Menu

Premium

Klaagliederen

INLEIDING

Het boekje Klaagliederen bestaat uit vijf klaagzangen, die samenvallen met de vijf hoofdstukken. Vier ervan zijn alfabetische liederen, dwz. gedichten waarvan de onderdelen met de opeenvolgende letters van’ het (hebreeuwse) alfabet beginnen. In hstt. 1, 2 en 4 beginnen de strofen (van resp. 3, 3 en 2 versregels), in hst. 3 elk van de drie versregels van elke strofe met de aan de beurt zijnde letter van het alfabet. Alfabetische liederen komen ook in het psalmboek voor; de bekendste zijn 25, 34 en 119.

De naam Klaagliederen geeft een goede typering van deze gedichten. Er bestonden in Israel verschillende soorten klaagliederen, zoals de klacht over een dode (waarmee de hstt. 1, 2 en 4 overeenkomsten vertonen), het klaaglied van de enkeling (waarmee hst. 3 trekken van overeenkomst vertoont) en het klaaglied van het volk (waarvan hst. 5 een voorbeeld is).

De aanleiding tot deze klachten is blijkens de inhoud de verwoesting van Jeruzalem in 587 v. Chr. door de Babyloniërs en de toestanden waarmee deze gepaard ging, resp. die erop volgden. We weten niet of deze liederen van het begin af gebruikt zijn in samenkomsten van boete en gebed, nog minder of ze speciaal voor zulk gebruik gedicht zijn. Van dergelijke bede- en boetedagen horen we pas in de tijd na de terugkeer uit de ballingschap (Zach. 7:2-5; 8:19). In later tijd werd het boekje gelezen op de dag van de herdenking van de verwoesting van de tempel in 70 n. Chr. (de Ab).

De tijd van ontstaan van deze liederen is met de aanleiding gegeven: ze zijn niet al te lang na 587 v. Chr. gedicht.

De dichter of dichters kennen we niet. Er is geen enkele grond hierbij aan Jeremia te denken; 2 Kron. 35:25 heeft geen betrekking op ons boek Klaagliederen en zie de aant. bij 4:20.

VERKLARING

Eerste klaagzang: de droevige toestand van Jeruzalem 1:1-22

Dit alfabetische lied (zie de Inleiding) is een klacht over de droevige toestand waarin Jeruzalem zich bevindt na de rampen van 597 en 587 v. Chr. (verwoesting en wegvoering). De klacht bevat tevens belijdenis van schuld. In de vss 1-11 spreekt (niet in vss 9c en 11c) de dichter meestal over Jeruzalem in de 3′ persoon; in de vss 12-22 wordt Jeruzalem zelf sprekend, in de 2′ persoon, voorgesteld (niet in vs 17).

De dichtmaat is het zgn. qina-metrum, de versmaat van het klaaglied, waarbij een versregel meestal uit een iets langere eerste en een iets kortere tweede helft bestaat. Elk vs in dit hst. bestaat uit drie zulke versregels (zie overigens bij vs 7).

1.Hoe: woord van verbijstering, dat dikwijls een klacht inleidt, vgl. 2:1, 4:1; Jes. 1:21; Jer. 48:17; een iets kortere vorm van dit woord in 2 Sam. 1:19, 25, 27. Zit zij … neder: hoewel het hebr. woord ook van een stad gebruikt kan worden en dan ‘liggen, gelegen zijn’ betekent, is het hier gebruikt in verband met het beeld van Jeruzalem als vrouw, die eenzaam, als weduwe, beroofd van kinderen, verdrietig terneer zit, vgl. Jes. 47:1, 8, 9, 54:1, 6, 13. Machtig onder de volken: vooral vroeger, in de tijd van David.Landschappen: de provincies, waarin het koninkrijk van Juda verdeeld was; kort voor de ondergang had koning Josia het gebied nog aanzienlijk uitgebreid, 2 Kon. 25:15, 19.

2.Des nachts: de hele dag en zelfs ‘s nachts is er geen ogenblik zonder verdriet. Niemand is er die haar troost: zie de aant. bij Jes. 40.T, 2; soortgelijke woorden in de vss 9, 16, 21. Voor troosters zie Job 2:11; Jer. 16:5. Minnaars: hier komt de oorzaak van de val van Juda en Jeruzalem uit: ontrouw aan het verbond met de HERE (als een huwelijk voorgesteld, vgl. Hos. 1 en 2); in plaats van op de HERE te vertrouwen heeft men het gezocht in bondgenootschappen met andere volken; vgl. ook Jer. 22:20, 27:3. Deze vrienden heten Jeruzalem in de steek toen het erop aankwam en werden zelfs tot vijanden, dwz. bondgenoten van de Babyloniërs.

3.Ontvolkt: vertaling onzeker; anderen: weggevoerd in ballingschap. Geen rust: in tegenstelling tot het vinden van ‘rust’ in eigen land, vgl. Joz. 1:13, 21:44, 22:4; 2 Sam. 7:11; zie ook Mi. 2:10.

4.Geen feestgangers: op de grote feesten kwam men, bedevaartsliederen zingend, naar Jeruzalem, Ps. 42:5, 122: 1; dat is nu, na de verwoesting van de stad en de tempel, voorbij. Poorten: daar was het verkeer en ook het sociale contact het levendigst; vgl. ook Ps. 118:19v. De priesters kunnen.hun dienst niet meer vervullen en de jonkvrouwen, die vroeger op de feesten zongen met reidans en beurtzang, Ex. 15:20; Ps. 68:25v, zingen nu eerder klaagzangen.

5.Want de HERE: het zijn niet zozeer de tegenstanders als wel de HERE die tegen Juda is vanwege zijn vele overtredingen: dit woord duidt het ingaan tegen, het afvallen van de HERE aan. Kinderen: bewoners, zie bij Jes. 54:1, 60:4.

6.Sions dochter: de voorstelling is niet, dat Sion een dochter heeft, maar dat Sion een dochter, een jongevrouw, is^zie Jes. 47:1, 52:2, 62:11; Sef. 3:14; Zach. 9:9. Vorsten: bestuurders, ministers, hoge beambten; dezen behoren het volk te weiden, maar zijn nu zelf als opgejaagd wild, dat geen weide, geen woning en vooral geen voedsel, vindt.

7.Dit vs is twee regels (een versregel) langer dan de andere; waarschijnlijk zijn de woorden ‘al de kostbaarheden, die zij bezat in de dagen van weleer’ een toevoeging. Vert.: ‘Jeruzalem gedenkt de dagen van haar ellende en omzwerving, toen haar volk in de hand van de vijand viel zonder dat zij een helper had; de vijanden zagen haar, lachten om haar ondergang’. Met dit ‘gedenken’ is mogelijk een samenkomst tot herdenking en klacht bedoeld, zie de Inl. Aanschouwden, lachten: zie Ps. 137:7; Ob. : 12.

8.Dit vs en het volgende tekenen Jeruzalem als een vrouw die aan een overspelig leven (zie bij vs 2) een kwaal heeft overgehouden waardoor zij voortdurend een onreine is. Door haar naaktheid, vgl. Jes. 47:2, 3, werd deze onreinheid zichtbaar. Sion schaamt zich (wendt zich af).

9.Haar onreinheid: zie bij vs 8; zelfs haar kleren zijn erdoor bezoedeld. Niet gedacht aan het einde: zij heeft zich er geen rekenschap van gegeven, dat ten slotte Gods oordeel over haar zou komen. Niemand… troost: zie bij vs 2.

10. Niet komen bij u in de gemeente: vgl. Deut. 23:3; nu kwamen ze zelfs in het heiligdom, en wel om het te plunderen, Ps. 79:1; Jer. 51:51.

11. Zoekende naar brood: honger in de verwoeste stad (Jer. 37:21, 38:9); zoals het gaat in zulke omstandigheden doen zwarthandelaars ‘goede’ zaken: men geeft kostbaarheden voor wat voedsel. Zie, aanschouw: weer de klacht van Sion, evenals aan het einde van vs 9; als de HERE goed zou toezien, zou Hij wel helpen, omdat Hij de ellende van Jeruzalem niet langer zou kunnen aanzien, Ex. 2:25; Ri. 10:16.

12. Raakt het u niet, of, volgens anderen: moge dit u nooit overkomen! – de wijze waarop een bedelaar of hulpbehoevende een beroep doet op de voorbijgangers. Ten dage van Zijn brandende toorn: vgl. vs 21. Bedoeld is de zgn. Dag des HEREN, vgl. Sef. 1:7; in de ondergang van Jeruzalem heeft men een eerste vervulling van de profetieën aangaande de Dag des HEREN gezien.

13. Vuur … in mijn gebeente: beeld van een ziekte die met hevige koorts gepaard gaat, Ps. 102:4; Jer. 20:9. Een net: vangnet als voor wild; ook tegen mensen werd, bv. in de strijd, het net gebruikt; Ps. 9:16, 57:7.

14. Zwaar weegt: onzekere vertaling, berustend op kleine tekstwijziging; ook het verdere vs is niet geheel zeker. Juk van mijn overtredingen: de zware last van de straf, die ik vanwege mijn overtredingen (zie bij vs 5) moet dragen. Ineengevlochten: niet helemaal duidelijk; is de bevestiging van het juk aan de hals bedoeld?

15. Machtigen: bestuurders, regeerders. Feest uitgeroepen: een offerfeest, waar de jongelingen, de jonge mannen, worden afgeslacht, vgl. bij Sef. 1:7, de pers getreden: de persbak als beeld van het oordeel, dat een bloedbad aanricht, Jes. 63:3; Op. 14:20. Jonkvrouw, de dochter van Juda: zie bij vs 6.

16. Ik: de als vrouw voorgestelde stad Jeruzalem, zie bij vs 6. Verre …de trooster, zie bij vs 2. Mijn zonen: bewoners, die bij vs 5.

17. Hier spreekt niet Sion maar de dichter. Strekt haar handen uit: in een gebaar van wanhoop en vragen om medelijden, Jes. 51:18. Niemand… troost: zie bij vs 2. Naburen: de volken rondom Israel, die meewerkten aan de ondergang, 2 Kon. 24:2; Ps. 137:7. Als een onreine: van wie men zich afkeert, zie bij vs 8, 9.

18. Rechtvaardig: erkenning, dat het vonnis verdiend is. Te midden van de ellende kan Sion wel klagen, maar niet God onrecht verwijten. Jonkvrouwen, jongelingen: die vooral werden gedeporteerd, Dan. 1:3, 10. Zie echter ook de vss 4, 5, 15.

19. Minnaars: bondgenoten waarop Juda vertrouwde ipv. zijn heil bij de HERE te zoeken, zie bij vs 2. Voor het verdere vs zié bij vss 4 en 11.

20. Het klaaglied loopt uit op een gebed. Zie: zie bij vs 11. & vol onrust: eigenlijk is in gisting, vgl. 2:11. Mijn hart keert zich om: in wroeging en berouw. Zwaard: in de ontredderde stad heerst wanorde en geweld. Pest: oorlog en verwoesting werden meestal gevolgd door besmettelijke ziekten.

21. Zij horen: men vraagt zich af wie ‘zij’ zijn; beter is met een kleine wijziging te vertalen: ‘Hoor hoe ik zucht’, vgl. Ps. 12:16, 27:7, 38:10. Niemand… troost: zie bij vs 2. Zij verblijden zich: het leedvermaak van de vijanden, vgl. Ob. : 12. De dag die Gij hadt aangekondigd: de ‘Dag des HEREN’, zie bij vs 12.

22. Gebed om wraak, vgl. Ps. 137. Kome voor Uw aangezicht: moge als aanklacht onder Uw aandacht gebracht worden. Vanwege al mijn overtredingen: zie bij vs 14. Het gebed om straf over de vijanden doet het besef van eigen schuld niet te niet.

Tweede klaagzang: De HERE is als een vijand voor zijn volk geworden 2:1-22

Ook dit is een alfabetisch lied (zie de Inl.). De volgorde van de 16de en de 17de letter van het hebr. alfabet (‘ en p) is hier, evenals in de hstt. 3 en 4, omgekeerd; de reden hiervoor is onbekend.

In dit tweede klaaglied spreekt niet Sion (afgezien van de vss 20-22) maar de dichter over Sion.

De nadruk ligt nu niet zozeer op de droevige toestand van Jeruzalem als wel op het feit, dat het de toorn van God is, die deze toestand over zijn volk heeft gebracht. Over de dichtmaat zie de inl. op hst. 1. Ook in dit hst. is een vers (19) twee regels (een versregel) te lang.

1, 2. Hoe: zie bij 1:1. Hult… in wolkenfloers: als deze vert. juist is (anderen vertalen: verfoeit), wordt hier de toom van God getekend als een zwaar donker wolkendek dat over Jeruzalem hangt en geen licht doorlaat, vgl. Mat. 27:45v en voor het tegenovergestelde Ps. 36:10. Dochter Sions: zie bij 1:6. De luister van Israel is de hemelhoge plaats die Israel als volk van God innam (anderen denken aan prachtige, hoge gebouwen); vgl. Mat. 11: 21. Zijn voetbank: zo heet de ark van het verbond (1 Kron. 28:2; Ps. 132:7), maar hier zal eerder aan de tempel gedacht zijn: dat God Sion als woonplaats had uitgekozen, heeft Hem niet weerhouden het te laten verwoesten. Voor Israel is dat bijna onbegrijpelijk geweest, zie de Inl. en vgl. de aant. bij vs 15. Ten dage van zijn toorn: zie bij 1:12, 21. Deze vss bevatten verschillende woorden voor ‘toorn’, vgl. de aant. bij Nah. 1:6. Dochter vanJuda: zie bij 1:6. Ontwijd: gemaakt tot een plaats waar Hij niet meer kon wonen. Koninkrijk: koningschap, concreet: koning. Vorsten: zie bij 1:6.

3-5. Afgehouwen alle hoornen van Israel: alle (bronnen van) kracht en welvaart vernietigd; de hoorn is beeld van kracht en overvloed, Ps. 18:3, 75:5,11, 89:18. Zijn rechterhand, waarmee de HERE Israel beschermde en het leven en welvaart gaf, Ps. 16:11, 18:36, 21:9, heeft Hij teruggetrokken, zodat Israel weerloos werd tegen de aanstormende vijand. Sterker nog: Hijzelf keerde zich tegen Jakob en hief zijn rechterhand dreigend op tegen zijn volk, vgl. 2 Sam. 18:28, 20:21. Lust der ogen: vrouwen (Ez. 24:16) en kinderen (Ez. 24:21). Het ergste is, dat de HERE als een vijand geworden is. Dochter van Juda: zie bij 1:6.

6, 7. Hij heeft zijn tent omvergehaald als ware het een omheining: zeer onzekere vertaling; hier staat niet het woord voor ‘tent’ dat inPs. 15:1,61:5 ea. de tempel aanduidt, maar (ongeveer) het woord dat in Ps. 27:5 met ‘hut’ vertaald is. In elk geval is de tempel bedoeld, waar de HERE eeuwig wonen zou, 1 Kon. 8:13; Ps. 68:17. (Plaats van) samenkomst: daar waar God zijn volk ontmoette, vgl. Ps. 74:4 (vergaderplaats). Feestgetij en sabbat: de eredienst ligt stil, vgl. 1:4; alleen samenkomsten om te klagen worden nog gehouden, zie het eind van vs 5 en vgl. vss 18vv; zie ook de Inl. Koning: zie bij 4:20. Zijn heiligdom ontwijd: door verwoesting en bloedvergieten ongeschikt gemaakt voor de eredienst. Als op een feestdag: een dag van ‘samenkomst’ (Hebr.: mo’ed, als in vs 6); een wrange vergelijking.

8, 9. Sions dochter: vgl. bij 1:6. Spande het meetsnoer: om het terrein van de verwoesting precies aan te geven, zoals ook het bouwterrein precies werd uitgezet, Zach. 1: 16. Voormuur: verdedigingsmuur die om de eigenlijke stadsmuur (deze laatste wordt hier wal genoemd) heen gebouwd is. Koning: zie bij 4:20. Vorsten: zie bij 1:6. Wetsonderricht: Hebr.: tora; priesters en Levieten onderwezen het volk in wat leven naar de wil van God betekende, Ez. 7:26. Profeten: hier in het algemeen, zonder onderscheid tussen ‘ware’ en ‘valse’; in vs 14 alleen de ‘valse’.

10. Beelden van de rest van de bevolking, die in rouw is achtergebleven in het verwoeste land. Zwijgend: teken van rouw, vgl. Job 2:13. Oudsten: plaatselijke overheden, invloedrijke vertegenwoordigers van het volk, Ri. 8: 14; 1 Sam. 8:4; 1 Kon. 8:1. Dochter van Sion: zie bij 1:6. Stof …op hun hoofd: teken van rouw, Job 2:12. Rouwgewaad: het hebr. woord issag (SV zak), vgl. 2 Sam. 3: 31; Ps. 30:12; een zwart haren kledingstuk. Jonkvrouwen: zie bij 1:4.

11,12. Mijn ogen: die van de dichter. Vol onrust: vgl. bij 1:20. Hartebloed: er staat eigenlijk ‘lever’; de bedoeling is: ik ben geheel moedeloos. Dochter mijns volks: mijn volk als ‘dochter’ (jonge vrouw) voorgesteld, zie bij 1:6. Kinderen en zuigelingen lijden het ergst onder het gebrek aan eten en drinken {koren en wijn). Aan de borst: op schoot.

13. Wat zal ik u voorhouden: de dichter vraagt zich af welk geval van een ellende die vergelijkbaar zou zijn met die van Jeruzalem hij kan noemen (waarmee u vergelijken?). Een dergelijk geval is er niet; zelfs de schrale troost van ‘U bent niet de enige die zo zwaar lijden moet’ kan Sion niet geboden worden. Als de zee: onmeetbaar, onpeilbaar en niet te beheersen.

14. Uw profeten: niet alle, er waren ook echte profeten van de HERE, zoals Jeremia in die tijd. Maar de meeste profeten hebben geschouwd, dwz. als openbaring van God uitgegeven, wat ijdel en hol, zinloos en onwaar, was, vgl. Jer. 5:31,14:14vv, 23:21vv. Zij hebben ‘vrede!’ geroepen terwijl het oordeel in aantocht was, Jer. 6:14. Dit lot, dit oordeel, was nog te keren geweest als de profeten de ongerechtigheid hadden onthuld, het kwaad, waardoor het volk zich schuldig maakte en het oordeel over zich inriep, hadden ontmaskerd en hadden opgeroepen tot bekering.

15. De handen in elkaar slaan (Num. 24:10, in andere zin Job 34:31) Jluiten (1 Kon. 9:8; Jer. 19:8; Sef. 2:15) en hoofd schudden (2 Kon. 19:28; Ps. 22:8) zijn gebaren van ontzetting en afschuw, mogelijk ook van verachting. Schoonheid, vreugde der ganse aarde: vgl. Ps. 48:3, 50: 2. Uit zulke psalmen sprak het vertrouwen, dat God zijn stad, zijn woonplaats, nooit zou prijsgeven, vgl. vs 6. Maar dat was nu toch gebeurd…

16. 17. Vs 16 begint met de 17de, vs 17 met de 16de letter van het hebr. alfabet. De mond opensperren: gebaar van verachting en leedvermaak, Ps. 22:14, 35:21. Fluiten: zie bij vs 15. Tanden knarsen: gebaar van dreiging, Job 16: 9. De vijanden, de Babyloniërs en allerlei vijandige buur-volken van Israel, zeggen, dat de verwoesting van Jeruzalem de vervulling van hun verlangen is – de dichter weet, dat het de vervulling is van wat God gesproken heeft door de profeten, Jer. 26:18. Hoorn: zie bij vs 3.

18, 19. Deze vss roepen Sion op tot weeklagen; de inhoud van deze weeklacht staat in vss 20- het begin van vs 18 is de tekst waarschijnlijk wat in de war geraakt; mogelijk heeft er gestaan: Roep luid tot de Here, jammer, dochter (van) Sion! Sions dochter: zie bij 1:6. Bij het begin van iedere nachtwake: om de 4 uur, de hele nacht door, vgl. 1:2. Het waken betekent verootmoediging en ondersteuning van het gebed. Stort uw hart uit: misschien dat een ononderbroken gebed God tot medelijden kan bewegen. Vs 19 is een versregel (twee regels in de vertaling) te lang; waarschijnlijk is de laatste een toevoeging.

20-22. Deze vss geven de inhoud van de klacht van Sion aan. Zie en aanschouw: zie bij 1:11. Haar eigen kroost eten: dit kan toch de wil van God niet zijn; vgl. 2 Kon. 6: 28v. In het heiligdom … profeet en priester: blijkbaar waren er ook profeten die, naast de priesters, aan het heiligdom verbonden waren en een taak hadden in de eredienst. Jonkvrouwen en jongelingen: de jeugd en daarmee de toekomst is weggevallen. Ten dage van uw toorn: de zgn. Dag des HEREN, zie bij 1:12, 21. Als vooreen feestdag: Hebr.: mo’ed, waarvoor van alle kanten de feestgangers toestromen, zo heeft de HERE vijanden en verschrikkingen naar Sion geroepen, vgl. 1:15, 2: 7. Dag van de toorn: zie bij 1:12, 21. Die ik (Sion) had verzorgd en grootgebracht: mijn kinderen, dwz. mijn bewoners.

Derde klaagzang: persoonlijke belijdenis, met oproep tot bekering 3:1-66

Ook dit is een alfabetisch lied (zie de Inleiding) en evenals hstt. 1 en 2 bestaat het uit 22 x 3 versregels (22 X 6 regels in de vertaling). Maar in dit hst. begint elke versregel met de aan de beurt zijnde letter van het alfabet (in hstt. 1 en 2 steeds alleen de eerste van de drie); we hebben dus 3 regels die met een ‘alef beginnen, drie met een b, drie met een g, enz. Aan de nummering van de vss is het verschil in dit opzicht tussen de hstt. te zien.

De dichtmaat is ook hier vrijwel uitsluitend het zgn. qina-metrum, zie de inl. op hst. 1.

Zoals bij een (individueel) klaaglied gebruikelijk, wordt de ellende getekend met vele beelden, die echter nauwelijks aanduidingen bevatten van de concrete nood die aanleiding is tot de klacht.

In dit derde lied spreekt niet Jeruzalem, ook niet de dichter over Jeruzalem, maar klinkt de klacht van een individuele Israëliet (zie al dadelijk vs 1). Dit hst. vertoont daardoor veel trekken van een individueel klaaglied, waarvan de taal niet steeds goed past bij de situatie van de gezamenlijke ellende, zie de aantt. bij vss 14 en (vooral) 52-66.

Dikwijls is gevraagd wie de Israëliet is die hier aan het woord is; men heeft oa. gedacht aan Jeremia of aan koning Jojachin (het laatste oa. met verwijzing naar vs 51, mijn stad), maar beide zonder goede grond. De man die zich hier tot tolk van zijn volk maakt en tevens zijn (in een eredienst bijeengekomen?) volksgenoten oproept tot bekering (vss 40vv), doet dit op grond van zijn persoonlijk doorleefde (aandeel in de) ellende.

1-3. Ellende… gezien: ellende beleefd, ondervonden. De roede van zijn (Gods) verbolgenheid: de stok waarmee Hij mij in zijn toorn tuchtigde, vgl. Jes. 9:3, 10:5. Duisternis en donkerte: beeld van leed en verdriet, bijna: het land van de dood; waar geen licht is, is bijna geen leven mogelijk, vgl. bij 2:1. Achter de mensen en de omstandigheden wijst de dichter God aan als Degene die al deze ellende over zijn volk gebracht heeft. Hierdoor wordt tevens de weg geopend tot belijdenis van schuld (vss 39vv) en tot hopen op de HERE (vss 21vv).

4- deze vss tekent de dichter zich als iemand die levend dood is. Beenderen gebroken: niet letterlijk bedoeld maar in de zin van: mijn kracht gebroken. Vergif en moeite: uiterst bittere en moeilijke omstandigheden. Vs 6 is vrijwel gelijk aan Ps. 143:3b. Duistere plaatsen, of: ‘in diepe duisternis’, vgl. bij vs 2.

7-9. Iedere uitgang versperd: lett.: heeft een muur om mij heen gebouwd en ik kom er niet uit; vgl. Job 19:8. De dichter voelt zich gevangen in een benauwde en uitzichtloze situatie. Versmaadt: onzekere vertaling; lett. verstopt, blokkeert; in elk geval is de bedoeling: Hij verhoort niet. Met steenblokken: niet maar met een hoop losse stenen, maar met gehouwen stenen, een muur dus: aanduiding van het opzettelijke en onoverkomelijke. Zie het tegenovergestelde van vs Jes. 57:14.

10-12. Loerende beer, verborgen schuilhoeken: God had het met vijandige bedoelingen op mij voorzien. Het is merkwaardig, dat de tekening van de ellende nog in ‘t geheel niet beïnvloed wordt door de erkenning van eigen schuld. Hij laat mij geen uitweg: onzekere vertaling; anderen vertalen: Hij sleurde mij van de weg af.

13- mijn nieren: diep in mijn binnenste, daar waar mijn diepste gevoelens wonen, Job 19:27. Een belaching … voor heel mijn volk: dit past niet zo goed in het verband, want het hele volk was, samen met de dichter, in ellende gedompeld; men kan (weinig overtuigend) denken, dat hier de koning aan het woord is (zie de inl. op dit hst.) of men kan, met een zeer kleine tekstwijziging, vertalen: ‘voor alle volken’; of men kan denken aan een stereotype wending uit het genre van het individuele klaaglied (zie de inl. op dit hst.). Alsem: bitter kruid, bitterheid.

16-18. Tanden op kiezel stukbijten: de dichter ligt ahw. als een overwonnene voorover op met stenen bezaaide grond, vgl. vs 66. Heil: sjalom, welstand, voorspoed als zegen van God; God onthoudt de dichter de zegen en het goede (dat laatste hier vertaald met geluk) doordat Hij Zichzelf aan hem onttrekt.

19-21. Hier en in de vss 42-45 en 55-66 klinken de tonen van het gebed eh daarmee is gezegd: er is hoop. Ellende: zie 1:3, 7, 9. Omzwerving: zie 1:9. Alsem: 3:15. Vergif.3:5.

22-24. Deze vss ontbreken in de griekse vertaling (Sept.). Gunstbewijzen: het hebr. woord is chèsèd, zie bij Jes. 54: 8, 55:3, 63:7. Anderen vertalen dit vs: de gunstbewijzen van de HERE voorwaar houden niet op, voorwaar, geen einde nemen zijn barmhartigheden. Elke morgen: vgl. Jes. 50:4; ook Ps. 30:6, 46:6, 130:6 (de morgen als de tijd van de uitredding: ‘en met elke morgen keert zijn goedheid weer’). Mijn deel: de HERE en Israel zijn over en weer eikaars ‘deel’, Deut. 32:9; Num. 18:20; vgl. ook Ps. 73:26.

25-27. Deze en de volgende vss (tot 39) behoren tot het mooiste dat in het O.T. te vinden is. Dit is de kern van het boek Klaagl. (ook in letterlijke zin: tussen de vss 33 en 34 zijn we, in aantal verzen gerekend, op de helft van het boek). Voor die Hem verwachten: niet wat men ziet (vs 1) maar wat men van de HERE verwacht is beslissend, vgl. Jes. 40:31. Die Hem zoekt: zie voor de verschillende “betekenissen van ‘de HERE zoeken’ de aant. bij Sef. 1:6. Hier is zeker de betekenis ‘bidden’ bedoeld. Heil: Hebr.:tesjoe’a, vgl. Jes. 45:17. In zijn jeugd: de tijd van opvoeding en tuchtiging, waarin de kans op ombuiging het grootst is, vgl. Pr. 4:13v.

28-30. Zwijge stil: alleen in de weg van zwijgend verdragen (vgl. Jes. 53:7) is, heil te wachten; menselijke reacties van opstandigheid zouden Gods verlossend werk maar voor de voeten lopen. Misschien: vgl. de aant. bij Sef. 2: 3. Biede de wang aan wie hem slaat: vgl. Jes. 50:6. 31-33. Niet voor eeuwig: een vast onderdeel van oud-is-raelitisch belijden, vgl. Ps. 103:9. Gunstbewijzen: zie bij vs 22.

34-36. Volgens de ene opvatting bevatten deze vss een belijdenis van schuld: wij hebben de gevangenen van het land, dwz. hen die zichzelf hebben moeten verkopen om hun schulden te voldoen (vgl. Ps. 69:34), vertrapt en hun recht gebogen – vanwege deze misstanden is al dit onheil over ons gekomen. Volgens de andere uitleg gaat het hier over de Babyloniërs, die het volk van Juda onder hun voeten vertrapt hebben en het in ballingschap, als gevangenen, hebben weggevoerd. Voor het aangezicht van de Allerhoogste: brutaalweg, alsof Hij het niet zou zien en alsof het laatste en hoogste recht niet bij Hem zou liggen.

37-39. De almacht van God, die alles bestuurt, laat geen ruimte voor klachten, of het moest zijn over onze zonden. Vgl. de aant. bij vss 34-36. Die spreekt en het is er. het gaat hier niet zozeer over de schepping als wel over devoorzienigheid. Uit de mond: op bevel van. Het kwade: niet in de zin van ‘het verkeerde, het zondige’, maar van ‘de tegenslag, de ellende’. Vs 39 is nogal onzeker van vertaling, vooral de tweede helft; maar duidelijk is, dat de aanwezige ellende hier met zonde in verband gebracht wordt.

40-42. De persoonlijke belijdenis gaat hier (tot vs 47) over in een gemeenschappelijke. Onze wegen doorzoeken: laten we ons leven en onze daden nauwkeurig toetsen aan de wil van God om zo tot een concrete schuldbelijdenis te komen. Vs 41 geeft de voorstelling dat de handen het hart opheffen tot God in een gebaar van gebed en totale overgave. Niet vergeven: maar gestraft met alle oordelen die over ons gekomen zijn.

43-45. U in toorn gehuld: zodat uw aangezicht voor ons onzichtbaar en onvindbaar was, teken van toorn en verlating (vgl. het tegenovergestelde in de zegen van Num. 6:24-26).

46-48. Vs 46 is vrijwel gelijk aan 2:16; zie aldaar. Schrik en strik: op deze wijze heeft NBG geprobeerd de woordspeling van het Hebr. weer te geven: pachad wafachat; het met ‘strik’ vertaalde hebr. woord betekent eigenlijk ‘valkuil’. Mogelijk een soort staande uitdrukking, vgl. Jes. 24:17; Jer. 48:43. Dochter mijns volks: zie bij 1:6,2: 11.

49-51. Totdat de HERE nederziet: totdat de HERE oog krijgt voor onze ellende en ons te hulp komt, vgl. de aant. bij 1:11.

52-54. Die mij vijandig zijn zonder oorzaak: lijkt in strijd met de schuldbelijdenis; we hebben hier en in de volgende vss met stereotype trekken van het individuele klaaglied te doen, vgl. Ps. 35:7, 19,69:5. Put: gemetselde of uitgehakte opslagplaats in de grond voor water of voedsel, Ex. 21:33; Jes. 51:1; ook als gevangenis gebruikt, Ex. 12:29; tevens met de klank van ‘onderwereld, dodenrijk’, Jes. 38:18. Stenen op mij geworpen: beter: de put boven mij met een steen afgedekt, Dan. 6:18. Die steen neemt het licht weg en verhindert te vluchten, maar als het regent druipt er wel water in de put: wateren … over mijn hoofd: beeld van de totale ondergang, Ps. 42: 8; Jona 2:3.

55-57. Uit het onderste van de put: eig. ‘uit de put van grote diepte’, de diepste kerker, de onderwereld, zie bij vs 54 en vgl. Ps. 130:1. De vss 56 en 57 geven uiting aan het vertrouwen, dat God horen en redden zal; een dergelijke uiting was normaal in het individuele klaaglied.

58-60. Gij voert… mijn rechtsgeding: Gij komt als rechter voor mij op. Deze vss spreken, zoals zo dikwijls in klaagpsalmen het geval is, de taal van het recht. De gedachte is, dat de klager ten onrechte lijdt en, zo al niet tegenover God, dan toch in elk geval tegenover zijn tegenstanders in zijn recht staat. Deze taal past niet zo goed bij de situatie van het gezamenlijk lijden na 587 v. Chr. en bij de belijdenis van schuld, zie de inl. op dit hst. Vgl. voor dergelijke uitdrukkingen Ps. 7:9, 35.T, 24,43:1,74: 22. Verlost: zit bij Jes. 41:14.

61t63. Stereotype taal van het klaaglied; de dichter voelt zich bespot en belaagd door zijn omgeving, vgl. Ps. 22:7, 38:13, 56:6, 7,69:10-13. Bij de situatie van het gezamenlijk lijden na de verwoesting van Jeruzalem willen deze uitdrukkingen minder goed passen. Spotlied: bijna hetzelfde woord als in vs 14. Hun zitten en opstaan: hun totale gedrag.

64-66. Bij vs 64 vgl. Ps. 28:4. Hun geest verblinden: onzekere vertaling; is de bedoeling: hen voor straf radeloos maken, zodat ze niet weten wat te doen? Vervolgen: zoals U ons gedaan hebt, vs 43. Van onder des HEREN hemel: misschien beter ‘van onder uw hemel’.

Vierde klaagzang: hoe heeft het zover kunnen komen? 4:1-22

Dit is, evenals de vorige hstt., een alfabetisch lied (zie de Inl.) en wel zo, dat van de twee aan twee bij elkaar behorende versregels (vier regels in de vertaling) steeds alleen de eerste begint met de aan de beurt zijnde letter van het (hebr.) alfabet (vandaar het verschil in lengte van de vss tussen dit en het vorige hst.).

De dichtmaat is ook hier het zgn. qina-metrum, zie de inl. op hst. 1.

In de eerste twaalf vss worden de toestanden waarmee belegering en val van Jeruzalem gepaard gingen en die erop volgden vergeleken met het geluk van vroeger: hoe heeft het zover kunnen komen?! De vss 13-20 tekenen de huidige rampzalige toestand als onafwendbaar oordeel van God over de zonde. De laatste twee vss verkondigen oordeel over Edom en hoop voor Sion. Wat dat laatste betreft gaat dit hst. verder dan de voorafgaande: er is te midden van de ellende toch verwachting.

1, 2. Hoe: zie bij 1:1. Goud verdonkerd: de stralende toestand van vroeger, de toestand van geëerd en welvarend zijn, vervangen door een situatie van smaad en ellende. Waarschijnlijk werd de vroegere toestand wel wat rooskleurig voorgesteld in het ‘licht’ van de nu aanwezige ellende. Heilige stenen: omdat dit, evenals goud, beeldspraak is, moet niet gedacht worden aan de stenen waarvan de tempel gebouwd was of aan edelstenen uit de tempelschat. Misschien worden met ‘heilige stenen’ eenvoudig ‘kostbare stenen’ bedoeld; zeker ligt er een toespeling in op de waarde van Israel als volk van God. Vs 2 zegt hetzelfde als vs 1, maar zonder beeldspraak. Kinderen van Sion: inwoners van Jeruzalem, vgl. Jes. 51:20, 54:1, 66:8. Aarden kruiken: zonder waarde, achteloos kapot geslagen, vgl. Ps. 2:9.

3, 4. Honger en dorst tijdens en na het beleg van Jeruzalem; de zorg die zelfs jakhalzen bun jongen geven is voor kinderen in Sion onmogelijk geworden. Dochter mijns volks: zie bij 1:6, 2:11. Hardvochtig: noodgedwongen, omdat zelfs de meest noodzakelijke zorg, die voor zuigelingen en kinderen, door gebrek aan eten en drinken niet meer gegeven kan worden. De struisvogel had de naam niet naar eieren of jongen om te kijken, Job 39:16-20 (hebr. tekst 39:13-17). Zie voor de ellende van de kinderen ook 2: llv.

5, 6. Verschil tussen arm en rijk is er niet meer, de ellende is algemeen. Wie op karmozijn of andere kostbare stoffen zat of werd neergelegd ligt nu te slapen, de armen uitgestrekt (omarmen) op de vuilnishoop, waarop hij, vermoeid van het zoeken naar iets eetbaars, in slaap is gevallen. Dochter mijns volks: zie bij 1:6,2:11. De zonde van Jeruzalem was nog groter dan die van Sodom; daarom is Jeruzalem zwaarder gestraft: het ondergaat een langdurig lijden tegenover de hevige maar korte straf over Sodom. Het eind van vs 6 is overigens onzeker van vertaling.

7, 8. Hoewel vs 7 niet in onderdelen te verklaren is, is duidelijk, dat deze beide vss het grote verschil tekenen tussen de welvaart (het welvarende uiterlijk) van de leidende kringen voor de val van Jeruzalem en hun toestand daarna. Reiner dan sneeuw: niet in de zin van ‘zuiver, zonder zonde’ (vgl. Jes. 1:18) – zie vs 6! -, maar in de zin van ‘in blakende welstand’, niet vuil of verweerd door zware arbeid; de tegenstelling geeft vs 8.

9, 10. Beter verging het hun: de gesneuvelden, die vielen in de strijd zijn er beter aan toe dan de overlevenden, die in een langzaam lijden sterven door de honger. Het woord doorboord past niet zo goed bij ‘honger’; mogelijk is de tekst niet helemaal in orde. Vs 10 tekent het ergste tafereel van de honger, vgl. bij 2:20. Dochter mijns volks: zie bij 1:6, 2:11.

11, 12. Grimmigheid, toorn: niet als redeloze affecten, maar als verdiende reactie op de zonden, zie bij 2:1, 2. Uitgevierd, uitgegoten: zonder reserve of terughoudendheid. Vuur: beeld van de toorn van God, vgl. 2:4 en Ps. 79:5, die zo grondig verwoestte, dat zelfs de grondvesten van de stad niet werden gespaard. De koningen der aarde hadden het niet geloofd: met enige overdrijving wordt hier gezegd, dat de hele wereld wist, dat Jeruzalem een sterke, bijna onneembare vesting was, vgl. 2 Sam. 5:6. Voor Juda speelde tevens een rol het vertrouwen, dat God de stad die Hij Zich had uitgekozen om er te wonen niet zou prijsgeven, Ps! 46:5-8, 48:5-9.

13,14,15,16. De oorzaak van de ellende: zonden en ongerechtigheden, vgl. 1:8, 14, 18, 3:39, 42. Profeten en priesters dragen als geestelijke leiders de grootste verantwoordelijkheid, vgl. 2:14, maar het volk was niet beter, zie vs 6. Opvallend is, dat de geestelijke leiders meer verweten wordt dan de ‘wereldlijke’; zie hoe vs 7 over de ‘vorsten’ en vooral hoe vs 20 over de koning spreekt! Vergoten het bloed van de rechtvaardigen: priesters waren betrokken bij de (onrechtvaardige) rechtspraak en profeten hadden in de naam van de HERE tegen allerlei onrecht moeten opkomen. Vs 14 is niet duidelijk; zoals NBG het vertaald heeft staat er, dat de geestelijke leiders, bezoedeld met het onschuldig vergoten bloed en dus voortdurend onrein, toch, in hun verblinding, allerlei contacten onderhielden en zo hun onreinheid door het hele volk doorgaven. Vs 15 lijkt op de nu ingetreden toestand te zien: hun onreinheid is duidelijk geworden; zij moeten, alsof zij melaats waren (Lev. 13:45), roepen: Wijkt! Onrein! Verstrooid onder de volken vinden zij geen rust en worden gemeden.

17, 18, 19. Smachtten … naar hulp: tegen Babel zocht Juda in de tijd voor 587 steeds hulp bij bondgenoten (zie bij 1:2), maar vergeefs. Het volk dat toen niet verlossen kon, evenmin als in vroeger dagen (Jes. 31:1), was Egyp-te(Jer. 37:5). Daartegenover tekenen vss 18, 19de macht van de vijanden; vs 18 het eind van de belegering van Jeruzalem, vs 19 de onmogelijkheid zich door vluchten in de bergen of in de woestijn in veiligheid te brengen. Sneller dan arenden: vgl. 2 Sam. 1:23, zie ook Hab. 1:8.

20. Onze levensadem: wij verwachtten van (via) de koning leven en zegen, omdat hij de gezalfde des HEREN was. In zijn schaduw: in zijn bescherming, vgl. Ps. 63:8, 91:1, 121:5. Maar zelfs de koning is op de vlucht (zie vs 19) gevangen genomen (Jer. 52:6-9). In vs 20 klinkt een stuk ‘koningstheologie’ door zoals die bestond in Juda en die aansloot bij beloften aan David en zijn huis (2 Sam. 7; Ps. 132; vgl. Jes. 55:3). Het is niet waarschijnlijk, dat Jeremia, die van de laatste koningen van Juda niet veel goeds te zeggen had (evenmin als de schrijver van het boek Kon.), een vers als dit neergeschreven zou hebben.

21, 22. Verblijd en verheug u maar: ironie in de zin van ‘nu bent u nog blij, maar wacht maar!’ Dochter van Edom: het volk van Edom als vrouw voorgesteld, vgl. bij 1:6, 2:11. De Edomieten hadden gejuicht bij en misbruik gemaakt van de val van Jeruzalem, Ps. 137:7; Ob. :10vv. Land Us: vgl. Gen. 36:28. De beker: van de toorn van God, Jer. 25:15, 20v (vgl. Mat. 26:39). Uw ongerechtigheid …heeft een einde: de straf op uw zonden zal niet eindeloos duren; er komt een ogenblik dat uw schuld geboet is (Jes. 40:2) en dat herstel daagt. Dochter van Sion: zie bij 1:6, 2:11. Bezoeken: bestraffen. Het oordeel over Edom zal komen. Wij weten niet hoe en wanneer deze profetie over Edom in vervulling is gegaan.

Vijfde klaagzang: gebed van het volk om erbarming 5:1-22

Anders dan de voorafgaande hstt. is dit geen alfabetisch lied; het enige dat hier nog aan het alfabet herinnert is het aantal verzen (het hebr. alfabet telt 22 letters).

Ook de dichtmaat is anders: weliswaar vertonen verschillende vss het qina-metrum (zie de inl. op hst. 1), maar menigmaal ook zijn de beide helften van een versregel even lang.

De litteraire vorm van deze vijfde klaagzang is die van het ‘collectieve klaaglied’ of ‘klaaglied van het volk’, waarin de biddende gemeenschap zich met haar klacht wendt tot God en bidt om erbarming.

1.Gedenk: schenk welwillende, genadige aandacht, vgl. Gen. 19:29, 30:22; vaker in smeekbeden en klaagliederen, Ri. 16:28; Ps. 25:7, 74:18, 89:48. Zie, aanschouw: zie bij 1:11.

2, 3. Ons erfdeel: het land dat U onze voorouders en ons had beloofd en toevertrouwd; dat is nu in handen van vreemden, mensen die U niet kennen en niets met Uw verbond te maken hebben. Wezen: de meeste mannen waren gesneuveld of weggevoerd; tevens staan weduwen en wezen model voor degenen die geen helper of beschermer hebben, 1:11; Ps. 68:6.

4, 5. Water… voor geld: nu alles in handen van de overwinnaars is, moet ook voor alledaagse dingen als water (om te drinken en om eten te koken) en brand«oi/f betaald worden. De tekst van vs 5 is mogelijk wat in de war, maar vrij zeker is, dat het hier gaat over herendiensten die de onderworpenen voor de bezetters moesten verrichten (vs 5a moet misschien vertaald worden: ‘op onze hals torsen wij het juk’).

6, 7. Vs 6 moet gaan over de tijd vóór de val van Jeruzalem, toen Juda hulp zocht bij Egypte, zie bij 1:2 en 4:17. Van hulp zoeken bij Assyrië in nog vroeger tijd (Assyrië werd in 612 v. Chr. uitgeschakeld) spreken ook Jer. 2:18; Hos. 7:11. Om … brood: om onderwerping en daarmee honger (zoals nu heerste) te ontgaan. Vs 7 bedoelt niet de schuld alleen aan de vaders te geven (zie daarvoor Jer. 31:29; Ez. 18:2); vs 6 spreekt immers van ‘wij’ en zie vs 16!

8, 9,10. Knechten heersen over ons: huurlingen en gewone soldaten in dienst van de Babyloniërs gedragen zich tegenover ons als heersers. Brood halen: van het land, buiten de stad, iets te eten halen of de oogst binnenhalen was een levensgevaarlijk werk geworden vanwege overal rondzwervende benden Bedoeienen {het zwaard der woestijn) uit de aangrenzende woestijnen. Honger: vgl. 4:9, 10.

11, 12, 13. Verkrachten, opgehangen: rechteloosheid en geweldpleging zoals die in allerlei tijden plegen plaats te vinden in verwoeste en bezette gebieden. Vs 13, hoewel niet helemaal duidelijk, spreekt weer (vgl. vs 5) over slaafse herendienst.

14, 15, 16. Het normale leven, met rechtspraak door de ouden in de poort en met jongeren die muziek maken, is verdwenen. De kroon van ons hoofd is gevallen: al het mooie, al wat het leven de moeite waard maakt, is eraf. Vgl. Jer. 16:9. Anderen denken vooral aan het wegvallen van de koning of aan het worden van Israel (Juda) van het volk van de verkiezing tot een door God prijsgegeven volk.

17, 18. Het allerergste: de berg Sion, de plaats die God had gekozen om er te wonen, ligt verwoest; de tempeldienst heeft een einde genomen; waar vroeger de feestvierende menigte was voor het aangezicht van God dolen nu vossen rond.

19. Maar Gods troon stond niet alleen op Sion (de ark van het verbond!) – die staat ook en vooral in de hemel; die zetel staat onwankelbaar en daarheen richt zich het gebed. Vgl. Ps. 93:2, 102:13, 145:13.

20,21,22. Waarom: vaker in klaagliederen, Ps. 22:1, 74: 1. Vergeten, verlaten: vgl. Ps. 22:1, 27:9, 38:22, 42:10. Voor altoos, tot in lengte van dagen: God is immers een vergevend God, die niet altijd toornig blijft, Ps. 13:2, 74: 1, 103:9; Mi. 7:18-20. Breng ons tot U weder: waarschijnlijk in dubbele betekenis bedoeld, zowel ‘herstel ons in ons vroegere geluk’ (vgl.vernieuw onze dagen, herstel ons leven) als ‘geef ons ons tot U te bekeren’; het herstel van de gemeenschap tussen de HERE en Israel omvat zowel het een als het ander. Of zoudt Gij: hoewel het daar wel op lijkt, kunnen wij toch niet geloven, dat toorn en verwerping het laatste woord zouden hebben. Dat laatste vonden ook de latere rabbi’s en zij schreven daarom voor, dat bij lezing in de synagoge na vs 22 nog eens vs 21 gelezen moest worden, vgl. de aant. bij Jes. 66:24.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken