Judas
INLEIDING
De brief van Judas is met die aan Filemon een van de kleinste boeken uit de Bijbel, 25 verzen groot. Ook is zijn plaats onopvallend. Deze brief is het voorlaatste boek in het Nieuwe Testament. Als de laatste van de rij brieven staat hij vlak voor de Openbaring van Johannes. Hij springt daar weinig in het oog en wordt weinig gelezen. Toch is hij bijzonder door zijn inhoud: er zijn veel verwijzingen naar figuren uit de oudtestamentische en intertesta-mentaire literatuur. Hij is tevens typisch nieuwtestamentisch met zijn liturgische groet van de schrijver aan de lezers en zijn liturgische afsluiting.
De taal van de brief wordt als hoogstaand Grieks aangemerkt. De schrijver moet ook goed thuis zijn geweest in de Hebreeuwse taal. De Schriftverwijzingen en Schriftallusies die in de brief voorkomen zijn namelijk niet alleen gebaseerd op de Septuagint, de oudste Griekse vertaling van het Oude Testament, maar ook op de Hebreeuwse tekst. De verwijzingen in de verzen 12 en 13 zijn zelfs eerder gebaseerd op de Hebreeuwse Bijbel dan op de Griekse. De schrijver is dus thuis in twee werelden, de Griekse en de Hebreeuwse. Zo is hij een grensganger die de door hem ontvangen erfenis op een eigen manier verder ontwikkelt.
Over de tijd waarin de brief geschreven is open de opvattingen uiteen. De voorstellen variëren van het einde van de tweede eeuw tot de jaren vijftig uit de eerste eeuw (gewone jaartelling). Van belang voor de datering is de nauwe relatie tussen de brief van Judas en II Petrus. Honderdelf van de 460 woorden uit Judas komen overeen met II Petrus, en 15 van de 25 verzen kennen een parallel in II Petrus.
Op dit moment overheerst de overtuiging dat Judas eerder geschreven moet zijn en dat II Petrus literair gezien afhankelijk is van Judas. Gezien de stijl van de brief en de inhoud van de gevoerde discussie is er momenteel een sterke neiging om de brief van Judas vroeg te dateren. De belangrijkste reden hiervoor is de inhoud van vers 17. Dit vers bevat een apocalyptische profetie die al vroeg een fundamenteel onderdeel vormde van het initiële christelijk onderricht. De verwoording van deze profetie in Judas komt sterk overeen met hetgeen Paulus in zijn brieven schrijft. Bovendien gaat de schrijver ervan uit dat de eerste lezers hun onderricht van de apostelen zelf ontvangen hebben. Vandaar dat niet aan een late datering van de brief van Judas wordt gedacht, maar eerder aan een vroege. Misschien mag de brief zelfs tot de oudste documenten van het Nieuwe Testament gerekend worden. Concreet zou dit inhouden dat de brief in de jaren vijftig van de eerste eeuw geschreven is, dat wil zeggen in de tijd waarin ook Paulus zijn brieven samenstelde.
De auteur van de brief laat zich kennen als Judas, dienstknecht van Jezus Christus en broer van Jakobus. We weten verder niets van de schrijver. Maar de naam Judas roept wel het een en ander op. Twee van de leerlingen van Jezus heten Judas, te weten Judas Iskariot en Judas van Jakobus, als we tenminste de lijsten van het Lucas- en Johannesevangelie (Luc. 6:12-16 en Joh. 14:22) volgen. Bij een vroege datering gaat men ervan uit dat de brief geschreven is door de laatstgenoemde Judas.
De schrijver noemt zich de broer van Jakobus. Als we het Matteüsevangelie samen met het boek Handelingen en de Galatenbrief volgen, zou deze Jakobus de broer van de Heer zijn, die een leidende positie in de gemeente van Jeruzalem had (Mat. 13:55; Hand. 12:17; 15:13; 21:18; Gal. 1:19); ook Judas zou dus een broer van Jezus zijn. Maar al met al blijft het gissen naar de identiteit van de auteur.
LEESEENHEDEN EN HUN ONDERLINGE RELATIES
Een korte brief als deze is in beperkte mate nader in te delen. Door een vergrootglas te gebruiken kunnen we een aantal leeseenheden onderscheiden. Het begin bevat een groet (verzen 1 en 2). Het slot bestaat uit een loftuiting aan God (verzen 24 en 25). Daartussen staan twee blokken: het eerste bevat een tirade tegen de dwaalleraars (3-19), en het tweede is een oproep aan de lezers met betrekking tot hun leven (20-23).
Het eerste blok nader worden ingedeeld. Vers 3 geeft de aanleiding weer om de brief te schrijven. De schrijver vermeldt tegen wie hij zich keert (vers 4), om vervolgens zijn tegenstanders in een traditie van afvalligen neer te zetten (5-13) en twee profetieën op hen van toepassing te verklaren (14-19).
Het tweede blok kent twee panelen. Het eerste toont hoe de lezers zichzelf kunnen vervolmaken, het tweede geeft aan hoe de lezers met anderen dienen om te gaan.
Uit de groet en de doxologie blijkt binnen welk denk- en geloofskader de schrijver opereert. Ze geven zijn basisprincipes aan. Het eerste blok laat zien wat er gebeurt met mensen die met die principes een loopje nemen. Het tweede blok is een oproep om standvastig vast te houden aan de uitgangspunten. Het eerste blok heeft het karakter van een indringende waarschuwing, en het tweede blok steekt de lezers een hart onder de riem.
Het geheel heeft een apocalyptische toon, omdat de schrijver het einde der tijden in een van de voorspellingen aanroert (vers 18). Deze aanduiding van het einde der tijden is een goede leeswijzer, omdat zo verklaard wordt waarom de schrijver vooral het negatieve oordeel dat dit einde met zich meebrengt, sterk aanzet. De geciteerde profetie van Henoch spreekt zelfs van een veroordeling (vers 15).
HET STANDPUNT VAN DE SCHRIJVER
De schrijver is doorzichtig in zijn opzet. Hij wil de lezers hecht verankeren in hun geloof in God en Jezus Christus en hij dringt er vooral op aan om hierin standvastig te zijn. De lezers moeten aan hun eenmaal gemaakte keuze trouw blijven, en wel temidden van hen die dat niet doen. Vervolgens geeft hij aan hoe de lezers kunnen omgaan met mensen die falen. Men moet barmhartig voor hen zijn. Het principe dat de liefde groter is dan de wet moet hoe dan ook overeind blijven. Dit is iets dat hij de lezer al vanaf het begin toewenst (vers 2). Of men moet ze proberen te redden, zoals God de schrijver en de lezers redt (zie vers 25). Van weer anderen moet men afstand nemen, zoals de aartsengel Michaël zich distantieert van de satan, en zoals de schrijver van de brief zich afwendt van hardnekkige dwaalleraars.
De auteur wil de lezers losmaken van het standpunt dat ze de genade van God kunnen misbruiken om losbandig te leven (vers 4), dat wil zeggen dat ze alle regels en voorschriften overboord gooien. De losbandigheid wordt op een aantal punten concreet ingevuld: het lichaam bevlekken en alle aards en hemels gezag verachten (vers 11), zich schaamteloos tegoed doen bij liefdesmaaltijden (vers 12), morren en mokken, leven naar de lusten, vol grootspraak zijn, machtigen vleien (vers 16), scheuringen veroorzaken, opgaan in de wereld en de Geest niet bezitten (vers 19). Ook wil de briefschrijver voorkomen dat zijn lezers Jezus Christus niet langer als hun enige meester en Heer erkennen (vers 4).
INTERTEKSTUELE RELATIES MET ANDERE BOEKEN
In het kader van brieven van Paulus
Omdat deze brief zo vroeg gedateerd worden, is het boeiend om hem in het kader van de authentieke Paulusbrieven te lezen. Een voorbeeld is het feit dat ook Paulus een apoca-lypticus is, die vol verwachting uitziet naar de terugkeer van de Heer.
Een ander voorbeeld is het fulmineren en waarschuwen tegen dwaalleraars. Dit treffen we ook in de latere brieven van Paulus aan. Paulus keert zich in deze brieven tegen mensen die in de door hem gestichte gemeenten verwarring zaaien. We weten uit zijn brieven hoeveel strijd en interne twist er al is ontstaan in de Jezusgemeenten en hoe fel men op elkaar reageerde. Sommigen probeerden bijvoorbeeld het gezag van Paulus onderuit te halen (zie hoe fel Paulus zich tegen deze aanval verdedigt in Gal. 1 en 2). De scherpste aanval van Paulus op zijn tegenstanders staat wellicht in diezelfde Galatenbrief (Gal. 1:7-9; 5:10-12). Maar Paulus kleurt die dwaalleraars nooit zo negatief in als Judas doet. Eerder legt hij er zich op toe zijn lezers nog eens te verklaren wat ze wèl moeten geloven. In de Judasbrief blijft dit onderbelicht.
In het kader van de gehele Schrift
In zijn polemiek tegen de dwaalleraars gebruikt Judas nogal wat verwijzingen naar andere boeken, die niet allemaal behoren tot de zogenaamde canonieke geschriften. We treffen ook enkele verwijzingen aan naar apocriefe teksten. Ik zal die verwijzingen een voor een langs lopen, en aan het slot enkele conclusies trekken uit mijn observaties.
Om een goed zicht te krijgen op de betekenis van de brief is het van belang om na te gaan welke verbindingen de schrijver legt met boeken uit het Oude Testament, met de inter-testamentaire literatuur en met boeken die wij apocrief zijn gaan noemen.
In de verzen 5 tot en met 7 refereert Judas aan drie groepen die zich verzet hebben. Twee verwijzingen zijn direct terug te voeren op een concrete tekst: het weerspannige volk (Num. 14), en de steden en Gomorra (Gen. 18-19). De derde verwijzing heeft betrekking op een uitleg van de tekst over de godenzonen die afdalen naar de aarde (Gen. 6). Deze groepen krijgen meer kleur als we de teksten uit Numeri en Genesis nader onder de loep nemen.
In Numeri 14 mort het volk, nadat de verkenners verslag hebben uitgebracht over het land dat ze bezocht hebben. Het volk is bang dat het omkomt. Deze vrees is al eerder geuit, o.a. toen men de dood vreesde na de uittocht uit Egypte, en na doortocht door de Rietzee.
In Genesis 18 en 19 wordt verteld dat
In Genesis 6 beginnen de verhalen over de zondvloed met een vertelling over zonen van God die gemeenschap hebben met dochters van de mensen. Volgens een in de tijd van Judas gebruikelijke uitleg van deze passage heeft het woord ‘zonen’ betrekking op engelen die tegen de wil van God verbintenissen aangingen met mensen. Deze engelen zouden daarom in de onderwereld geworpen zijn. Het Genesisverhaal vervolgt met de redding van Noach, zijn vrouw en kinderen, en exemplaren van alle levende wezens.
In een tweede passage wijst Judas op drie individuen uit het Oude Testament, te weten Kaïn (Gen. 4), Korach (Num. 16), en Bileam (Num. 22-24).
Kaïn is het oudste kind van Adam en Eva. Hij wordt woedend op zijn jongere broer Abel, omdat zijn offer niet recht omhoog opstijgt naar God en dat van Abel wel. Hoewel hij gewaarschuwd is door God, slaat hij zijn broer Abel dood. Hij wordt vervolgens verbannen, maar krijgt ook een merkteken om te voorkomen dat hij op zijn beurt wordt gedood.
Korach komt met anderen in verzet tegen Mozes en Aäron. Hij vindt dat Mozes en Aäron teveel eer naar zich toetrekken. Zodra allen zich voor
Bileam wordt als derde genoemd. De koning van Moab stuurt mannen naar Bileam die hem ertoe moeten overhalen het volk Israël te vervloeken. Om hem over de streep te trekken wordt hem een grote beloning in goud en zilver toegezegd. Als hij meegaat met de mannen, weigert zijn ezel pertinent om verder te gaan. Midden op de weg blijkt een engel te staan, die Bileam wil doden. Als hij dan toch zijn weg mag vervolgen, mag hij alleen doen wat
De brief van Judas bevat drie verwijzingen naar apocriefe teksten. De eerste is een referentie aan het verhaal over de twist rond het lichaam van Mozes dat zou stammen uit het boek De hemelvaart van Mozes. De tweede is een verwijzing naar het apocriefe boek Henoch. En de derde is blijkbaar een mondelinge overlevering van een apostelwoord.
De eerste verwijzing, die naar het boek De hemelvaart van Mozes, is vooral een waarschuwing om zelf geen smadelijk oordeel uit te spreken over afvalligen, wat die afvalligen zelf wel doen. De tweede tekst is een profetie die de eerste bevestigt. Het is de Heer zelf die een oordeel zal uitspreken, en niemand anders. Het derde woord, dat afkomstig is uit de mondelinge overlevering van de apostelen, spreekt over spotters die er in de eindtijd zullen zijn.
GEDACHTEGANG VAN DE BRIEF
Een moderne lezer is eraan gewend dat de aangehaalde bijbelteksten in het juiste kader worden geplaatst, dat moeilijke woorden en zinnen worden verklaard en een passende verklaring krijgen binnen het geheel van de tekst. Dat mag van iemand als Judas niet verwacht worden. Zijn belangrijkste opzet is om de situatie waarin hij en zijn lezers verkeerden, in het licht van bijbelteksten uit te leggen. Daarbij veronderstelt hij dat zijn lezers de Bijbel zelf goed kennen en dat ze weten hoe ze die moeten lezen. Zijn Schriftgebruik is niet uniek. We treffen dit gebruik van de Schrift ook aan bij andere nieuwtestamentische (Joodse) schrijvers, en ook bij vele rabbijnen en Farizeeën. We noemen zijn Schriftuitleg nu typologisch. Het mooiste voorbeeld van een typologische uitleg staat in de al eerder genoemde Galatenbrief waar Paulus Hagar en Sara neerzet als twee typen mensen. De lezer kiezen in welke type hij/zij zich herkent. Judas zet eerst de Schriftverwijzingen neer, en past die vervolgens toe op de situatie die hij op het oog heeft.
De relaties met het Oude Testament en de intertestamentaire literatuur, zoals we die aantreffen in de Judasbrief, geven het volgende beeld. De hier besproken teksten geven enerzijds aan wat er gebeurt met mensen die zich laten leiden door het kwade (Gen. 6 en 18-19), die in opstand komen tegen God zelf (Num. 14 en 16) of het woord van God niet onmiddellijk volgen (Num. 22-24). De lezers worden opgeroepen om deze weg niet te gaan. Dat gebeurt vooral door hen afschrikwekkende voorbeelden voor te houden. Ze moeten standvastig zijn in het geloof dat hun gegeven is (20-21), ze dienen vast te houden aan de ene God die barmhartig is en de gelovigen zal redden van de ondergang.
In een tweede laag laten de teksten zien hoe men dient om te gaan met mensen die niet standvastig zijn en zelfs een verkeerde levenswijze kiezen. Men voor hen bidden (zoals Abraham, Mozes en Aäron), erop uit zijn enkelen van hen te redden (zoals God Noach en redt), of hen ervan weerhouden om hun weg voort te zetten en ze te doen omkeren (zoals de engel met Bileam deed).
In dit kader vallen de verzen 22 en 23 op hun plaats. In deze verzen vraagt Judas zijn lezers onstandvastige mensen niet zelf te vernietigen, maar medelijden met hen te hebben, hen te redden of afstand van hen te houden.
TOT BESLUIT
De brief van Judas is in al zijn kortheid een prachtig voorbeeld hoe men nieuw- en oudtestamentische teksten tezamen moet lezen; het is een brief die laat zien hoe de Hebreeuwse en de Griekse wereld elkaar verrijken. We zien op deze manier ook dat we een consistente brief in handen hebben die de lezers op een indringende manier een weg wijst die hen behoeden voor het verkwanselen van hun leven.