Menu

Premium

Kroon

krans, diadeem, wedstrijd, wedloop

In velerlei vormen en bij uiteenlopende gelegenheden dienen kronen en kransen zich door de eeuwen heen aan. Ook in onze tijd. De kroon op het hoofd van een persoon verheft de drager, letterlijk en figuurlijk. Vorsten en vorstinnen dragen een kroon waarmee zij hun macht en soevereiniteit uitdrukken. Sportmensen lopen, schaatsen of fietsen een ereronde met de lauwerkrans om hun schouders als teken van de overwinning. In de kunst zien we veelvuldig Christus afgebeeld met een doornenkroon op het hoofd, verwijzend naar zijn bespot koningschap. Afbeeldingen van de heilige Maagd met een kroon duiden haar als de koningin van de hemel. Kronen en kransen komen eveneens in de bijbel voor. Wat daarvan de beeldende betekenis is, zullen we in het vervolg ontvouwen.

Grondtekst

Het meest voorkomende Hebreeuwse woord voor ‘kroon, krans’ is ‘atarah (23x). Het werkwoord met de gelijke stam betekent ‘omringen, insluiten’ (1 Sam. 23:26; Ps. 5:13) of ‘kronen’ (Hoogl. 3:11). We treffen ‘atarah hoofdzakelijk aan in poëzie en daarvan weer in de wijsheidsliteratuur (Job 19:9; 31:36; Spr. 4:9; 12:4; enz.). Van de aanvankelijke betekenis ‘omgeven, eromheen leggen’ ontwikkelt het woord zich tot ‘krans’ van plantaardig materiaal en vervolgens ‘krans, kroon’ van metaal. Andere Hebreeuwse woorden die met ‘atarah overeenkomen, zijn: nezèr, dat behalve ‘wijding’ (van priesters) eveneens ‘krans, diadeem’ van de koning (2 Sam. 1:10; 2 Kon. 11:12; Ps. 89:40; 132:18; 2 Kron. 23:11) of van de hogepriester (Ex. 29:6; 39:30; Lev. 8:9) betekent; liwjah, ‘krans’ (Spr. 1:9; 4:9; vgl. 14:24), dat verwant is met het werkwoord lawah, ‘winden, wenden’; tsefierah, ‘guirlande, krans’ (Jes. 28:5; Ez. 7:7,10 is onduidelijk); kètèr, een soort diadeem, enkel in Ester, waar de koningin hem draagt (1:11; 2:17; in 6:8 als versiering van het paard).

In het Nieuwe Testament treffen we stefanos en diadèma aan. Het eerste komt 18x voor, waarvan bijna de helft in Openbaring, en betekent ‘kroon’ (in een koninklijke omgeving) en ‘krans’ (in een wedstrijd-omgeving). Verder verschijnt het werkwoord stefano-oo, ‘krans opzetten of omhangen’ (2 Tim. 2:5; Hebr. 2:7-9). Het tweede duidt op een (koninklijke) ‘diadeem, voorhoofds-band’, ook wel met ‘krans, kroon’ vertaald (alleen in Op. 12:3; 13:1; 19:12; zie voorts Josefus, Joodse Geschiedenis XII, 389; Testament van Juda 12:4; brief Polycarpus aan Filippi 1:1). De woorden hebben bijna steeds een symbolische betekenis. De evangelisten sprekenvan een stefanos die is gevlochten van doornen – akantha, ‘doornstruik’ (Mat. 27:29; Mar. 15:17; Joh. 19:2, 5). Zie verder de naam Stefanus, ‘kroon, krans’, de eerste christen-martelaar, die ‘stralend’ zich overgaf aan de hemel (Hand. 7).

Letterlijk en concreet

a.In Israëls buurlanden is de kroon primair cultisch bepaald. De Egyptische goden dragen als versiering en tevens als herkenningsteken een kroon; de kroon onthult het karakter van de godheid. In de Grieks-Romeinse cultuur fungeert de kroon als instrument om de gekroonde af te zonderen van het seculiere gebied. In de bijbel is dit gebruik schaars; het heeft er veel van weg dat de oudtestamentische auteurs bewust afstand nemen van die cultisch-magische functie van de bekroning. In dit verband is het veelzeggend dat over de kroning van Israëls eerste koning, Saul, pas bij zijn dood wordt gesproken (2 Sam. 1:10). In de politiek en de cultuur van de heerschappijen gedurende het nieuwtestamentische tijdvak komen kroon en krans in drie situaties naar voren. De eerste: in de wedstrijdsport, waar de kampioen wordt beloond met een lauwerkrans. De tweede: bij overwinningen van de heerser, die bij terugkomst wordt geëerd met de krans van de triomf. De derde situatie: de vorst die als teken van zijn koninklijke heerschappij een kroon draagt. Zulk letterlijk eerbetoon ontbreekt in het Nieuwe Testament. Wel ontlenen de bijbelschrijvers, bovenal die van de brieven en Openbaring, aan deze situaties de symboliek en beeldspraak van kroon en krans.

b.In letterlijke zin speelt de kroon in de bijbelse tijd voornamelijk een rol bij de ambtsaanvaarding van koningen en hogepriesters (2 Kon. 11:12; Sir. 40:4; 45:12). Vermoedelijk droegen de hoogwaardigheidsbekleders de kroon alleen bij officiële plechtigheden. Na het verval van het koningschap lijkt de koninklijke kroning overgegaan te zijn op het hogepriesterschap (1 Makk. 10:20). Bij feesten en huwelijksplechtigheden treffen we ook wel kransen aan, vaak vervaardigd van plantaardig materiaal (Jes. 28: 1; Hoogl. 3:11). Ander, duurzaam materiaal voor kronen en diademen is onder meer goud, veelal voorzien van edelstenen (Ex. 39:30; Lev. 8:9; Ps. 21:4; Est. 8:15; Sir. 45:12).

Beeldspraak en symboliek

a.De kroon op het hoofd van een persoon symboliseert diens waardigheid, autoriteit en macht. In het bijzonder geldt dat voor de koning. Zijn kroon laat zien dat hij het ambt van koning draagt. Dat de koning de kroon uit de hand van God ontvangt (Ps. 21:4), wijst erop dat hij zijn macht uitoefent op gezag van God en dat zijn waardigheid een goddelijke gave is. De koning staat derhalve in dienst van God. Koningen die zich niets van Gods wil met volk en land aantrekken, lopen het gevaar hun kroon te verspelen. En zonder kroon is de koning geen koning meer. En wanneer iemand de koning zijn kroon afneemt, staat dat gelijk met het doen beëindigen van het koningschap; meestal houdt dat de dood of verjaging van de koning in (2 Sam. 1:10; Jer. 13:18; Ps. 89:40). De kroning van de hogepriester verbeeldt eveneens dat zijn priesterwerk een goddelijke roeping is (Sir. 45:12).

b.Ook heeft het afleggen of afnemen van de kroon een algemene zin. Het geeft aan dat iemand zijn waardigheid en zijn geluk verliest. Aldus horen we Job klagen dat God de kroon van zijn hoofd heeft weggenomen (19:9). Door alles van hem af te nemen – gezondheid, kinderen, geluk, bedrijf – kijken zijn vrienden naar hem alsof hij een groot zondaar is. Alles wat hem waardigheid verschafte, is weg. Job voelt zich in zijn eer aangetast. De dichter van Klaagliederen weent bittere tranen omdat ‘de kroon van ons hoofd is gevallen’ (5:16). Mogelijk bedoelt hij met de kroon de stad zelf, die liggend op de berg herinnert aan de kroon op iemands hoofd. Ook valt te denken aan het tempelcomplex (kroon) dat op Sion (hoofd) ligt. De betekenis is duidelijk: stad en tempel zijn verwoest.

c.Ook verschijnt de kroon of krans als metafoor voor wijsheid. In de wijsheidsliteratuur verwerken de auteurs graag deze metafoor. Zij, de wijsheid, geeft waardigheid en geluk, zij brengt de mens tot bestemming en geeft hem vreugde (Spr. 4:8-9; 14:24; Sir. 1:11; 15:6; 6:31). Nauw hiermee verwant is de vermaning van vaders en moeders: zij vormt een liefelijke kroon op het hoofd van de zonen en dochters (Spr. 1:9), dat wil zeggen, zij brengt hun geluk. Hoge ouderdom geldt ook als een soort kroon. Aan de ene kant is de rijke ervaring voor de oude mens kroon op zijn hoofd; aan de andere kant getuigt zijn ouderdom van een gezegend leven, wat -naar bijbels besef – erop wijst dat hij heeft geleefd naar de Tora (Spr. 16:31; Sir. 25:6). En de Tora is op zich ook weer een kroon, zoals de joodse traditie toont: ‘Rabbi Simeon zegt: “Er zijn drie kronen: de kroon van de Tora, de kroon van het priesterschap en de kroon van de soevereiniteit. Maar de kroon van een goede naam is de beste van alle”.’

d.Meer dan eens lezen we over mensen als kroon. In algemene zin doet de dichter van Psalm 8 dat, waar de mens met zijn kroon van eer en luister, de kroon van God is. Deze titel is een geschenk van de Schepper. De komst van de mens geeft de aarde glans en waardigheid; hierin ligt tevens de opdracht die glans en waardigheid in relatie tot de schepping waar te maken. Daarnaast vernemen we van bepaalde mensen of groepen die een krans voor anderen zijn. De krachtige vrouw – dat is wat anders dat het ingeburgerde ‘de degelijke huisvrouw’ -geldt in de wijsheid van Spreuken als de kroon van haar man (12:4). Met andere woorden, geluk en aanzien van de man liggen in de wijze waarop de vrouw zich manifesteert; zonder haar geen kroon! Wanneer de wijsheidsleraar kleinkinderen als kroon van de grootouders betitelt, doelt hij op de zegen die daarin schuilt (Spr. 17:6), immers, de grootste zegen ligt voor de Jood in het zien van kleinkinderen.

e.In het Hooglied worden de meisjes van Sion opgeroepen naar buiten te gaan om de gekroonde bruidegom te aanschouwen en toe te juichen (3:11). De zanger past de metafoor ‘koning Salomo’ op de bruidegom toe. Deze benaming tekent het majestueuze van de geliefde. Met de daad van de kroning stelt de moeder haar zoon in de vrijheid en beeldt zij het geluk uit.

f.Het Nieuwe Testament spreekt alleen in overdrachtelijke zin over kroon en krans. Een uitzondering vormt de doornenkroon die de soldaten op het hoofd van de ter dood veroordeelde Jezus zetten (Mar. 15:17). Deze concrete bekroning heeft echter een diepere laag. De handeling van de soldaten verbeeldt de bespotting van Jezus’ koningschap. Samen met de ‘koninklijke’ mantel verwijst de ‘koninklijke’ kroon naar de belachelijkheid van Jezus’ koningschap. Tussen de regels door stelt de verteller de vraag: wat is deze Jezus voor een koning? Wat stelt Hij voor? Voor de christelijke traditie zijn deze attributen weer symbolen van Jezus’ lijden geworden en zij verkondigen dat juist déze koning redding brengt.

g.Opmerkelijk is de plaats van gekroonde wezens in de apocalyps. De ene kroon blijkt bij nader inzien diametraal tegenover de andere te staan. De vraag is wat van de drager of draagster uitgaat en van wie hij of zij de kroon ontvangt. De brief aan de gemeente van Smyrna sluit af met de oproep: ‘Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens’ (2:10; vgl. Jak. 1:12). De gemeente van Filadelfia hoort: ‘.houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme’ (3:11). Deze gemeenten verkeren in nood. Zij staan blootgesteld aan de dreiging en verleiding van anti-goddelijke machten. Als zij trouw blijven aan hun Heer, zullen zij overwinnen en de daarbij behorende krans in ontvangst mogen nemen. De kroon als gave van Christus dient als perspectief waarop zij zich richten te midden van zoveel donkerte. Eens zullen zij een kroon dragen en heersen met Christus. De hemelse hofhouding, zo aanschouwt Johannes in zijn visioen, is uitgedost met gouden kronen (4:4). De kronen symboliseren macht en gezag; de hovelingen regeren blijkbaar met God over de wereld. Die macht en waardigheid zijn een geschenk van de Eeuwige. Als deze hemelse dienaren even later God hulde willen brengen, leggen zij hun kronen af. Alleen Hém komt de eer toe (4:10). De ruiter op het witte paard draagt eveneens een kroon (6:2). De vraag is naar wie of wat deze ruiter verwijst. Is dat Christus? Of het evangelie dat door de wereld gaat? Aangezien de overige drie paarden allemaal verderf zaaien, zal ook dit witte paard kwaad brengen. Nu is het witte paard hier haast identiek met het witte paard dat later op Johannes’ netvlies komt; de ruiter op dat paard heeft op zijn hoofd vele diademen (19:12). Hij symboliseert Christus, de koning der koningen.Op het eerste gezicht heeft de eerste ruiter veel van Hem weg. Maar dat is schijn. Vaker hanteert de auteur de literaire vorm van twee sterk op elkaar lijkende figuren. Met deze literaire dubbelfiguur brengt hij het dilemma van het kiezen in beeld. Wie is betrouwbaar, wat is waar? Op deze manier roept hij de lezer op scherp te kijken en goed te analyseren om de juiste weg te vinden. De tegenstander van God draagt immers ook kronen en eist daarmee waardigheid en macht op. Neem het visioen van de vrouw en de draak (12:1-6). De vrouw, beeld van de getrouwen van Israël, draagt een kroon van twaalf sterren; de draak, beeld van de demonische wereldmacht, draagt op zijn zeven koppen zeven diademen (vgl. 13:1). Beide verschijningen imponeren en glinsteren. Het komt erop aan, op grond van de daden van ieder, de kwade macht te ontmaskeren. Mensen leven in een ruimte waar hoofd tegenover hoofd, kroon tegenover kroon, macht tegenover macht staat. Johannes heeft daar weet van en helpt zijn hoorders waakzaam te zijn.

h.De auteurs van de nieuwtestamentische brieven, in het bijzonder Paulus, bedienen zich graag van beeldspraak uit de wereld van de sport. Voor iedere hardloper geldt slechts één doel: hij wil als eerste aankomen bij de finish. De overwinning levert hem de lauwerkrans op, het allermooiste dat een atleet zich kan voorstellen. Met dit beeld spoort de apostel de kerk van Korinte aan de Heer te volgen in het steunen van de zwakken. Christen-zijn is een wedloop, waarbij uithoudingsvermogen en doelgerichtheid onontbeerlijk zijn. Wie volhoudt, zal worden beloond met de overwinningsprijs, de krans (1 Kor. 9:24-28; vgl. Jer. 12:5). De getrouwe zal delen in de heerlijkheid van de Heer. In een andere brief noemt Paulus de gelovigen zijn ‘blijdschap en kroon’ (Fil. 4:1). Vermoedelijk is de kroon hier metafoor voor de zegen die Paulus heeft ervaren in zijn werk in de gemeente van Filippi. Deze gemeente is de prijs die hij heeft behaald. Tot de christenen van Tessalonicenzen spreekt hij ongeveer in dezelfde terminologie (1 Tess. 2:19); zij delen al in de overwinning, ook al is de eindstreep nog niet gehaald. De schrijver van 2 Timoteüs spreekt over de krans der rechtvaardigheid die hem ten deel zal vallen op de dag van Christus’ komst (4:8). De weg naar die dag is voor hem een soort marathon; hij weet echter dat bij de finish de overwinning wacht.Inderdaad, het leven van een christen is een wedloop. Volharding en geloof zijn nodig om de eindstreep te halen. Alle ballast, zoals hun zonde, moeten zij afleggen om het vol te houden. Maar zij gaan die tocht niet alleen. Zij worden aangemoedigd door een wolk van getuigen. Dat zijn allen die hen zijn voorgegaan en door hun getuigenis en daden nu als transparante supporters langs de kant van de weg staan en in het stadion zitten om hen aan te moedigen (Hebr. 12:1-2). De goede en trouwe dienstknecht zal bij de verschijning van de hemelse herder de krans der heerlijkheid – doksa – ontvangen. Deze krans zal niet, zoals de aardse krans, verwelken, maar eeuwigheidswaarde hebben (1 Petr. 5:4; vgl. 2 Clemens 7:1).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 8; 21; 89; 99; 115; 135; 149; Gezang; 40; 43; 85; 100; 120; 123; 157; 158; 181-183; 185-186; 178; 243; 296; 299 (= Liturgie: 539; Gezangen: 701); 405-406; 439; 443; 457; Bijbel I: 33; III: 73; Evangelie III: 4344; Gezegend: 24; 83; Zingen IV: 14; 19.

b.Poëzie:

Hans Bouma, Mijn God, Kampen 1997, blz. 38: ‘Glans van je bestaan’; 71: ‘De Heer die een knecht is’. Michel Coune, Bruidszang bij het Hooglied, Averbode/Kampen 1992, blz. 69: ‘Dochters van Jeruzalem, kom naar buiten’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam1980, blz. 488: ‘Verwachting’. Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten, Nijmegen 1988, blz. 318: ‘Op zoek naar U’. Muus Jacobse, Het oneindige verlangen, Nijkerk 1982, blz. 32: ‘Stefanus’. Anton Korteweg, Eeuwig heimwee drijft hem voort, Amsterdam 1973, blz. 40: ‘De verloren zoon’. Anton Korteweg, De stormwind van zijn hand, Amsterdam 1975, blz. 27: ‘Voorwaarts dan, o reisgezellen!’. Gabriël Smit, Gedichten, Bilthoven 1975, blz. 74: ‘Uitzicht’.

c.Verwerking:

Het zal niet veel moeite kosten om verschillende voorbeelden uit het verleden en het heden te vinden van situaties waarin de kroon, krans of diadeem een plaats heeft. Te denken valt aan sportevenementen, koningshuizen en sommige kerkelijk hoogwaardigheidsbekleders. Via de kunst kunnen we nog andere contexten op het spoor komen, vooral het tafereel van Jezus’ kroning met doornen. Thema’s die bij de bespreking van kroon opkomen zijn onder meer: macht, heerschappij, volharding, overwinning, beloning, lijden, geluk, waardigheid en vertegenwoordiging van God.

Verwijzing

Kroon en ‘troon‘ hangen zeer nauw met elkaar samen. Er is tevens verwantschap tussen kroon en ‘sluier‘, ‘vinger‘ (zie bij vuist) en ‘hoofd‘. Wat de doornenkroon betreft, verwijzen we naar ‘doorn‘.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken