Menu

Premium

Kolossenzen

INLEIDING

Kolosse

De stad Kolosse lag in het dal van de rivier de Lycus in het westen van Klein-Azië, het huidige Turkije. In hetzelfde rivierdal lagen niet ver van Kolosse de steden Lao-dicea en Hierapolis (4:13). Kolosse lag aan een belangrijke handelsweg. Langs deze weg waren in de loop der tijd allerlei mensen gekomen die zich in de stad gevestigd hadden. Onder deze waren ook Joden. De stad had dus een zeer gemengde bevolking. Omdat ieder zijn eigen godsdienstige opvattingen meegenomen had, was het religieuze leven zeer veelvormig. Bovendien was het een tijd waarin oude godsdiensten vaak niet meer functioneerden en naar nieuwe vormen gezocht werd. Hierdoor ontstonden allerlei mengvormen van godsverering, waarin verschillende tradities samenvloeiden.

Aanleiding van de brief

Paulus heeft deze brief geschreven aan het eind van zijn leven, toen hij in gevangenschap was, waarschijnlijk te Rome. Hij is zelf nooit in Kolosse geweest, maar door het werk van Epafras (1:7, 4:12) is er in Kolosse een christelijke gemeente ontstaan. Omdat Epafras een medewerker van Paulus was, beschouwde Paulus de gemeente te Kolosse als een van ‘zijn’ gemeenten. Het blijkt dat Epafras Paulus een bezoek heeft gebracht en hem uitvoerig ingelicht heeft over de toestand van de gemeente. Over de gemeente valt veel goeds te zeggen, maar zij wordt bedreigd door dwaalleer. In deze bedreiging wil de apostel de gemeente helpen en daarom schrijft hij ter ondersteuning van hun strijd voor de waarheid van het evangelie deze brief.

Dwaalleer

De dwaalleer die in de brief aan de Kolossenzen wordt bestreden, kennen wij alleen uit deze brief. Zij was een mengsel van christelijke, joodse en heidense elementen. Deze dwaalleraars beschouwden zichzelf als diep ingeleiden in de waarachtige kennis van God en van de werkelijkheid. Zij meenden te beschikken over een geheime leer die hen tot dit dieper inzicht had gebracht. Middelpunt was de verering van de wereldgeesten (2:20), de geestelijke machten, de engelen, die de wereld beheersen. Christus is voor hen niet de beheerser van deze machten, maar één ervan: daarom moet naast Christus ook de verering plaats vinden van geesten, engelen, machten. Deze geheimleer ging gepaard met een stelsel van ascese, lichamelijke onthouding. Achtergrond hiervan was de gedachte, in de toenmalige wereld wijd verspreid, dat het lichaam van minder waarde is dan de ziel en dat de bevrijding van de ziel bestaat uit de bevrijding uit het lichaam. Deze dwaalleraren hadden waarschijnlijk een eigen vorm van eredienst ontwikkeld waaronder ook geheime inwijdingsriten. Zij beschouwden zich als de ware christenen en verweten de gemeente dat zij oppervlakkig leefde.

Het antwoord

Tegenover deze dwaalleer herinnert Paulus de Kolossen-zen aan de boodschap van Christus als de enige Verlosser en Here. Diep gaat hij in op de betekenis van Christus voor de schepping, de wereld, het heelal, de kosmos. Christus is het beeld van de onzichtbare God, de Middelaar van de schepping en als Eerstgeborene uit de doden de Verzoener van de schuld. Hij is de Heer der heren en Hij zal als zodanig eens ten volle openbaar worden. Zo ligt in deze brief veel nadruk op de betekenis van het heilswerk van Christus voor de hele wereld. De kerk, de gemeente, als het lichaam van Christus deelt reeds nu aanvankelijk in de door Christus verworven verzoening. De kerk is wereldwijd en bestaat uit Joden en heidenen. De eenheid van Joden en heidenen is het teken van de komende vrede die in de voleinding zal heersen. Het eschatologische heil heeft reeds nu aanvankelijke gestalte in de gemeente. Dit heil in Christus is verzegeld in de heilige doop. Daarom zijn de leden der gemeente geroepen om de mens der zonde te laten afsterven en in een nieuw leven te wandelen in navolging van Christus, de nieuwe mens. Het heil betreft de hele mens, lichaam en ziel. Daarom moet de strijd niet gevoerd worden door middel van onthouding, maar door een heilige levenswandel, gefundeerd in de genade van Christus.

Taal

De taal van de brief aan de Kolossenzen wijkt enigszins af van de in andere brieven van Paulus gebruikte. De brief aan de Efeziërs vertoont grote overeenkomst met de brief aan de Kolossenzen. Het taalgebruik in deze brief is te verklaren uit de door Paulus gevolgde methode. Hij pakt in de dwaalleer gebruikte termen op en geeft ze een vulling vanuit het evangelie van Jezus Christus, duidelijk met de bedoeling de Kolossenzen te helpen in hun gesprek en strijd met de dwaalleer. Zo handelt hij bijvoorbeeld uitvoerig over het woord volheid (plero-ma), kennis (gnosis), geheimenis (mysterie). Hij vult dus de door de dwaalleer gebruikte woorden met een inhoud vanuit het evangelie.

Indeling

De brief valt in drie delen uiteen: het eerste deel is vooral stellend. Daarin wordt het evangelie van Christus in zijn wereldwijde betekenis uiteengezet, met een beroep op het apostolisch gezag van Paulus (1:1-2:3). Daarna volgt een bestrijding van de dwaalleer (2:4-3:4), waarna de brief wordt afgesloten met aanwijzingen voor het christelijk leven en de gebruikelijke groeten.

Inhoud van de brief

Uiteenzetting v. Evangelie v. Christus 1:1-2:3

Schrijver – lezers – groet 1:1-2

Dankzegging en gebed 1:3-14

De voorrang van Christus 1:15-23

Paulus’ ambt en lijden 1:24-2:3

Bestrijding van de dwaalleer 2:4-3:4

Gevaarlijke wijsheid 2:4-15

De dwaasheid van menselijke inzettingen 2:16-3:4

Aanwijzingen voor het christelijk leven en groeten 3:154:18

Het nieuwe leven 3:5-17

De christelijke huisregels 3:18-4:6

Besluit en groet 4:7-18

VERKLARING

Uiteenzetting van het Evangelie van Christus 1:1-2:3

Schrijver – lezers – groet 1:1-2

1.Apostel: Paulus beroept zich tegenover de hem onbekende gemeente op zijn ambt. Timoteüs: Belangrijkste metgezel en helper van Paulus. Hij bevond zich bij het schrijven van deze brief in de nabijheid van Paulus (1 Kor. 4:17; Hand. 16:1). Onze broeder: Hier bedoeld als bijzondere medewerker (1 Kor. 1:1; 1 Kor. 16:12; 2 Kor. 8:18; 2 Kor. 12:18).

2.Heilige: Door God geroepen. Gelovige broeders: De gemeente is een broederschap van gelovigen. In Christus: De geadresseerden horen bij het lichaam van Christus, de kerk. Onze Vader: God is de Vader van de gemeente, omdat Hij de Vader is van Jezus Christus (zie vs 3; Ef. 1: 2).

Dankzegging en gebed 1:3-14

3.Wij: Paulus en Timoteüs. Danken: Voor de geestelijke toestand van de gemeente. Bidden: De dank aan God is nauw verbonden met de voorbede voor de gemeente (vgl. Ef. 1:6).

4.Gehoord: Van Epafras, die Paulus verslag heeft gedaan over de situatie in Kolosse.Geloof in Christus: De bron van het gemeentelijk leven. Liefde: Daarin krijgt het geloof daadwerkelijke gestalte.

5.Hoop: Beeld van een schat die klaar ligt. De nadruk ligt op de inhoud van de hoop. Tevoren: Toen zij door de prediking tot geloof gekomen zijn. Waarheid: In tegenstelling tot de dwaalleer (Ps. 119:43).

6.In de gehele wereld: Het bestaan en groeien van de kerk is een teken dat het evangelie bestemd is voor de hele wereld. In waarheid: Als waarheid. Zo kennen zij het evangelie.

7.Vernomen: Geleerd (Rom. 16:17; Filp. 4:9). Epafras: Werkte als leraar in de gemeente van Kolosse.Mededienstknecht: Medeslaaf, van dezelfde Heer waarvan Paulus slaaf is (Gal. 1:10; Kol. 1:7, 4:7).

8.Kenbaar gemaakt: Rekenschap gegeven tegenover Paulus (1 Kor. 1:11). Liefde in de Geest: De onderlinge liefde van de gemeente is meer dan menselijke sympathie: Ze heeft haar oorsprong in Gods Geest.

9.Bidden: De voorbede is nooit overbodig. De gemeente blijft onderweg. Rechte kennis: Belangrijk woord in deze brief, gericht op verstand en hart en praktijk, tegenover de dwaalleer. Zijn wil: Gods heilswil en zijn gebod. Wijsheid: De werkelijkheid zien in het licht van het evangelie. Geestelijk inzicht: Toepassing van de wijsheid in het praktische leven (Ex. 31:3; Deut. 4:6; Ef. 1:17, 3:19).

10. Wandelen: Levenswandel (beeld van het leven als een weg). Waardig de Here: Maatstaf voor het christelijk leven is Christus. Verwijzing naar doop en onderricht. Goed werk: De genade Gods maakt dit mogelijk. Vrucht dragen: Door het evangelie te leren meewerken aan de uitbreiding ervan.

11. Alle kracht: Door God gegeven, geen menselijke eigenschap. Gods kracht wordt vaak in menselijke zwakheid volbracht (2 Kor. 12:9; 1 Kor. 1:24). Macht zijner heerlijkheid: Heerlijke, goddelijke macht. Volharding: Actief woord, het uithouden in de strijd, vervolging en aanvechting. Geduld: Lankmoedige omgang met gecompliceerde en onuitstaanbare mensen.

12. Tot God Vader zeggen kenmerkt de dank van de christenen. Toebereid: Geschikt gemaakt voor het nieuwe leven. Gedacht wordt aan het komen tot geloof en de doop. Erfdeel der heiligen: Het in Christus geschonken heil, zoals het land Kanaän voor Israel een erfdeel was. Licht: Symbool van het heil en de genade en de toekomst van het Koninkrijk.

13. Duisternis: Symbool van de macht die tegen God ingaat. Verlost: Gered, weggerukt. Koninkrijk van de Zoon: Staat tegenover de macht der duisternis, is het licht, reeds nu werkelijkheid, in de toekomst volkomen. Liefde: Christus is de geliefde, de uitverkorene Gods. In Hem is de gemeente de geliefde.

14. Verlossing: Loskoping uit slavernij of gevangenschap nl. de macht der duisternis. Vergeving der zonden: Het hart van het verzoenings- en verlossingswerk van Christus.

De voorrang van Christus 1:15-23

15. Tot vs 20 citeert Paulus een bestaand Christuslied. Beeld: Een van de vele namen die in dit lied aan Christus gegeven worden. In zijn vleeswording heeft Christus God geopenbaard, zichtbaar gemaakt wat God bedoelt (Gen. l:26v; 2 Kor. 4:4; Hebr. 1:3). Christus is de tegenwoordigheid van God in de wereld. Eerstgeborene: Hoogheidstitel: eerder en boven alle schepselen.

Hem: Christus is het fundament en het middelpunt van de gehele schepping. In Hem wordt duidelijk wat God met de schepping bedoelt. Tronen: De geesten om Gods troon (Ps. 80:2, 99:1). Heerschappijen: Aartsengelen, vorsten die namens God regeren (Dan. 10:13, 21; Ef. 1:21). Overheden en machten: Zichtbare machthebbers (Ef. 1:21; 1 Kor. 15:24).

17. Vóór alles: Christus is in tijd de eerste en staat daarom boven alle machten. Bestaan in Hem: De schepping heeft in Christus haar eenheid en doel.

18. Hoofd van het lichaam: Wat Christus is in de schepping, is Hij in de gemeente: het levensbeginsel en de regeerder. Wat Christus eens zichtbaar voor allen zal zijn in de hele schepping, ervaart de gemeente reeds nu: Christus is haar hoofd (Ef. 1:22). Begin: Van de kerk als voorteken van de verlossing der schepping. Eerstgeborene uit de doden: De opstanding van Christus is het begin van de herschepping. Onder alles de eerste: Zowel van de schepping als van de herschepping. Uit de herschepping blijkt dat de ganse schepping zal vernieuwd worden.

19. De ganse volheid: In Christus zijn alle goddelijke genade- en levenskrachten geopenbaard. Vrede: De door de zonde gebroken, tegen zichzelf verdeelde schepping, wordt door de kruisdood van Christus tot vrede gebracht. Alle dingen verzoenen: In het verzoeningswerk van Christus zal ten slotte de hele schepping delen.

21. Ook u: De lezers worden eraan herinnerd dat zij vroeger heidenen waren. Vervreemd: Door hun afgodendienst. Vijandig gezind: In hun heidense levensinstelling keerden zij zich tegen God. Boze werken: Hun daden legden daarvan getuigenis af (vgl. 1:10). Thans heeft dubbele betekenis: na de dood van Christus en na hun bekering. Verzoend: Delend in de door Christus aangebrachte verzoening.

het lichaam zijns vleses: Door de dood aan het kruis van Christus. Er ligt nadruk op het feit dat Christus als vleesgewordcne heeft verzoend. Heilig enz.: Als de Levieten voor Gods aangezicht (Deut. 10:8, 18:5, 7, 21:5).

23. Standvastig: Het ware geloof kan door de dwaalleer worden vervalst. Hoop van het evangelie: Door het aannemen van de blijde boodschap is de weg tot het gereedliggende heil geopend. Verkondigd in de ganse schepping: Het aan de Kolossensen verkondigde evangelie is bestemd voor de ganse wereld. Het wereldomvattende van het evangelie én de kerk staat in tegenstelling tot het sectarische van de dwaalleer.

Paulus’ ambt en lijden 1:24-2:3

24. Om uwentwil: Paulus lijdt om het evangelie. In dit lijden komt mede de waarheid van het evangelie openbaar, omdat evangelieprediking en lijden bij elkaar horen (Joh. 15:18; Mat 10:22, 24, 25:11). ln mijn vlees: In mijn aards bestaan. Wat ontbreekr. Het aardse leven van Jezus toont dat lijden behoort bij het belijden van de waarheid Gods. Dit zal doorgaan tot aan de wederkomst van Christus. Zo vult de apostel de verdrukkingen van Christus aan. Hierbij mag niet gedacht worden aan het eenmalige verzoenende lijden van Christus.

25. Dienaar: Als slaaf van Christus staat Paulus in dienst van de gemeente van Christus, zijn lichaam. Bediening: Bedeling (SV), ambt der volvoering van het heilsplan Gods. Tot zijn volle recht: Tot vervulling: Het door Paulus gepredikte evangelie moet als een zuurdeeg de hele wereld doordringen (Rom. 15:19).

26. Geheimenis: Mysterie. De inhoud van het Woord van God wordt de openbaring in Christus voor heel de wereld. Heiligen: Gelovigen uit de Joden en uit de heidenen.

27. Onder de heidenen: De bekering van de Kolossensen is een teken van het geopenbaard worden van het geheimenis. Christus onder u: Christus de Verhoogde is tegenwoordig door Woord en Geest.

28. Terechtwijzen: Op de rechte weg houden, leren. Voortgang in het geloof betekent verdieping van de kennis, ook waarschuwing tegen de dwaalleer. Volkomen: Delend in de gerechtigheid en heiligheid van Christus uit genade.

29. Span ik mij in: De dienst van het evangelie is harde arbeid, zware strijd; term ontleend aan de wedstrijdsport. Kracht: Ondersteuning van Christus.

2:1. Voor u: Hoewel Paulus de gemeente van Kolosse niet persoonlijk kent, is zijn strijd als apostel der heidenen ook voor hen, hij voelt zich met hen, in hun strijd en bedreiging door de dwaalleer, verbonden. Laodicea: Stad op enkele uren afstand van Kolosse. De gemeente aldaar werd door dezelfde dwaalleer bedreigd (zie Op. 3: 14-22).

2.Verenigd: De oproep tot eenheid keert telkens terug. Volledig inzicht (SV volle verzekerdheid des verstands): Door de Geest gewerkt.

3.Christus: Buiten Christus is er geen kennis van God en van het heil. Waarschijnlijk gericht tegen de dwaalleer die allerlei vormen van kennis verkondigde.

Bestrijding van de dwaalleer 2:4-3:4

Gevaarlijke wijsheid 2:4-15

4.Drogredenen: Schijnbaar logische redeneringen die de bedoeling hebben mensen tot dwaling te verleiden.

5.Bij u: Geestelijk aanwezig deelt Paulus in hun strijd voor de waarheid (zie vs 1). Orde, hechtheid: Militaire termen die aanduiden dat de gemeente tot nog toe stand houdt tegenover de dwaalleer.

6.Aanvaard: Av. ontvangen: Door de prediking van het evangelie door Epafras. Hier wordt ook gedacht aan hun doop. In Hem: In geloof aan Christus als Here in de gemeente.

7.Geworteld: Beeld van een boom in goede grond (Ps. 1: 3). Opgebouwd: Beeld van een bouwwerk. Slaat zowel op de enkele gelovige als op de gemeente (Ef. 3:17). Overvloeiende: Overvloedig zijn, teken van de in Christus aangebroken heilstijd (Rom. 5:15, 17; Filp. 1:26; 2 Kor. 3:9; 1 Tess. 3:12).

8.Medeslepen: Als buit wegvoeren, in slavernij brengen. Wijsbegeerte: Zgn. geheime kennis van het heelal. IJdel bedrog: Kenschetsing van de hier bedoelde ‘wijsbegeerte’. Overlevering der mensen: Opvattingen die als geheimen bij de dwaalleraars werden doorgegeven. Wereldgeesten: Bestanddelen waaruit de kosmos is opgebouwd, beschouwd als machten.

9.Volheid: Pleroma. In tegenstelling tot de dwaalleer is in Christus God volkomen te kennen. Lichamelijk: Sinds de menswording van Christus: De gekruisigde en verhoogde Christus is dezelfde. Tegelijk moet gedacht worden aan de kerk als lichaam van Christus waarin God woont.

10. Volheid: De kennis van het heil in Christus is volledig. Extra geheime kennis is niet nodig. Hoofd: De machten zijn door Christus machteloos gemaakt en vermogen niets meer.

11. Besnijdenis: Beeld van de inlijving in het lichaam van Christus, de gemeente. Geen werk van mensenhanden: Tegenstelling met de joodse besnijdenis: door God gewerkt. Afleggen van het lichaam des vleses: Beeld van de radicale vernieuwing die in de doop wordt betekend. Besnijdenis van Christus: Aanduiding van de doop.

12. Met Hem begraven: De onderdompeling bij de doop is een teken van het deelhebben aan het sterven van Christus. Mede opgewekt: Het oprijzen uit het water is een teken van het deelhebben aan het nieuwe leven. Werking Gods. Niet de doop veroorzaakt de vernieuwing, maar God zelf (Rom. 6:4; Ef. 4:24).

13. Dood: Beschrijving van hun toestand als heidenen. Ze waren onder de macht van de zonde (Luc. 15:24, 32; Ef. 2:1). Onbesnedenheid naar het vlees: Zij behoorden niet bij het volk Gods. Toen: Verwijzing naar het kruis en de opstanding van Christus, waarin in principe de Kolossenzen mee zijn begrepen.

14. Bewijsstuk (SV schuldbekentenis): Een door de schuldige ondertekend schuldbewijs. Inzettingen: De zware eisen die de dwaalleraars hun volgelingen oplegden. Daarbij dient ook gedacht te worden aan allerlei voorschriften uit de joodse traditie. Weggedaan (SV uit het midden weggenomen): Zij hinderen de gemeenschap met God. Aan het kruis nagelen: Niet het houden van de inzettingen, maar het offer van Christus bevrijdt van het oordeel.

15. Overheden en machten: Deze profiteren van de zonde der mensen om hen in hun macht te houden. Door het offer van Christus ter verzoening zijn deze wapens uit hun hand geslagen. Tentoongesteld: Voor ieder openlijk belachelijk gemaakt.

De dwaasheid van menselijke inzettingen 2:16-3:4

16. Oordelen: De dwaalleraars pretendeerden dieper inzicht te hebben om over het gedrag van anderen te oordelen. Blijkbaar waren sommige Christenen hiervan onder de indruk. Eten en drinken enz.: De inzettingen (vs 14) van de dwaalleraars, vaak teruggaande op joodse traditie.

17. Schaduw: Beeld van het vluchtige, het zwakke, het nietige, het tegenovergestelde van de zaak zelf en daarom zonder betekenis. Werkelijkheid: Letterlijk: lichaam: De zaak zelf van het heil en de toekomst.

18. De prijs doen missen: Beeld uit de sport, diskwalificeren, volgens onjuiste maatstaven. Gewilde nederigheid: Overdreven onthouding van spijzen, die uitloopt op verachting van het lichaam. Engelenverering: Engelen werden beschouwd als middelaars. Als ingewijde: De dwaalleraars beriepen zich op een geheime kennis die het evangelie te boven ging. Opgeblazen: Het beroep op hun bijzondere kennis en de door hen beoefende onthouding maakte dat de dwaalleraars zich ver boven de gewone christenen verheven voelden.

19. Het Hoofd: Christus. Hem hebben de dwaalleraars in feite opgegeven door zich te wenden tot machten en engelen. De gemeente echter ontvangt alleen uit Christus haar heil en toekomst. Wasdom: Groei, zowel naar grotere rijpheid als naar een groter getal.

20. Afgestorven: Herinnering aan de doop (zie vs 12). Aan de wereldgeesten: De verering van de wereldgeesten is onverenigbaar met het leven met Christus (zie vs 8). Leven in de gemeente is vrijheid van inzettingen en geboden.

21. Raak niet: Verbod van sexueel verkeer. Smaak niet: Verbod van bepaalde spijzen. Roer niet aan: Aanraken van wat onrein is.

22. Dingen: De christen is vrij in zijn verhouding tot de dingen van de wereld. Deze zijn vergankelijk en zo voor het gebruik bedoeld. Zij kunnen geen macht uitoefenen over de gelovige. Voorschriften: Praktische aanwijzingen. Leringen: Theoretische fundering van de voorschriften. Van mensen: Niet van God (Jes. 29:13; Mat. 15:9).

23. Eigendunkelijk: Zelf uitgevonden, willekeurig, niet naar het Woord van God. Kastijding van het lichaam: Onthouding, ascese, die niet van eerbied voor het lichaam getuigt. Bevrediging van het vlees: De nederigheid blijkt hoogmoed te zijn, zelfbevrediging.

3:1. Met Christus opgewekt: Door geloof en doop delen in Christus’ opstanding (2:12). Hieruit worden nu de consequenties getrokken. Dingen die boven zijn: Christus, die in de hemel is, moet de gezindheid op aarde beheersen. Hier wordt geen wereldmijding aangeraden. Aan de rechterhand Gods: Delend in de macht van God.

2.Bedenkt: De aardse levenswandel moet bepaald worden door het denken aan de verhoogde Christus. Op de aarde: het vleselijk denken (2:18, 23). Christus is de eeuwige, het aardse is het voorbijgaande.

3.Leven: Heilsgemeenschap met Christus. Verborgen met Christus in God: Weer het beeld van de schat die in de hemel zeker bewaard wordt. Het leven wordt nu alleen in het geloof gekend (2 Kor. 5:7; 1 Joh. 3:2; Ef. 2:6).

4.Verschijnt: Openbaar wordt. Gedacht is aan de wederkomst. In heerlijkheid: Delend in de volle openbaring van het leven Gods (Rom. 8:18; Filp. 3:21; 1 Kor. 15:49).

Aanwijzingen voor het christelijk leven en groeten 3:15-4:8

Het nieuwe leven 3:5-17

5.Doodt de leden: Slotsom uit: Gij zijt gestorven (2:12, 20). Achtergrond is de tegenstelling oude en nieuwe mens. Hoererij: Ontucht, kenmerk van het toenmalige heidendom (Gal. 5:19; 1 Tess. 4:3). Lichaam en ziel zijn in de heiliging één. Hebzucht: Bedreiging van de christelijke levenswandel (1 Tim. 6:10; Luc. 12:15; 2 Tim. 3:2; Ef. 5:3).

6.De toorn Gods: In het komende gericht.

7.Eertijds: Het vroegere leven vóór hun komen tot Christus. De zonden hierboven genoemd waren de levenssfeer waarin zij ademden (Ef. 2:3).

8.Thans: Nu gij met Christus gestorven zijt tot nieuw leven met Christus. Wegdoen: Afleggen, als een kleed; verwijzing naar het doopritueel. Toorn: Spreken in toorn. Het gaat hier om de relatie met de naaste.

9.Lieg niet: Herinnering aan de tien geboden (Deut. 5: 17-20; Ex. 20:13-16). De leugen werkt schadelijk voor degemeenschap die gegrond is in de waarheid. Afleggen oude mens: Weer het beeld van het verwisselen van kleding behorend bij het doopritueel (Rom. 6:6; Ef. 4:22).

10. Vernieuwd wordt: De vernieuwing is nog niet afgesloten. Het is de nieuwe mens eigen vernieuwd te worden. Volle kennis: In tegenstelling tot de kennis die de dwaalleraren beweerden te geven. Beeld van zijn schepper. In Christus wordt het beeld-Gods-zijn aan de mens geschonken.

11. Geen onderscheid: Scheiding tussen mensen is kenmerk van de oude mensheid. In Christus: In zijn lichaam zijn deze scheidingen opgeheven (1 Kor. 12:13; Gal. 3: 27). Barbaar. Niet behorend tot de griekse beschaving. Skyt: Behorend tot een volk wonend op de Balkan; het voorbeeld van volledig gebrek aan cultuur.

12. Aandoen: Nu volgen de positieve aanwijzingen op grond van 3:1. Innerlijke ontferming: Letterlijk ingewanden van het erbarmen. In het innerlijk van de mens wonen zijn gevoelens die in daden tot uitdrukking komen. Goedheid: Mildheid, vriendelijkheid, nederigheid, in tegenstelling tot de valse deemoed in de dwaalleer (Rom. 12:3; Filp. 2:3). Zachtmoedigheid: In tegenstelling met ruwheid, hardheid. Geduld: Tegenstelling met toorn en wraak.

13. Verdraagt elkander: Aanvaardt elkander, gegrond op de aanvaarding door Christus (Rom. 15:7; 1 Kor. 6:1.

14. Liefde: Kernwoord in deze perikoop, grond van alle handelen. Band der volmaaktheid: Volkomen band. De liefde is de kracht die tegenstellingen overbrugt en wat gescheiden is verbindt. De eenheid der liefde is teken van volmaaktheid.

15. Vrede van Christus: Heilsgave van Christus, die gestalte krijgt in de praktijk van het gemeenteleven (Jes. 9: 6, 52:7; Ef. 2:14; 1 Kor. 10:17). Dankbaar: Houding die tot het wezen van het christelijk leven behoort (1:12, 2:7, 3:17, 4:2).

u: In de gemeente. Hierbij wordt vooral gedacht aan de samenkomsten. Leert en terechtwijst: In de gemeente dient samen de weg van de gehoorzaamheid en lofprijzing gezocht te worden. Psalmen: Liederen uit het Oude Testament. Lofzangen: Hymnen, christelijke liederen. Geestelijke liederen: Door de Geest geïnspireerde spontane liederen (Ef. 5:19; 1 Kor. 14:26).

17. Al wat gij doet: In het dagelijks leven wordt de eredienst van de gemeente voortgezet (Rom. 12:1). In de naam: Zich van Christus gezonden wetend en Hem aanroepend.

De christelijke huisregels 3:18-4:6

18. Vrouwen: De huisregels worden paarsgewijze opgesteld. Achtergrond is 3:11. Onderdanig: Zie Ef. 5:21-23 waar de houding van de gemeente tegenover Christus het voorbeeld is. Betaamt: Het criterium is niet een natuurlijke ordening, maar Christus zelf.

19. Hebt lief: Onderscheiden van de erotische liefde. Achtergrond is het beeld van de liefde van Christus tot de gemeente (Ef. 5:24). Ruw (SV verbitterd): In zelfzuchtige heerszucht.

20. Kinderen: Ook deze woonden de samenkomst der gemeente bij. Uw ouders: Vader en moeder. De houding tegenover hen is uitdrukking van geloof en gehoorzaamheid jegens Christus (Ex. 20:12; Ef. 6:11). Welbehagelijk: gehoorzaamheid aan de ouders is dienst aan Christus (Rom. 12:11, 14:18; Filp. 4.18).

21. Prikkelt: Door teveel van hen te vergen, hen al te streng te behandelen. Moedeloos worden: Om op Christus’ wegen te wandelen.

22. Naar het vlees: Naar aardse maatstaven. Hun eigenlijke Heer is Christus. Mensenbehagers: Het motief om te gehoorzamen is de gemeenschap met Christus. Eenvoud des harten: Eenheid van het hart, één doel hebben: de Here te vrezen.

23. Als voor de Here: Dit betekent niet dat de heren de plaats van Christus innemen, maar dat hun eigenlijke dienst dienst van Christus is (zie vs 17).

24. Vergelding: Vervanging, compensatie. Erfenis: Een slaaf kon niet erven (Gal. 4:1, 7). Van de hemelse erfenis is de slaaf niet uitgesloten (Ef. 6:8).

25. Onrecht: Het door slaven geleden onrecht zal door God geoordeeld worden. Aanzien des persoons: Onpartijdigheid, slaat op het gericht Gods (Lev. 19:15; Mal. 1: 8; Rom. 2:11; Ef. 6:9).

4:1. Recht: De houding van de heren tegenover de slaven moet gegrond zijn in het recht Gods. Heer in de hemel: De gemeenschappelijke dienst aan Christus bepaalt de verhouding tussen heren en slaven in de gemeente.

2.Volhardt: Het voortdurende gebed is de levensadem van de gemeente (Luc. 21:36; Rom. 1:9; 1 Kor. 1:4; Ef. 6:18). Waakzaam: Tegen verzoeking en verslapping. Deze waakzaamheid heeft haar gestalte in het voortdurende gebed.

3.Voor ons: De voorbede is onlosmakelijk aan het gebed verbonden, hier voor Paulus en zijn medewerkers (2 Kor. 1:11; Filp. 1:19; Rom. 15:30). Een deur openen: Belangrijker dan het opengaan van de deuren van de gevangenis is dat vele harten opengaan voor het evangelie (1 Kor. 16:9;2 Kor. 12:12). De apostel ziet zichzelf als het uitverkoren werktuig om Gods geheimenis aan de volkeren bekend te maken.

5.Als wijzen: Door het ontvangen van het geheimenis. Die buiten staan: De wijze levenswandel moet wervend op de buitenstaanders gericht zijn. Maakt de gelegenheid ten nutte (SV koopt de tijd uit): De gegeven tijd gebruiken om Gods heil bekend te maken.

6.Aangenaam: Letterlijk: in genade. In het spreken en in de omgang met buitenstaanders moet iets van de ontvangen genade van Christus blijken. Niet zouteloos: Letterlijk: met zout bereid, aandacht trekkend, trefzeker, zuiver, eeuwig, onverderfelijk (Mat. 5:13; Mar. 9:49, 50; Luc. 14:34; Ef. 5:4). Antwoord geven: Tegenover bezwaren, spot of echte belangstelling (1 Petr. 3:15).

Besluit en groet 4:7-18

7.Omstandigheden: De lijdende apostel is voor zijn gemeente tot voorbeeld geworden (1:24v). Tychicus: Afkomstig uit Klein-Azië, metgezel van Paulus op diens derde zendingsreis (Hand. 20:4), overbrenger van deze brief. Mededienstknecht: Deelnemend aan de dienst van de apostel (1:7).

8.Zenden: Met een officiële opdracht (1 Kor. 4:17,16:3; 2 Kor. 9:3; Filp. 2:19, 23; 1 Tess. 3:2, 5).

9.Onésimus: Weggelopen en bekeerde slaaf van Filémon (Fil. 10. Wellicht woonde Filémon in Kolosse. Onésimus was voor Paulus een waardevolle mededienstknecht.

10.Aristarchus: Afkomstig uit Tessalonica, begeleider van Paulus op weg naar Jeruzalem (Hand. 20:4) en naar Rome (Hand. 27:2). Hij was vrijwillig bij Paulus in zijn gevangenschap (Fil. 24).Marcus: Medewerker van Paulus van het eerste uur (Hand. 12:12, 25, 15:37), afkomstig uit Jeruzalem.Barnabas: Ook een vroegere medewerker van Paulus (Hand. 13:1, 14:14), heeft het voor Paulus na zijn bekering opgenomen (Hand. 9:26v), verdedigde met Paulus de heidenzending tegenover de Joden (Hand. 13:46-50), kreeg een meningsverschil met Paulus over het meegaan van Marcus (Hand. 15:39). Later is dit verschil kennelijk bijgelegd. Opdracht: Waarschijnlijk door middel van aanbevelingsbrieven (Hand. 18:27; 2 Kor. 3:1).

11. Jezus Justus: Over hem is niets verder bekend. Hij is een christen uit de Joden. De enigen: Terwijl in Paulus’ gevangenschap te Rome gebleken was dat de Joden zich van hem verwijderden, bleven dezen trouw.

12. Epafras: Afkomstig uit Kolosse (Kol. 1:7). Worstelende: In zijn voorbede strijdt Epafras met de gemeente tegen de bedreigingen van de dwaalleer.

13. Laodicéa: Stad in hetzelfde rivierdal als Kolosse. Hiërdpolis: Stad ten noordwesten van Kolosse. De gemeenten in deze beide steden zijn waarschijnlijk ook ontstaan door de prediking van Epafras.

14. Lukas: schrijver van het derde evangelie en Handelingen, metgezel van Paulus op zijn reizen (Hand. 16:10, 20:6, 21:17, 28:16).Demos: Eveneens een medewerkers van Paulus (Fil. 24). Hij heeft later Paulus verlaten (2 Tim. 4:10).

15. Nymfa: Verder onbekende vrouw bij wie aan huis een gemeente samenkwam. Vrouwen stelden zich in de eerste christelijke gemeente in dienst van Christus (Hand. 16:14; Rom. 16:1; Hand. 12:12).

16. Voorgelezen: De brieven van Paulus waren ertoe bestemd in de samenkomst van de gemeente te worden voorgelezen. Daardoor kregen deze brieven een bijzóndere betekenis. Die van Laodicéa: Paulus heeft ook een brief aan de gemeente in Laodicéa geschreven. Deze brief is echter verloren gegaan. Sommigen beschouwen de brief aan de Efeziërs als de oorspronkelijke brief aan Laodicéa. Het blijkt dat er intensief verkeer was tussen de gemeente van Kolosse en Laodicéa.

17. Archippus: Medewerker van Paulus en waarschijnlijk huisgenoot van Filémon (Fil. 2). Bediening: Ambt, waarschijnlijk van evangelist, de opvolger van Epafras. Het is mogelijk dat Archippus door de bedreiging van de dwaalleer moe geworden was.

18. Eigenhandige groet: Paulus dicteerde zijn brieven en schreef dan zelf de laatste zin (1 Kor. 16:21; 2 Tess. 3: 17). Gedenkt mijn gevangenschap: Letterlijk: mijn banden. Omdat Paulus gevangen is terwille van het evangelie, is deze zin een oproep om trouw te blijven in de strijd voor de waarheid van het evangelie tegenover de dwaalleraren.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken