Kun je met recht over opstanding spreken?
Drie vragen over opstandig komen in deze bijdrage aan de orde. Kan je ooit met fatsoen over opstanding spreken, is de eerste vraag. Daarna volgen: hoe spreek je over de opstanding? Wat betekent het als je zegt dat de opstanding is gebeurd? De eerste vraag, die ons beiden hierheen gelokt heeft, luidt: ‘kan je met fatsoen over opstanding spreken?’ Jij en ik hebben die vraag niet bedacht. Jij hebt de vraag al wat bijgewerkt. Ik ga nog wat verder en vervang nu ook maar dat normen-en-waardenwoord ‘fatsoen’. Ik denk niet dat je ooit met fatsoen over de opstanding kan spreken. Mijn vraag zou eerder zijn: kan je met recht over opstanding spreken? En met welk recht dan wel? In de evangeliën is ‘opstanding’ het antwoord op de onterechte moord op Jezus. Door zijn opstanding wordt hem recht gedaan, maar tegelijk ondermijnt zij het recht van degenen die belang hebben bij zijn dood. Jij noemde ze (samen met Wright): de politici, de Herodessen, de Caesars, en de theologen, de Sadduceën. Je gaf aan dat voor hen opstanding zoveel betekende als doorbraak van hun ethos en hun rechtsorde. Voor hen hangen dus opstanding en gericht nauw samen. In hun ogen heeft die combinatie iets door en door onfatsoenlijks. Spreken over de opstanding is vloeken in hun kerk en in hun wereld. Het heeft iets rauws en onbekookts. Daar kan geen intellectueel wat aan doen. Als theologen de opstanding ter sprake brengen dan gaat het mèt recht tégen fatsoen. Mijn vraag aan jou is: is spreken over de opstanding niet onvermijdelijk onfatsoenlijk? Kan je de ethische en de systematische vragen hier uitéén halen?