoor en verloochening 18:12-27
Vgl. Mat. 26:57-75. De afdeling (12): vgl. vs. 3. Joden: in 18:3 overpriesters en Farizeeën genoemd. Annas (13): als Jezus is gevangen genomen, wordt Hij voor de joodse overheid geleid. Annes was tot het jaar 15 hogepriester. Hij behield nadien de titel en had grote invloed. Luc. 3: 2. Kajafas: de hogepriester van dit jaar. Hij was het tussen 18 en 36 na Christus. Het is nuttig (14): Kajafas sprak dit uit nadat Jezus Lazarus had opgewekt en velen in Hem geloofden, 11:49 w. Het is een ‘ambtelijke’ uitspraak. Johannes wil zeggen: het is waar wat hij gezegdheeft, maar anders dan hij bedoelt, vgl. de woorden van Jezus in vs 9. Een andere discipel (15): 20:3 geeft aanleiding om te denken aan Johannes. Ook de weergave van het voorafgaande geeft aanleiding om te denken dat de schrijver ooggetuige is. Zeker weten we het niet. Volgde (15): Simon Petrus begeeft zich hiermee wel in gevaar. Men kan ook hem gevangen nemen. Portierster (16): nauwkeurig wordt meegedeeld dat een vrouw Petrus toeliet en hem de vraag stelde. Het gaat om een slavin. Deze mens (17): klinkt niet erg eerbiedig. Omdat ze weet van zijn discipelen, had ze over Jezus kunnen spreken als Rabbi. Pilatus zal ook spreken over deze mens: Zie, de mens (19:5). Het meisje vraagt het zo dat ze een ontkennend antwoord verwacht. Petrus geeft het: lett. niet ik ben. Ik ben het niet. Dat ben ik niet. Geheel tegenovergesteld sprak Jezus in de hof: Ik ben het, vss 5-8, daar driemaal in de tekst opgenomen. Petrus zal Hem driemaal verloochenen. Het was koud (18): in een subtropisch klimaat kunnen de nachten, zeker in het voorjaar, koud zijn. Op de binnenplaats van het hogepriesterlijk paleis verwarmen de mensen zich bij een kolenvuur. Petrus schaart zich bij hen, machteloos. Hij zou alles willen, maar hij kan en mag niets. De hogepriester (19): Annas of Kajafas? Dat hangt af van vs. 24. Sommigen houden het ervoor dat vs 24 voor vs 19 geplaatst moet worden. Daarvoor pleit dat de titel hogepriester in dit stuk is gereserveerd voor Kajafas.
Als Annas zou bedoeld zijn, zou dat betekenen dat we van een verhoor door Kajafas bij Johannes niets horen. Dan zouden we van deze alleen de uitspraak weten van vs 14 die teruggaat op 11:49 v. We kunnen aannemen dat dat de bedoeling van Johannes is geweest en 24 laten staan, waar die staat. De aanduiding hogepriester geldt dan de oud-hogepriester Annas. Discipelen (19): Annas vraagt naar zijn discipelen, maar Jezus geeft hem daarover geen antwoord, overeenkomstig vs 8 v. Leer: Annas vraagt ook naar zijn leer, maar Jezus verwijst hem naar allen die Hem gehoord hebben. Hij heeft in het openbaar zijn woord gesproken, juist op die plaatsen waar al de Joden samenkomen, 7:26 w; Mat. 26:55; Jes. 45:19. Bij een wettige rechtspraak moeten er beschuldigers zijn die de feiten kunnen noemen. Geef aan… (23): Jezus vraagt verantwoording van de politiefunctionaris die Hem in het gezicht slaat zonder daartoe opdracht te hebben van zijn meerdere. Hij wil recht en geen willekeur. Het verhoor is een mislukking geworden voor Annas. Hij weet niet beter te doen dan Hem geboeid te sturen naar zijn schoonzoon Kajafas voor de officiële vergadering van de Joodse Raad, die echter niet in de nacht mocht vergaderen. Men moest dus wachten tot het aanbreken van de dag.
Simon Petrus…(25): de evangelist neemt het verhaal van Petrus weer op, zie 18. Zij: die zich bij het vuur stonden te warmen. Ook zij stellen een vraag waarop ze een ontkennend antwoord verwachten. Petrus verloochent Jezus voor de tweede keer met het sprekende: Ik ben het niet. Zag ik u niet…(26): een slaaf van de hogepriester, een verwante van Malchus, is ooggetuige geweest van Petrus’ actie in de hof. Kan Petrus nu nog ontkennen? Waar is de andere discipel om hem te waarschuwen? Petrus ontkent voor de derde maal en terstond kraait een haan. Geheel naar Jezus’ woord (13:38). Daar Jezus dit heeft voorgezegd, bevestigt de verloochening, dat Jezus inderdaad de Messias is. Hij gaat de weg van vernedering en neemt de beker uit de hand van de Vader aan. We horen weer van Petrus in 20:2 w en vooral in 21:15 w.
Zijt Gij een Koning? 18:28-38
Vgl. Mat. 27:2, 11-30 par.
Gerechtsgebouw (28): het verblijf van de stadhouder, de burcht Antonia, het praetorium.Vroeg in de morgen (28): na het hanengekraai. Zo vroeg mogelijk is Jezus door de joodse Raad veroordeeld. Maar de dag moest aangebroken zijn, anders was het besluit niet geldig. Of heeft men de hand ermee gelicht. In de vroegte gaat het in ieder geval naar Pilatus.Onrein (28): voor het paasfeest werden de huizen gereinigd van het oude zuurdesem. Zelf moest men een reinigingsbad nemen. Het praetorium was niet van zuurdesem gezuiverd, het werd immers door niet-Joden bewoond. Wie het zou betreden werd onrein en kon niet deelnemen aan het feest van de uittocht. Jezus werd daar binnen gebracht. Hij was wat hen betreft van alle uittocht verstoken, zelf een onreinheid die uitgebannen moest worden. Het Pascha (28): zij moesten het dus nog gebruiken. Over de paasdatum 19: 36 aant.Pilatus (29): Pontius Pilatus de vijfde romeinse procurator in Jeruzalem. Hij was stadhouder van 26 tot 36. Hij bestuurde de provincie Juda in naam van de keizer van Rome. Het is een hard heer geweest. Welke aanklacht: Johannes geeft het proces voor de stadhouder het uitvoerigst. Pilatus wil de zaak als een gewone rechtzaak behandelen. Overleveren (30): hetzelfde woord dat voor verraden wordt gebruikt. De Joden houden Jezus voor een boosdoener. Ze willen dat de stadhouder hun veroordeling bevestigt en dat hij Hem door zijn soldaten zal laten kruisigen. Dan behoeven zij zich niet te verontreinigen. Ze hadden niet meer het recht een doodvonnis uit te voeren zonder toestemming van de Romeinen. Pilatus begrijpt wat ze willen, maar kan Hem zomaar niet overgeven. Het woord van Jezus vervuld (32): De Schrift wordt vervuld, ook het woord van Jezus, dat blijkbaar even hoog geschat wordt als het Schriftwoord. Jezus heeft aangegeven dat Hij niet gestenigd zal worden, maar gekruisigd, 3:14; Mat. 20:19. Jezus antwoordde (34): vgl. vs 21 waar Jezus zijn rechter ook een vraag stelde. Vragen kunnen geduchte antwoorden zijn. Jezus geeft te kennen dat Pilatus zich niet door de Joden moet laten beinvloeden. Hij moet onpartijdig oordelen. Jezus is Koning, maar dan in de zin van Dan. 2:44; 7:14, 27, vgl. 12:13, waar Hij Koning van Israël wordt genoemd. Een Jood? (34): Pilatus houdt niet van de Joden, hij veracht ze, hij zou niet graag een Jood zijn. Hij had vaak conflicten, vgl. Luc. 13:1. Natuurlijk hebben anderen over Hem gesproken. Uw volk (35): duidelijk laat de stadhouder uitkomen dat Jezus door zijn eigen volk is overgeleverd. Het proces rust op het initiatief van de Joden, niet van de Romeinen. Maar Jezus mag voor zich spreken, vgl. 1:11. Mijn Koninkrijk (36): Jezus kan terdege spreken van zijn Koninkrijk, maar het is het Koninkrijk van God, en dat is niet van deze wereld. Vgl. 3: 3, 5; Luc. 17:20. Dat komt anders dan een rijk van deze wereld, dat door geweld en macht bestaat. Maar Jezus’ rijk is niet van hier, vgl. Mat. 26:53. Dus toch (37): Pilatus is verbaasd, maar verstaan kan hij het niet. Maar Jezus beantwoordt zijn vraag bevestigend. Hiertoe…(37): hebr. spreekwijze, Jer. 1:5; Jer. 49:1; 44:2, 24. Het geeft de roeping weer die Jezus heeft. Deze woorden van Jezus tot Pilatus staan te boek als de goede belijdenis, 1 Tim. 6:13. Voor de waarheid getuigen: De Romein Pilatus weet dat in de wereld naar de waarheid wordt gezocht, maar hij bekommert er zich blijkbaar niet over. Hij verstaat Jezus in ieder geval niet. Jezus stelt hem wel in de spanning van het al dan niet horen naar zijn stem. Wie uit de waarheid is, hoort. Zie over de waarheid 1:14, 17; 14:6; 3:21; 7:17; 8:40, 44; 1:10; 14:17; 1 Kor. 2:14. Getuigen wordt erg veel in Joh. gebruikt, 33 maal getuigen, 14 maal getuigenis. Pilatus hoort zijn stem niet, is dus niet uit de waarheid, is niet uit God. Daarmee heeft Pilatus beslist en al probeert hij nog Jezus vrij te laten, dat zal hem nu niet meer lukken. Wie Jezus’ roeping niet serieus neemt, kan niets meer voor Hem doen. Wie niet met Jezus wil lijden, kan niet voor Hem getuigen. Dezelfde houding treffen we aan in Hand. 26:28. Geen schuld (38): tot driemaal toe verklaart Pilatus Jezus onschuldig.
Jezus of Barabbas 18:39-40
Koning der Joden (39): het Koningschap blijft centraal staan in het proces, van het begin tot het eind, vgl. 18:34 en 19:9. Pilatus die zelf niet voor Jezus wil kiezen, probeert van zijn verantwoordelijkheid af te komen door de Joden te laten kiezen. Hij verliest en komt toch voor de beslissing te staan die hij probeert te vermijden. Barabbas: (40): zoon van de vader. Rover (40): Hand. 3:14 spreekt van een moordenaar. Barabbas kan een politiek verzetsstrijder zijn geweest, zoals er velen waren. Dan is de keus van de Joden ook een keuze voor een rijk van deze wereld, een nadere bevestiging van hun afwijkende houding ten op ziehte van Jezus en zijn geestelijk rijk. Is Barabbas een ordinaire misdadiger, dan kiezen zij die boven Jezus, wat een diepe verachting van Jezus is. Dat Jezus ook voor zulke misdadigers gekruisigd wordt, is niet hun gedachte. Zij zelf zijn erger dan Barabbas.
Zie, de mens 19:l-16a
Vgl. Mat. 27:26-31 par.
Jezus wordt door de Joden overgeleverd aan Pilatus om gekruisigd te worden. Pilatus bezwijkt voor de druk van de Joden en geeft Jezus over om Hem te laten kruisigen. Geselen (1): Pilatus laat de onschuldige geselen, 18:38. Dat getuigt van bijzonder weinig respect voor de persoon van Jezus. De geseling loopt uit op een grove bespotting door de soldaten, een diepe verachting van de Joden. Geseling was een inleiding op de kruisiging. Ergernis en dwaasheid leven zich hier uit, 1 Kor. 1:23. Gegroet (3): naar het Ave Caesar voor de romeinse keizer. Slagen in het gelaat (3): Opnieuw krijgt Jezus klappen in het gezicht, 18:22. Jezus verzet zich niet en vraagt hier niet: Waarom slaat u mij? Vgl. Mat. 5:39 en in verband daarmee ook 1 Petr. 2:21-24. Deze behandeling heeft met recht niets meer te maken. Geen schuld (4): Pilatus laat Jezus weer naar buiten brengen. Zullen de Joden het nu voor de onrechtvaardig behandelde opnemen? Hij laat immers zijn eigen mishandeling zien ten aanzien van Jezus die hij onschuldig verklaart. Zie, de mens (5): Ecce homo. Wil Pilatus met deze woorden op de treurige toestand van Jezus wijzen? Het is meer de toestand van allen die bij dit proces zijn betrokken die hier duidelijk wordt. Ieder is blind voor de gave van God en handelt in duisternis. Of Johannes hier wil wijzen op de nieuwe mens? Hij laat meer horen dat in Jezus de ware God gekend wordt. Het Woord is vlees geworden, dat is wat Jezus aangaat de geestelijke achtergrond van het woord van Pilatus. Die verstaat dat zelf niet. Overpriesters (6): zij worden nu uitdrukkelijk aangeduid. Ze vormen de harde kern van het verzet tegen Jezus. Hij heeft hen ook vaak aangesproken op hun handelswijze, vgl. 2:13 w. Kruisigen (6): zie 18:32. Jezus moest gekruisigd worden, maar wee hen, Luc. 22:22. Ook Mat. 27:25. Johannes heeft deze woorden niet. Neemt gij (6): 18:31. Opnieuw doet Pilatus een poging de beslissing bij de Joden te leggen. Voor de derde maal spreekt hij het onschuldig uit. Hij weet wel dat de Joden Hem niet mogen nemen om Hem te kruisigen. Hij kan niet tegen de Joden op. Een wet (7): de wet van God. Gods Zoon (7): hier komt de reden waarom Jezus door de Joden is veroordeeld als godslasteraar, vgl. Lev. 24:16. Joh. heeft het verhoor voor Kajafas niet weergegeven, hier horen we waarom zij Hem veroordeeld hebben, zie ook 5:18; 10:33. Bevreesd (8): Pilatus blijkt te vrezen, nu nog meer. Gods Zoon? Zullen de goden zich op hem wreken. Hij voelt zich nu schuldig. Waar…vandaan? (8): de vraag die steeds gesteld werd, 7:27 v; 8:14; 9:29 v. De belangrijkste vraag van het hele evangelie. Wie Hij was, had Jezus al gezegd, 18:37. Niet tot mij? (10): met nadruk op mij. Luc. 23:9. Macht (10): volmacht. Pilatus dreigt nu Jezus met de kruisiging. Jezus erkent zijn macht, maar als een macht die hem van boven is gegeven, vgl. 3:27. Over de overheid: Rom. 13:1, 4; 1 Tim. 2:2 en 1 Petr. 2:13 v. Pilatus vertoont meer het beeld van de overheid in Op. 13. Die Mij overgeleverd heeft (11): Kajafas. Pilatus wist niet van wie de macht kwam, Kajafas des te beter. Daarom is het misbruiken van zijn ambt voor hem erger dan voor de onwetende Pilatus. Dit tekent het gehele beeld van Pilatus bij Joh. Hij is de onrechtvaardige rechter die in zijn pogingen Jezus vrij te laten gaan, mislukt. Een meelijwekkende figuur tegenover de geraffineerde Kajafas en de zijnen. Zie ook Luc. 22:53; Joh. 10:18; Hand. 2:23. Jezus’ woorden stellen Pilatus niet gerust. Ze stralen eerbiedwekkende waardigheid uit.
Van toen af (12): het gaat nu naar een beslissing. Pilatus wil Hem in vrijheid stellen, maar gaat onderhandelen over iets waarover hij niet mocht onderhandelen. Hij wil Jezus sparen en zichzelf. Hij wil de waarheid niet kennen, 18:38, daarom is wat hij doet niet uit de waarheid. Johannes geeft in het Grieks weer dat het begrijpelijk is wat hij doet, want hij is bang. Maar zijn pogen slaagt niet. Jezus moet gekruisigd worden, naar Jezus eigen woord, 3:14. Vriend van de keizer (12): dat moest je zijn om in functie te kunnen blijven. Was je geen vriend meer, dan kon dat zelfs je leven kosten. Keizer is in deze dagen Tiberius, 14-37 n.Chr. De aanklacht zou niet ver te zoeken zijn: Pilatus laat een koning-in-verzet vrij! Zo staat Pilatus voor de keus. Nu hij zo bedreigd wordt, kiest hij snel voor zichzelf. Rechterstoel (13): die werd door de stadhouder meegebracht en geplaatst op Lito-strotos. Dit was een soort bordes, slechts van binnenuit toegankelijk Pilatus neemt plaats om de uitspraak eenschijn van recht te geven. Het wordt een officiële uitspraak, een ambtelijke beslissing door macht van boven gegeven, 11. Zo heeft Jezus onder Pontius geleden, is gekruisigd en begraven, (Apostolische geloofsbelijdenis): Litostrotos is een met marmer geplaveide plaats, nog te zien in Jeruzalem. In het aramees Gabbata, hoogte of voorhoofd.
De dag… (14): weer plaats en tijd aangegeven, zoals zo vaak in dit Evangelie. Vgl. Luc. 23:54. Het is de dag voor de sabbat. Een bijzondere sabbat vanwege het paasfeest. Jezus had het paasfeest al gevierd, maar de paasnacht was de komende, volgens dit Evangelie, zie 18:28; 19:14; 19:31. Zesuur(A): het zal tegen het eind van de morgen geweest zijn, gezien de gegevens van de andere evangelisten, Mat. 27:1 v par. Zie, uw Koning (14): Pilatus blijft over koning spreken, diep verachtelijk en kwetsend voor de Joden. Die werpen dat van zich. Zij schreeuwden (15): Johannes beschrijft met weinig woorden de tumultueuze ontwikkeling. Met kracht wordt Jezus verworpen: Weg met Hem. Herhaald. Kruisig Hem, klinkt het oordeel. Dat willen de Joden; de zijnen hebben Hem niet aangenomen, 1:11. Met hun medewerking wordt Hij gekruisigd, zonder hun medewerking zal Hij verhoogd worden. Geen koning, alleen de keizer (15): vgl. 1 Sam. 8:7. Met deze uitspraak heffen ze hun joodse identiteit op. Aan het Koningschap van God wordt niet gedacht. Als Israel dat vergeet, vergeet het zijn oorsprong en zin. Maar God laat niet varen het werk van zijn handen. Jezus zal terugkeren tot zijn volk. Gaf Hem over (16): In het Grieks wordt steeds hetzelfde woord gebruikt voor verraden, overleveren, overgeven. Het is één zaak, het verraad van Judas, het overleveren van de Joden, het overgeven van Pilatus, het is allemaal even erg en even vernederend voor de Zoon des mensen, de Zoon van God-in-het-vlees.
De kruisiging 19:16b-27
Vgl. Mat. 27:32-38 par.
Johannes deelt bijzonderheden mee over het opschrift, het onderkleed van Jezus en over zijn zorg voor Maria, zijn moeder.
Zij namen Jezus (16): hier zijn bedoeld de Joden. De kruisiging zelf werd door de Romeinen uitgevoerd. Voor het ww. ‘nemen’ staat hier hetzelfde woord als in 1:11. Hij ging (17): lett. ging uit, nl. naar een plaats buiten de stad. Hij was een vervloekte en mocht niet in de heilige stad sterven, Lev. 24:14; Deut. 17:5; 21:23; Hand. 7:58; vooral Heb. 13:12v. Kruis (17): Alleen de dwarsbalk, maar steeds met kruis aangeduid. Elke veroordeelde moest zijn eigen kruis dragen. Johannes zwijgt van Simon van Cyrene, Mat. 27:32 par. Ooit droeg Izak ook zelf het hout van zijn offer, Gen. 22:6. Golgotha (17): zie vs 20. Kruisigen (18): door Jezus zelf aangekondigd, 13: 4; Mat. 20:19. Voor de oude wereld had het woord kruisiging een geladen betekenis. Romeinen werden niet gekruisigd. Bij Jood en christen is kruis of hout verbonden met Gods vloek, Deut. 21:23; Hand. 10:39; Gal. 3:13; de christen belijdt dat Jezus voor ons is gestorven, 1 Kor. 15:3. Bij de kruisiging wordt de dwarsbalk bevestigd aan de gereedstaande paal. De veroordeelde wordt er aan gehangen en met riemen of touwen vastgesnoerd. Vervolgens worden handen en voeten vastgenageld. Een langzame, smartelijke en smadelijke dood volgt. Twee anderen(18) : dit blijft bij Johannes de enige mededeling over hen en Jezus. Zij hangen naast Hem, Jezus in het midden. Een mededeling die de verachting weergeeft die de Romeinen Hem laten wedervaren. Hij is immers Koning, dit is zijn gezelschap. Opvallend dat Joh. niet wijst op Jes. 53:12. Hij heeft nog enkele andere schriftwoorden in gedachten, 24, 36 v. Vgl. Luc. 23:39-43. Opschrift(19) : gaf de schuld aan van de veroordeelde. Daarop in dit geval dus Jezus de Nazoreeër, de Koning der Joden, in het Latijn Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum, vaak weergegeven als INRI. Dicht bij de stad (20): Golgotha lag dicht bij de stad, buiten de poort aan een weg. De plaats is gelokaliseerd aan de noordzijde van Jeruzalem aan een weg bij een van vier poorten in de noordermuur, waar nu de kerk van het heilige graf is. Een andere lokalisering verder naar het noorden, heeft weinig steun gevonden. Hebreeuws, Latijn, Grieks (20): resp. de taal van het volk Israel, van de overheid, van de wereld. Onopzettelijk is hiermee de wereldomvattende betekenis van het gebeuren aangegeven. Alle volken zullen Hem als Koning eren, Op. 5:13; Joh. 18:37. Pilatus wil met het opschrift de Joden treffen en als de overpriesters (21) inderdaad bezwaar maken, volhardt hij bij wat hij heeft geschreven. Ieder zoekt zichzelf te handhaven en zocht de vernedering van Jezus. Intussen heeft de beschrijving ervan het geloof in Jezus als de Verlosser ten doel, zoals blijkt uit vs 25. De Koning der Joden is de goede Herder die zijn leven aflegt voor zijn schapen, 10:11. In Israel werd de koning vaak met een herder vergeleken, Ez. 34. De soldaten (23): zij spelen een heel bepaalde rol bij het levenseinde van Jezus. Ze dragen niet weinig bij aan de verachting van de Man van smarten vss 2, 18, 34 en in dit vers. Maar ook zij dienen in het plan van God en brengen zonder het zelf te weten tekenen aan die de gelovigen wijzen op Jezus als de ware Koning van Israel. De soldaten verdelen de kleren van Jezus, hoofddoek, gordel, opperkleed en sandalen. Dat was gebruik bij een kruisiging. Van zijn onderkleed wordt apart melding gemaakt. Het is uit één stuk, zonder naad. Van de hogepriester is bekend dat hij zo’n kleed droeg. Jezus wordt ook als priester beleden en wel naar de orde van Melchisedek, Lev. 21:10; Ps. 110:4; Heb. 5:6; 6:20; 7:1 w. De soldaten hebben om dat kleed geloot. Joh. ziet daarin de vervulling van Ps. 22:19, waar gesproken wordt van verdelen én loten. Jezus is de Priester-Koning. Dit hebben de soldaten gedaan (24): met enige nadruk wordt dit tafereel op deze wijze afgesloten. Bij het kruis (25): nu volgt het gedeelte van Jezus en Maria. Er is discussie of het gaat om drie of vier vrouwen. De zuster van zijn moeder is dat Maria van Klopas of een ander? Zoals het er staat, zonder het verwachte tussenvoegsel en, gaat het om drie vrouwen. Voor Maria, zijn moeder is het het moment waarvan Simeon in de tempel sprak, Luc. 2:35. Zuster kan ook schoonzuster betekenen en dan is het niet vreemd dat Maria’s zuster ook Maria heet. Maria Magdalena komt van Magdala in Galilea en is door Jezus bevrijd van zeven duivelen, Luc. 8:2. Het gaat bij Joh. dus om een iets ander gezelschap dan bij Mat. en Mar. Of ze er vrijwillig of gedwongen staan is niet uit te maken. Waar het om gaat is dat Jezus zijn moeder ziet en troost (26). Hij peilt de diepte van haar leed om Zijnentwil en raadt haar nusteun te zoeken bij de discipel die Hij lief heeft (26): vrouw, zie uw zoon. Vrouw. 2:4. Jezus noemt Maria nooit moeder. Daarmee wordt uitgedrukt dat het niet gaat om bloedverwantschap, maar om geloofsgemeenschap; (1:12 vv). Zie, uw zoon (6): we gaan er vanuit dat Johannes bedoeld is. Heeft deze aanduiding te maken met dit woord van Jezus? Heeft hij het ervaren als een bijzondere liefde van Jezus voor zijn moeder te mogen zorgen? Zijn plaats te mogen innemen om het gebod om elkaar lief te hebben, 13:34, allereerst jegens haar na te komen? Want Jezus voegt hem toe: Zie, uw moeder. Hij neemt haar op (27). Blijkbaar heeft hij eigendommen in Jeruzalem of elders, beiden is mogelijk.
Het sterven van Jezus 19:28-37
Vgl. Mat. 27:45-50 par. Als Jezus geroepen heeft dat alles volbracht is, sterft Hij. Zijn beenderen zijn niet gebroken, wel is zijn zijde doorstoken.
Jezus wist (28): dit krijgt steeds aandacht bij Joh., 13:3, 18:4. Hij weet het begin, maar ook het einde. Alles (28): wat God vraagt. Volbracht (28): vgl. 17:4. De Schrift vervuld (28): Opvallend hoe zeer de lijdensgeschiedenis met de Schrift in de hand wordt gevolgd. Vervuld is hier de vertaling van een woord dat betekent: tot volmaaktheid gebracht en tot zijn volle recht doen komen. Zo ook in 17:23. Jezus laat de Schrift geheel tot haar recht komen. Ook het gewone woord voor vervulling van de profetie kent Joh. (13:18; 17:12; 19:24, 36). Mij dorst (28): heeft betrekking op Ps. 22:16, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte. Een kruik vol zure wijn (29): wijst heen naar Ps 69:22; vgl. Mar. 15:23. Zure wijn is een soldaten-drank. Ze drenken een spons met wijn, steken die op een hysopstengel en houden de spons tegen de mond van Jezus. Het kruis is niet zo hoog, de dwarsbalk zit op ongeveer . Het is volbracht (30): alles is volbracht, 28. Alles wat in de Schrift ook voorzegd was (Ps. 22, Jes. 53 enz). Straks als de apostelen de Heilige Geest hebben ontvangen gaan ze Jezus de Gekruisigde prediken en uitleggen aan de gemeenten wat het voor ons betekent dat Jezus voor ons is gestorven. Jezus is het Lam van God dat de zonde van de wereld wegdraagt, 1:29: Hij is het ware offer voor de zonde, Heb. 9:12, 14; 10:10, 22; 12:24. Het sterven wordt ook actief beschreven: Hij boog het hoofd en gaf de geest (30). Hij sterft dus niet van uitputting. Hij gaat heen, omdat Hij alles heeft volbracht. Hij geeft zich over aan de Vader, Luc 23:46. Hij legt zijn leven zelf af, 10:17 v. Wie is Hij die zo is gestorven aan een kruis? Het volgende geeft ons nogmaals antwoord op deze vraag. Voorbereiding (31): 19:14; 18:28. Voorbereiding van de sabbat, tegelijk van het Paasfeest. Het is dus de dag dat het paaslam wordt geslacht en alle voorbereidingen worden getroffen voor de viering van het Pascha. Johannes schrijft dit naar het tijdschema van de Sadduceeën. Dat wijkt af van dat van Farizeeën. Volgens de laatsten begon het Paasfeest op donderdagavond en in die zin schrijven ook de andere evangeliën. Zij geven weer hoe Jezus het Pascha gebruikte en het avondmaal instelde. Johannes beschrijft dat niet – hij ontkent niet dat Jezus het Pascha gebruikte – maar hij wil op zijn wijze laten zien hoe op dit paasfeest het Lam bij uitstek is geslacht, en wel op het uur dat voor de Sadduceeën de lammeren werden geslacht. De hogepriesters Annas enKajafas en vele overpriesters behoorden tot de Sadduceeën en zij hadden de leiding in het proces. Op de dag van voorbereiding hebben zij het Lam van God ter slachting geleid. De dag van die sabbat wat groot (31): is nu wel heel groot in het oog van Johannes. De Joden…vroegen Pilatus (30 v): ze willen de dood bespoedigen om hun lichamen voor het aanbreken van de sabbat te kunnen wegnemen. Een gehangene brengt vloek over het land, Deut. 21:23. Ze willen Pascha vieren zonder ongeluk. Bloed en water (34): de speerstoot wordt toegebracht om de dood van Jezus vast te stellen. Hij is gestorven. De onderscheiding van bloed en water uit de zijde van Jezus is wel verklaard het gevolg scheiding van rode bloedlichaampjes en de lichtgele bloedwei bij bloeduitstortingen. Ook een andere verklaring is gegeven. Of we hier aan de sacramenten van avondmaal en doop moet denken? Toch niet alleen om het gebruik van deze woorden. Zie 1 Joh. 5:6. Zijn getuigenis is waarachtig (35): het gaat om het getuigenis van een ooggetuige. Hij heeft het gezien: de beenderen zijn niet gebroken. En bovendien: Hij is doorstoken. Nu spreken de Schriften: 36 v. Te denken valt aan Ex 12:46, …en zult geen been daarvan breken. Evenzo Num. 9:12. Ook Ps. 34:21 spreekt duidelijke taal: Hij bewaart al zijn (nl. van de rechtvaardige!) beenderen; niet een van die wordt gebroken. Zo is alles geleid dat het vast en zeker is, dat Jezus van Nazaret het ware paaslam is. Dat is het getuigenis dat getuigd wordt, opdat ook gij gelooft. Dat is het doel van het hele evangelie, 20:31; 21:24 w. Het laatste woord van Johannes. Zij zullen zien...(37): gaat terug op Zach. 12:10. Een profetie over de uitstorting van de Heilige Geest op de inwoners van Jeruzalem met als gevolg dat ze bitter zullen kermen over Hem die ze doorstoken hebben. Zien we dat niet op Pinksteren gebeuren? Hand. 2:37 vv.
De begrafenis 19:38-42
Vgl. Mat. 27:57-61 par.
Uit onverwachte hoek komen enkele mannen die met zorg de begrafenis van Jezus verzorgen.
Jozef van Arimathea (38): lid van het Sanhedrin, waarschijnlijk afkostig uit Arimathea, liggend ten N.W. van Jeruzalem en ten Oosten van Jaffa. Discipel in het verborgen (38): hij vreesde uit de synagoge geworpen te worden, 9:22; 12:42. Vgl. de woorden van Jezus in Mat. 10:37 w; 16:24; 20:22 vv. Vroeg aan Pilatus (38): het is dus nodig geweest dat het lichaam werd ‘vrijgegeven’ door de overheid, door Pilatus in eigen persoon. Pilatus heeft dat toegestaan en met zorg wordt het lichaam van Jezus van het kruis genomen. Ook kwam Nicodemus (39): zie 3:1 vv; 7:50, ook lid van de joodse Raad. Hij komt nu voor de dag, vgl. 3:21. Mirre en aloë (39): specerijen tegen lijklucht, het eerste bereid van de hars van de arabische myrtestruik, het tweede is fijngemalen reukhout. De specerijen worden gemengd gebruikt. 100pond (39): . Een pond was 300 schellingen waard. Het gaat om een geweldig bedrag. Nicodemus is blijkbaar heel rijk. Zij namen het lichaam (40): Jozef en Nicodemus, wellicht met behulp van anderen; ze zullen hun bedienden gehad hebben. We kunnen ons verwonderen over de ‘zending’ van deze beide mannen. Onbegraven blijven is een diepe smaad, Jezus wordt met zorg begraven. Nu Hij alles volbracht heeft, wordt Hij niet diepervernederd. Dat twee leden van de joodse Raad zijn uitverkoren tot deze dienst mag als teken gezien worden, dat God zijn volk niet verstoten heeft, vgl. Rom. 9-11. Een hof (41): het is niet zeker dat deze hof het eigendom was van Jozef. De aanwezigheid van een hof speelt een rol bij de lokalisatie van Golgotha. Een nieuw graf (41): met enige nadruk wordt gezegd dat het een nieuw graf was en er nog nooit iemand was neer gelegd. De vertaling ‘bijgezet’ acht ik een anachromisme. We kennen de voorkeur om bij Jeruzalem te worden begraven in verband met de komst van de Messias. Velen lieten een graf uithouwen in de rotsen. Ook hier gaat het om een rotsgraf, Luc. 23:53. Met zijn graven-mét-verwachting. In zo’n graf is de Messias gelegd. Uit dit graf zal Hij opstaan. De voorbereiding (42): weer wordt geattendeerd op de voorbereiding van de sabbat en het Pascha. Allereerst om aan te geven waarom er haast gemaakt werd met de begrafenis, maar toch ook om het heel bijzondere van deze voorbereiding onder de aandacht te brengen. Alles is in gereedheid gebracht voor de Exodus, het Pascha van Joden én heidenen. Het is merkwaardig dat Joh. niet wijst op Jes. 53:9. Hij heeft het voldoende gevonden met de woorden die hij voortdurend uit de Schrift naar voren heeft gebracht. Hij heeft daarmee aangegeven hoe hij het Evangelie gelezen wil hebben. De Schriften getuigen van Jezus Christus, 5:39.
De Opstanding 20:1-31
Het lege graf 20:1-10
Vgl. Mat. 28:1-10 Maria Magdalena vindt het lege graf en waarschuwt Petrus.
De eerste dag (1): de dag van het licht, van het nieuwe, het eeuwige leven, van de Opstanding van Jezus. De dag des Heren is het geworden, Op. 1:10. Maria Magdalena (1): vgl. 19:25. Vroeg gaat ze naar het graf, het is nog donker. Johannes schrijft haar verhaal. Daarmee is niet gezegd dat ze alleen op weg was. De steen ziet ze van het graf weggenomen, de ronde steen voor de opening van het graf in de rots. Bij Simon Petrus (2): opvallend dat hij als eerste het bericht krijgt, Maria zoekt bij hem steun. Weet ze van de verloochening? De andere discipel: dezelfde als in 18:25? Dan treffen we hen opnieuw samen aan, Petrus en Johannes. Wellicht is de laatste voor Petrus tot troost geweest. Wij weten niet (2): in het meervoud. Maria is dus niet alleen. Op weg (3): het graf ligt buiten de stad. Sneller dan Petrus (4): het ligt niet in de aard van Petrus achteraan te komen, hij raakt achterop, des te meer komt hij in het volgende naar voren. Hij gaat als eerste het graf binnen (6): hij stelt als eerste vast dat er niet aan lijkroof moet worden gedacht. Hij ziet ook de windsels liggen, maar ook de ordelijk opgerolde zweetdoek. Zweetdoek (7): de doek die over het hoofd gelegen had. Hij zag het en geloofde (8): ook Johannes komt binnen, ziet het en begint het te geloven. Wat hij begint te geloven, zegt vers 9. Waarom geloofde hij niet eerder? Zij kenden de Schrift nog niet. Het leven, lijden en sterven wordt bezien in het licht van de Schrift. Ook voor de Opstanding moet dit gelden. Hij moest opstaan (9): naar de Schriften, 2:22, Luc. 24:25-27; 44-46; 1 Kor. 15:4; Hand. 2:25-31. Petrus wijst vooral op Ps. 16. Zie ook Joh. 3:14; 17:3. Naar huis (10): dit kan het laatste nog niet zijn. Er is nog geen sprake van paasvreugde. Johannes begint te geloven, van Petrus wordt dit nog niet gezegd. Ook niet dat hij niet begon te geloven. Maar de volle blijdschap is er nog niet. Die komt als ze Hem hebben gezien, vgl. 16:22; 20:20.
Jezus verschijnt aan Maria Magdalena 20:11-18
Vgl. Mat. 28:1-10 par.
Maria bij het graf (11): blijkbaar is ze weer met de discipelen meegekomen naar het graf. Zij gaat niet naar huis. Wenend(\): luidop. Twee engelen (12): vgl. Heb. 1:14. In het Joh. ev. is minder sprake van engelen dan bij de andere evangelisten. Het enige dat ze hier zeggen is: Waarom weent ge? De verkondiging van de opstanding is hier de verschijning van Jezus zelf. De engelen zijn in het graf. Opvallend is de plaatsaanduiding. Ze zitten bij de lege plaats, waar het lichaam gelegen had. Het is alsof ze de plaats wijzen en zo hun vraag aan Maria stellen. Ze zag ze zitten, maar het drong niet tot haar door hoe bijzonder het was. We lezen dan ook niet het bekende: Vrees niet. Zij wist niet (14): ze ziet Jezus, maar ziet niet dat Hij het is. Zie Luc. 24:16. In 1 Kor. 15:42 w beschrijft Paulus het opstandingslichaam als geestelijk, in kracht, uit de hemel. Jezus kon na zijn opstanding verschijnen en weer verdwijnen zoals de engelen. Maria(16) : de goede Herder kent zijn schapen bij name, 10:3; Jes. 43:1; 44:1, 2. Rabboeni: Maria hoort zijn stem, 10: 4, 5. Hij is het, er is geen twijfel aan. Houd Mij niet vast(17) : raak Mij niet aan (SV). Vgl. vs 25. Het gaat niet om even aanraken, maar om het loslaten van Jezus. Het woord past bij de toestand van Maria. Ze zou Hem willen vast houden, maar het is ook voor haar beter dat Hij heengaat, vgl. 16:7. Van een blijvende vereniging kan nu nog geen sprake zijn. Eerst moet Hij naar het vaderhuis. Hij is nog niet opgevaren naar de Vader. Mijn broeders 817): Jezus stuurt Maria naar de discipelen. Hij noemt ze zijn broeders, dus ondanks alles wat gebeurd is. Hij spreekt hier naar Ps. 22:23. Vgl. Heb. 2:11 v. Hij is de eerstgeborene onder vele broeders, Rom. 8:28. Ze geloven in Hem, 16:27; Mat. 12:49. Daarbij sluit Jezus nu op nieuw aan. Ik vaar op…: deze woorden zijn het vervolg van 16:27 v. Zijn vader is ook hun Vader, want de Vader zelf heeft hen lief, 16:27. De relatie tot de Zoon blijft onderscheiden van die tot hen, maar het gaat in beide gevallen om de liefde van de Vader, zijn God en hun God. Zijn verhoging is niet afgebroken in zijn vernedering. De vernedering is juist verhoging en die zet zich door in opstanding en zijn opvaren naar de Vader. Omdat het tot hun nut is, 16:7, laat Hij het de zijnen boodschappen. De Here gezien (18): het zien van Jezus heeft de nodige klemtoon, zie 16:16. Jezus vervult zijn woord. Het behoort tot de boodschap van Maria Magdalena. Ze brengt de boodschap over van de levende Heer, die naar zijn woord onderweg is naar zijn Vader en hun Vader.
Jezus verschijnt aan zijn discipelen 20:19-23
Vgl. Lucas 24:36-39, 47-49.
Avond op die eerste dag (19): een niet-joodse manier van tijdaanduiding. Naar joodse aanduiding behoort de avond reeds bij de tweede dag. Uit vrees (19): zie 9:22. De sfeer is zeer gespannen. Jezus stond in hun midden: staan duidt op een korte aanwezigheid, het blijven staanop een weldra weer heen gaan. Evenmin als engelen kan Jezus tegengehouden worden door een gesloten poort. Vrede zij u (19): De groet die de groet aan de gemeente wordt, vgl. Rom. 1:7; Joh. 14:27; Luc. 10:5. Handen en… zijde (20): die tonen de tekenen van zijn lijden aan het kruis. De tekenen legitimeren Hem als dezelfde, terwijl Hij toch anders is. Ook zijn verheerlijkt lichaam toont blijkbaar de sporen van zijn wonden. Het duidt op de onvergankelijke waarde. Zo staat Hij in het midden als het Lam Gods, Op. 5:6. Verblijd (20): naar 16:20,22, vgl. vs 10 aant Vrede (21): Johannes geeft steeds details van een ooggetuige. De herhaling geeft de zekerheid aan van hetgeen gezegd wordt In grote vrede spreekt Hij. Gelijk de Vader Mij… zend lk (21): in Jezus worden zij door God gezonden. De discipelen hebben voor het kruis beleden dat ze geloven dat Hij gezonden is, 16:30. Hij zendt ze de wereld in, vgl.3:16; 17:18. En na dit (22): dit verbindt het voorgaande met het volgende. De woorden van de uitzending zijn verbonden met het ontvangen van de Geest. Johannes trekt samen, wat Lucas in de tijd heeft gescheiden. Hij blies (22): de adem van de Opgestane maakt hen levend en bekwaam. Hun ziel gaat leven, Gen. 2:7; Joh. 7:39; 1 Kor. 15:45.Wien (23): dit vers heeft de typische joodse stijl om de Godsnaam te vermijden. Het gaat hier om de zgn. sleutelmacht, vgl. Mat. 16: 19; 18:18. Jezus heeft macht op aarde zonden te vergeven, Mat. 9:6. Die macht ontvangen nu ook zijn discipelen. Ook als zij niet vergeven, dan geldt dat ook God ze niet vergeeft. Een voorbeeld ervan is Hand. 5:1 vv. God wil ieder vergeven en vergeeft die tot Hem komen met belijdenis van hun schuld. Zo mogen zijn dienaren vergeven aan hen die hun zonden belijden en zij mogen weten dat God hen ook heeft vergeven. De dienaren spreken namens Jezus, namens God. Uit het verband van dit vers wordt duidelijk dat de vergeving van zonden de kern van de boodschap is. Zie ook Luc. 24:47.
Jezus verschijnt aan Tomas 20:24-29
Vgl. Mar. 16:14-18; Luc. 24:36-49.
Didymus (24): vgl. 11:16. Het betekent tweelingbroeder. De aanduiding wordt ook in verband gebracht met zijn twijfel. Wij hebben de Here gezien (25): 16:16. Het is niet alleen een feit, maar ook een vervulling van het woord des Heren. Indien ik niet (26): Tomas weet blijkbaar van wond in de zijde van Jezus, 19:34. De anderen zullen hem verteld hebben hoe Jezus hen heeft ontmoet, zie vs 20. Hij wil zelf zien, zelf tasten. Na acht dagen (26): weer op de eerste dag van de week. Vgl. Hand. 20: 7; 1 Kor. 16:2; Op. 1:10. Stond: als in vs 19. Niet ongelovig, maar gelovig (27): geloven is een kernwoord in Joh.: het is het werk Gods. Wie in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven, 3:14 vv, 6:29; 6:47 enz. Jezus weet alles van Tomas, vgl. 1:48 v 2:24; Luc 24:25. Mijn Here… (28): als Maria Magdalena, zo vergaat het ook Tomas, 16. Hij belijdt Jezus zoals deze zich heeft geopenbaard en waarom Hij veroordeeld is, vgl. 5:18, 10:30, 33. Jezus is zijn God. Hij is de eerste die zo direct over Jezus spreekt. Hij bevestigt 1:1, 14, 18, 52. Zijn woorden herinneren aan de Pss. 7:4; 22:2; 31:15; 143:10. Omdat (29): Jezus geeft aan dat Hij voortaan niet te zien zal zijn. Hij is nu door hen gezien, naar het woord van 16:16, maar nu breekt een andere bedeling aan. De tijd van de verkondiging en het horen. Zalig die hen geloven, vgl. 17:20; Rom. 10:915. Zo is het laatste woord van het verhaal van Johannes geloven. Dat lijkt me geen toeval. Hij sluit nu af. Wat gezegd moest worden, is gezegd.
Eerste slot 20:30-31
Nog vele andere tekenen (30): naar aanleiding van zijn tekenen heeft Jezus ook veel gesproken. Ook dat heeft Johannes in zijn evangelie weergegeven. Dat is hier bij de tekenen inbegrepen. Hij legt er nadruk op dat ze geschied zijn voor de ogen van de discipelen. Ze zijn getuigen, ooggetuigen, 1 Joh. 1:1. Hun getuigenis is waarachtig, ze hebben het allen gezien en gehoord, twaalf getuigen. Opdat gij gelooft (31): zie Inleiding. Het doel van het evangelie is dat ieder die het leest zal geloven. Kernachtig wordt de inhoud weer gegeven. Jezus is de Christus, de Zoon van God. In Hem schenkt de Vader het eeuwige leven aan een ieder die gelooft, 3:14 w.; 17:3; 15:5; 1 Joh. 5:13; ook 1:12; 24; Rom. 1:17.
Epiloog 21:1-25
Dit hoofdstuk vermeldt de verschijning van Jezus in Galilea naast die in Jeruzalem in het vorige. De aandacht voor Simon Petrus is zeer opvallend. Het gerucht dat Johannes zal blijven leven tot de wederkomst van Jezus berust niet op waarheid.
De openbaring bij de zee van Tiberias 21:1-14
Hierna (1): een woord waarmee Johannes overgaat naar een volgende vertelling. Zee van Tiberias (1): zo ook aangeduid in 6:1. Hij openbaarde zich (1): zie ook 14. Johannes gebruikt dit woord vaker. Hij openbaart zich om zich bekend te maken in Israel, vgl. 1:31; om zijn heerlijkheid te openbaren, 2:11; Hij openbaart Gods Naam aan de zijnen, 17:6. Ook deze openbaring toont zijn heerlijkheid, Hij is de Opgestane.Simon Petrus (2): staat voorop bij zes anderen. Hij is naast Jezus hoofdpersoon in dit hoofdstuk. Natanaël, vgl. 1:45 w. Hier wordt vermeld dat hij komt uit Kana, zie 2:1 vv; 4:46. De zonen van Zebedeus: Jakobus en Johannes, vgl. Mat. 4:21. Vissen (3): om in eigen onderhoud te voorzien, vgl. 1 Kor. 4:12; 1 Tess. 2:9; 2 Tess 3:8. Het volgende doet denken aan Luk. 5:4 w. Nacht (3): de meest geschikte tijd om te vissen. Jezus stond (4): zie 20:19, 26, aant. Zij wisten niet (4): als in 20:14 bij Maria Magdalena.Kinderen (5): kinderkens (SV) vgl. 1 Joh. 2:14, het evangelie alleen hier. Een tere verbondenheid als van een vader en moeder is er in uitgedrukt. Het duidt ook aan dat de leeftijd van de spreker hoger is dan die van hoorders. Toespijs (5): alleen maar hier. Brood was het hoofdgerecht, vis het bijgerecht. Rechterzijde: (6): stuurboord; gewoon was het het net aan bakboord uit te zetten. De discipelen doen zonder tegenspreken wat Jezus zegt, vgl. Luc. 5:4 vv. De Here (7): de discipel die Jezus liefhad zegt het tot Petrus. Blijkbaar voelen deze twee zich zeer verbonden, ze komen vaker samen voor in dit evangelie, 13:23; 18: 15; 20:3 vv; 21:20 v. Als het over herkennen gaat is Johannes vlugger dan Petrus, vgl. 20:8. Een opperkleed omslaan (7): zich omgorden. Petrus is veranderd sinds 20:4. Heeft hij Jezus liever dan de anderen? Hij zwemt . Schip (8): hier lett. scheepje. Het schip is teklein voor zoveel vis. Daarom slepen ze het net naar de oever. Het is een echt ooggetuige-verslag. Vis en brood (9): vanwaar? Vgl. Mat. 4:11. Toch wil Jezus ook vissen uit het net.Simon (11): weer Petrus die het doet. Hij weet niet wat hij voor Jezus moet doen. 153 grote vissen (11): welgeteld. Er zijn vele verklaringen van dit getal gegeven. Er is niet op te bouwen. Jezus heeft zich door dit teken opnieuw geopenbaard als de Levende, het Lam, de Herder. Jezus spreekt hier niet over vissers van mensen zoals in Luc. 5:10, wel gaat hij spreken over de herder en zijn kudde. Houdt de maaltijd (12): samen eten is samen een gemeenschap vormen, vgl. Joh. 6. Jezus nodigt hen tot zijn gemeenschap. Hij en zij zijn één. Hij nodigt hen. Niet zij Hem. De openbaring is hun zo duidelijk dat niemand durft vragen wie Hij is, ze weten het. Toch geeft deze opmerking de spanning weer waarin ze verkeren. Wat gaat er gebeuren? Jezus kwam (13): komen geeft hier het begin van de handeling aan. Het is als in 6:11, met dit verschil dat Joh. niet vermeldt of Jezus een dankgebed uitspreekt. Dat was bij de Joden wel gebruikelijk. De derde maal 814): eerder in 20:19 en 26. Geopenbaard (14): zie vs 1.
Jezus en Perus 21:15-23
Jezus geeft aan Petrus opnieuw de opdracht zijn kudde te weiden en te hoeden en voorzegt zijn kruisdood.
Maaltijd (15): in de vroege morgen, dus geen middagmaaltijd, SV. Aan een avondmaal had Jezus de verrader aangewezen, aan een morgenmaaltijd herstelt Hij Petrus die Hem driemaal heeft verloochend. Dat gebeurt dus bij de derde openbaring.Simon, zoon van Johannes (15): terwijl Johannes steeds spreekt over Simon Petrus, noemt Jezus hem nu Simon, zoon van Johannes. Maar Hij wil hem opnieuw Petrus maken, vgl. 1:43. Simon: verhoring. Johannes: de Here is genadig. Simon krijgt genade en zijn gebed is verhoord. Hebt ge Mij waarlijk lief (15): het woordje waarlijk is door de vertalers toegevoegd om het onderscheid aan te geven tussen de twee woorden die hier worden gebruikt voor liefhebben. We hebben echter te bedenken dat Johannes graag synoniemen gebruikt die dezelfde betekenis hebben. Als we daarvan uitgaan is het woordje: waarlijk, niet op zijn plaats. Meer dan deze (15): zo had Petrus het steeds doen voorkomen, tot nu toe, 13:6vv.,37. Gijweet: Jezus weet alles van hem, hij zegt dat hij Hem liefheeft, maar zegt niet dat hij Hem meer liefheeft dan de anderen. Hij stelt zich niet meer boven hen zoals voorheen. Hij gebruikt een ander woord voor liefhebben dan Jezus, maar SV en NBG hebben de twee woorden als synoniem opgevat en de twee woorden met hetzelfde woord liefhebben weergegeven. We mogen niet zeggen dat Petrus het woord liefhebben (agapaoo) niet durfde te gebruiken, al gebruikt hij hier alleen liefhebben (phileo). Vgl. hier eens met 5:20, want de Vader heeft de Zoon lief (philei)! Weid mijn lammeren (15). Ook hier geldt dat de woorden als synoniemen elkaar afwisselen, zie 16 en 17. Het gaat telkens om de zorg over de gehele kudde die aan Petrus wordt opgedragen. 1 Petr. geeft er blijk van dat Petrus deze woorden goed in zich heeft opgenomen (vgl. 1 Petr. 5:2-4, 8-11). Hij spreekt ook over de bewaring van God, 1 Petr. 1:4 w.
Als Petrus de Here liefheeft, kan hij Jezus’ lammeren weiden, hun voorganger zijn, vgl. 2 Sam. 5:2, met een oprecht hart en een kundige hand, Ps 78:72. Jezus spreekt over zijn lammeren en zijn schapen. Wat de liefde voor de kudde inhoudt, zegt Joh. 10:11. Het blijven de zijnen. Ten derde male (17): nadat Petrus reeds tweemaal verklaard heeft dat hij Jezus liefheeft, vraagt Jezus voor de derde keer: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij lief? Nu wel met hetzelfde woord dat Petrus steeds gebruikte (phileo). Voor de derde keer, wat verband houdt met het drie maal verloochenen van Petrus. Daarom moet hij voor de derde keer verklaren dat hij Jezus liefheeft. Bedroefd (17): waarom wordt Petrus bedroefd? Hij wordt heel sterk op zijn eigen falen gedrukt, maar zo pastoraal dat hij er voor altijd vanaf komt. De liefdesverklaring van Petrus is immers niets anders dan het erkennen van Jezus als de Gekruisigde en de Opgestane. De erkenning van het Lam Gods, de aanvaarding van de Goede Herder. Hij geeft zich nu geheel over en zo wordt hij geschikt om herder te zijn en bereid het uiterste te geven in de dienst van zijn Here. Hij heeft lief, omdat Jezus hem eerst heeft liefgehad, 1 Joh. 4:19. Wie liefheeft neemt de liefde Gods aan in de zin van 3:16. Het beeld dat Handelingen van Petrus tekent, sluit goed bij dit hoofdstuk aan. Voorwaar, voorwaar (18). Wat volgt is geen aanhangsel dat desnoods wel gemist kan worden, maar het doel van het gesprek. De liefde zal van hem het uiterste vragen en dat wordt hier voorzegd, tweevoudig beaamd. Hem wordt gezegd met welke dood hij God verheerlijken zal, vs 19. Daarom moet vers 18 gezien worden als een omschrijving van een kruisiging. Zijn handen zullen aan de dwarsbalk van een kruis worden gebonden en zo zal hij aan het kruis worden gehangen. Petrus is in Rome gekruisigd, volgens een oude traditie zelfs met het hoofd omlaag. Dit wordt in verband gebracht met de christelijke visie op de dood als een geboorte. Wie sterft, wordt geboren in het eeuwige leven. Sterven is wedergeboren worden. En zoals een kind kort voor de geboorte met het hoofd beneden in de moederschoot zakt, zo wil Petrus door zijn houding zijn hoop op het komende leven openbaren, vgl. 1 Petr. 1:3 vv. Volg Mij (19): als een schaap de herder, 10:4, als een volgeling de meester, 13: 36. Ook in Mar. 16:24 heeft Jezus het kruis aangekondigd voor hen die Hem volgen. Je zou dit het laatste woord van Jezus aan Petrus kunnen noemen, een samenvatting van het voorafgaande. En Petrus…zag den discipel volgen...(20): een merkwaardig vers. Petrus ziet de discipel die Jezus liefhad volgen. Volbrengen wat Jezus aan hem vroeg. Gedachtenflitsen worden weergegeven, de laatste maaltijd, het verraad, het tekent de weg die Jezus ging, voorging. Zal Johannes ook…? Wat zal met deze gebeuren? (21): Johannes gaat hem zeer ter harte. Ze trekken veel samen op. Wat gaat het u aan (22): het antwoord van Jezus duidt aan dat ieder zijn eigen last zal dragen, Gal. 5:6. Als Hij wil dat Johannes blijft leven tot zijn wederkomst, kan niemand dat verhinderen. Maar Hij kan ook vragen het leven af te leggen in zijn dienst om zo God te verheerlijken. Daar komt het voor Petrus op aan. Daarom handhaaft Jezus zijn woord: Volgt gij Mij (2): met nadruk op gij. Dit gerucht (23): lett. dit woord. Johannes deelt mee wat Jezus precies heeft gezegd om verkeerde gedachten tegen te gaan. Er wordt wel verondersteld dat hierom dit hoofdstuk nog is toegevoegd.
Het tweede slot 21:24-25
Dit is de discipel (24): omdat Johannes steeds over zichzelf spreekt in de derde persoon, kan ook dit vers als van hemzelf worden beschouwd. Hij blijft tot het eind discipel, leerling des Heren. Maar een die getuigt. Dit herinnert sterk aan 19:35. Het woord getuigen en getuigenis komt steeds terug in het Evangelie. Het begint met een getuige, 1:7, Johannes de Doper, en het eindigt met een getuige, de evangelist Johannes. Daar tussen staat het getuigenis van Jezus zelf. En de Vader getuigt van Hem, 5: 31 w. Wij weten (24): het meervoud duidt de broeders aan en verder de gemeente. Als Johannes de schrijver van deze laatste verzen is, beroept hij zich op het geloof van de gemeente. Als men aanneemt dat een ander discipel deze afsluiting schrijft, dan spreekt hij ook namens hen die geloven. Waar (24): waarheid is ook een van de kernzaken van het Evangelie. Ook van het begin af, 1: 14, 17. Zie vooral in dit verband 5:31 w. De waarheid is aan het licht gekomen, dat is de conclusie. Wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn, 3:21. Dat woord van Jezus geldt in de eerste plaats Hemzelf. De Geest getuigt het in de harten. Daarom is het wij weten een met God mee-weten, een zeker weten. Nog vele andere dingen (25): een analogie van 20:30. Indien. ..(25): nu volgt een merkwaardige verklaring, anders dan in 20:30 v. Daar wordt op het geloof gewezen, hier op de wereld. Die zou te klein zijn om de boeken te bevatten. Het is een manier om de oneindigheid van het evangelie aan te geven. Ps. 40:6 is hier van toepassing: Uw wonderen.. .uw gedachten jegens ons; niets is bij U te vergelijken. Wilde ik ze vermelden en uitspreken, te talrijk zijn zij om te noemen.