Menu

Premium

Lucas

INLEIDING

Schrijver

Het derde evangelieverhaal verschilt in die zin van de andere evangeliën, dat, waar deze op zichzelf staande geschriften zijn, het evangelie naar Lucas deel is van een twee-delig werk: Lucas en Handelingen. Het eerste bevat het getuigenis over de woorden en werken van Jezus Christus tot aan Pasen en de Hemelvaart, het tweede bericht over de gang van het Christusgetuigenis na de opstanding van Jeruzalem tot in Rome. De oud-kerkelijke traditie noemt Lucas, de metgezel van Paulus, de arts (vgl. Kol. 4:14; Fil. 24; 2 Tim. 4:11) als schrijver van beide boeken. Over de juistheid van deze opvatting lopen de meningen uiteen. Velen nemen aan, dat we bij de schrijver moeten denken aan een hellenistisch gevormd christen uit de na-apostolische tijd. De aangevoerde argumenten tegen het auteurschap van de metgezel van Paulus zijn evenwel niet van dien aard, dat de traditionele mening onmogelijk is. Wat wij over Lucas weten is goed in overeenstemming te brengen met de schrijver van LucHand.

Aard en doel

In Luc. 1:1-4, een in goed Grieks gestelde proloog, zoals we die ook bij antieke geschiedschrijvers aantreffen, vat de schrijver aard en doel van zijn evangelie samen. Lucas is historicus en evangelist. Meer dan door andere evangelisten wordt het leven en werk van Jezus op aarde door hem in een historisch kader gezet. De geboortegeschiedenis begint met een historische aanduiding (Luc. 2:1), evenals het bericht over het optreden van Johannes de Doper (Luc. 3:1-2). Het heilrijk handelen van God door Jezus vindt plaats in de geschiedenis van de wereld. Lucas beweegt zich hier in de lijn van de oud-testamentische geschiedschrijving. Het gaat in de boodschap van het evangelie niet om een tijdloze ideologie, maar om de daad van Gods reddend ingrijpen op een aanwijsbare plaats en een dateerbaar moment. Tevens laat Lucas door het historisch kader het unieke en onherhaalbare van de geschiedenis van Jezus uitkomen. Het geloof rust op de daden van God, die eens en voor altijd hebben plaatsgevonden.

In zijn voorwoord verzekert Lucas dat hij gebruik gemaakt heeft van bronnen. Zeer waarschijnlijk is het evangelie van Marcus één van de bronnen geweest. Daarnaast heeft hij overleveringen verwerkt, die hij gemeen heeft met Matteüs, terwijl een deel van de stof alleen bij Lucas voorkomt, afkomstig uit tradities waarvan de herkomst voor ons niet meer na te gaan is. Lucas heeft zijn boek opgedragen aan een zekere Theofilus; de aanspraak ‘hoogedele’ (1:4) doet denken aan een aanzienlijk man met een hoge positie. Het is niet zeker of hij christen was. Misschien kunnen wij hem rangschikken onder de zgn. Godvrezenden, die via de synagoge in aanraking gekomen waren met de joodse leer en later ook met de prediking aangaande Jezus Christus. Degene, aan wie een boek was opgedragen, had zorg te dragen voor de verspreiding van het boek. Al wilde Lucas vooral Theofilus nader onderrichten, vermoedelijk had hij toch van meetaf een bredere lezerskring voor ogen: heidenchristenen of heidenen met bijzondere belangstelling voor de boodschap.

Wat beoogde Lucas met zijn evangelie? In Luc. 1:4 wordt als doel aangegeven dat Theofilus (en de lezerskring om hem heen) de betrouwbaarheid leert kennen aangaande de zaken waarin hij onderricht is. Lucas wil dus ter nadere instructie een nauwkeurig en betrouwbaar verslag geven van de daden en de leer van Jezus. Het woord betrouwbaarheid staat tegenover allerlei losse praatjes. Met zijn boek wil Lucas zijn lezers tot volle zekerheid brengen.

Tijd en plaats

Wat de tijd van ontstaan betreft moeten we vermoedelijk denken aan een tijdstip tussen het jaar 70 en het jaar 80 n.Chr. Het feit dat Lucas verschillende evangelieverhalen gekend en gebruikt heeft, maakt datering voor 70 zeer onwaarschijnlijk. In Luc. 21:20,24 treffen we herinneringen aan aan de val van Jeruzalem, die op het moment, dat de auteur zijn verhaal te boek stelde, reeds had plaatsgevonden. De tijd, waarin Lucas schreef, was dus de tijd van de tweede generatie christenen. Het was de tijd waarin het steeds meer nodig was de traditie over Jezus en zijn werk vast te leggen, opdat de gemeente op betrouwbare wijze de boodschap zou vernemen en dit betrouwbare woord zou kunnen doorgeven.

Over de plaats van ontstaan valt niets met zekerheid te zeggen. Gedacht moet worden aan een plaats met een overwegend heidenchristelijke gemeente. Niet uitgesloten is dat aan Rome gedacht moet worden.

Theologische motieven

Lucas legt in zijn tweedelig werk nadruk op de realisering van het heilsplan van God in de geschiedenis. Het tijdvak dat hij beschrijft, begint met de geboorte van Johannes de Doper en eindigt met de prediking van het evangelie in Rome. De feitelijke cesuur in de heilsgeschiedenis valt met het optreden van Jezus. De dienst van Johannes gaat aan die van Jezus vooraf. Na Jezus’ verhoging begint de tijd van de gemeente, de tijd van de zending. Luc. 16:16 spreekt van twee fasen: de tijd tot en detijd sedert Johannes de Doper. Letten we op het onderscheid tussen de tijd van de aardse Jezus en het werk van de Verhoogde na de opstanding, dan kunnen we ook denken aan een heilshistorisch schema van drie fasen: de tijd van de profeten tot Jezus, de tijd van Jezus en de tijd van de gemeente. De continuïteit tussen de verschillende fasen ligt in het werk van de Geest. De discontinuïteit ligt in het verschillend karakter van het werk van de Geest in die verschillende fasen: In de oudtestamentische periode was de Geest slechts aan enkelen geschonken. Na Pinksteren wordt de Geest uitgestort op alle gelovigen. De verlening van de Geest aan Jezus impliceert een unieke relatie. Jezus ontving niet alleen de Geest maar beschikte ook over de Geest.

Hoewel ook de derde evangelist weet van het nabij zijn van het Koninkrijk van God vormt deze nabije verwachting geen beheersend middelpunt. Vgl. bv. Luc. 21:9 met Mat. 24:6 en Mar. 13:7. Lucas rekent met een langere tijdsperiode tot aan de wederkomst. Reeds in het evangelie zien we de geschiedenis doorlopen als de tijd van de zending (vgl. Luc. 24:46-47).

Sleutelwoord in het evangelie is de woordgroep redden, redder, redding (bv. Luc. 2:11; 2:30; 3:6; 7:50; 8:48; 21: 28). Jezus’ dienst in woord en daad betekent de proclamatie van het Koninkrijk der hemelen dat redding en heil betekent voor de armen en de verlorenen. Luc. 19:10 bevat in nuce de inhoud van de boodschap: Zoeken en redden wat verloren is. Het evangelie van het Koninkrijk van God is de boodschap van het heil. God zelf is reddend en verlossend tot zijn volk gekomen in Jezus (vgl. bv. Luc. 1:68; 7:16).

Ook Lucas’ beschrijving van Jezus’ werk op aarde loopt uit op het verhaal van zijn lijden, sterven en opstanding. Uit Luc. 22:19-20; 23:34,43 en Hand. 20:28 blijkt, dat ook Lucas weet van de heilsbetekenis van Christus’ sterven. Nadruk valt bij de derde evangelist evenwel op het feit dat de Christus door lijden en sterven moest ingaan in zijn heerlijkheid (Luc. 18:31; 24:7; 25-27).

Karakteristiek voor het evangelie naar Lucas is ook de aandacht voor het verachte en het verlorene. De herders van Bethlehem behoorden tot de verachten. De grote aandacht voor het verlorene blijkt uit Luc. 15: de gelijkenissen van het verloren schaap, de verloren penning, de verloren zoon. Meer dan enig ander van de evangelisten beklemtoont Lucas de ontferming van Jezus voor de zondaren (bv. 7:36-50; 19:1-10; 22:61; 23:34,43).

Een toespitsing hiervan is dat Lucas ook bij uitstek de evangelist der armen is. In contrast daarmee vinden we bij hem voortdurend de waarschuwing van Jezus tegen de gevaren van de rijkdom (vgl. Luc. 12:16-21; 16,1-8; 16:19-31). Vergelijking van Luc. 6:20 met Mat. 5,3 leert dat we bij ‘armen’ wel degelijk mogen denken aan armen in materiële zin, zij het ook dat het gaat om armen binnen het kader van het verbond (Luc. 1:46-55). Armoede en rijkdom worden religieus doorlicht tot op God. Het evangelie is het evangelie van de zondaar en de bedelaar. Uit alle evangeliën blijkt Jezus’ aandacht voor de vrouwen. Lucas legt hier een zwaardere klemtoon op dan de andere evangelisten (vgl. 7:11-17; 8:3; 10:38-42; 13:1017). De houding van Jezus ten opzichte van de vrouw stond in scherp contrast met de houding die men in het Jodendom van die dagen placht in te nemen.

Het evangelie van Lucas vormt, zoals gezegd, één geheel met Handelingen, waarin verteld wordt hoe het heil tot de heidenen komt. In het evangelie wordt op meer dan een plaats Jezus getekend als de Heiland voor de heidenen. Reeds in Simeon’s lofzang komen de heidenen als adres van het evangelie in het vizier (Luc. 2:30-32). Alleen Lucas vermeldt de uitzending van de zeventig (Luc. 10:1-20). Ook Luc. 3:6 en 13:29 onderstrepen het universalisme van de derde evangelist. Illustratief voor dit wereldwijde karakter van Jezus’ zending is ook het geslachtsregister van Jezus in Luc. 3:23- vergelijking met Mat. 1:1-17. Ook kan gewezen worden op Luc. 4:1630: Jezus’ optreden in Nazareth, waar allerlei motieven klinken die ook in Luc. 24 en in het boek Handelingen terugkeren.

Een laatste karakteristiek die we willen noemen is de nadruk die Lucas legt op de vreugde. Typerend zijn daarvoor de lofzangen aan het begin van Lucas’ evangelie en het slot. Het evangelie begint en eindigt in de tempel.

Indeling

Het evangelie valt in twee hoofddelen uiteen: Luc. 1:5-2: 52 en Luc. 3:1-24:53. Daarvan uitgaande kunnen we het derde evangelie als volgt indelen:

Proloog 1:1-4

Geboorte van Johannes de Doper en Jezus 1:5-2:52

De prediking van Johannes de Doper 3:1-20

Preludium van Jezus’ werk 3:21-4:13

Jezus’ werk in Galilea 4:14-9:50

Jezus’ werk op weg naar Jeruzalem 9:51-19:44

Jezus’ werk in Jeruzalem 19:45-24:53

VERKLARING

Proloog 1:1-4

In tegenstelling tot de andere evangelisten begint Lucas zijn boek met een kort voorwoord, zoals geschiedschrijvers plachten te doen. 1. Velen: o.a. Marcus.Getracht hebben: Is niet negatief bedoeld. Zaken, die onder ons hun beslag gekregen hebben: Het werkwoord heeft de dubbele betekenis van: voltrekken, zich afspelen, maar ook van: in vervulling gaan met het oog op wat in het Oude Testament voorspeld is. Het passivum geeft aan dat het God is die handelt. 2. Ooggetuigen en dienaren des woords: Mensen die Jezus met eigen ogen hebben gezien, de apostelen, de elven, die sedert Pinksteren verkondigers zijn van de goede tijding (vgl. Hand. 1:21 vv) Hand. 21.-8 vertelt van een ontmoeting van Lucas met Filippus, de evangelist. Aan het verhaal van de velen ligt de overlevering van de ooggetuigen ten grondslag. 3. Van meet aan: Dus te beginnen bij de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper. In geregelde orde wijst op een juiste en nauwkeurige orde in tijd en plaats (vgl. de plaatsaanduidingen in Hand.). Over Theofilus zie de Inleiding. Hoogedele: Vgl. Hand. 23:26; 24:3; 26:25, waar het woord de titel is voor de romeinse procurator.

De zaken, waarvan gij onderricht zijt hebben vermoedelijk betrekking op onderdelen van het evangelie dat Jezus Christus gekomen is. Onderrichten is meer dan informatie verschaffen in neutrale zin. Van het griekse woord is het woord catechese afgeleid; in de 2e eeuw wordt het woord gebruikt voor het dooponderricht. Zie voor de betekenis in vs 4 ook Hand. 18:25.

Geboorte van Johannes de Doper en Jezus 1:5-2:52

Lucas heeft het verhaal van de geboorte van Jezus en zijn voorloper zorgvuldig opgebouwd. Er zijn allerlei parallellen in opbouw en structuur. Vele voorstellingen en zinswendingen zijn ontleend aan het O.T., vooral met betrekking tot de profetische verwachting.

Aankondiging van de geboorte van Johannes 1:5-25

5.Met de dagen van Herodes (vgl. Mat. 2:1) is bedoeld de periode van 37-4 voor Chr., toen de beruchte Herodes de Grote regeerde over Palestina (37-4 v.Chr.). Herodes was een Idumeeër. Beroemd om zijn vele bouwwerken, o.a. de herbouw van de tempel. Anderzijds was hij berucht om zijn wreedheid en achterdocht, die met name in zijn familie tot bloedige gebeurtenissen aanleiding gaven.Zacharias: De Here gedenkt. Elisabet: Mijn God is een eed, dwz. de getrouwe. Vgl. vs 72. Afdeling van Abia: De priesters waren ingedeeld in 24 klassen. Bij toerbeurt deed men 2x per jaar een week dienst in de tempel. Vgl. 1 Kron. 24:7-18. 6. Rechtvaardig voor God: Zij worden getekend als wetsgetrouwe Joden, die vasthielden aan het verbond. 7. Kinderloos: Dat was naar joods besef een smaad en straf. Kinderen golden als een zegen (Gen. 1:28; Ps. 128:3). Zie ook Gen. 25:21; 29:31. Vgl. vs 25. Op hoge leeftijd: Zie Gen. 17:17; 18:11. 8-9: Reukoffer: Symbool van het gebed. De priester bracht het in het heilige. Men kon daar, gezien het grote aantal priesters, slechts lx in zijn leven hooguit toe gekozen worden. 11. Rechterzijde: De ereplaats. 13: Vrees niet: Vgl. Luc. 1:30; 2:11. Ook in het O.T. lezen we dit vaak na een verschijning van de Here. Uw gebed: Het gebed om de komst van de Messias en voorts het gebed om wegneming van de onvruchtbaarheid. Johannes: Di. de Here is genadig. God zelf bepaalt de naam. 14. Vreugde: De vreugde om de op handen zijnde heilstijd. 15. Wijn niet drinken: Wijn was symbool van Israels verwijdering van God in Kanaän. De Nazireeërs (Num. 5:1; Ri. 13:7) gaven door zich te onthouden van wijn een profetisch protest tegen een samenleving zonder God. Johannes wordt getekend als aan God gewijde. De vervulling met de Geest plaatst hem in de rij der profeten. 17. Uitgaan… Elia: De Joden verwachten de terugkeer van Elia als wegbereider van de messiaanse eeuw. Voor de kracht van Elia zie 1 Kon. 17 en 18. Om de harten der vaderen: Zie Mal. 4:5-6. Toegerust: Johannes moet de weg banen voor de Messias.

18. Waaraan… weten: Vgl. Gen. 15:8. Menselijke bezwaren doen Zacharias om een teken vragen. Vgl. Ri. 6: 36-39. 19. Gabriël: Een van Gods troonengelen, vgl. Dan. 7:10; 9:21. Uitgezonden: Hij komt in Gods opdracht en met zijn volmacht. Blijmare: Lucas gebruikt hier voor de eerste maal het werkwoord ‘een blijde boodschap verkondigen’ dat in zijn twee boeken zo’n grote rol speelt. In Jes. 52:7 duidt het de boodschap van heil en overwinning aan. Zo werd het ook gebruikt in de griekse wereld. Voor het contrast met de Romeinse keizerideolo-gie zie Luc. 2:10. 20. Zwijgen… niet kunnen spreken: Dat is het teken wat de priester ontvangt. Straf vanwege zijn ongeloof. 21. Te wachten: Nl. op de priesterzegen, vgl. Num. 6:24-26. Elisabet looft God om zijn daden, de wegneming van de smaad van de kinderloosheid, vgl. 1 Sam. 1.

De aankondiging van de geboorte van Jezus 1:26-38

De aankondiging van de geboorte van Jezus wordt beschreven na die van de voorloper. Lucas accentueert het moment van de vervulling van de profetie aangaande Immanuel (Jes. 7:14 LXX) en de belofte aangaande de heerschappij van de Zoon van David.

26. Een stad in Galilea, genaamd Nazaret: Naar Gods plan zal Jezus vanuit Galilea zijn werk verrichten (vgl. Mat. 4:12-16; Jes. 8:23; 9:1). 27. Naar een maagd: Dat was naar joodse begrippen onvoorstelbaar. 27. Ondertrouwd: Maria was wel verloofd, maar niet gehuwd met Jozef. De verloving stond in rechte gelijk aan een huwelijk. Huis van David: ‘Huis’ betekent hier familie, Maria: Hebr. Mirjam. 28. Wees gegroet: Een vrouw werd doorgaans door een boodschapper niet gegroet. Begenadigde: Vgl. Ef. 1:6. Het woord spreekt van Gods verkiezende liefde. De Here is met u: Vgl. Ri. 6:12; Ruth 2:14. 29. Zij ontroerde: Lett, zij geraakte in verwarring. 30. Genade gevonden: Vgl. Gen. 6:8; Ri. 6:17; 2 Sam. 15:25. 31. Jezus: Ook hier is het God, Die de naam geeft. Voor de betekenis van Jezus zie Mat. 1:21. 32. Zoon des Aller-hoogsten: dwz. Zoon van God, vgl. vs de LXX is Allerhoogste een veel voorkomende uitdrukking. De troon van zijn vader David: Vgl. 2 Sam. 7:12-16; Jes. 9: 6. Ps. 2:7; 89:27-30. Dit koningschap van de toekomstige Davidide zal eeuwig zijn, volgens de belofte van het O.T. De verwachting van een messiaans rijk onder leiding van een afstammeling van David speelt ook een rol in verschillende buitenbijbelse joodse geschriften uit de inter-testamentaire tijd. Nu eens draagt dit rijk sterk natio-naal-politieke trekken, dan weer wordt het getekend als een transcendent-kosmisch rijk. 34. Hoe zal dat geschieden: In tegenstelling tot Zacharias vraagt Maria niet om een teken, maar geeft ze uiting aan haar verrassing en verwondering. 35. Overschaduwen: vgl. Ex. 40:34; Luc. 9:34. Het Kind, dat uit Maria geboren wordt, is niet verwekt door een mens. De mens in zijn handelende rol wordt uitgeschakeld. Gods Zoon neemt het menselijk vlees aan. 36. En zie: Ongevraagd krijgt Maria een teken. 37. Geen woord… krachteloos: Vgl. Gen. 18:14; Jer. 32:27; Zach. 8:6; vgl. ook Mar. 10:27. 38. Mij geschiede naar uw woord: Maria aanvaardt het wonder in het geloof.

Maria en Elisabet 1:39-56

39. Naar een stad van Juda: Allerlei gissingen zijn geüit, oa. Hebron of Ain Karim. 41. Dat het kind opsprong: In Mal. 4:2 LXX duidt het woord de vreugde van de heilstijd aan. Vervuld met de Heilige Geest: De Geest inspireert Elisabet tot een profetisch getuigenis, vgl. 1:15,67; 2:25. 42. Gezegend zijt gij: Een vrouw die een kind verwachtte, gold in Israel als een door God gezegende. Maria is in de volstrekte zin van het woord gezegend, om haar Kind, de Messias. Zie voor de uitdrukking Ri. 5:24. 43. De moeder mijns Heren: Jezus wordt hier voor de eerste keer in het Ev. van Lucaskurios, Here genoemd. In het O.T. iskurios de vertaling van de Naam JHWH, de HERE, de God van het verbond. In de antieke wereld werden allerlei godheden, maar ook de keizers van Rome, kurioi genoemd. 45. Dit vs vormt de tegenstelling tot 1:20. Maria wordt gelukkig geprezen omdat zij geloofd heeft. Wat …zal volbracht worden: Op de door God vastgestelde tijd zal het zijn vervulling vinden.

46-55: De lofzang van Maria, naar de beginwoorden van de Latijnse vertaling Magnificat genoemd. De hymne is vol verwijzingen en zinspelingen op het Oude Testament; er is vooral veel overeenkomst met 1 Sam. 2:1-10, de lofzang van Hanna. Het lied vertoont stijlkenmerken van de hebreeuwse poëzie, o.a. het zgn. ‘parallellismus mem-brorum’, twee parallelle zinnen die dezelfde gedachten-gang bevatten (o.a. vs 46-47). Twee lijnen lopen door het lied: 1. De dank voor de aan Maria persoonlijk geschonken weldaden, omdat God in zijn gunst heeft omgezien naar de lage staat van Maria (en niet haar nederigheid!), vs 46-48; 2. Lofzang op de daden van God aan het volk van Abraham. De grote dingen, die de Machtige gedaan heeft, worden gekenmerkt door zijn barmhartigheid, di. zijn genadige trouw jegens allen, die in eerbied en liefde voor de Here leven, Hem vrezen. Vanaf vs 51 beschrijft het lied Gods daden jegens zijn volk. De in de vss 51-54 gebruikte werkwoordsvorm (Hij heeft… gedaan enz.) kan beschouwd worden als een profetisch perfectum: wat God gaat doen wordt als reeds gerealiseerd gezien. Wellicht zit er ook de notie in, dat de toekomstige gebeurtenissen zich al beginnen te realiseren. Die daden van God bewerken een ommekeer in de verhoudingen, nl. de machtsverhoudingen en de bezitsverhoudingen. Zie voor de gedachte van de vernedering der hoogmoedigen en de oprichting van de armen Ps. 75:7; 107:40-41; 113:7v; 147:6. Het oordeel wordt uitgesproken over machthebbers, die hun macht misbruiken en over rijken, die hun bezit in hoogmoed er door brengen. In vs 54 wordt Israel Gods knecht genoemd. Op de achtergrond van dit vs staat Jes. 41:8- de verlossing die de Here geeft gedenkt Hij aan Zijn barmhartigheid en verbondstrouw overeenkomstig zijn belofte aan Abraham (zie o.a. 1:73; 3:8; 16:24; 19:9; Hand. 3:25; 7:5; 13:23).

De geboorte van Johannes 1:57-80

57. Toen de tijd vervuld was…: De woorden komen overeen met Gen. 25:24. 58. Dat de Here zijn barmhartigheid… had grootgemaakt…: Zie vs 25. Dit feit geeft aanleiding tot vreugde. Het motief van de vreugde om Gods daden treffen we frequent aan in de twee boeken van Lucas. 59. Om het kind te besnijden… naar de naam… noemen: Hier zijn, evenals in 2:21 besnijdenis en naamgeving verbonden. Buren en familieleden zijn bij dit gebeuren aanwezig, vgl. Ruth 4:17. Het gebruik de naamgeving op de achtste dag te laten plaatsvinden is misschien ontstaan onder hellenistische invloed. Grieken gaven hun kinderen op de zevende of tiende dag na de geboorte de naam. Ook de Romeinen kenden een speciale dag van naamgeving, de ‘dies lustricus’, de achtste (voor meisjes) of tiende (voor jongens) na de geboorte.

Van zijn vader Zacharias: Hier willen de omstanders het de naam van de vader geven. Gewoonlijk werd de naam van de grootvader gegeven (vgl. o.a. 1 Sam. 22:11; 23:6; 2 Sam. 8:17). 60. Doch zijn moeder: Er wordt niet meegedeeld op grond waarvan Elisabet tot haar uitspraak komt. 63. Een schrijftafeltje: Een met een rand omgeven plankje, dat met was bestreken was, waarop men met een schrifstift kon schrijven. Gewoonlijk waren deze plankjes dubbel of zelfs drievoudig, zodat men ze kon toeklappen en verzegelen. 64. Terstond werd zijn mond geopend: De aankondiging van de engel gaat in vervulling. De passieve werkwoordsvorm drukt uit, dat het God is, die hem tot loven brengt. Uit de man die niet geloven kon, is iemand geworden die lovend zijn geloof belijdt. 65. Vrees: Oorzaak is het dubbele wonder, waarvan zij getuigen zijn geworden. Alles wat ze meegemaakt hebben wijst op een bijzondere taak. Vandaar hun vraag in vs 66. De hand des Heren: Vgl. bij Hand. 11:21.

67-79. De lofzang van Zacharias. Deze wordt naar het beginwoord van vs 68 (Geloofd zij) volgens de latijnse bijbelvertaling het Benedictus genoemd. En profeteerde: Vervuld met de Heilige Geest wordt Zacharias profeet. De inhoud van zijn profetie is dit lied. Het valt uiteen in twee delen: 1. Een loflied op de verlossende daden van God jegens Israel (vs 68-75). 2. Een profetie over de taak van Johannes als voorloper van de Messias (vs 76-79). Het lied is een antwoord op vs 66, en gemodelleerd naar de profetie van het Oude Testament. De lofprijzing op de God van Israel (vs 68) is in de stijl van de Psalmen (Ps. 41:14; 72:18; 106:48). De werkwoordsvormen, die in de vss 68-69 gebruikt worden (heeft omgezien enz.) laten zien, dat de profeet dat, wat hij als toekomst ziet, bezingt als reeds te zijn geschied. Omzien naar (vs 68) betekent Gods genadig omzien, zijn reddend komen naar zijn volk (vgl. 1:78; 7:16; Hand. 15:14; voor het O.T. zie Gen. 21:1; Ex. 3:16; Ruth 1:6; Ps. 8:5. Het effect van dit Goddelijk omzien naar zijn volk is de verlossing, de bevrijding (vgl. 2:38; 21:28; 24:21) van zijn volk. Zij komt tot stand doordat de Here een hoorn des heils opricht, dwz. een machtig bevrijder, een koning uit het huis van David (vs 69), die zijn volk bevrijdt uit onderdrukking van de kant van de vijanden. In dit verlossend werk worden Gods beloften door de mond van de profeten vervuld (vs 70) en gedenkt de Here aan Zijn verbond (vgl. Ex. 2:24; 6:5). Dit verbond berust op de aan Abraham gezworen eed (vs 73: vgl. Gen. 22:16-18; 26:3; Ps. 105:89). 74. Uit deze verwachting van de bevrijding is elk spoor van wraakzucht verdwenen. Doel van deze verlossing is een leven in de dienst des Heren, in heiligheid en gerechtigheid (vs 75). Vgl. Ex. 19:5- de vss 76-79 bezingt Zacharias de plaats die Johannes inneemt in dit eschatologisch heilshandelen van God. Het kind is voorloper van de Here (vgl. Mal. 3:1; Jes. 40:3). Hoe dit bereiden van de weg zal plaats vinden, lezen we in vs 77: kennis geven van het heil, dat gelegen is in de vergeving van de zonden. De oorzaak ligt in de barmhartigheid van God. In 1:78 is sprake van de Opgang uit de hoogte, volgens sommige via de griekse vert. van Jer. 23:5; Zach. 3: 8 en 6:12 een beeld voor de Messias, de Spruit. Beter is het de uitdrukking in verband te brengen met het opgaan van de zon (Jes. 60:1; Mal. 4:2). Wat Johannesvoorbereidt, wordt door de Messias verwerkelijkt. Met reminiscenties aan Jes. 9:2; 42:7 en Ps. 107:10 wordt het gevolg aangegeven van het omzien van de Opgang uit de hoogte: Licht in het donker voor hen die gevangen zitten in de schaduw van de dood. Het gezeten zijn (vs 79) duidt op het hopeloze van hun situatie. In vs 79b wordt de Messias getekend als Degene die onze voeten richt op de weg van Gods vrede, het messiaanse heil (vgl. Jes. 9:5-6; 52: 7). Deze vrede is vervulling van de profetische heilsverwachting.

80. Het kind… gesterkt door de Geest: Sommigen denken aan de geest van de mens. In het licht van 1:15 is het beter te denken aan de Heilige Geest. In de woestijn: Bedoeld is wel het woestijnachtige gebied ten westen van de Dode Zee. Deze woestijntijd is voorbereidingstijd. Tot op de dag dat hij Zich aan Israel vertoonde; Lett.: de dag van zijn vertoning. In Luc. 10:1 gebruikt voor de aanstelling van de (twee-en)zeventig uitgezondenen. Deze aanduiding wijst vooruit naar Luc. 3:lvv.

De geboorte van Jezus 2:1-20

Na de berichten over de aankondiging van de geboorte van Johannes en Jezus en het verhaal van de geboorte van de zoon van Zacharias en Elisabet volgt in hoofdstuk 2 het verhaal van de geboorte van Jezus, de besnijdenis, de ontmoeting in de tempel met Simeon en Anna, het bezoek van de twaalfjarige Jezus in de tempel, afgesloten met een mededeling over het opgroeien van Jezus (vgl. 1: 80). Er zijn allerlei analogieën met Johannes de Doper, maar duidelijk laat Lucas uitkomen dat Jezus Johannes in elk opzicht te boven gaat.

1.Keizer Augustus: Lett. Caesar Augustus Octavianus. Na de overwinning bij Actium (31 v.Chr.) was de ster van Octavianus snel gestegen. De senaat van Rome verleende hem de eretitel sebastos = augustus = de aanbiddingwaardige. In de hellenistische provincies werd hem goddelijke eer toegekend. Dichters en schrijvers, maar ook allerlei inscripties eren hem als brenger van een nieuw tijdperk, een gouden eeuw van vrede en welzijn. Zijn geboortedag werd gevierd als een evangelie. 2. Inschrijving: Lat. ‘census’. Het ging om het opstellen van een bevolkingsregister, taxatie van het grondbezit en registratie, gevolgd door een ambtelijk opgelegde fiscale aanslag. In verschillende delen van het rijk werd zo’n census toegepast. Uit allerlei bronnen weten we dat in Palestina een dergelijke inschrijving veel verzet opriep, vooral van de kant van de Zeloten die dergelijke belastingen onverenigbaar vonden met de dienst aan de Here God, vgl. Hand. 5:37. Quirinius: Keizerlijk legaat over de provincie Syria, waar Palestina een deel van uitmaakte. Hij was de hoogste bevelhebber in het Oosten. Vermoedelijk vond de inschrijving plaats in 7 v.Chr. 4. De stad van David: Vgl. Ruth 1:22; 1 Sam. 16:1-13; Mi. 5:14. 7. Eerstgeboren: Vgl. 1:27,34; Ex. 13:2,12,15. Wikkelde in doeken: Zoals met elke pasgeboren baby gebeurde. Kribbe: Voederbak voor het vee, misschien een nis in een rotsholte. Oude berichten uit de 2e en 4e eeuw spreken over een grot waarin de geboorte van Jezus plaatsvond. Anderen denken bij herberg aan een overnachtingsruimte voor noodgevallen, of aan een huis, gebouwd boven een holte in een rots.

8.Herders: Mozes en David waren herder. Er zijn berichten volgens welke herders als onbetrouwbaar en leugenachtig golden, zodat zij voor de rechters niet getuigen mochten. Of dit ten tijde van Jezus’ geboorte al zo was, staat niet vast. In ieder geval blijkt dat de proclamatie van de geboorte van Christus niet plaats vond aan de machtigen, maar aan vertegenwoordigers van het gewone volk. Van maart tot november placht men de kudden buiten te weiden. Gedurende de nacht werd de omheinde ruimte bewaakt tegen rovers en wild gedierte.

9.Heerlijkheid des Heren: De lichtglans van de hemel. Teken van Gods presentie onder zijn volk. 10. Heel het volk: Nl. Israel. Jezus is de Messias van Israel, representant van de volken. 11. Lucas geeft in dit geboortebericht een opsomming van christologische titels. Heiland: Nl. de Redder en Verlosser, die door God beloofd was, de messiaanse Koning van de eindtijd. In de hellenistisch-romeinse wereld was soter titel van goden als Asklepius, Sarapis en van de romeinse keizers die als weldoeners der mensheid gevierd werden. Christus = Messias. Here: Zie bij 1:43. De belijdenis Jezus is Here is de oerbelijde-nis van de kerk, vgl. Filp. 2:9-11,12. Het teken dat de herders gegeven wordt is een gewoon alledaags gebeuren: een in doeken gewikkeld kind in een kribbe, een kind geboren onder armelijke omstandigheden. Dat is het teken van de komst van Gods Zoon. De geboren Heiland gaat de weg van de vernedering; vgl. 2 Kor. 8:9; Filp. 2:6vv. Lucas schetst in deze perikoop het contrast tussen keizer Augustus in Rome en het kind Jezus, geboren in de stal van Bethlehem.

13-14. Ere zij God: In deze tweeregelige hymne wordt bezongen waartoe Jezus gekomen is. God wordt eer toegebracht, nu zijn Zoon geboren wordt. Op aarde betekent zijn komst vrede, dwz. het messiaanse heil, vgl. Jes. 9:6; Luc. 1:79. In de hellenistische wereld duidde vrede op een situatie van politieke stabiliteit en harmonie. De vrede is voor de mensen van Gods welbehagen. Het gaat bij ‘welbehagen’ niet om de goede gezindheid van mensen, maar om de gunst van God. Vgl. vs 10. 15. En het geschiedde: Vgl. vs 1 en vs 6. Wat gezegd en gebeurd is willen de herders gaan zien. 16. Het kind: vgl. vs 12: een kind. 18. Verbaasden zich: Een van de reacties op het bericht van de herders. Verbazing heeft in het evangelie de mogelijkheid van tweeërlei uitwerking in zich: geloof of ongeloof. 19. Die overwegende: Maria bleef nadenken over de gebeurtenissen, zodat ze in staat was de betekenis ervan te onderkennen. Vgl. Gen. 37:11. 20. God lovende en prijzende: Hier nemen de herders over wat de engelen deden! God loven om zijn machtige daden.

De besnijdenis 2:21

Evenals in 1:59vv wordt de besnijdenis verbonden met de naamgeving. Voor de besnijdenis zie Ex. 13:12; Lev. 12 en Num. 18:16. De besnijdenis betekende de inlijving in het verbond dat God met Abraham gesloten had. Uit dit vs en het vervolg blijkt hoe Jezus zich onder de wet gesteld heeft, vgl. Gal. 4:4-5.

De voorstelling in de tempel 2:22-39

22. De dagen hunner reiniging: Na de geboorte van een zoon was de moeder gedurende 40 dagen cultisch onrein. Ze mocht in die tijd niets heiligs aanraken. De wet bepaalde in Lev. 12 dat er een offer ter verzoening gebracht moest worden. Merkwaardig is het ‘hunner’, daar in Lev. 12 slechts sprake is van de moeder. Brachten: Evenals in vs 42 gebruikt Lucas hier een werkwoord, dat een cultische handeling in de tempel aangeeft. Om Hem de Here voor te stellen: Hierbij kan men denken aan het ter beschikking stellen van Jezus voor Gods aangezicht zoals Samuel of een Nazireeër in de dienst des Heren werd geplaatst. 23. Gelijk geschreven staat: Hier wordt verwezen naar Ex. 13:2,12,15. De eerstgeborene was aan God geheiligd en gewijd aan zijn dienst. Toen de Levieten de tempeldienst gingen waarnemen trad de wet in werking, dat de eerstgeborene moest worden losgekocht. Volgens Num. 18:16 bedroeg de prijs 5 sikkels. Op zich kon dat bij iedere priester gedaan worden en behoefde men niet speciaal naar de tempel te gaan. 24. Offer… een paar tortelduiven of twee jonge duiven: Duiven waren de kleinste reine dieren die in de eredienst als offer gegeven werden. Wie te arm was om een lam te kopen en te offeren mocht duiven offeren. Jozef en Maria brengen dus het offer van de armen (vgl. Lev. 12:8). Van het tweetal diende het één tot brand- en het ander tot zondoffer. Lucas tekent hier, hoe Jezus door zijn ouders wordt onderworpen aan de voorschriften van de tora (vgl. Gal. 4:4-5). 25. En zie: Er gaat iets nieuws geschieden. Twee getuigen wijzen het Kind aan als de vervulling van de heilsbeloften (vgl. Deut. 19:15). Rechtvaardig: vgl. 1:6. Vroom: Het hier gebezigde woord heeft in het Grieks de betekenis van ‘voorzichtig, gewetensvol’. Het werkwoord komt in de LXX veel voor als vertaling van woorden die ‘vrezen’ betekenen. Het heeft dus de notie van ‘vroom’ in de zin van zich hoedend voor wetsovertredingen. De vertroosting vanIsrael: Simeon verwachtte dus de vervulling van de messiaanse hoop, vgl. Jes. 40:1; 49:13; 61:2. Zo waren er meer, zoals vs 38 en Mar. 15:43 laat zien. De Heilige Geest was op hem: Simeon getuigt als een door de Geest geïnspireerd profeet. 26. Hem was… gegeven: Het is God, Die aan Simeon door de Geest heeft laten weten dat hij de Messias zou zien, de vervulling van de aan Israel gedane beloften. 28. Nam ook hij: Eerst de ouders, dan Simeon. 29-32. Simeon’s Lofzang bezingt het messiaanse heil voor Israel en de volken. Naar de beginwoorden in de latijnse vertaling is dit lied in de liturgie van de kerk bekend geworden als het Nunc Dimittis. Het bestaat uit 3x 2 dubbele regels.

29. Nu laat Gij…gaan: In het licht van vs 26 betekent dit woord: Nu laat Gij sterven (vgl. Gen. 15:2; Num. 20:2829). De beeldspraak die de achtergrond vormt voor het gebruik van dit werkwoord is volgens sommigen het beeld van de slaaf, die in vrijheid gesteld wordt. Beter is het te denken aan de beëindiging van een dienstverband. Uw dienstknecht: Tegenover de Schepper en Here van het leven belijdt Simeon zijn afhankelijkheid, maar ook dat hij ter beschikking staat (vgl. Ps. 86:2; 90:13,16; 116: 16; 119:124-125; 143:12). Daarmee staat Simeon naast Maria, de dienstmaagd des Heren (1:38). In vrede, naar Uw woord: De belofte van God wordt gerealiseerd. Simeon mag het heil van God aanschouwen. 30. Uw heil: Vgl. Jes. 40:5 en 52:10. Het is het heil dat in Jezus, de Messias, op aarde verschijnt. Lucas gebruikt hetzelfde woord in 3:6 en Hand. 28:28. Hij beklemtoont de universaliteit van het heil. Mijn ogen… hebben gezien: Lucas spreekt concreet en historisch over het heil dat in Jezus present is en in de wereld geboodschapt wordt. 31. Licht… voor de heidenen… en heerlijkheid voor uw volk

Israel: Dat de volken zullen delen in het heil vinden we vele keren bij Jesaja (2:2-5; 42:6; 49:6; 60:1-9). Dit messiaanse heil komt uit Israel voort. Israel moest volgens de profetische roeping een licht voor de volken zijn. In Jezus gaat die roeping in vervulling. Zo komt ook Israel tot zijn bestemming, ln Jezus verschijnt de lichtglans van God aan het volk. Opmerkelijk is, dat eerst de volken genoemd worden en dan pas Israel (vgl. Hand. 3:25; 15: 14). Zie Rom. 11:25-26. 33. Zie Luc. 2:18. 34. Zegende: Zegenen is een positieve kracht overdragen. Zegen heeft te maken met groei en vruchtbaarheid. Simeon gaat zich nu speciaal tot Maria richten. Tot een val en opstanding van velen in Israel: De komst van Christus betekent een krisis in het volk van God (vgl. Joh. 3:19). Wat in Jes. 8: 14 van JHWH gezegd wordt ziet Simeon gerealiseerd in dit kind. Het is niet geheel duidelijk, of we aan twee groepen mensen binnen het volk moeten denken of aan één. ln het eerste geval vormt de tekst een parallel met 2 Kor. 2:15-16 en 1 Petr. 2:6-8. Voor de één zal Jezus dan een struikelblok en voor de ander de rots van behoud zijn (vgl. Jes. 28:16). De samenvoeging doet eerder denken aan één groep: Gevallenen mogen opstaan ten leven (vgl. Petrus na zijn verloochening). Dit alles is geen toevalligheid. Het Kind is er van Godswege toe gezet, gesteld. Teken… weersproken: Als teken van messiaans heil zal Jezus tegenspraak ontmoeten in woord en daad (vgl. Joh. 19:12; Hand. 28:19; Rom. 10:21). Zwaard: Hiermee wordt de smart aangeduid die Maria vanwege het lijden van haar Zoon zal ondergaan. Overleggingen: Doorgaans heeft dat woord een negatieve klank. Jezus ontmaskert wat mensen verborgen houden.

36-37: Anna… weduwe, ongeveer vier en tachtig jaar oud: Na een huwelijk van zeven jaar is zij weduwe geworden. Het is mogelijk haar weduwschap op 84 jaar te stellen. Dan zou zij 104 jaar oud zijn. Dat zou aansluiten bij de leeftijd van Judith, de vrome joodse weduwe uit een van de apokriefe boeken. Vasten en bidden: Anna’s leven is verbonden met de tempel. Vasten is vaker met bidden verbonden (vgl. Luc. 5:33). 38. Zij loofde mede God: Antwoord op Gods heilsdaden. Het werkwoord bevat de noties: erkenning, gehoorzaamheid, verkondiging. Verlossing: Vgl. Luc. 21:28; 24:21. Met name in Jes. 40-55 is vaak sprake van het bevrijdend handelen van God. 39. Volbracht: Wat de wet eiste is ten uitvoer gebracht (vgl. 12:50; 18:31; 22:37).

De twaalfjarige Jezus in de tempel 2:40-52

40. Dit vs is de tegenhanger van 1:80. Jezus wordt vervuld met wijsheid vgl. Jes. 11:2. 42. Twaalf jaar: Naar joods gebruik heeft de vader de plicht zijn zoon te wennen aan de geboden. De reis naar de tempel op de drie grote feesten (Pascha, Wekenfeest, Loofhuttenfeest) was gebod. De strikte eis om de voorschriften der wet onder eigen verantwoordelijkheid te onderhouden begon op de leeftijd van 13 jaar en één dag. 43-44. Reisgezelschap: Men reisde in groepen, dikwijls dorpsgewijs. Mede uit veiligheidsoverwegingen. Het aantal bede-vaartsgangers kon oplopen tot zo’n 100.000. de tempel… temidden der leraren: Jezus wordt gevonden in de tempel. Zitten is de houding van de leerling. Mogelijk ook geeft de tekst aan, dat Jezus als leraar zit. Misschien moeten we bij de plaats denken aan de hal van de buitenste tempel, misschien aan een leerhuis op de tempelberg. Het onderricht voltrok zich in de vorm van vraag en antwoord. Het is de typerende methode van het joodse leerhuis: eerst horen, dan vragen stellen. 47. Verstand en antwoorden: De antwoorden getuigen van wijsheid en inzicht in de wet. 48. Maria wijst als moeder haar ongehoorzame kind terecht. Er klinkt ook ongerustheid door in haar woorden. 49. Dat Ik bezig moet zijn in de dingen van Mijn Vader: Hier getuigt Jezus als de Zoon van zijn bijzondere verhouding tot de Vader. Jezus hoort thuis in het huis van zijn Vader, de plaats waar de wet en de openbaring centraal staan. Het ‘moet’ wijst op het plan van God. 50. Zij begrepen… niet: Jezus’ ouders hebben deze zelfopenbaring van Jezus niet verstaan. Vgl. Luc. 18:34. 51. Jezus blijft conform de wet van God gehoorzaam aan zijn ouders. 52. Nam toe in wijsheid: Vgl. 1 Sam. 2:26; Spr. 3:4. Grootte: Lichamelijke groei; anderen denken aan geestelijke rijpheid (vgl. Ef. 4:13-14). Genade bij God en mensen: Hier komen de twee kanten van gunst in het gezichtsveld. Genade van Gods kant en welwillendheid bij de mensen, vgl. Hand. 2:47 en 4:33.

De prediking van Johannes de Doper 3:1-20

Met de verschijning en de prediking van de wegbereider begint voor Lucas de heilstijd (vgl. Luc. 16:16; Hand. 10:37). De perikoop stemt ten dele overeen met Mat. 3:112 en Mar. l.T-8. Zie ook Joh. 1:19-28. Daarnaast zijn er een aantal elementen die we alleen bij Lucas vinden. Opvallend is de uitvoerige verwijzing naar de vervulling van de profetie van het Oude Testament.

1-2. Lucas plaatst de verschijning van Johannes in het kader van de wereldgeschiedenis, in het raam van de godsdienstige en politieke verhoudingen van die tijd. De zevenvoudige omschrijving laat de moeilijke positie van Israel, beheerst door Rome en Edom, naar voren komen. Tiberius: Opvolger van Augustus en diens stiefzoon, leefde van 42 v.Chr.-37 na Chr. In het jaar 26 trok hij zich terug naar Capri en liet de regeringszaken over aan Sejanus. In vele opzichten was hij een wijs regent.Pontius Pilatus: Afkomstig uit een romeins riddergeslacht. Hij werd in 26 tot procurator van Judea benoemd. Gunsteling van Sejanus. Bronnen buiten de Bijbel tekenen hem als hard en onbuigzaam, wat door Luc. 13: lw bevestigd wordt. Verschillende van zijn maatregelen kwetsten de godsdienstige gevoelens van de Joden. Herodes: Nl. Antipas, zoon van Herodes de Grote. Hij was viervorst dwz. regent over een vierde deel van een bepaald gebied. Later kreeg het woord de betekenis van een kleine vorst, minder in rang en macht dan een koning. In 39 werd hij verbannen. Filippus: Antipas’ halfbroer, regeerde van 4 v.Chr.-33/34 na Chr. over Iturea, een gebied ten O. en ten N. van het meer van Galilea. Lysanias: Een jongere zoon van Herodes de Grote, die in de periode 25-35 na Chr. regeerde over het gebied rondom Abila, stad ten N.W. van Damascus. Annas: Hogepriester, door Quirinius aangesteld en in 15 na Chr. door de Romeinen afgezet. Hij behield grote invloed (vgl. Joh. 18: 12vv). Zakelijk correct staat zijn naam voorop. Kajafas: Schoonzoon van Annas. Hogepriesters: De gr. tekst spreekt in het enkelvoud van ‘hogepriester’. Lucas wil hiermee de situatie aanduiden van één hogepriester, terwijl de voorganger nog invloed uitoefende. Kwam hetWoord Gods: Vgl. Hos. 1:1; Jer. 1:1. Zoon van Zacharias: De zoon van de priester komt evenals Jeremia in botsing met de autoriteiten. Woestijn: Israels woestijn-tijd was een tijd van oordeel en genade. De joodse verwachting verbond het messiaanse heil met het optreden van iemand vanuit de woestijn. 4-6. Gelijk geschreven staat: De weergave is breder dan bij Mat./Mar. Zie Jes. 40:3-5. Vs 6 is typerend voor het wereldwijde karakter van de heilsprediking. Vgl. 2:30-32. Nadruk valt op de vervulling van deze belofte.

7-9. Zie bij Mat. 3:7-10. Lucas laat de oproep uitgaan tot de scharen, terwijl bij Mat. de leiders genoemd worden. 10- deze vss wordt concreet aangegeven waarin de vrucht, die aan de bekering beantwoordt, bestaat, nl. vermijding van onrecht en bereidheid tot helpen. 10. Wat moeten wij doen? Zie Luc. 10:25; 18:18; Hand. 2:37; 16: 30 en 22:10. In al deze teksten gaat het om mensen, die redding zoeken of vragen naar het verstaan van Gods wil. 11. Klederen: Nl. de chiton, het onderkleed. Soms droeg men tegen de koude een dubbel stel. Dele mede: Vgl. Rom. 1:11; 12:8; Ef. 4:28. 1 Tess. 2:8. 12. Tollenaars: Belastingpachters, in dienst van de Romeinen. Hun beroep maakte hen gehaat en veracht bij het volk, mede ook omdat zij door een te hoge heffing zichzelf verrijkten (vgl. Luc. 19: lw). 13. Vordert niet meer: Hier wordt niet gevraagd, dat zij hun beroep opgeven, wel dat zij af moeten zien van oneerlijke praktijken. 14. Krijgsdienst: Vermoedelijk gaat het om soldaten die als politie optraden, in dienst van Herodes. Het ‘en wij’ zou er op kunnen wijzen dat zij de tollenaars bij hun werk assisteerden. Plundert… uit: Een technische term uit de juridische sfeer voor ‘mishandelen’ met de bedoeling daardoor geld af te persen. Perst niets af: Het werkwoord betekent het kwellen en onderdrukken van de weerlozen, vgl. Luc. 19:8. Soldij: Vgl. 1 Kor. 9:7; Rom. 6:23; 2 Kor. 11:8. Omdat de betaling laag was, was de verleiding tot afpersing groot. Ook de soldaten behoeven evenwel hun beroep niet op te geven, maar worden wel geroepen tot rechtvaardig handelen ten opzichte van de naaste.

15-17: Vgl. Mat. 3:11-12; Mar. 1:7-8. afwachting… of Johannes… de Christus was: Vgl. Joh. 1:20,25. De overlegging van de mensen wordt begrijpelijk tegen de achtergrond van de messiaanse verwachtingen in die tijd onder de Joden. In het antwoord wijst Johannes op de lage plaats die hij inneemt, vergeleken met de Messias. 16. Tot allen: Alleen Lucas vermeldt dit. Met de Heilige Geest en met vuur: Vgl. Hand. 1:5 en 2:16-21.

18. Vermaningen: Het werkwoord heeft een scala betekenissen: vermanen, bemoedigen, aansporen, vertroosten. De context doet kiezen voor de vertaling ‘vermanen’. Tegelijk gaat het ook om een wervende prediking. Bracht… het evangelie: Het vermanen en bestraffen staat in de context van de tijding van het goede nieuws.

19. Om Herodias: Herodes was getrouwd met de dochter van koning Aretas IV van Petra. Tijdens een reis naar Rome liet hij haar in de steek voor Herodias, de vrouw van zijn halfbroer Filippus, een andere dan de tetrarch van 3:1. Om alle wandaden: Dat werpt een schril licht op Antipas, wiens wandaden culmineerden in de arrestatie van Johannes de Doper. Josefus bericht dat Johannes gevangen zat in de vesting Machaerus bij de Dode Zee. Lucas zwijgt over Johannes’ dood.

Preludium van Jezus’ werk 3:21-4:13

Nadat Lucas eerst de gebeurtenissen rondom Johannes de Doper beschreven heeft tot en met diens arrestatie, volgt nu zijn weergave van de geschiedenis van de doop van Jezus (3:21-22) en de verzoeking in de woestijn (4:113). Tussen beide perikopen voegt de evangelist een geslachtsregister van Jezus in (3:23-38). We kunnen deze gedeelten zien als inleiding op het volgende deel over Jezus’ werk in Galilea, als een preludium op zijn werk. Opvallend is het veelvuldig spreken over de Heilige Geest in de hoofdstukken 3 en 4. De heilstijd, waarin het heil zich begint te realiseren als vervulling van de belofte is de tijd van de Messias, toegerust met de Geest. De joodse opvatting in het begin van onze jaartelling was, dat de Geest sinds de dagen van Haggaï, Zacharia en Maleachi van Israel geweken was en dat de Heilige Geest weer zou verschijnen in de messiaanse tijd om de Messias toe te rusten tot daden van wijsheid, gerechtigheid en macht.

De doop van Jezus 3:21-22

Zie Mat. 3:13-17 en Mar. 1:9-11.21. Toen ook Jezus gedoopt werd: In het Grieks wordt de doop van Jezus slechts in een bijzin ter sprake gebracht. In gebed: Alleen Lucas vermeldt dit. Zie ook Luc. 5:16; 6:12; 9:19,28; 11: 1. Het neerdalen van de Geest en de stem uit de hemel vormen de verhoring van dit gebed. De hemel zich opende: Vgl. Jes. 64:1. God openbaart zich bij het aanbreken van de heilstijd. lichamelijke gedaante: dwz. het is zichtbaar en concreet. Vgl. Hand. 2:2-3. Lucas legt daar terwille van zijn hellenistische lezers nadruk op. Gij zijt mijn Zoon: zie Jes. 42:7 en Ps. 2:7, als achtergrond bij vs 22b.

Geslachtsregister 3:23-38

Terwijl Matteüs inzet met een geslachtsregister, geeft Lucas pas op deze plaats een weergave van de stamboom. Jezus de Christus, toegerust met de Heilige Geest blijkt voort te komen uit de heilige geschiedenis van Israel. De volgorde vindt zijn parallel in de geschiedenis van Mozes, waar ook pas na zijn openbaar optreden voor farao de stamboom vermeld wordt (vgl. Ex. 6:1427). Wat zich in de Geest gerealiseerd heeft, wordt nu naar het vlees aangeduid (vgl. Rom. 1:3,4). 23. Ongeveer dertig jaar oud: Dat is de leeftijd waarop David tot koning werd gezalfd (2 Sam. 5:4). Dertig jaar is ook de leeftijd van de priesters (Num. 4:3). Zie ook Gen. 41:46 (Jozef als onderkoning) en Ez. 1:1 (roeping van de profeet). Naar men meende van Jozef: zie ook Luc. 1:35. Lucas houdt vast aan 1:35, ook wanneer hij een stamboom via Jozef geeft, trouw aan de joodse traditie. Dat komt uit in het ‘naar men meende’.

31. De zoon van Natan, de zoon van David. Waar Matteüs de afstamming van David via Salomo vertelt, noemt Lucas de naam van een onbekende zoon van David, Natan. God verwerkelijkt zijn heil via het kleine en het onopvallende. 38. De zoon van Adam: Lucas voert het geslachtsregister terug tot op Adam. Het heilsaanbod gaat uit tot de gehele wereld. De Messias van Israel is de Redder der wereld. Jezus wordt hier gekarakteriseerd als de tweede Adam.

Lucas’ lijst is bewust opgebouwd: 11×7 geslachten. Een periode van 7 namen vormde in de apocalyptische tijdrekening een wereldweek. Men rekende met 12 wereldweken. Jezus is de eerste van de 12e wereldweek. Met Hem is het messiaanse tijdperk, de laatste periode, ingegaan. Een nieuwe tijd van heil is aangebroken.

De verzoeking in de woestijn 4:1-13

Vgl. Mat. 4:1-11; Mar. 1:12-13. Jezus, de Zoon van God, de tweede Adam, wordt verzocht door de duivel. Zoals God zijn volk in de woestijn leidde, zo wordt Jezus in de woestijn geleid (vgl. Deut. 8:2).

1.Vol van de Heilige Geest: Alleen Lucas vermeldt dit. Dezelfde Geest leidt Jezus in de woestijn. De werkwoordsvorm geeft aan dat de handeling voortduurt. 2. Waar Hij veertig dagen verzocht werd: Vgl. Ex. 24:18; Deut. 9:9; 1 Kon. 19:8. Matteüs laat de verzoekingen na de veertig dagen en veertig nachten beginnen. Lucas plaatst ze gedurende de veertig dagen zelf. De duivel: In Mar. 1:13 en Mat. 4:10 is er sprake van satan, in Mar. 4: 3 van de verzoeker. Lucas gebruikt steeds de term duivel, dwz. tweespaltbrenger, degene die de verhouding tussen Jezus en God probeert te verstoren en Jezus zoekt af te brengen van de weg van de gehoorzaamheid.

9.En hij leidde Hem naar Jeruzalem en stelde Hem… dak des tempels: Bij Mat. is de derde verzoeking de verzoeking van de wereldheerschappij. Lucas laat de verzoekingen culmineren in de verzoeking op het dak van de tempel. Jeruzalem en de tempel nemen in zijn Evangelie en in Handelingen een grote plaats in. Vgl. Luc. 1 en 2. Er is samenhang met het slot van het ev. wanneer de discipelen na Jezus’ hemelvaart in de tempel bijeen zijn en God loven (24:52-53).

13. Alle verzoeking ten einde had gebracht: Lucas sluit aan bij vs 2. Week hij van hem: Lucas zwijgt over de dienst van de engelen. Ter bestemder tijd: De verzoekingen zijn wel ten einde gebracht. Maar niet definitief. Slechts tot een bestemde tijd. Dwz. de door God bepaalde tijd. De duivel heeft de strijd verloren. Maar hij zal in Luc. 22 terugkeren. Zie ook Luc. 11:14-23.

Jezus’ werk in Galilea 4:14-9:50

Het goede nieuws van het Koninkrijk van God 4:14-5:11
In de synagoge te Nazaret 4:14-30

14-15 Lucas legt, anders dan Mat. en Mar. geen verband met de dood van Johannes de Doper, als hij het begin van Jezus’ werk gaat beschrijven. De nadruk valt op de vervulling met de Geest. Jezus is de met de Geest gezalfde (vgl. 3:21; 4:1,18-19). In de kracht: Voor de verbinding van Geest en kracht zie Luc. 24:49; Hand. 1:8; Rom. 15:13. Galilea: zie Mat. 4:12. Roep over Hem: Volgens sommigen in verband met het in Luc. 1-3 verhaalde. Waarschijnlijker is dat Luc. hier al vooruitloopt op vs 23. Hij leerde: De werkwoordsvorm wijst op een voortdurende activiteit. Hun synagogen: Synagogen waren leerhuizen. Door allen geprezen: Vgl. Hand. 2:47. 16-30. Lucas plaatst deze episode die Mat. en Mar. kort weergeven (Mar. 6:1-6 en Mar. 13:53-58) vooraan. De brede schildering heeft de betekenis van een programma. De hoofdthemata van Luc./Hand. komen in deze perikoop naar voren. De nadruk valt op het werk van Jezus als de Christus, in wie de profetie van Jes. 61 vervuld wordt. De kracht van de Geest wordt openbaar in zijn woorden en daden. De heilstijd is aangebroken en het Rijk van God is present in Hem, zij het ook in alle voorlopigheid. 16. Te Nazaret: Zie 2:52. Lett.: ‘Nazara’, de griekse woordvorm. Naar de synagoge: De eredienst op de sabbat in de synagoge bestond in die tijd uit de geloofsbelijdenis, het sjema (vgl. Deut. 6:4), de gebeden, de Schriftlezing, bestaande uit lezing van de thora en de lezing van de profeten. De lezing uit de thora was een zgn. lectio continua, een doorlopende lezing. De lezing uit de profeten vond vermoedelijk plaats op grond van vrije keuze van degene die voorlas. Elke mannelijke Jood was gerechtigd de profetenlezing te verrichten. Op de lezingen volgde een gebed en daarna een toespraak (vgl. Hand. 13:15). Stond op om voor te lezen: Opstaan was gebruikelijk bij de voorlezing, behalve bij de voorlezing van de boekrol van Ester. 17. Toen Hij het boek geopend had: Het werkwoord betekent lett. ‘het openrol-len van een boekrol’. De plaats waar geschreven is: Het is een aanhaling uit Jes. 61:1-2 en Jes. 58:6. 18. Om aan armen het evangelie te brengen: Vgl. Luc. 7:22. Naast armen is ook sprake van gevangenen, blinden, verbroke-nen. Zij ontvangen het heil, nl. loslating, het gezicht, vrijlating. De inhoud van het begrip ‘armen’ wordt bepaald door het O.T. Het zijn de kwetsbaren en hulpbehoevenden, die in hun nood zich op de Here aangewezen weten. Het sociale en het religieuze element zijn verbonden.

19. Om te verkondigen het aangename jaar des Heren. Voor ‘aangenaam’ zie Luc. 4:24; Hand. 10:35; 2 Kor. 6: 2. Het is het jaar, dat God genadig heeft aangewezen om zijn heil te schenken. Misschien is er een zinspeling, op het jubeljaar (Lev. 25). Aan de voorlezing verbindt Jezus de uitleg, de leer. 21. Heden… voor uw oren vervuld: De hoorders zijn oog- en oorgetuigen van de vervulling van dit profetenwoord in Jezus Christus. Een nieuwe tijd van heil is aangebroken. Opvallend is, dat het tweede deel van Jes. 61:2, dat spreekt over ‘de dag van de wraak’ is weggelaten. Het aangename jaar geldt Jood en heiden. Het woord ‘heden’ typeert de tijd als heilstijd (vgl. Luc. 2:11; 13:31-33; 19:10; 23:43). 22. Verwonderden zich: Uit het vervolg blijkt hoe dubbelzinnig deze verwondering is. Ze kan omslaan in felle vijandschap. Woorden van genade: Dit kan betekenen ‘aangename woorden’ (vgl. Ps. 45:3), maar gezien het verband is het beter te denken aan ‘woorden die vol zijn van de gunst van God’ (vgl. Hand. 14:3; 20:32). Misschien is het de bedoeling van Lucas beide betekenissen te laten doorklinken. De hoorders beseffen niet, dat de aangename woorden de boodschap van Gods genade en heil bevatten. 23. Geneesheer, genees u zelf: Deze spreuk is zowel in joodse als in griekse versies bekend. Wie arts beweert te zijn, moet dat eerst maar eens aan zichzelf bewijzen. In het verband van het verhaal gaat het er, blijkens vs 23b om, dat Jezus zich legitimeert door de wonderen, waarvan ze gehoord hebben, dat Hij die in Kapernaüm gedaan heeft. 24. Voorwaar, Ik zeg u: Deze plechtige uitdrukking getuigt van Jezus’ messiaanse volmacht als de gezondene Gods. 25-27. Deze vss illustreren het gezegde over de profeet aan de hand van de profeten Elia en Elisa. Deze boden van God waren niet alleen niet geëerd in hun vaderland Israel, maar werden door God ook gezonden naar heidenen. Zo zal het ook gaan met Jezus en zijn evangelie. Het zal via Nazaret, Galilea en Judea naar Jeruzalem gaan en van daaruit naar de volken der aarde, de niet-Joden. Hand. 13:46; 28:28 laten zien hoe dit ook gebeurt. 28. Met toorn vervuld: De confrontatie met hun eigen geschiedenis en de zinspeling op het heil voor de heidenen vervult hen met toorn, die tot uiting komt in een daad van afwijzing. 29. Zijstonden op: ‘Opstaan’ in de zin van vijandelijke actie, zie ook Hand. 6:9; 7:54,57. Wierpen Hem de stad uit: Vgl. Hand. 7:58; Lev. 24:14. Zie ook Luc. 20:15 en Heb. 13:12-13. Van de steilte te storten: Met de bedoeling Hem vervolgens te stenigen. Hier zien we reeds het kruis opdoemen. 30. Midden tussen hen door: Vgl. Joh. 7:30; 8:59; 10:39. Men dacht Jezus in zijn macht te hebben. Maar Hij onttrekt er Zich koninklijk aan. Wijst vs 29 vooruit op het kruislijden, dit laatste vers wijst heen naar de opstanding en de overwinning. Jezus’ werk zal niet stuklopen op het verzet van mensen.

Jezus’ werk te Kapernaüm 4:31-44

Dit gedeelte loopt parallel met Mar. 1:21-39. De roeping van de discipelen die Marcus aan deze vss laat voorafgaan, volgt bij Luc. op deze perikoop in 5:lvv.

31. Hij leerde hen geregeld: Ook hier wordt Jezus’ werk weer aangeduid met ‘leren’. Het woord is op vele plaatsen min of meer synoniem met het verkondigen van het goede nieuws (vgl. vs 43). 32. Zijn woord was met gezag: De verbazing betreft de goddelijke volmacht waarmee Jezus spreekt. Lucas laat de vermelding van de volmacht van de schriftgeleerden weg (ett. Mar. 1:22 en Mar. 7: 29). Zijn hellenistische lezerskring had daar minder belang bij dan de joodse adressanten van Matteüs.

33. Iemand met een boze, onreine geest: Lett, hebbende de geest van een onreine demon. Lucas verheldert het verschijnsel van de bezetenheid voor zijn hellenistische lezers, voor wie pneuma op zich niet de betekenis van ‘boze geest’ had, zoals in joodse bronnen wel voorkwam. Een demon had zijn onreinmakende geest bij een mens ingebracht. Vandaar in vs 34: uitgaan (Onrein = cultisch onrein). 35. Wierp hem in het midden neer: Dwz. te midden van de aanwezigen in de synagoge, die het dus goed konden zien en horen. 3

8.Zware koorts: Alleen Lucas vermeldt dat de schoonmoeder van Petrus zware koorts had. Volgens sommigen dient deze toevoeging om het wonder te accentueren. Volgens anderen verraadt dit de hand van de arts die een medische term bezigt. 39. Aan het hoofdeinde: Misschien doelt dit op de gebruikelijke houding van een arts aan het ziekbed, die zich over de zieke heenbuigt. Misschien wil de uitdrukking alleen maar zeggen, dat Jezus aan het hoofdeinde staat. Bestrafte de koorts: Hetzelfde woord ook in vs 35. Jezus verdrijft de macht van de koorts met zijn machtswoord. Onmiddellijk stond zij op: Dat accentueert met het vervolg, dat er volledig herstel was ingetreden.

40. Toen… onderging: De sabbat was dus nog maar net voorbij. Ieder van hen afzonderlijk: Dat wijst op de persoonlijke aandacht van Jezus voor iedere zieke apart, een voor Lucas typerende trek (vgl. Luc. 7:36vv; 13:13;19:lvv). 41.De Zoon van God… de Christus: In degenezingen blijkt de doorbraak van Gods Rijk, in Hem die Gods Zoon is en de Messias (vgl. vss 18-19). 42.De scharen: Itt. Mar. 1:36, waar sprake is van de discipelen met Simon Petrus.Moet: In het kader van Gods heilsplan moet Jezus ook naar de andere steden gaan (vgl. 2:49; 13:33; 19:5; 24:7,26). Het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen: Deze uitdrukking komt alleen bij Luc. en in Hand. voor (zie Luc. 8:1; Hand. 8:12). In Mar. 1:38 de parallelle plaats is sprake van ‘verkondigen’. Al kan ‘het goede nieuws verkondigen’ bijna als een synoniem beschouwd worden van ‘verkondigen’, toch blijft de notie van het goede nieuws meeklinken (vgl. 2:11; 4:18-19; 7:22). Inhoud van de verkondiging is het Koninkrijk van God, nl. de koningsheerschappij van God, waarvan al sprake is in de verwachting van Israel’s profeten. Deze heerschappij van God is aangebroken in Jezus’ werk in woord en daad. De genezingen laten in alle voorlopigheid iets zien van wat eenmaal bij de doorbraak van dit Rijk volle werkelijkheid zal worden. Alleen in Luc./Hand. wordt de term ‘Koninkrijk Gods’ verbonden met een werkwoord dat de activiteit van het verkondigen aangeeft. Daartoe ben Ik uitgezonden: Deze woorden herinneren aan Luc.4:18 = Jes. 61:1. 44. Judea: Di. het gehele joodse gebied.

De roeping van de discipelen 5:1-11

Vgl. Mat.4:18-22; Mar. 1:16-20. Lucas trekt in dit verhaal van de wonderbare visvangst en de roeping van de discipelen de aandacht samen op Simon Petrus. In vele opzichten vertoont de perikoop parallellen met Joh. 21: 1-14, de verschijning van de opgestane Jezus aan de discipelen.

1.Het Woord Gods: di. het onderwijs van Jezus mbt. het Rijk Gods. In Hand. wordt de uitdrukking vaak gebruikt voor de apostolische prediking. Er is continuïteit tussen het onderwijs van Jezus en dat van zijn apostelen na Pinksteren. Aan de oever van het meer Gennesaret: Itt. Mat. en Mar. die van ‘zee’ spreken gebruikt Lucas, bekend met de Middellandse Zee, het correcte woord ‘meer’. Voor ‘Gennesaret’ vgl. het oudtestamentische ‘Kinnereth’ (Num. 34:11). Netten: Men kende een soort werpnet, en een sleepnet. In beide gevallen gebruikt men in het Grieks een ander woord. 3. Zette zich neder… en leerde: De houding van een joods leraar. 4. Zet uw netten uit: Lett, ‘laten zakken’ vgl. Hand. 27:17,30. De bovenste rand van de netten bleef drijven op kurken, terwijl de onderste rand verzwaard naar beneden hing. 5. Meester: Luc. gebruikt niet het gewone woord ‘rabbi’, maar een woord dat in het Grieks duidt op iemand die in een ambtelijke positie het recht heeft bevelen te geven. De gehele nacht door: ‘s Nachts was de gunstigste tijd om te vissen. Als men zelfs dan niets vangt, lijkt het dwaas overdag de netten uit te werpen. Op uw woord: Simon weet van de macht van Jezus’ woord. Vgl. 4:39. Ondanks het vreemde van dit bevel na een nacht vergeefs zwoegen gehoorzaamt hij. 6-7. De grote vangst wordt zeer gedetailleerd beschreven. Het gevaar van scheurende netten accentueert de grote vangst, zo ook het trekje ‘tot zinkens toe’. 8. Ga uit van mij… Here: Het is het besef van de grote afstand tussen de Here en hem, een diep gevoel van onwaardigheid, dat hem zo doet spreken.

Vgl. Job 42:5v; Richt. 6:22; 113:22; Jes. 6:5; Mat. 8:8. Bij ‘een zondig mens’ moeten we niet denken aan een speciale zonde.Simon Petrus: Alleen hier gebruikt Lucas de volledige naam. Elders: Simon, die Petrus genoemd wordt. 9. Verbazing: Hier is sprake van de vrees die mensen overvalt als ze te maken krijgen met de openbaring van goddelijke majesteit en heerlijkheid vgl. 4:36; Hand. 2:43; 5:5,11. 10. Metgezellen: Terwijl in vs 7 sprake is van ‘makkers’ betekent het in dit vs gebruikte woord: ‘deelgenoten, compagnons.’ Van nu aan… mensen vangen: Jezus neemt de vrees weg en plaatst Simon – maar indirect ook de anderen – in een nieuwe taak. Hun leven zal van nu aan door die taak gestempeld worden. Voortaan zullen ze geen vissen, maar mensen yangen, lett. levend vangen, in de LXX gebruikt voor het ‘redden uit gevaren’ (Num. 31:15; Deut. 20:16. 11. En… volgden Hem: Ipv. distantie ontstaat er een nauwe levensgemeenschap in het volgen van Jezus. Het ‘discipel worden’ betekent een breuk met hun oude leven. Jezus maakt zondaren tot zijn dienaren.

Het begin van de controverse met de farizeeërs 5:12-6:11

In dit gedeelte vertelt Lucas een zestal incidenten waarin sprake is van een conflict met de Farizeeën. Toch valt de nadruk op het positieve: de woorden van heil en de daden van genezing die verzet oproepen. Lucas volgt hier Marcus 1:40-3:6.

De genezing van een melaatse 5:12-16

Vgl. Mar. 1:40-45; Mat. 8.T-4. Lucas situeert de pntmoe-ting tussen Jezus en de melaatse in een van de steden van Galilea. Bij het woord ‘stad’ moeten we niet zozeer denken aan een ommuurde stad, als wel aan een groot dorp. Vgl. 4:43.12. Een man, vol melaatsheid: Met het woordje ‘vol’ accentueert Lucas de uitzichtsloosheid. De melaatsheid, de eerstgeboren zoon van de dood (Job 18:13) isoleerde iemand volledig binnen de gemeente van Israel en maakte hem cultisch onrein. Melaatsheid gold als straf voor de zonden, met name de zonde van de tong. Ook hoogmoed en leugen werden volgens de joodse theologie met melaatsheid bestraft. Men beriep zich hiervoor op Num. 12 (Mirjam) en 2 Kon. 5 (Gehazi). De rabbijnen beschouwden de genezing van een melaatse dan ook als een wonder, dat gelijk stond aan een dodenop-wekking.

Toen…, wierp hij zich op zijn aangezicht: Ten teken van aanbidding. 13. Lucas laat het ‘met barmhartigheid bewogen’ (Mar. 1:41) weg. Alle nadruk valt op het souve-reine willen van Hem die als koning gebiedt en de heilstijd doet aanbreken. 14. Hij gebood: Lucas onderstreept met dit woord de macht van Jezus’ spreken. Hun tot een getuigenis: Het wonder van de genezing is een teken van het aangebroken Koninkrijk van God. Daarvan getuigt deze man in zijn bestaan. Men kan dit getuigenis niet negeren. Of het wekt geloof, of het wordt afgewezen, maar werkt dan als bezwarend getuigenis tegen de leiders van het volk. 15. Het gerucht ging steeds verder rond: Het werkwoord komt ook vaak in Hand. voor mbt. de verbreiding van de boodschap aangaande Christus (Hand. 8:4; 11:19; 3:6). Ook hier doet het woord over Jezus descharen toestromen. Horen… en zich te laten genezen: De twee aspecten van Jezus’ werk, nl. prediking en genezing. 16. Hij trok zich terug… om te bidden: In Marcus weergave gaat Jezus weg om de scharen te ontlopen. Lucas geeft het positieve doel aan: het gebed tot zijn Vader, zie 3:21. Vgl. ook 4:42-44.

De genezing van een verlamde 5:17-26

Uit deze pericoop blijkt de volmacht van Jezus als de Zoon des Mensen (vgl. Dan. 7:13-14) om zonden te vergeven op aarde en zieken te genezen. Het conflict met de joodse leiders spitst zich toe op de vraag naar volmacht. Vgl. Mar. 2:1-12; Mat. 9:1-8)

17. Op een dier dagen… bezig… te leren: Vgl. 4:43v; 5: 12. Farizeeën: Lucas noemt hen hier voor de eerste keer. De naam is afgeleid van een hebr. werkwoord dat betekent: scheiden. Het zelfstandig naamwoord heeft de notie ‘afgescheidenen’. Farizeeën zonderden zich af van het gewone volk met de bedoeling de tradities van de oudsten, de wet van Mozes en de toepassing daarvan in het leven te realiseren. Zij legden nadruk op heiligheid en reinheid. Het begin van de beweging gaat wel terug tot de 2e eeuw voor Chr. Na de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. kwam hun grote tijd. De leidende rabbi’s uit de eerste twee eeuwen waren Farizeeën. Jezus houding is niet bij voorbaat negatief (vgl. 7:36; 13:31-33). Wetgeleerden: Schriftgeleerden die tot de farizeese richting behoorden (vgl. Hand. 5:34; 1 Tim. 1:7). Uit Jeruzalem: Dat wijst heen naar het komend conflict, uitlopend op de kruisiging buiten Jeruzalem. Denkt Lucas aan een officiële deputatie van joodse leiders? Dat is mogelijk, maar niet met zekerheid uit de tekst af te leiden. Kracht des Heren: Gods kracht stelt Jezus in staat te genezen. Vgl. Luc. 1:35; 4:14, 36; 9:1; 10:19; 19:37; 24:49. Hand. 2:22; 6:8; 8:13; 10:38; 19:11. 18. Meteen verlamde: Lucas bezigt ëen andere uitdrukking dan Mat. en Mar. Het woord is afgeleid van een werkwoord dat betekent: ‘oplossen, krachteloos maken, verzwakken (vgl. Hand. 8:7; 9:33; Heb. 12:12). 19. Gingen zij het dak op… door de tegels: Terwijl Marcus het palestijnse huis op het oog heeft met een dak van leem, denkt Lucas aan een huis uit de griekse wereld met een tegeldak, waarvan de tegels konden worden weggenomen. 20. Mens: Ipv. kind (Mar. 2:5): Uw zonden zijn vergeven: Het perf. pass. drukt uit, dat zondenvergeving door Jezus als teken van het aangebroken heil gerealiseerd wordt. De volmacht om te vergeven komt Jezus als Messias toe. 21. Te overleggen: Zie ook vs 22: overleggingen. Jezus doorziet hun boze, vijandige gedachten. Vgl. 2:35; 6:8; 9:47; 24:38. 22. Doorzag: lett. ‘kende door en door’. 23-24. Wat God in de hemel doet, nl. zonden vergeven, dat doet de Zoon des mensen door Gods volmacht op aarde. Zijn spreken grijpt heilbrengend en genezend in in het leven van de verlamde. 25. Nam, hetgeen waar hij op gelegen had: Hij neemt op, wat hem zo lang had moeten dragen. God verheerlijkend: Vgl. 2:20 en bij het volgende vs 26. Onzetting… zij verheerlijkten God… met vrees vervuld: Er is ontzetting en vrees bij deze manifestatie van goddelijke macht. Tegelijk ook is er bij de omstanders de lofprijzing op Gods werk. Ongelofelijke dingen: Lett, dingen die paradoxaal zijn, onverwacht en wonderbaarlijk.

De roeping van Levi 5:27-32

Zie ook Mar. 2:13-17; Mat. 9:9-13. Terwijl in de vorige perikoop Jezus’ volmacht tot zondenvergeving naar voren kwam, komt in dit gedeelte naar voren hoe de vergeving gedemonstreerd wordt in de tafelgemeenschap van Jezus met tollenaars en zondaars.

27. En zag… Levi: Het werkwoord betekent: ‘met aandacht zien naar’. Bij zijn tolhuis: De grote handelsroute van Acre naar Damascus liep in die tijd langs het meer van Galilea, dicht bij Kapernaüm. Voor ‘tollenaar’ zie bij 3: :12. 28. Hij liet alles achter: Vgl. Luc.5:ll. Levi wordt een discipel van Jezus. De werkwoordsvorm ‘volgde’ geeft aan, dat het een voortdurende handeling is. 29. Maaltijd: Vgl. 14:13: feestmaaltijd. Lucas vertelt dikwijls over maaltijden (7:36vv; 9:10vv; 10:38-42; ll:37vv; 14:1-24; 19:1-10; 22:3-38; 24:29-32; 41-43). Jezus doorbreekt door de maaltijd te gebruiken met zondaren, dus onreinen, de farizeese reinheidswetten. Vandaar de vraag van de Farizeeërs en de Schriftgeleerden. Morden: Zie ook Luc. 15:2; 19:7. 31. Het werk van Jezus wordt hierin getekend onder het beeld van de arts. Zij die gezond zijn: Itt. ziek. Mat./Mar.: zij die sterk zijn. 32. Tot bekering: Lucas legt daar vaker nadruk op, vgl. Luc. 15. De roep van Jezus tot het heil wil leiden tot omkeer. Vgl. Mar. 1:15.

Het vasten 5:33-39

Vgl. Mar. 2:18-22; Mat. 9:14-17. De komst van Jezus behelst een oproep tot bekering. Het vasten gold bij de Joden als daad van berouw en boetedoening. Vasten geschiedde op de grote verzoendag (Lev. 16), op dagen van nationale rouw en naar aanleiding van een noodsituatie. Ook privé kon men vasten. Vasten gold bij de Joden als verdienstelijk werk. Zie Luc. 18:12.

33. Zij zeiden: Nl. de in vs 30 genoemden. Terwijl bij Mat./Mar. de leerlingen van Johannes (en de Farizeeërs, Mar.) de vraag stellen, is het in dit gedeelte zo, dat de joodse leiders Jezus’ discipelen en die van Johannes, en daarmee Johannes en Jezus tegen elkaar uitspelen. Voor discipelen van Johannes: zie 7:18; 11:1; Joh. 1:35; 3:25. Zie ook Hand. 19:1-7.Die van u: Vgl. 7:34. Dikwijls: Alleen Luc. vermeldt dit. 34. De heilstijd wordt voorgesteld als een bruiloft. Zie Jes. 54:5-8; 62:5. Joh. 3:29. Weggenomen: In Jes. 53 gebruikt van de Knecht des Heren. Luc. laat Mar. 2:19b weg en maakt direct melding van de tegenstelling tot de tijd waarin de bruidegom afwezig is.

36. Gelijkenis: Eigenlijk twee korte gelijkenissen waarin aangegeven wordt de tegenstelling tussen oud en nieuw. Het nieuwe van Jezus komst, de met Hem aangebroken heilstijd contrasteert met het oude, nl. de oude vormen van de joodse wetspraktijken. Het oude, nl. de wet moet verstaan worden in het licht van de vervulling. Het vasten miskent de met Jezus’ komst ingegane heilsbedeling. Jezus verzet zich niet zozeer tegen de wet alswel tegen het ongelovig vasthouden aan het oude. Maar de lap… zal ook niet passen: Alleen Luc. vermeldt dit dubbele resultaat. 39. Niemand die… de oude is voortreffelijk: Alleen Luc. vermeldt dit. De bedoeling is wel een soort ironisch commentaar op de houding van veel van Jezus’ joodse tijdgenoten, die weigerden de nieuwe wijn van de heilstijd te proeven en zich hielden aan het oude, het overgeleverde. Sommige handschriften laten dit vs weg, wel vanwege het feit dat het schijnbaar in tegenspraak is tot het voorafgaande, maar voor de weglating is geen reden, gezien de tekstbetuiging.

Jezus en de sabbat 6:1-11

De ontmoeting tussen Jezus en de joodse leiders culmineert in dit gedeelte in een tweetal conflicten rondom de houding ten opzichte van het sabbatsgebod. Vgl. Mat. 12:1-14 en Mar. 2:23 – 3:6. Lucas volgt de volgorde van Marcus.

1.Plukten… aten die, ze stuk wrijvende met de handen: Het plukken gold als oogstwerk, het stukwrijven behoorde tot het klaarmaken van voedsel. In beide gevallen betekende dit naar de joodse traditie een overtreding van het sabbatsgebod. 2. Sommige van de Farizeeërs: De tegenstand kwam dus niet van alle Farizeeërs. Waarom doet gij: Terwijl zij zich bij Mat./Mar. rechtstreeks tot Jezus richten, wordt hier de vraag aan de discipelen gesteld. 3. Vgl. 1 Sam. 21:1-6; 4:5. Lucas maakt geen melding van de honger, zoals in Mat. 12. Het christologisch accent wordt versterkt. Als David al van de broden mocht eten, hoeveel te meer Davids Zoon en Here (vgl. Luc. 20:44). Als de Zoon des mensen is Hem daartoe door God volmacht verleend. ‘Here’ staat in het Grieks met nadruk voorop. Jezus maakt als Zoon des mensen aanspraak op goddelijk gezag inzake de interpretatie van de wet.

In de verzen 6-11 (vgl. Mar. 3:l-6/Mat. 12:9-14) laat Lucas zien op welke wijze Jezus Here is over de sabbat. De genezing als teken van het aangebroken Koninkrijk, als teken van heelmaking/heil laat zien de diepste bedoeling van de aan Israel geschonken sabbat. 6. Een andere sabbat: Op deze wijze ontstaat er een nauwkeurige parallel met 6:1. Synagoge… leerde: Zie 4:15, 31. 7. Daar was iemand: De man leed aan een atrofie, een verlamming, een verdorde of levenloze hand (vgl. 23:31). Het feit dat het de rechterhand is, scherpt de handicap aan. 7. Letten op Hem: Voor de Farizeeërs en schriftgeleerden is de situatie een test-case om Jezus’ wetsgetrouwheid te toetsen. Er was immers geen levensgevaar bij. Dus mocht de man geen hulp geboden worden. Men slaat Jezus gade om een aanklacht tegen Hem te vinden. 8. Hun overleggingen: Nl. kwade gedachten, zie 2:35 en 5:22. Ga in het midden staan: Tegenover het heimelijke gedrag van Jezus’ tegenstanders staat het openlijke en voor ieder zichtbare van Zijn werk. 9. Tegenover goed doen, dwz. redden staat kwaad doen, di. verloren doen gaan. Lucas gebruikt het woord dat we ook vinden in Luc. 15 en 19:10. 10. Hij deed het: Dat tekent het geloof van de man. 11. Lucas laat de vermelding van de Herodianen weg. Maar zie 13: 31. De reactie blijft vaag. Voor ‘verstand’ zie 2 Tim. 3:9. Zij waren buiten zichzelf van woede.

Het onderwijs van Jezus aan zijn discipelen 6:12-49

Na de aard en de inhoud van Jezus’ werk geschetst te hebben, alsmede de relatie tot zijn tegenstanders vervolgt Lucas met de beschrijving van de relatie tussen Jezus en zijn leerlingen. Allereerst volgt de roeping van de twaalven (6:12-18), en in aansluiting daarop het onderwijs aan zijn discipelen ten aanhoren van het volk (6:17; vgl. 7:1). In verband met vs 17 pleegt men te spreken van de zgn. ‘veldrede’, in onderscheid van de aanduiding ‘bergrede’ voor de langere versie van dit onderwijs in Mat. 5-7. Er zijn er, die een parallellie tussen 6:12-49 en het gebeuren rondom de Sinaï menen te kunnen aanwijzen (wetgeving, vgl. Ex. 19vv). Anderen zien dit onderwijs als model voor het leven van de gemeente na Pasen tot wie de opgestane Here spreekt door zijn apostelen. Vergelijking met Mar. 3:7-19 laat zien, dat Lucas de volgorde van Marcus heeft omgedraaid. Luc. 6:12-16 correspondeert met Mar. 3:13vv, terwijl 6:17-19 overeenkomt met Mar. 3:712. De evangelisten waren kennelijk niet uit op een in onze zin exact chronologische weergave. De door Lucas geboden volgorde onderstreept dat niet alleen voor de twaalven, maar voor een bredere discipelkring Jezus’ onderwijs bestemd was.

De roeping van de twaalven 6:12-19

12. Dat Hij naar het gebergte ging… bracht de nacht door in het gebed tot God: Voor de verbinding van ‘gebergte’ en ‘gebed’ zie Mar. 6:46; Joh. 4:20-21; Luc. 9:28. Zie ook 1 Kon. 18:42. ‘De nacht doorbrengen’ onderstreept het gewicht van het ogenblik. Aan de verkiezing van de twaalven gaat Jezus’ gebed tot de Vader vooraf. Ook in de jonge gemeente vinden we de verbinding van gebed en roeping tot het ambt (Hand. 13:2; 14:23; 20:32, zie ook 1:24-26 na 1:13-14). 13.En koos er twaalf uit: In de gr. vert. van het O.T. wordt het werkwoord gebruikt ivm. de keus van Gods dienaren (Num. 16:5,7). De twaalven worden gekozen uit de ruimere kring van volgelingen. Zij representeren de twaalf stammen van Israel, vormen de kern van het nieuwe volk van God. Apostelen: Vgl. Luc. 9:1 waar sprake is van ‘uitzenden’. Het woord heeft een achtergrond in het Oude Testament, en het latere Jodendom: De gezondene is als de zender zelf. Hij treedt met volmacht als diens plaatsvervanger op; zie verder bij Hand. 14:4. De taak van de twaalven is de verzameling van het nieuwe volk van God (vgl. 9:10; 11:49; 17:5; 22:14; 24:10). 14-16: Lucas geeft de namen van de twaalven paarsgewijs. Die Hij ook Petrus noemde: Van een grieks woord dat ‘rots’ betekent. Vgl. Mat. 16:18. In Hand. 1-12 treedt Petrus op als leider van de jeruzalemse gemeente.Simon… de Zeloot: Bij Mat./Mar. ‘Kana-nios’. Het betekent hetzelfde als ‘Zeloot’, nl. ij veraar voor God. Sinds de Maccabeese oorlog vormden de Zeloten een verzetsbeweging die vanuit hun trouw aan de thora zich teweer stelden tegen de Romeinen. Vgl. Hand. 5:37v. Judas… die de verrader geworden is: Bij Mat./ Mar. lezen we: ‘die Hem ook verraden, overgeleverd heeft’. Lucas gebruikt het zelfstandig naamwoord en onderstreept Judas’ trouweloosheid.

17. Discipelen… volk: Lucas onderscheidt dus drie groepen: de apostelen, nauw verbonden met de discipelen; de discipelkring in wijdere zin en de schare, het volk uit het gehele joodse land en Jeruzalem. Zij bevinden zich rondom Jezus als concentrische cirkels. En van Tyrus en Sidon: Ook uit niet-joodse gebieden waren mensen (Joden? Of ook anderen?) tot Jezus gekomen. 18. Om Hem te horen en genezen te worden: Ook hier vinden we de verbinding van prediking en genezing. Die gekweld werden: Vgl. Heb. 12:15. De bezetenen krijgen speciale aandacht. Het is ook mogelijk te vertalen: die gekweld werden, werden genezen van onreine geesten. 19. De gehele schare: Hier heeft dit woord in onderscheid van vs 17 betrekking op de mensen in het algemeen. Vgl. 8:44-47; Marc. 5:56; Hand. 5:15; 19:1 lv. Aan te raken: In hoeverre hier bij de schare sprake is van bijgelovige gedachten vermeldt Lucas niet. De nadruk valt op Jezus’ macht en bereidheid tot genezen.

Heil en gericht 6:20-26

De veldrede begint met een viertal zaligsprekingen (vgl. Mat. 5:3-12) gevolgd door een viertal uitspraken die het ‘wee u’ uitroepen. De vss 20-23 betreffen mensen die er naar wereldse maatstaf gemeten ongelukkig aan toe zijn, maar vanwege het heil dat zij ontvangen gelukkig te prijzen zijn. De ‘wee u’ woorden betreffen mensen die nu de gunst van de wereld genieten, het in materieel opzicht goed hebben en daaraan ook genoeg hebben. Zij zullen het oordeel van God niet ontgaan. De tegenstelling rijk/ arm is zowel sociaal als ook religieus geladen. Het gaat om de houding ten opzichte van God in het concrete leven.

20. Hij hief… op… discipelen: Dwz. nota nemen van, met aandacht zien naar (vgl. Luc. 16:23; 18:13; Joh. 4: 35; Mat. 17:8). Jezus weet van de noden van zijn volgelingen. Zalig: dwz. gelukkig te prijzen vanwege het heil van de nu aangebroken heilstijd. Er treedt een volledige ommekeer in omstandigheden en waarderingen op. Armen: zie bij Luc. 4:18. Bij Luc. ontbreekt het ‘van geest’ (vgl. Mat. 5:3). Er is geen tegenstelling, wel een accentverschil met Matteüs. Lucas richt zich vooral tegen het gevaar van de rijkdom. Matteüs accentueert vooral de zelfverheffing als barrière op de weg naar het Koninkrijk.

Want uwer is: Het heil is niet alleen maar toekomstmuziek, maar presente werkelijkheid (vgl. 4:21). 21. Honger: Vgl. Jes. 58:7,10; 32:6-7; Job 24:4,10; zie ook Luc. 1:53. Er is verband tussen honger en armoede. Verzadigd worden: Zie Jes. 49:10,13; 55:1,2; Jer. 31:12,25; Ez. 36: 29; Ps. 107:9; 146:7. Nu: in de tijd tussen Christus’ eerste komst en zijn komst in heerlijkheid. Het is God die dit heil schenkt zoals de passieve vorm aangeeft. Weent: Het gaat om rouw en smart in algemene zin, vgl. Ps. 137: 1; Lachen: Zie Ps. 126:1-2. Wanneer de heilstijd aanbreekt zal smart in vreugde veranderd worden (Jes. 35: 10; 16:3; Jer. 31:13). 22. Zalig… wanneer: Jezus doelt op vervolgingen, die de leerlingen van Hem te wachten staan. Lucas formuleert met het oog op de situatie van de kerk van zijn dagen. Uitstoten… alsslecht verwerpen: Misschien moet gedacht worden aan discriminatie en laster. Mogelijk zinspelen de woorden op de uitsluiting uit de synagogegemeenschap en het schrappen van de naam na de excommunicatie vanwege van het belijden van Jezus. 23. Te dien dage: Waarop de gebeurtenissen van vs 22 zullen geschieden. 24. Wee u: Zie Jes. 1:4-5; 5:8-23; Am. 5:18; 6:1; Hab. 2:6vv; voor de combinatie van ‘wee u’ en ‘zalig’: Jes. 3:10-11. Het ‘wee u’ drukt deernis en ontzetting uit jegens hen die aan Gods gericht vervallen zijn. Hebt uw vertroosting reeds: Het door Luc. gebruikte werkwoord is een term uit het antieke handelsverkeer en betekent: ontvangen en voor ontvangst tekenen. De rijken hebben voor de ontvangst van hun vertroosting al getekend. Zie voor de gedachte van vs 24-25: Luc. 16:1931. De rijken hebben hun rijkdom gebruikt om hun eigen troost veilig te stellen en zich niet bekommerd om de armen. Hun verzadiging is zelfverzadiging. 26. Wèl van u spreken: Het gaat om mensen die zich graag naar de mond laten praten en drijven op de volksgunst (vgl. Jes. 30:10; Jer. 6:14; 8:11; Mi. 2:11: de valse prof eten!). Vers 26b staat in tegenstelling tot vs 23b: ware profeten contra valse profeten.

Het gebod der liefde 6:27-38

Lucas laat achterwege de woorden uit Mat. 5:17 – 6:18 over de vervulling van de wet, de meerdere gerechtigheid, de zgn. antithesen van de Bergrede, alsmede de drie aspecten van het joodse leven (aalmoezen, gebed, vasten). Voor de in meerderheid niet-joodse lezers van zijn evangelie was dit kennelijk minder actueel. Het thema wat de vss 27vv beheerst is het thema van het liefhebben. tegenstelling tot vs 20 is de kring van aangesprokenen hier wijder: Tot u die mij hoort. Jezus spreekt met gezag tot hen.

Hebt uw vijanden lief: Terwijl de natuurlijke reactie is te haten die ons haten, wekt Jezus op de vijand lief te hebben. Te denken valt aan de vervolgers (vs 22), maar ook aan vijanden in een andere zin. In de werkwoorden: doet wel… zegent… bidt wordt het gebod tot liefhebben geconcretiseerd. De nieuwe relatie tot God komt openbaar in een nieuwe verhouding tot de ander. Zie ook Rom. 12: 14; 1 Kor. 4:12; 1 Petr. 3:9. Zie voor: smadelijk behandelen (vs 28): 1 Petr. 3:16 waar eveneens sprake is van een situatie van vervolging. 29-30: Op uw wang: Bij de Joden was vooral de slag op de rechterwang een belediging (vgl. Mat. 5:39). Lucas laat het ‘rechter-‘ weg. De heidenchristenen voor wie hij schrijft hechtten daaraan geen betekenis. Neemt iemand… uw mantel af: Terwijl bij Mat. de juridische sfeer aanwezig is, denkt Lucas aan rovers, die iemand beroven. 30. Vraagt iemand: In deze vertaling klinkt niet door dat Lucas spreekt van: Geef ieder die u vraagt… 31. Zie Mat. 7:12. 32-34. Wat hebt gij voor: Lett, welke dank hebt ge bij God? Of: Hoe zult ge genade vinden bij God. Goed doen aan wie u goed doet: Dit principe was een centraal gegeven in de griekse sociale ethiek. Zondaars… aan zondaars: Lucas gebruikt het algemene woord ‘zondaars’. Matteüs spreekt in deze verzen van tollenaars en heidenen (Mat. 5:46v). Lenen… om terug te ontvangen: Het gebod der liefde gaat het gewone gedrag (geld lenen op basis van wederkerigheid) te boven. Het is niet geheel duidelijk of het gaat om teruggave van de gelijke som of om de som plus de rente. 35. Niet de houding van ‘ik geef om wat terug te ontvangen’ mag de levenshouding van Jezus’ volgelingen beheersen. Uw loon: Het eschatologische heil van de toekomst. Kinderen van de Allerhoogste: Zie Luc. 1:32. 36. Barmhartig: In vs 35 wordt God goed genoemd, di. mild, hulpbiedend. Barmhartigheid drukt nog sterker uit dat het gaat om de liefdevolle hulp metterdaad aan hen, die in nood zijn. Vgl. ook Luc. 15: Gods barmhartigheid jegens het verlorene. In dit vs komt de gedachte van de navolging naar voren. 37. Zie Mat. 7:1. Het gaat in dit vs zoals het vervolg laat zien om het veroordelen van de ander. Laat los: Het werkwoord betekent ‘vrijspreken, vrijlaten, vergeven’, vgl. Mat. 18:27; Luc. 11:4; 1 Kor. 13:5. 38. Eengoede, gedrukte, geschudde, overlopende maat: Verboden wordt een’ afgemeten barmhartigheid. De maat, waarmee God meet is onbeperkt. De vier bijvoeglijke naamwoorden geven uitdrukking aan het ‘mateloze’, het aan alle kanten er overheen stromende. In uw schoot: Bedoeld-is het over de gordel hangende deel van het kleed, dat in die tijd als draagtas gebruikt werd. Vgl. Jes. 65:6-7.

Horen en doen 6:39-49

In de vss 39-49 wordt na de uiteenzetting over het gebod van de liefde het karakter van de ware discipel des Heren getekend in onderscheid van degenen die slechts in naam volgelingen zijn. Wie oordeelt, dient zichzelf kritisch te .bezien. Blind zijn voor eigen fouten is geen denkbeeldig gevaar (39-42). De vrucht van goede daden wordt slechts gevonden bij hem, die innerlijk vernieuwd is (43-45). Het komt aan op het horen en het doen, zoals de gelijkenis van de twee bouwers tenslotte uiteenzet (46-49).

39. Zie Mat. 15:14. Lucas geeft een algemene toespitsing, terwijl bij Matteüs het woord gericht is tot de Farizeeërs. Geleiden: Vgl. Joh. 16:13; Hand. 8:31. 40. Volleerd: Lett, helemaal toegerust, vgl. Gal. 6:1; 1 Kor. 1: 10, 2 Kor. 13:11; 1 Tess. 3:10; Heb. 13:21; 1 Petr. 5:10 met betrekking tot de opbouw van de gelovige. In Mat. 10:24 en Joh. 13:16 wordt uitgedrukt, dat de discipel hetzelfde lot als zijn Here zal tebeurt vallen en dat hij het voorbeeld van Jezus heeft te volgen. De bedoeling van de spreuk bij Lucas is vermoedelijk, dat de volgeling zich niet superieur moet achten aan Jezus, die anderen niet veroordeelde (vgl. Joh. 8:11). 41-42. Zie Mat. 7:3-5. 4345. Bij Mat. gaat het speciaal tegen de valse profeten. Lucas spreekt over het discipel zijn. Wezenlijk is zoals vs 45 laat zien, waar het hart vol van is. Voor ‘vol’ zie Mat. 12:34; 2 Kor. 8:13: overvloed. Het hart is het centrum van het bestaan.

46-49. Zie Matt. 7:24-27. De gelijkenis richt zich tot de hoorders van de veldrede om niet slechts hoorders, maar ook daders van het Woord te zijn (vgl. Jak. 1:21-25; Luc. 8:21; Rom. 2:13). 46. Zie Mat. 7:21. 47-49. Tonen: Bewijzen, aantonen, demonstreren. 48. Bij het bouwen diep gegraven en het fundament op de rots gelegd heeft: Lucas beschrijft de bouw van het huis op de rots uitgebreider dan Matteüs. Waarschijnlijk denkt hij aan het bouwen van een huis in een hellenistische omgeving: Het wordt opgetrokken op een fundament. Watervloed: Terwijl Mat. een storm beschrijft gepaard met felle slagregens, heeft Lucas het oog op een bij een rivier gebouwd huis. Door de hoge stand van de rivier vindt er een overstroming plaats. De gelijkenis doelt op de komst van het richtend oordeel van God. 49. Stortte het terstond in: Het griekse werkwoord bedoelt een totale ineenstorting aan te geven, nog versterkt door het woordje ‘terstond’. Bouwval: in een egyptische papyrus komt het woord voor als aanduiding van een dambreuk in de Nijl. Voor een oudtestamentische analogie zie Ez. 13:10-16.

De barmhartigheid van Christus 7:1-50

Na het onderwijs van Jezus volgt in dit hoofdstuk een verdere ontvouwing van het evangelie der armen (Luc. 4: 18-19). De evangelist legt nadruk op de barmhartigheid van Jezus tegenover een heiden, een weduwe, een zondares. De drie perikopen zijn illustraties van de boodschap van Jezus aan Johannes (7:18-35) dat in zijn woorden en daden het Koninkrijk komt.

De genezing van de slaaf van een centurio 7:1-10

Zie Mat. 8:5-13. Twee aspecten komen naar voren: de reddende kracht van Jezus’ machtswoord en het geloof van een heiden die zich onvoorwaardelijk aan dit woord toevertrouwt. In tegenstelling tot Israel, het volk waaruit Jezus is voortgekomen en waar men zulk een geloof in de eerste plaats zou verwachten. 1. Voleindigd: De wijze waarop Lucas zich uitdrukt, geeft aan dat het onderwijs uit Luc. 6 een fundamenteel stuk in Jezus’ werk is. Zie voor een dergelijke zinswending ook Luc. 21:24; Hand. 12:25; 13:25; 14:26; 19:21. 2. Hoofdman: De hoofdman over honderd zal wel behoord hebben tot het garnizoen van Herodes. Mogelijk was hij een Romein, maar ook kan hij behoord hebben tot de Syriërs. 3. Oudsten der Joden: Locale oudsten die leiding gaven aan de synagogegemeenschap. 4. Hij is waard: Dwz. deze man genoot een goede reputatie. Men heeft wel gedacht dat hij behoord heeft tot de zgn. Godvrezenden (vgl. Hand. 10). 5. Hij heeft… onze synagoge gebouwd: Bijdragen van heidenen, die belangstelling hadden voor het geloof van Israel, waren in die tijd, zoals allerlei gegevens laten zien, niet ongebruikelijk. 6-7. Ik ben niet waard: Tegenover Jezus belijdt deze man zijn onwaardigheid en tevens zijn geloof in de volmacht van Jezus en zijn woord. Vgl. Lucas 3:8. Niet alleen gaat het hier om de afstand tussen rein en onrein: een Jood in het huis van een heidens militair. Ook getuigt dit woord van de distantie tot Hem die met goddelijke volmacht spreekt. Impliciet laat Lucas de messianiteit van Jezus uitkomen. 9. Zelfs in Israel… niet: Vgl. 4:16vv; 5:17,21; 6:7vv. 10. Vonden de slaaf gezond: Vgl. Joh. 4:52-53. De genezing is teken van het Rijk dat zowel voor Israel als de volken bestemd is.

De opwekking van de zoon van de weduwe 7:11-17

Na de genezing van een zieke vertelt Lucas nu van de opwekking van een dode. 11. Naïn: De ligging is niet exact aan te geven, vermoedelijk 8 è 9 uur gaans van Kapernaüm af, ten Z.O. van Nazareth. 12. Een dode werd uitgedragen: Een begrafenis vond plaats in Palestina op de namiddag van een sterfdag. De enige zoon: De moeder kon dus niet meer in haar levensonderhoud voorzien. Vgl. 1 Kon. 17:17-24. Veel volk was bij haar: Onder de omstanders zullen zich stellig gehuurde klaagvrouwen bevonden hebben. Het begeleiden van een gestorvene naar het graf gold als een verdienstelijk werk. Wanneer het een enig kind betrof was de rouw des te groter (vgl. Jer. 6:26; Am. 8:10; Zach. 12:10). 13. De Here: vgl. Hand. 2:36; Filp. 2:11. Lucas noemt Jezus hier met de christologische titel Here. Jezus heeft macht over de dood. Tegelijk is Hij met ontferming bewogen (vgl. 10: 33; 15:20) over hen die door de macht van de dood geteisterd zijn. 14. Naderbij gekomen: Dat wordt hier van Jezus gezegd. Het is de eerste stap van zijn messiaanse heilsdaad. Zijn komst betekent heil. Raakte… aan: Aanraking van een dode betekende naar joods besef verontreiniging. Ik zeg u: Hij, die tot de moeder als Here spreekt en haar beveelt niet langer te huilen, openbaarthier zijn macht over de dood (vgl. 8:54; Joh. 11:43). 15. Zitten… spreken: Daaruit blijkt dat de jongen teruggekeerd is tot het leven. Wat in 1 Kon. 17:20-24 en 2 Kon. 4:17-37 op het gebed van Elia en Elisa door God gedaan wordt, wordt hier door de Here Jezus in de Hem door God verleende volmacht gedaan. Het is een teken dat heenwijst naar zijn overwinning over de dood. 16. Een groot profeet: Wellicht hebben de omstanders in Jezus de profeet, die in Deut. 18:15,18 is aangekondigd, gezien. Dit woord werd in Jezus’ dagen messiaans geïnterpreteerd. Omgezien: Vgl. Luc. 1:68,78. Daarmee is bedoeld het heilbrengend omzien van God naar zijn volk in nood.

Jezus en Johannes de Doper 7:18-35

In vele opzichten komt deze perikoop overeen met Mat. 11:2-19. 18. Lucas laat weg dat Johannes in de gevangenis zit (vgl. 3:20). Boodschapten: Vgl. bij vs 22. Het is een door Lucas veel gebruikt woord voor het brengen van de heilstijding. 19-23. De vraag van Johannes laat zich verklaren vanuit de discrepantie van Johannes’ tekening van de Messias (vgl. 3:16) en Jezus’ optreden. In zijn antwoord verwijst Jezus naar de vervulling van de profetie (o.a. Jes. 29:18-19; 35:5 en 61:1-2); vgl. ook Luc. 4:18-19. Opvallend is dat in de door Jezus geciteerde woorden de verwijzingen bij Jesaja naar de dag van het gericht ontbreken (vgl. Jes. 35:4; 29:20; 61:2). Met de heilstijd is de Messias gekomen. Jezus waarschuwt Johannes voor het gevaar van de ergernis, de aanstoot aan zijn weg en werk. Tegenover de ergernis staat het geloof. 21. Op dat ogenblik: Alleen Lucas deelt dit mede. De daden onderstrepen Jezus’ antwoord. Schonk Hij het gezicht: In het griekse werkwoord klinkt het woord charis = genade door. Het heil, dat Jezus geeft, is genade. 2428. De Doper sprak zijn twijfel uit ten aanzien van Jezus. Jezus neemt het op voor Johannes. Hij is immers de door Maleachi aangekondigde wegbereider. Jezus’ woorden zijn een aanklacht tegen het onbegrip van het volk. 29-30. ln deze verzen geeft Lucas de reacties weer op Jezus’ woorden over Johannes.Al het volk: Vgl. 3: 21. Tollenaars: Vgl. 3:12. Zie ook vs 34. Zij zijn het, die God gerechtvaardigd, di. gelijk gegeven hebben. Zij hebben de boodschap van de Doper verstaan en zich als teken daarvan laten dopen, itt. de Farizeeërs en de wetgeleerden, die de doop van Johannes geweigerd hebben. De raad Gods: Met hun weigering gaven zij te kennen dat zij Gods raadsplan tot heil verwierpen. Zie voor de weergave bij Mat. in een ander verband: Mat. 21:31-32. 31-35. Jezus vergelijkt in deze gelijkenis de mensen van dit geslacht (zie ook 11:29-32; 11:50-51; 17:25; 21:32) met kinderen, die niet mee willen spelen als anderen ze uitnodigen. Het woord ‘geslacht’ heeft hier de negatieve betekenis van ongelovig geslacht. Op de achtergrond staat het spraakgebruik van het O.T. (Deut. 32:5,20; Ps. 78:8; 95: 10, de trouweloosheid en ongehoorzaamheid van Israel). Ten aanzien van de interpretatie van de gelijkenis zijn er twee mogelijkheden: 1. De Joden zijn de roependen. Noch Jezus, noch Johannes gingen op hun wensen in. De ascetische levenswijze van de laatste voldeed hen niet, maar evenmin de houding van Jezus ten opzichte van de mensen. Johannes en Jezus weigerden het spel mee te spelen. 2. Johannes en Jezus zijn als boodschappers vanGod de roependen. De Joden zijn de aangeroepenen, die weigeren in te gaan op Gods aanbod. 34. Een vraatzuchtig mens: Zie Deut. 21:20. Jezus wordt getekend als een weerspannig, afvallig volksgenoot die de dood verdient.

35. De wijsheid: Gods wijsheid is geopenbaard in Jezus, wiens voorloper Johannes was. Gerechtvaardigd: Zie bij vs 29. Door al haar kinderen: Terwijl in Mat. 11:19 sprake is van de werken van de wijsheid, nl. alles, wat door Johannes en Jezus is gezegd en gedaan, is bij Lucas sprake van de kinderen van de wijsheid, dwz. allen die de boodschap van God in bekering en geloof hebben aanvaard.

Jezus gezalfd door de zondares 7:36-50

Deze perikoop komt alleen bij Lucas voor. Vergelijkbare perikopen zijn: Mat. 26:6-13; Mar. 14:3-9; Joh. 12:1-8.

36. Een der Farizeeërs nodigde Hem: Het feit dat Jezus vriend van tollenaars en zondaars was, betekende niet dat Hij geen contact zocht met de rijken en de aanzienlijken. Er wordt niet aangegeven waarom de Farizeeër Jezus nodigde. Het werd in die tijd als een goed werk beschouwd rondtrekkende rabbi’s uit te nodigen voor een maaltijd (vgl. 11:37; 14:1). Uit het vervolg blijkt dat de gastheer de gebruikelijke attenties ten opzichte van zijn gasten bij Jezus heeft nagelaten (vgl. vss 44-46). 37. Als zondares: Dwz. een vrouw met een slechte reputatie, misschien een prostituee. 38. Albasten kruik met mirre: Mirre werd gebruikt als parfum (Mirre was afkomstig uit hars, gewonnen in Zuid-Arabië en de tegenoverliggende afrikaanse kust.), vgl. Ester 2:12; Ps. 45:9; Spr. 7:17; Hoogl. 1:13; Jes. 3:20. Zie ook Mat. 2:11; Mar. 14:3-5. Droogde ze af met haar hoofdhaar: Loshangend haar gold in die tijd als een schande. Een nette vrouw deed dat niet. Kuste zijn voeten: Een teken van diepe eerbied en hoogachting. Tevens toont ze daardoor haar ootmoed. 39. Indien deze (de) profeet was: Vgl. 7:17. Geschokt door de handelwijze van de vrouw, richt Simon bij zichzelf zijn aanval op Jezus, ln het ‘deze’ klinkt verachting door. Een profeet zou niet toestaan dat iemand van slechte zeden hem zo zou aanraken en bovendien zou van een profeet toch verwacht mogen worden dat hij door heeft, met wie hij te maken heeft krachtens zijn profetische gaven. De tekstoverlevering pleit voor de vertaling: een profeet. Sommige handschriften lezen: dè profeet, dwz. de profeet die Hij pretendeert te zijn, de profeet van de messiaanse eindtijd. 41. Een schuldeiser had twee schuldenaars: Een veel voorkomende zaak in die tijd waarin de lasten zwaar waren en de financiële toestanden slecht. Vgl. Mat. 18:23vv; Luc. 16:lw. Vijfhonderd schellingen: Een schelling (denariori) was het dagloon van een arbeider (Mat. 20:2) en de soldij van een romeins soldaat. De gelijkenis schetst de ongebruikelijke situatie, dat een grote schuld wordt kwijtgescholden. 43. Ik onderstel: Simon’s antwoord verraadt een zekere terughoudendheid. Vgl. Luc. 10:37. De gelijkenis wordt toegespitst op het punt van het liefhebben. 44-46. Jezus maakt het contrast duidelijk tussen de handelwijze van de Farizeeër en die van de vrouw. Driemaal heeft de vrouw op zeer bijzondere wijze Hem haar eerbied getoond. Tegenover het ‘water voor de voeten’ staan de tranen van de vrouw. Tegenover de kus – als eerbetoon op de wang of de hand gebruikelijk – staat het ‘niet opgehouden mijnvoeten te kussen’. Tegenover de goedkope olie de dure mirre. 47. Haar zonden zijn haar vergeven… want zij betoonde veel liefde: Hiermee is niet bedoeld dat God vergeeft omdat de vrouw veel liefde betoonde. Dit is in strijd met het slot van vs 47, en met vs 50. Haar grote liefde komt voort uit het ontvangen hebben van veel vergeving. De vergeving is oorzaak van de liefde. 48. Uw zonden zijn u vergeven: Het perf. pass. wijst op het definitieve van Gods handelen in Jezus Christus. Vgl. Luc. 5:20-21. 50. Uw geloof: Niet ‘uw liefde’. Liefde is vrucht van geloof.

Jezus leert in gelijkenissen 8:1-21
De vrouwen die Jezus dienden 8:1-3

Lucas plaatst de gelijkenis van de zaaier na een korte notitie over Jezus’ rondtrekkende activiteit en de dienst van enkele vrouwen. De ‘zending van Jezus’ wordt zo tot oerbeeld van de oerchristelijke verkondigingsarbeid. 1. Van stad tot stad… trok: Vgl. Luc. 4:44; 13:22; Hand. 8: 25-26; 11:19; 14:21; 15:41. Het Evangelie van het Koninkrijk Gods: Zie bij Luc. 4:18vv. Hand. 8:12. De twaalven met Hem: Zie Luc. 6:13; 9:2; Hand. 1:2-3; 6-8; 5:12; 6:2,4. Enige vrouwen: Ook hier treft ons weer het accent op de dienst van de vrouwen aan Jezus en aan het Evangelie. Maria… van Magdala: Magdala is misschien hetzelfde als Magadan (Mat. 15:39), twintig minuten van Tiberias. Zeven: Ze was dus totaal in de greep van boze geesten. 3. Chuzas, de rentmeester: Dwz. de beheerder van Herodes’ galilese bezittingen. Zie ook Luc. 24:10. Die hen dienden: We moeten niet denken aan een beginfase van een instituut van diakonessen. De vrouwen dienden Jezus met hun goederen. Dat is een in die wereld opvallend gegeven. Vrouwen stonden op een lijn met kinderen en slaven. Maatschappelijk en religieus telden ze nauwelijks mee. Jezus doorbreekt deze situatie. Vrouwen ontvangen een gelijkwaardige plaats in Zijn gemeente. Vgl. Gal. 3:27-28.

De gelijkenis van de zaaier 8:4-15

Vgl. Mat. 13:1-23; Mar. 4:1-20. 4. Samenstroomde… uit elke stad: Vs 1 beschrijft de beweging van Jezus naar de mensen toe. Vs 4 vermeldt de beweging van de mensen naar Jezus. De localisering ‘bij de zee’ is door Lucas weggelaten. Lucas volgt Marcus. Wel brengt hij enige veranderingen aan, die overwegend van stilistische aard zijn. 5. Zijn zaad: Lucas beklemtoont de relatie tussen zaaier en zaad. En het werd vertrapt: Vgl. vs 12b. In de LXX duidt het werkwoord vaak op verdelging en ondergang. 8. Honderdvoudig: Alleen de maximumopbrengst wordt vermeld. 10. Het ‘waarom’ van het spreken in gelijkenissen komt hier itt. Mar. 4/Mat. 13 niet uitvoerig aan de orde. Lucas geeft het citaat uit Jes. 6 uitvoerig in Hand. 28:26-27. Aan de leerlingen is het verstaan van de geheimenissen van het Rijk gegeven. Tot de overigen komt het in gelijkenissen. De situatie blijft open, gericht op de hoorders. Het ware horen is binnentreden en het licht zien (vs 16).

11. Het zaad is het Woord Gods: De gelijkenis van de zaaier is bij Lucas een gelijkenis van het zaad. Gods heerschappij is in Jezus’ woord op een verborgen wijze present en zet zich door. Tegelijk heeft Lucas de gelijkenis overgeleverd met het oog op de situatie van de verkondiging na de Pinksterdag en de groei van de gemeente.

12. Niet... geloven en behouden worden: Gods Woord bedoelt mensen tot geloof te brengen en in die weg tot het heil. De duivel wil dit verhinderen. Voor wie het Woord verwerpt is er geen redding (vgl. Luc. 7:50; 8:48; 13:22; 19:10; Hand. 11:14; 13:8vv; 16:31). een tijd van beproeving: Niet alleen vervolging, maar allerlei beproevingen heeft de gemeente in de tijd voorafgaande aan de wederkomst te doorstaan (vgl. voor de tegenstelling tot geloofsafval, vs 15 en Hand. 11:23; 14:22). 14. Zorgen, rijkdom en lusten des levens: Terwijl in Mat./ Mar. sprake is van het bedrog van de rijkdom wordt bij Luc. de rijkdom zonder meer als een gevaar gezien (vgl. Luc. 6:24; 12:16-21; 16:lw; 16:19vv; Hand. 5:lvv; 8:20; 16:16-17). Voor ‘leven’ wordt een woord gebruikt dat betekent het bestaan hier en nu. Daartegenover staat het leven dat de hoorders in de weg van het geloof ontvangen (Hand. 5:20; 11:18). 15. Met een goed en vroom hart.De gebruikte woorden, betrokken op het hart als centrum van het bestaan in de Bijbel, vertolken het griekse levensideaal. Vrucht dragen in volharding: Zie Hand 11:23; 14: 22.

Het ware horen 8:16-21

16-18. De spreuk over de lamp sluit direct aan bij het voorafgaande. Het ‘en Hij zeide tot hen’ (Mar. 4:21) ontbreekt bij Lucas. Lucas denkt aan een huis in de grieks-romeinse wereld waar de lamp in de vestibule brandt (itt. Mat. 5:15 waar gedacht is aan een Palestijnse éénkamer woning). Het ‘binnentreden’ in vs 16 wijst op een missionaire situatie. Gods heilsopenbaring mag niet verborgen blijven. Maar daarom is het belangrijk te horen in geloof. Vs 18b krijgt zijn illustratieve uitwerking in Luc. 19:26.

Vss 19-21 gaan in op de vraag, wie Jezus verwanten zijn. Plaatsing na de gelijkenis van de zaaier en het ware horen laat zien, dat deze verzen in dit perspectief staan. 21. Dezen: Nl. de om Jezus vergaderde hoorders. Horen en doen: Ipv. het doen van de wil van God spreekt Lucas over het horen en doen van het Woord Gods (vgl. Luc. 5: 1; 6:47vv; 8:5,11). Rondom het Woord groeit een nieuwe gemeenschap, de ‘familia Dei’, het huisgezin des Heren.

De storm op het meer 8:22-25

In aansluiting aan de vss 1-21 waarin het ‘horen van het Woord’ centraal stond volgen nu drie verhalen over Jezus’ machtige daden. Vgl. Mar. 4:35 – 5:43; Mat. 8:23-34 en 9:18-26). Ook bij Marcus vormen de drie verhalen één geheel: Jezus is Here over de machten van de natuur, de demonen en de dood. De drie verhalen laten Hem zien als de Redder die met koninklijke macht regeert.

22. Meer: Ipv. het bij Mat. gebruikte woord dat eigenlijk ‘open zee’ betekent. Zij staken van wal: Een scheepsterm. 23. Lucas kort de geschiedenis in. Een plotselinge valwind brengt hen in een noodsituatie. 24. Bestrafte: Vgl. Mar. 4:39. Wilde wateren: Lett, ‘hoge golfslag’. 25. Waar was uw geloof?: Lucas geeft een mildere reactie weer dan Mat./Mar. Geloof betekent hier: vertrouwen op de macht van de Here. Er is vrees en verbazing bij de discipelen. Jezus heeft volmacht ontvangen. Hij heerst over de wateren, symbool van vijandige macht.

De genezing van een bezetene 8:26-39

26. Gerasenen: Er zijn andere lezingen die spreken van ‘Gergesenen’ of ‘Gadarenen’. Gerasa is een stad in Perea, meer dan van het meer verwijderd. Gadara ligt dichter bij het meer. Jezus bevindt zich in heidens gebied. 27. Niet in een huis, maar in de graven: De man is onrein en woont op een onreine plek in een onrein land. 29. Tegenover het bevel van Jezus tekent Lucas de kracht van de boze geest. 30. Legioen: In Mar. 5:19 en 8:30 mbt. demonen gebruikt. In Mat. 26:53 mbt. engelen. De man is te vergelijken met een door legers bezet gebied. 31. De afgrond: Dwz. de Abyssus, de Hades, het gedeelte waar de demonen huisden. 32. Zwijnen: Naar joods besef onreine dieren (Lev. 11:7-8 en Deut. 11:8). Dat in deze heidense streek varkens gefokt werden is niet vreemd. Voeren uit… voeren in: Jezus bevrijdt een mens uit de macht van de demonen. Ook al is de tijd nog niet aangebroken dat de demonen definitief ten onder gaan (Op. 20:3). 35. Er is vrees bij de bevolking voor het onverklaarbare in de genezing van de bezetene. 36. Bericht van ooggetuigen, vgl. Luc. 1:1-4. 39. De genezene wordt de eerste getuige van Jezus’ macht in het heidense land.

Het dochtertje van Jaïrus 8:40-56

Ook nu weer volgt Lucas Marcus, al zijn er in de bewoordingen verschillen. 40. Terugkeerde: Vgl. vs 39. Wachtte… op: Het griekse werkwoord betekent: welkom heten, als autoriteit aanvaarden. 41. Overste der synagoge: Tot diens taak behoorde de zorg voor de uiterlijke orde van de synagogedienst. 42. Zijn enige dochter: Alleen Luc. vermeldt dit. Zie ook Luc. 7:12 en 9:38. 43. Bloedvloeiing: Deze kwaal maakte haar volgens Lev. 15: 25-27 cultisch onrein. Lucas laat als arts Mar. 5:26 weg. 45. Aangeraakt: In het gedrang van de menigte kon dit snel gebeuren. Jezus weet dat iemand Hem met een speciale bedoeling heeft aangeraakt. De genezing is een uiting van de kracht van het Rijk. 48. Wat de vrouw gedaan heeft, beschouwt Jezus als een daad van geloof. 50. Geloof alleen: Dwz. blijf geloven. En zij zal behouden worden. Vgl. vs 48. Zie ook vs 12.

52-54. Tegenover hen die rouwmisbaar maken en in ongeloof Jezus’ woorden negeren (vgl. zij lachten Hem uit) demonstreert Jezus zijn macht over de dood en wekt het meisje op. Zij slaapt: Vgl. 1 Kor. 15:6; 1 Tess. 4:13v. 55. Haar geest keerde terug: Dezelfde uitdrukking in 1 Kon. 17:21. Hij beval… te eten… geven: Nu de levensgeest is teruggekeerd moet ze eten om op krachten te komen. Het gewone leven keert terug. Jezus blijkt koning zelfs over de macht van de dood.

Jezus en de twaalven 9:1-50

Lag in het voorgaande de nadruk op Jezus werk in woord en daad, in het nu volgend gedeelte valt de nadruk op de relatie van Jezus tot de twaalven, die in bijzondere zin door Hem verkozen zijn zijn getuigen te zijn. Jezus openbaart zich als Messias die door lijden ingaat tot zijn heerlijkheid. Hij roept zijn leerlingen Hem te volgen in de missionaire dienst en in bereidheid tot lijden en zelfverloochening.

De uitzending van de twaalven 9:1-6

Lucas laat het bericht van Mar. 6:1-6 op deze plaats weg (zie Luc. 4:16vv). Zonder enige tijdsaanduiding volgt het bericht over de roeping van de twaalf apostelen. 1. Macht en gezag: Vgl. Luc. 5:36. Dezelfde volmacht en dezelfde macht ontvangen nu de leerlingen. Lucas maakt ook in dit vs onderscheid tussen het genezen van bezetenen en andere ziekten (vgl. 4:40-41; 6:17-18; 8:2; 13:32). 2. Verkondigen en genezingen te doen: De tijdelijke opdracht en taak behelst twee elementen: prediking en genezing. In deze arbeid breekt Gods Koninkrijk door en wordt het realiteit. 3. De twaalf leerlingen moeten uitgaan zonder bagage, proviand of andere toebereidselen. Alle nadruk valt op onbelemmerdheid. Er is haast bij Gods zaak. En evenals hun Meester zullen ook de discipelen onder Gods zorg staan. 4. Komt gij in een huis: De twaalven moeten werken vanuit een centrum, een huis. Ook in de Handelingen en de brieven vormen huizen de cellen van de latere gemeenten. Vgl. Hand. 9:43; 16:15; Rom. 16:5; 1 Kor. 16:19; Kol. 4:15. 5. Tot een getuigenis tegen hen: Met deze woorden wordt de zin van symbolische handeling verklaard. Vgl. Hand. 13:51 en 18:6. 6. De leerlingen geven gehoor aan de opdracht van vs 1 en 2.

Herodes en Jezus 9:7-9

Met Herodes is bedoeld Herodes Antipas die de status van viervorst had. Toen hij in 39 n.Chr. naar Rome reisde om de koningstitel te ontvangen, werd hij verbannen naar Gallië. Zie Luc. 3:20. Verontrust over het optreden van Jezus verlangt Herodes Hem te zien. Niet uit geloof, eerder uit nieuwsgierigheid. Zie ook Luc. 13:31vv en 23: 8vv. Lucas geeft aan, dat allerlei meningen over Jezus de ronde deden. Dat Elia genoemd wordt, hangt samen met het geloof in de wederkerende Elia als wegbereider van de Messias. De nawerking van de Doper blijkt eveneens groot te zijn. De vraag van Herodes: Wie zou deze zijn, nl. Jezus loopt vooruit op de vss 18vv.

De spijziging van de vijfduizend 9:10-17

Hier openbaart Jezus zijn messiaanse heerlijkheid die Mozes te boven gaat (vgl. Ex. 16; Joh. 6). Dit verhaal vinden we ook bij de andere evangelisten (Mat. 14:13-21; Mar. 6:32-44; Joh. 6:1-13).

10. Betsaïda: Woonplaats van Filippus, Andreas en Petrus. Gelegen ten Noorden van het meer van Galilea, oostelijk van de Jordaan. Onder Herodes had het stadsrechten gekregen. 11. Vgl. Luc. 9:2. 12. Het tijdstip van de maaltijd viel aan het einde van een werkdag. groepen van ongeveer vijftig: Misschien een zinspeling op Ex. 18:21,25. 17. Het overschot: Afgeleid van een werkwoord dat betekent: ‘in overvloed aanwezig zijn’, vaak in verband met de heilstijd gebruikt. Twaalf manden: Naar het getal van de 12 apostelen, het nieuwe volk Gods. Het griekse woord voor ‘mand’ betekent een grote mand, zoals soldaten die droegen voor hun proviand. Voor de overvloed zie ook 2 Kon. 4:44. De bewoordingen in vs 16:1 ‘zegenen – breken – geven’ verwijzen naar Luc. 22:14vv. De spijziging is teken van het messiaanse feestmaal.

Belijdenis en aankondiging van het lijden 9:18-27

Vgl. Mat. 16:13-28; Mar. 8:27 – 9:1

Lucas verlaat in vs 18 het kader van Marcus. Alle nadruk valt in deze perikoop op het antwoord op de vraag: Wie is Jezus? De boze geesten hadden Hem aangewezen als de Zoon van God (Luc. 4:41; 8:28). Op de vraag van Johannes (7:19) had Jezus geantwoord met een verwijzing naar de profetie. De scharen vertolkten hun opinies (vs 18) die in vergelijking met 9:7vv nog niet gewijzigd zijn door het wonder van de vermenigvuldiging der broden. Tegenover de meningen staat het belijdend antwoord van Jezus’ leerlingen bij monde van Petrus. 18. Ook nu legt Lucas er nadruk op dat Jezus in gebed was. Vgl. bij Luc. 3:21vv. 20. De Christus Gods: De Messias, van Godswege gezonden en gezalfd in wie de Here zijn heilsplan volvoert. 21-22. Jezus is de lijdende Messias, de Zoon des Mensen (Dan. 7:13v) die tevens de profetie van de lijdende Knecht des Heren vervult (Jes. 53). De aankondiging van het lijden is nauw verbonden met vs 21 (Hij vermaande hen… zeggende). Pas na de opstanding zal Jezus als Messias verkondigd mogen worden. Vgl. Luc. 24:24-26. Dat de scharen allerlei andere verwachtingen hadden omtrent de Messias laat Joh. 6:15 zien. 22. Jezus moet lijden naar Gods raadsplan (vgl. Hand. 2:2324). Verworpen worden: Vgl. Ps. 118:22; Luc. 20:17; Hand. 4:11. God wekt Zijn kind op. De steen wordt tot hoeksteen gemaakt. Ten derde dage: Vgl. Hos. 6:2. De rabbijnen verwachten op de derde dag na het wereldeinde de opstanding der doden. Jezus is als Messias degene die de Schriften vervult, vgl. 1 Kor. 15:4.

23. Neme dagelijks zijn kruis op: Alleen bij Luc. treffen wè de toevoeging ‘dagelijks’ aan. Elke dag staat de volgeling van Jezus voor beslissingen waarin hij iets ervaart van het dagelijks opnemen van zijn kruis. Lucas denkt niet uitsluitend aan vervolgingen. In de navolging gaat het om de geloofs- en levensgemeenschap met Jezus. 2526. Gevaren die de discipel bedreigen zijn het winnen van de wereld, di. alles wat deze wereld te bieden heeft en het leven dat naar God openstaat, verliezen. Voorts het zich schamen voor Jezus en zijn woorden.

27. Het Koninkrijk Gods gezien hebben: De verheerlijking op de berg (28-36) grijpt vooruit op de opstanding en deze anticipeert op de wederkomst. Wie de Here aanschouwt in zijn heerlijkheid of na de opstanding heeft deel aan de komende heilstijd en ondervindt geen schade van de dood. De dood zal dan geen scheiding maken.

De verheerlijking op de berg 9:28-36

Vgl.Mat. 17:1-9; Mar. 9.T-10

28. Acht dagen: Volgens de romeinse kalendertelling. Dus: ongeveer een week. De berg. Volgens oude traditie de berg Tabor. De berg is hier de plaats van Gods openbaring. Ook nu weer wordt melding gemaakt van Jezus’ bidden. 29. Lucas spreekt anders dan Mar./Mat. niet over ‘veranderd worden van gedaante, dwz. een metamorfose ondergaan; dit kon in de hellenistisch- romeinse wereld met zijn vele mythen over goden in mensengedaante gemakkelijk verkeerd verstaan worden. Stralend wit: Jezus’ gedaante verschijnt in hemels licht. 30. Mozes en Elia vertegenwoordigen de wet en de profeten. Beiden zijn voorlopers van de messiaanse tijd (Mal. 4). 31. Zijn uitgang… te Jeruzalem: Lett, zijn exodus. Het woord heeft in de LXX 2 betekenissen: a. de uittocht uit Egyp^ te. b. sterven, heengaan. Door te sterven in Jeruzalem vervult Jezus Gods heilsplan. De exodus leidt tot de verbondssluiting vgl. Ex. 12-13; 19-24. Jezus’dood betekent het begin van het nieuwe verbond voor Israel en de volken. Het behelst de definitieve bevrijding door het lijden en sterven heen. 32. Zijn heerlijkheid: Vgl. vs 26. 34. De wolk: In het O.T. teken van Gods aanwezigheid (Ex. 13: 21; 14:19; 24:15; 33:9; 40:34-35). Ingingen: De wolk is als een tent. Wie door God in zijn tent wordt opgenomen, hoort bij Hem. Opnieuw een teken van de komende heerlijkheid. 35. Hoort naar Hem: Wet en profeten worden in Jezus vervuld. die dagen: Eerst na Pasen en Pinksteren gaat hun een licht op (Vgl. 2 Petr. 1: 19).

De genezing van een bezeten knaap 9:37-43a

De genezing van de bezeten jongen is ook bij Lucas direct verbonden met de verheerlijking op de berg (vgl. Mat. 17:14-21; Mar. 9:14-29), zij het ook dat deze versie bij Luc. aanmerkelijk korter is. In schril contrast mèt de hemelse glorie op de berg staat de ellende van de aardse werkelijkheid voor ons. 37-38. De enige zoon van iemand – alleen Luc. vermeldt dit (vgl. 7:12; 8:42) – wordt geteisterd door een boze geest. 39. Volgens de beschrijving gaat het hier om een epilepticus. 40. De vader smeekt Jezus om hulp. De leerlingen zijn onmachtig gebleken. 41. Jezus stuit op dezelfde ongelovige mentaliteit als destijds bij de generatie van de woestijnreis, vgl. Deut. 32:5,20; Filp. 2:15. Hoe lang: Vgl. Num. 14:27. 42. Wierp hem op de grond: Term, ontleend aan het worstelen. 43a. De reactie op de genezing. De majesteit Gods komt in Christus openbaar. Vgl. voor het woord Hand. 19:27; 2 Petr. 1:16.

Lijdensaankondiging en twist om de voorrang 9:43b-50

Vgl. Mat.17:22,23; 18:1-5; Mar. 9:30-41. 44. Legt… in uw oren: Vgl. Ex. 17,14. De discipelen moeten het goed in zich opnemen. Overgeleverd worden: God is hier de handelende. De Zoon des mensen… in de handen der mensen: De wereldrechter van de eindtijd wordt zelf geoordeeld. 45. Verborgen: Ook hier wordt Gods plan zichtbaar. Na de opstanding zullen de leerlingen inzien waarom Jezus moest lijden (vgl. 24:7,25,44). Zij durfden niet: Vrees voor het goddelijk geheimenis weerhoudt hen te vragen naar de betekenis van wat Jezus zegt over zijn lijden.

46. Het onbegrip van zijn discipelen wordt gedemonstreerd in de vss 46vv. Verlangen naar prestige en grootheid doet hen overleggen, wie toch wel de meeste is (vgl. Mar. 10:49vv; Luc. 22:24vv). 47. Hij nam een kind: Jezus’ handelwijze is ongebruikelijk. Kinderen telden in de antieke wereld, en ook bij de Joden, niet mee. Ze hadden zeker geen stem als het ging over ‘de meeste zijn’. Zie ook Mar. 9:36; Mat. 18:2; Luc. 18:16. 48. Dit kind… in mijn naam: Lett, ‘op mijn naam’ dwz. op basis van mijn naam. Daardoor wordt de handeling van het ontvangen gekwalificeerd. Over dit kind ligt de naam van Jezus. Het is niet langer veracht. Ontvangt Mij: Zie Mat. 25:3540 voor dezelfde gedachte. De minste… groot: Groot is hij die bereid is de laagste plaats in te nemen en zich bekommert om zulke onaanzienlijken. 49- uw naam:Johannes knoopt aan bij het ‘in mijn naam’ van vs 48. Jezus laat in zijn antwoord uitkomen dat het ‘in zijn naam’ niet samenvalt met de kring van de leerlingen. Zie ook Luc. 11:23 en als oudtestamentische parallel Num. 11:24-30. De grens die Johannes wil aangeven, wordt door Jezus opzij gezet.

Jezus’ werk op weg naar Jeruzalem 9:51-19:44

Dit gedeelte wordt het ‘reisverhaal’ genoemd, dwz. de beschrijving van Jezus’ laatste reis naar Jeruzalem. De wijze van beschrijving maakt het ons niet mogelijk een reisplan te onderkennen. Wel wordt telkens over het ‘reizen’ van Jezus gesproken (9:57; 10:l,30vv; 13:31,33; 18: 10). Maar een duidelijk reisplan is niet te ontdekken. Sommige gebeurtenissen en woorden schijnen te behoren tot de arbeid van Jezus in Galilea of in en nabij Jeruzalem. Vermoedelijk heeft de evangelist tradities uit verschillende perioden uit Jezus’ werkzaamheid thematisch samengevoegd, zonder dat de chronologische of topografische gegevens voor ons nog helder zijn. Duidelijk blijkt dat de evangelist niet de bedoeling had een biografie van Jezus te schrijven, maar dat hij de weg van Jezus laat zien die uitloopt op Jeruzalem, de stad van zijn terdoodveroordeling. Alles spitst zich toe op kruis en opstanding.

Discipelschap als opdracht en voorrecht 9:51-10:24
Jezus en de Samaritanen 9:51-56

51. Dagen van zijn opneming: Nl. de opneming door God; deze begint met Jezus’ dood en vindt in de hemelvaart zijn voltooiing, vgl. Hand. 1:9. Richtte: ‘Zijn aangezicht richten’ is oudtestamentische zegswijze, vgl. Jer. 2:10; Ez. 6:2; 21:2; 25:2. 52. Boden: Naar rabbijns gebruik. Boden zochten onderdak. Dorp der Samaritanen: De Samaritanen vormden sinds 722 v.Chr. een mengvolk. De Joden beschouwden hen als bastaards. Ze hadden (hebben) een eigen geloofsgemeenschap met een eigen tempel op de Gerizim, met alleen de vijf boeken van Mozes als heilig boek, met een eigen heilsverwachting, vgl. Joh. 4. Tussen Joden en Samaritanen bestond een diepe kloof, die zich menigmaal ontlaadde in felle vijandschap over en weer. 53. Daarom ontvangen ze Jezus’ boodschappers niet, omdat Hij naar Jeruzalem trok. Vuur van de hemel: Vgl. de geschiedenis van Elia in 2 Kon. 1:10,12. In vss 27-36 waren deze beide discipelen getuige geweest van Elia’s aanwezigheid op de berg. Zie ook Mar. 3:17. 55. Sommige handschriften voegen toe: ‘En Hij zei: gij weet niet van hoedanige geest gij zijt, want de Zoon des mensen is niet gekomen om mensenlevens te vernietigen, maar om te behouden (vgl. Luc. 19: 10). Deze lezing is een latere toevoeging.

Het volgen van Jezus 9:57-62

Bij Lucas staat deze perikoop in een ander verband dan bij Matteüs (vgl. Mat. 8:19-22). Op drie manieren laat Lucas zien wat het volgen van Jezus, afgewezen door Samaritanen, en op weg naar het kruis inhoudt. 58-60a. Zie bij Mat. 8. 60b. Ga gij heen: Tegenover de vraag van de man die al op weg is de piëteitsplicht tov. een dode te vervullen staat de opdracht van Christus aan hem om heen te gaan en de boodschap van het leven, zoals dat in de komst van het Koninkrijk met Jezus aan het licht trad te verkondigen. Gij: Dat staat met nadruk voorop. 61-62. Afscheid nemen: Vgl. 1 Kon. 19:19-21. Met een beeld, ontleend aan de landbouw laat Jezus zien, dat de rechte volgeling zich niet laat ophouden door allerlei plichtplegingen, maar vooruitziet en let op Hem die voorgaat. Ploegen vergde in het oude Oosten een vaste hand en een wakend oog. Men kon niet tegelijk omkijken. Het antwoord van Jezus is een nuchtere constatering.

De uitzending van de zeventig 10:1-20

Naast de uitzending van de twaalven (9.T-6) volgt nu het bericht over de instructie en de uitzending van de (twee) en zeventig. Gold de uitzending van de twaalf Israel, deze uitzending geldt de volken wereld. Het getal ‘zeventig’ (of zoals enkele handschriften lezen: tweeënzeventig) heeft een bijzondere betekenis. In Genesis 10 worden 70 niet-joodse volken genoemd in de toenmaals bekende wereld. Mozes koos 70 mannen uit volgens Num. 11. Het aantal leden van het Sanhedrin bedroeg 70. De legende vertelt hoe de vertaling van de hebr. Bijbel in het Grieks geschiedde door 70 geleerden in 70 dagen, vandaar de naam: Septuaginta. De verkondiging van het Rijk, waartoe Jezus hen uitzendt heeft wereldwijde dimensies.

1.Wees… aan: Benoemen, aanstellen. Twee aan twee: Vgl. Deut. 17:6 en 19:15. 2. Oogst – arbeiders: Vgl. Mat. 9:37. In het O.T. is de oogst beeld van het gericht (Joël 3: 13; Jes. 27:12; zie ook Op. 15:14vv. Hier heeft het betrekking op de verzameling van het volk van God. Uitzenden: Het gr. werkwoord wijst op het urgente en het dringende. 3. Een lam is weerloos tegenover wolven. Vgl. Mat. 7:15; Joh. 10:12; Hand. 20:29. Dat Jezus weet van de gevaren betekent op zich al troost en bemoediging. 4. Groet niemand onderweg: Het oosters begroetingsceremonieel was tijdrovend. Maar Gods zaak kan geen uitstel lijden. Vgl. 2 Kon. 4:29. 6. Een zoon des vre-des: Iemand die de vrede ontvangt en bij wie dus een relatie is tot de vrede, door de boodschappers verkondigd. Vgl. parallelle uitdrukkingen: ‘Kinderen des Konink-rijks’, ‘zonen van de opstanding’, ‘kind des duivels’. Rusten: Vgl. Num. 11:25, 26; 2 Kon. 2:15. 7-8. Van het huis richt Lucas de aandacht op een stad. Geneest… en zegt: Het genezen van zieken gaat voorop als teken van het Koninkrijk. 11. Ook het stof: Vgl. 9:5 en Hand. 13: 51; 18:6. 12. Ik zeg u: Deze plechtige inleiding onderstreept de ernst van de oordeelsaankondiging voor een dergelijke stad.

13. Jezus spreekt het wee u uit over een drietal galilese steden, Chorazin, Bethsaïda, Kapernaüm, omdat zij de daden die Jezus in de kracht van God verricht heeft, niet herkend hebben als tekenen van het Koninkrijk en zij zich niet bekeerd hebben. Tyrus en Sidon: Heidense handelssteden met een slechte reputatie (vgl. het profetisch oordeel: Jes. 23; Jer. 25:22; 47:4; Ez. 26-28). 15. Tot het dodenrijk: Op Kapernaüm zijn de woorden toegepast van het spotlied op de koning van Babel (Jes. 14:13,15). Vanwege hun ongeloof zullen zij geoordeeld worden. Er wordt niet gezegd, waarin dit oordeel concreet zal bestaan. Misschien moeten we denken aan de verwoesting van deze steden. 16. De (twee-en)zeventig gezondenen komen met de volmacht van hun Zender. Daarom hebben ‘horen’ of ‘verwerpen’ zulke verstrekkende gevolgen. 18. Als een bliksem: De demonen zijn werktuigen in de hand van de satan (vgl. Job 1:6vv). In het bericht van de jongeren over de overwinning op de boze geesten ziet Jezus het doel van zijn werk als nabij. Satans machtspositie bij God is verloren gegaan. Even onstuitbaar als de bliksem is hij gevallen (vgl. Op. 12:5vv). Zijn werkzaamheid op aarde is niet ten einde, maar wel begrensd en in principe overwonnen. de volmacht van Jezus zullen zijn volgelingen de machten van de hel en de boze overwinnen (vgl. Ps. 91:13; Hand. 28:3-5; Ef. ó.TOvv). Zie ook Gen. 3:15; Mar. 16:20; Rom. 16:20. 20. Bijzondere genadegaven zijn wel belangrijk. De diepste reden voor de vreugde is evenwel, dat Christus’ volgelingen burgerrecht in de hemelen hebben (vgl. Jes. 4:3; Ez. 13: 9; Dan. 12:1; Op. 3:5).

Jezus’ dankzegging en zaligspreking 10:21-24

21. Terzelfder tijd: Nl. de terugkeer van de uitgezondenen. Ikdank U: Vgl. Ps. 75:2; 111:1; 138:1,2,4. Verborgen – geopenbaard: Het Grieks bevat een woordspeling: ‘apekrupsas… apekalupsas’. Terwijl de geestelijke leiders die zichzelf als belangrijk beschouwden het geheim van Jezus niet verstaan, is het heil geopenbaard aan de kinderkens, dwz. degenen die niet in tel zijn, de armen, de zachtmoedigen. Welbehagen: Gods vrijmachtige beslissing, zijn souvereine heilswil, vgl. Luc. 2:14. 22. Vgl. Mat. 11:27 Jezus spreekt hier van de unieke band tussen Hem als de Zoon en de Vader. Jezus alleen kan zeggen wie God is. Vgl. Joh. 1:18; 10:14-15. En de Zoon openbaart het geheim aan de armen van geest die ootmoedig op Hem vertrouwen. 23. De discipelen mogen deelgenoot zijn van de heilstijd. Zien wat gij ziet: Vgl. Luc. 2: 30; 3:6. Profeten: Zie 1 Petr. 1:10-12. Koningen: Mat. 13:17 heeft ipv. ‘koningen’ rechtvaardigen. Lucas zinspeelt mogelijk op Jes. 52:15; 60:3.

Kenmerken van het discipel-zijn 10:25-11:13

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, 10:25-37. 25. Wetgeleerde: Zie ook Mat. 22:35. Mar.l2:38 spreekt van een schriftgeleerde. Verzoeken: Dwz. testen. Rabbijnen plachten moeilijke leer kwesties aan de orde te stellen om de ander op diens kennis te toetsen. Wellicht speelt ook de niet zo eerlijke bedoeling mee om Jezus in de val te lokken. Wat moet ik doen: Een beslissende vraag uit de toenmalige joodse theologie. 26. Jezus stelt de in rabbijnse discussies gebruikelijke tegenvraag. Met een rabbijnse formule vraagt hij de ander naar de geschreven wet van God, de thora. 27. De wetgeleerde antwoordt met een verwijzing naar hetSjemä (Deut. 6:4-9, nl. vs 5), de centrale joodse belijdenis die de Jood tweemaal per dag reciteerde. Niet alleen noemt hij het gebod van de liefde tot God, maar ook dat van de naastenliefde (Lev. 19:18). 28. Zie Lev. 18:5. 29. Maar hij wilde zich rechtvaardigen: Het betekent meer dan: hij wilde zich verontschuldigen. In de situatie waarin het dubbele gebod van de liefde tov. God en de naaste klinkt, wil de wetgeleerde zich rechtvaardigen tegenover God (vgl. Luc. 18:14). Daar is blijkbaar een naaste voor nodig. Maar dan moet je heel nauwkeurig weten wie die naaste is. Dat was bij de Joden ten tijde van Jezus een belangrijke vraag. De naaste was bij de Joden iemand van het eigen volk, inclusief de in het gebied wonende vreemdeling, die als proseliet toetrad tot het Jodendom. De Farizeeën sloten de massa van de stads- en plattelandsbevolking, het ‘volk dat de wet niet kende’ (Joh. 7:49), dwz. dat tijd noch mogelijkheden had om de vele geboden te bestuderen en na te leven, van contact uit. Men kwam niet bij hen aan huis en raakte zelfs hun kleren niet aan. De sekteleden van Qumran bij de Dode zee noemden zich ‘zonen van het licht’ en de anderen ‘zonen van de duisternis’. De wetgeleerde wil een scherpe definitie, conform de vele bepalingen die het leven tot in finesses regelden. 30. Daarop… zeide: Het verhaal dat Jezus vertelt is wel een ‘voorbeeldvertelling’ genoemd. Jezus definieert het begrip ‘naaste’ niet, maar laat zien dat een mens alleen iemands naaste kan zijn in een bepaalde situatie.

De lange, bochtige weg was door het rotsachtige terrein een ideaal operatieterrein voor rovers. Rovers: Met het griekse woord kunnen vrijheidsstrijders bedoeld zijn (vgl. Joh. 18:40; Mat. 27:38; Mar. 15:27). Waarschijnlijk gaat het hier om gewone rovers, misdadigers. 31. Priester. Na beëindiging van zijn dienst in de tempel ging hij naar huis. In Jericho woonden veel priesters. 32. Leviet: Helpers van de priesters (Num. 3:5; 8:5; 18:3). Een reden voor hun voorbijgaan wordt niet genoemd. Het kan angst geweest zijn voor de rovers of zorg om ritueel rein te blijven. Hun houding getuigt van liefdeloosheid. 33. Doch een Samaritaan… werd met ontferming bewogen: Terwijl vertegenwoordigers van de geestelijke stand, en nog wel Joden, verstek lieten gaan, bewees een Samaritaan de gewonde Jood barmhartigheid metterdaad (zie bij Luc. 9:51vv). 34. Olie en wijn: Olie gold als geneesmiddel (vgl. Jac. 5:14), het verzachtte de pijn. Wijn gold als desinfecterend middel. 35. Twee schellingen: 2x het dagloon voor een arbeider. De Samaritaan helpt de gewonde met wat hij heeft en met wat hij kan. 36. Wie… de naaste… van de man: Terwijl de wetgeleerde in zijn vraag (vs 29) uitging van zichzelf en naar het voorwerp van zijn liefde vroeg, stelt Christus de vraag vanuit de man die in nood verkeerde. Naastenliefde bewijst men wanneer men zelf subject wordt, zelf zich als naaste gedraagt. 37. Die hem barmhartigheid bewezen heeft: De gehate naam van de Samaritaan wordt niet genoemd. Het antwoord sluit aan bij vs 33. Ga heen… doe gij: Nadrukkelijk staat in het Grieks ‘gij’. Persoonlijk wordt de man geroepen tot bewijzen van barmhartigheid. Beslissend is, wie een beroep op een mens doet; voor wie men de naaste moet zijn.

Martha en Maria 10:38-42

Na de gelijkenis waarin het dubbele gebod van de liefde aan de orde was, volgt nu een gedeelte waarin het horen van het Woord dat Jezus spreekt, centraal staat. 38. Een zeker dorp: Bedoeld is wel Bethanië, vlak bij Jeruzalem. Vgl. Joh. 11:1 en 12:1-3. 39. Aan de voeten des Heren gezeten: Zoals leerlingen plachten te doen (vgl. Hand. 22:3). Maria’s houding drukt uit haar ijver om onderwezen te worden. In tegenstelling tot de joodse rabbi’s onderricht Jezus een vrouw. Hij doorbreekt de gangbare code voor de omgang van man en vrouw. Luisterde: De werkwoordsvorm wijst op een aanhoudendluisteren. 40. Martha wordt in beslag genomen door allerlei zaken die met de maaltijd te maken hebben. Het woord diakonia duidt op het zorgen voor het eten, het bedienen van de tafel. De werkwoordsvorm drukt uit het bedrijvig bezig zijn van Martha.Komt helpen: te hulp komen, zie Rom. 8:26. Mijn zuster: Ergernis weerhoudt Martha de naam van Maria te noemen. 41.Martha, Martha: De herhaling van de naam wijst op de betekenis van Jezus’ woorden in deze situatie (vgl. Joh. 3:3; Mar. 9:19; Luc. 22:31; Mat. 23:37; Hand. 9:5). Bezorgd: Het bezorgd-zijn komt voort uit ongerustheid en uit het feit dat Martha zich laat opjagen. Zie voor ‘bezorgd-zijn’ Mat. 6:15-34. 42. Weinige zijn nodig… het goede deel: De woorden ‘nodig’ en ‘deel’ worden in het Grieks gebruikt voor een eenvoudig maal, een portie voedsel. Hier gaat het om het goede deel: Het horen naar de woorden van eeuwig leven. Zie Luc. 8:21; 11:27. Het dienen mag niet voorbijgaan aan het horen naar Christus’ woorden.

Het bidden 11:1-13

I. Here, leer ons bidden: Naast het officiële gebed, het gebed van de achttien beden, kende men ook veelvuldig privé-gebeden. Over het gebed dat Johannes zijn volgelingen geleerd heeft, is ons niets bekend. Ook in dit vs is er weer sprake van het bidden van Jezus. 2. Het antwoord dat Jezus geeft is het Onze Vader. Matteüs geeft een parallelle versie in een andere context, nl. het bidden van Jezus’ volgelingen tegenover de omhaal van woorden bij de heidenen. Zie verder bij Mat. 6:9- enkele opzichten wijkt de weergave bij Lucas af van die van Matteüs. De bede ‘Uw wil geschiede’ ontbreekt in Luc.

vs 3 staat er bij Lucas ipv. ‘heden’ ‘elke dag’. Het woord dat met ‘dagelijks’ vertaald wordt kan betekenen: ‘noodzakelijk’ (nl. om te kunnen leven) en ‘voor morgen’. In de vroege kerk van de eerste eeuwen werd de bede opgevat als een bede om het brood des levens dat in de eindtijd geschonken zou worden. We moeten echter geen voet geven aan een vergeestelijking, die te kort doet aan de zorg van God voor het concrete aardse leven. plaats van ‘schulden’ gebruikt Lucas het woord ‘zonden’. In vs 4b laat Lucas weg: ‘maar verlos ons van de boze’. De bidder vraagt om bijstand, bewaring en hulp om niet onder te gaan in de verzoeking. Jac. 1:13 weerspreekt de uitleg, dat het God is die in verzoeking zou leiden. Het gaat in dit vers om een bede, dat God niet toelaat dat een mens ten prooi valt aan de verzoeking (in een situatie van vervolging, nood of pijn). In de verzoeking loopt de mens gevaar de verbondenheid met God te verliezen en daarmee de ingang in het Koninkrijk.

5-8. De gelijkenis wil evenals Luc. 18:1-8 aansporen tot volharding in het gebed. Het is een zgn. contrast-gelijkenis. Als zelfs op menselijk vlak een onwillige vriend toegeeft aan de wens van zijn buurman hoeveel temeer zal God, de Hoorder der gebeden, horen wie tot Hem blijven roepen. Het slot van de gelijkenis is de hebreeuwse stijlfiguur van de zgn. conclusio a minore ad malus: als iets in het klein al zo is, hoeveel te meer in het groot. 7. De deur: De gelijkenis heeft een palestijnse eenkamerwoning op het oog, waar de woonruimte tegelijk slaapruimte voor het gezin was. 8. Om zijn onbeschaamdheid: Dwz. driestheid, aanhoudend doorgaan.

9-13. Vis – slang, ei – schorpioen: Er zijn vissen die op een kronkelende slang lijken. Wanneer een schorpioen zijn leden langs zijn lichaam strekt, lijkt hij op een ei. Als aardse vaders hun kinderen niet bedriegen, maar hen geven wat zij nodig hebben, hoeveel temeer de Vader in de hemel. 13. De Heilige Geest: De Geest is de gave bij uitstek van de eindtijd die is ingegaan met Jezus’ komst.

Tegenstand tegen Jezus 11:14-54
Jezus en de boze geesten 11:14-28

Het feit van de uitdrijving van een boze geest leidt tot verschillende reacties. Er is verwondering en verzet. 14. Deze was stom: De boze geest verstoorde en ontwrichtte het spraakvermogen, vgl. Mat. 9:32-34; Mar. 12:22-30. 15. Door Beëlzebul: Lett, ‘heer van de woning’. Sommige handschriften lezen Beëlzebub, vgl. 2 Kon. 1:2,3,6, de naam van de god van Ekron, die vermoedelijk betekent: ‘heer van de vliegen’. In het Jodendom is Beëlzebul een naam voor de overste van de demonen en dus gelijk aan ‘satan’. Jezus wordt dus beticht van een bondgenootschap met de aanvoerder van de demonen. 16. Een teken uit de hemel: Voor de vraag om een teken zie Mat. 12:38; 16:1; Mar. 8:11; Luc. ll:29vv; 1 Kor. l:18vv. 17. Hun gedachten: Jezus maakt de overleggingen openbaar, vgl. Luc. 2:34. 17-18. Een tegen zichzelf verdeeld huis, staat niet sterk, ja is tot ondergang gedoemd. 19. Uw zonen: Jezus laat zien, dat de tegen Hem gerichte beschuldiging in feite ook gericht is tegen de joodse duiveluitbanners. Zij zullen daarom rechters van de beschuldigers zijn. Voor het bestaan van joodse exorcisten, vgl. Hand. 19: 13. 20. Door de vinger Gods: Voor deze uitdrukking zie Ex. 8:19; Deut. 9:10; Ex. 31:8; Ps. 8:3. Vaker spreekt de Bijbel over de hand van God. In Mat. 12:28 lezen we: door de Geest Gods. Zie bij Hand. 11:21. Jezus handelt als de door God gezonden Messias in de kracht van de Geest. Over u gekomen: In de uitdrijving van boze geesten is het Koninkrijk presente werkelijkheid, vgl. 1 Joh. 3:8. 21-22. Met de sterke is de satan bedoeld. De Sterkere is een aanduiding van de Messias. Op de achtergrond staan twee woorden uit de profetie van Jesaja, nl. 49:24 en 53:12. Deze belofte aangaande de messiaanse heilstijd is in Jezus’ komst en werk vervuld. Hij ontrukt satan zijn bezit en neemt het als buit. De in de macht van satan levenden worden door Hem bevrijd. Zijn wapenrusting: Het griekse woord is de term voor de uitrusting van een zwaarbewapend soldaat. 23. De tegenhanger van Luc. 9:50. Bijeenbrengen – verstrooien: Op de achtergrond staat de oudtestamentische belofte van de verzameling van de verstrooiing door de Here God (vgl. Jes. 43:5; Ez. 34:12. Zie ook Joh. 10:16 en 11:52).

24-26. Zie ook Mat. 12:43-45. Misschien is de gelijkenis oorspronkelijk bedoeld als waarschuwing tegen joodse duivelbanners. Wie wel demonen uitwerpt, maar niet met Jezus is, dwz. in Hem gelooft, vervalt in een nog grotere nood. Leegstand is schuld. Jezus Christus wil woning maken in ons (vgl. Rom. 8:9,11; Ef. 3:17; 1 Kor. 3:16).

27. Zalig de schoot: Voor de oosterling ligt het geluk vaneen vrouw in haar zonen. De vrouw spreekt itt. in de vs 5 en 14vv aangesprokenen zeer positief over Jezus. 28. Maar… Zeker: Jezus ontkent niet wat gezegd is, maar corrigeert en verdiept de uitspraak wel. Kriterium om gelukkig geprezen te worden is het horen en bewaren van het woord van God, zoals dat tot uitdrukking komt in Jezus’ prediking (vgl. Mar. 10:20; Joh. 12:47; Rom. 2: 13; Jak. 1:22). Zie ook Luc. 8:21.

Het teken van Jona 11:29-32

In deze perikoop komt Jezus terug op de vraag om een teken (vgl. vs 16). Voor het vragen om een teken zie ook Ex. 7:9; Ri. 6:17-22 en 36-40; 2 Kon. 20:8-11. Met de vraag om een teken eist men dat Jezus zich legitimeren zal als Messias. Mogelijk hing de vraag samen met de nationalistische messias-verwachting. Een boos geslacht: Wat in Mar. 8:12 als vraag wordt gesteld en in Mat. 12: 39 een constatering is, klinkt hier als een aanklacht; de boosheid ligt in het niet willen gehoor geven aan Jezus’ woord, en het zich afsluiten voor zijn boodschap. Het teken van Jona: Grammaticaal zijn drie opvattingen mogelijk, a. Het teken dat Jona is en dat in zijn verschijning gegeven is. b. het teken dat Jona gaf; c. het teken dat Jona ondervond. Bedoeld is wel dat Jona’s redding uit het ingewand van de vis een teken is voor de Nineviten; hij verscheen aan hen als een aan de dood ontsnapte. Terwijl in Mat. 12:40 de tijdsaanduiding van de drie dagen en drie nachten het vergelijkingspunt is, is hier het vergelijkingspunt: Jona – Jezus. Ook Jezus zal als de uit de dood geredde verschijnen aan de mensen. De opstanding is de goddelijke legitimatie. 31. De koningin van het Zuiden: Nl. de koningin van Scheba in Z.Ara-bië, het tegenwoordige Jemen, destijds de zuidelijkste grens van de toenmaals bekende wereld (vgl. 1 Kon. 10: 1-13). Een heidens vorstin zal het ongelovig geslacht, nl. Jezus’ ongelovige tijdgenoten, veroordelen. Zij erkende Salomo’s wijsheid. 32. De inwoners van Ninevé hebben zich bekeerd op Jona’s prediking, vgl. Jona 3: 6- tegenstelling tot Jezus’ tijdgenoten die het door God gegeven teken in Jezus niet hebben willen verstaan. Met het oordeel is bedoeld het oordeel op de jongste dag.

De lamp van het lichaam 11:33-36

33. Zie ook 8:16. De woorden moeten worden verstaan in het licht van het voorgaande. God heeft in Jezus het licht gegeven dat niet verborgen is (zodat een speciaal teken nodig zou zijn). Dit licht is helder. Ongeloof (dwz. in het duister blijven) is daarom niet te verontschuldigen.

34-36. De kleine gelijkenis onderstreept de waarschuwing tegen geestelijke blindheid en verharding van hart. Zuiver. Dwz. eenvoudig, uit één stuk, rechtschapen, onschuldig. Het oog is het middel waardoor het lichaam, dwz. de gehele mens, het licht opneemt. Het komt aan op de intentie, waarmee men ziet. Zij die een teken begeren, hebben een slecht oog. Dan blijft de mens in het duister. 35. Zie dan toe: Jezus stelt de mens zelf verantwoordelijk. 36. Dit vers verbindt de vss 34-35 met vs 33. Voor hen die Jezus woorden aannemen is er de belofte van de volle openbaring van Gods licht.

Het ‘wee u’ over de leiders van het volk 11:37-54

Zowel in 7:36 en in 14:1 als in 11:37 maakt Lucas er melding van, dat Jezus uitgenodigd wordt bij Farizeeërs en bij hen in huis komt om deel te nemen aan de maaltijd. De Farizeeër, bij wie Jezus te gast is, verwondert zich er over, dat Jezus zich niet houdt aan het voorschrift van de traditie om de handen te wassen (vgl. Mar. 7:3). Jezus rechtvaardigt zijn handelwijze en spreekt vervolgens zijn ‘wee u’ over de Farizeeërs en de wetgeleerden (vss 42vv; vgl. Mat. 23). 39. De Here: Dat accentueert de betekenis van de woorden. De buitenzijde… van binnen: Door hun lichamen te reinigen lijken de Farizeeërs op mensen die slechts de buitenkant van een beker of een schotel reinigen. Maar het gaat primair om de reiniging van het hart dat vol is van ongerechtigheid. 41. Doch: Met dit woord wordt het contrast aangegeven. Cultisch-rituele reinheid is onvoldoende. Het komt aan op het weldoen vanuit de liefde tot God.

42. De zorgvuldigheid ten aanzien van de tienden wordt door Jezus niet afgekeurd. Als het voornaamste maar niet verwaarloosd wordt, nl. het oordeel, di. de sociale gerechtigheid, het recht van de armen en de liefde Gods, di. de liefde tot God. dit vs wordt de eerzucht en de zelfvoldaanheid van de Farizeeërs geoordeeld. 44. Gij zijt als… graven: Volgens Num. 19:16 maakte de aanraking van een graf op het open veld iemand onrein. Men kon er overheen lopen zonder zich er van bewust te zijn, dat men zich verontreinigde, aangezien deze graven vaak als zodanig niet zichtbaar waren.

45. Een van de wetgeleerden: Niet allen behoorden tot de Farizeeërs. Heeft deze man vermoed, dat Jezus niet alleen de veruitwendigde wetsbetrachting maar ook de steriele wetsinterpretatie veroordeelde? In een drietal ‘wee u’ uitspraken velt de Here een oordeel over hun verkeerde instelling. 46. Lasten: Dwingend voorgeschreven voorschriften die men anderen oplegde. Mogelijk is ook dat Jezus bedoelt, dat de schriftgeleerden geen vinger uitstaken om hen te helpen, die bezweken onder de last van de geboden.

48. Getuigen, dat gij instemt: Vgl. Hand. 8:1; Wantzij… en gij: De wetgeleerden eren de profeten door grafmonumenten te bouwen. Hun houding is evenwel schijn. De dood van de profeten was een gevolg van het ongeloof van hun vaderen. Dezelfde houding bespeurt Jezus bij de godsdienstige leiders van zijn tijd. Ook zij aanvaarden de profetische verkondiging, die immers van Christus getuigt, niet. 49. Daarom zegt ook de wijsheid Gods: Vgl. Spr. 22:17, alsook Spr. joodse geschriften treffen we een personificatie van de wijsheid aan. Zie ook Luc. 7:35. Het is niet duidelijk of we hier moeten denken aan een bepaald citaat. Profeten en apostelen: De volgorde alsook vs 51 wijst er op dat we moeten denken aan de oudtestamentische profeten. Daarbij voegen zich dan de door Christus uitgezonden apostelen. 50-51. Abel vormt de eerste van de profeten (Gen. 4:10; zie ook Heb. 11:4; 12:23). Zacharia was de zoon van de priester Jojada. Hij werd volgens 2 Kron. 24:21 op bevel van de koning gestenigd in de tempelvoorhof. Met 2 Kronieken eindigt de hebreeuwse canon van het O.T. Zacharia is dan de laatste in de rij van de profeten. Afgeèist worden: Zie Gen. 9:4; 2 Sam. 4:11; Ez. 3:18; 33:6,8; 42:22; Ps. 9:13. Met het ‘ja Ik zeg u’ onderstreept de Here het belang van deuitspraak. Het ‘afeisen’ impliceert de verantwoordelijkheid van Jezus’ tijdgenoten, hun schuldig staan aan het doden van de profeten die in Gods Naam tot het volk spraken. 52. De sleutel der kennis: Grammaticaal kan het betekenen: a. de sleutel die bestaat uit kennis b. de sleutel om kennis te verkrijgen. In het eerste geval gaat het om de kennis die vergeleken wordt met een sleutel, die toegang geeft tot het Koninkrijk van God. De vergelijking van de kennis van de Schriften met een sleutel is in het Jodendom niet onbekend. Gezien vs 52b en Mat. 23:13 ligt deze interpretatie voor de hand. Al kunnen we de beide betekenissen niet geheel en al scheiden: de sleutel die bestaat uit de kennis van God uit Zijn Woord, leidt ook tot het kennen van God en het leven met Hem. Zie voor het beeld van de sleutels: Mat. 16:19; Op. 1:18; 3:7. Het woord van Jezus wijst op de presentie van het Koninkrijk dat in zijn komst is aangebroken. Weggenomen: Hier valt een schrijnend licht op de pretentie van de wetgeleerden. Hun interpretatie van de Schriften is vruchteloos. In plaats van de deur naar het heil te openen, hebbén zij de sleutel verstopt. Door niet over te dragen wat God werkelijk wil, zijn ze voor de schare een belemmering en wegversperring. Tegenover deze houding van de schriftgeleerden, staat Jezus’ eigen onderwijs aan de scharen (vgl. Mat. 11:28vv). 53-54. Uit te vragen: lett. op de mond zien; op woorden vangen.

Met het oog op de toekomst 12:1-13:21

Hoewel het onderwijs aan de scharen in dit gedeelte niet ontbreekt, bevatten de verschillende perikopen toch voornamelijk aanwijzingen van Jezus voor zijn volgelingen met het oog op de toekomst. Onbevreesd belijden, vrij-zijn van hebzucht en bezorgdheid, waakzaamheid en letten op de tekenen der tijden dienen kenmerkend te zijn voor hun houding en levenswijze. En dat alles in het perspectief van het met Christus’ komst nabij gekomen Koninkrijk, de koningsheerschappij van God.

Onbevreesd belijden 12:1-12

1.Duizenden mensen: Lett, ‘myriaden van mensen’. Het griekse woord betekend ‘tien duizend’ (Hand. 19:19), is aanduiding van een zeer groot aantal (Hand. 21:20; vgl. ook Heb. 12:22; Op. 5:11; 9:16). Sinds de vermelding in 11:29 is de menigte aangegroeid. In de eerste plaats: Zijn onderwijs richt zich primair op de leerlingen. De zuurdesem… der Farizeeën: In tegenstelling tot 13:20-21 wordt het beeld van de zuurdesem hier negatief gebruikt. Gisting heeft een bederfelijke, zich verder verbreidende invloed (vgl. Mat. 16:6; Mar. 8:15; 1 Kor. 5:6; Gal. 5:9). Met huichelarij wordt bedoeld de in Luc. 11 aangevallen mentaliteit en houding van verschillende Farizeeërs. 2. Deze hypocrisie zal toch door God op de dag van het oordeel ontmaskerd worden. 3. Volgens sommigen bevat dit vs een aankondiging van de taak die de leerlingen van Jezus straks zal wachten: de openlijke prediking, dat met Christus het Koninkrijk Gods gekomen is. Vgl. Mat. 10: 26. Het verband wijst echter in een andere richting. Jezus waarschuwt zijn volgelingen voor huichelarij. De schijn verliest het tegen de waarheid. Waarachtigheid impliceert dat de discipel buiten is, wat hij thuis is. Binnenkamer: Itt. de vertrekken aan de buitenkant, waarvan lemen muren elk geluid doorlieten. 4. Mijn vrienden: Vgl. Joh. 15:12. Vrienden worden aangesproken op hun trouw in het belijden en tegelijk bemoedigd. Vreest hen niet: Tot 5x toe wordt het woord ‘vrezen’ gebruikt. Vrees voor mensen kan lijden tot verloochening. Macht van mensen is beperkt. Zij kunnen slechts het lichaam doden. Wat Jezus hier zegt, krijgt pas betekenis in verbinding met vs 5. 5. Hem… die macht heeft: Di. God die het oordeel uitspreekt. Zie 2 Kor. 5:10; Heb. 9:27; Op. 20:11-15. De hel: Lett. Geënna, di. dal van Hinnom, een dalkloof ten Z.W. van Jeruzalem. Daar zou naar joods besef het oordeel plaatsvinden (vgl. Jer. 7:31-33). In de tekst betekent ‘Geënna’ plaats van de straf. 6. Vijf mussen: Mussen golden als goedkoop volksvoedsel. In het O.T. meermalen beeld voor het bedreigde leven (Ps. 11: 1; 102:8; 84:4). Zelfs een mus is voor God niet waardeloos, hoeveel te minder dan een mens.

8-9. Voor de mensen: Het voorzetsel ‘voor’ is aanduiding van het staan voor de rechter. Wie Jezus als de Christus belijdt en voor de rechter zich uitspreekt als zijn volgeling, voor hem zal in het komende oordeel de Zoon des Mensen, de Rechter van de eindtijd (vgl. Dan. 7:13) het opnemen. De tegenstelling is het ‘verloochenen’. 10. Met de lastering tegen de Heilige Geest is wel bedoeld die houding van mensen, die de werking van de Geest wel zien en ook zouden moeten erkennen, maar die dat weigeren te doen en bv. dit werk van de Geest als duivelswerk verklaren. 11-12. Brengen voor…: Vgl. Hand. 5: 8vv; 5:17vv; 6:8vv; 21:2-8. Lucas noemt zowel joodse als romeinse instanties die christenen ter verantwoording roepen. De discipelen behoeven niet bezorgd te zijn over hetgeen zij tot verdediging moeten zeggen. De Heilige Geest zal het hen op dat eigen ogenblik leren. Zie ook Luc. 21:14-15. Na de waarschuwing een sterke bemoediging!

De rijke dwaas 12:13-21

13. Meester: Een rabbi was zowel theoloog als jurist. Voor erfeniskwesties zie Num. 27:8vv; Deut. 21:17. 14. Vgl. Ex. 2:14; Hand. 7:27. 15. Indringend waarschuwt Jezus voor de hebzucht. Ook als iemand… niet tot zijn bezit: Het echte leven hangt niet af van overvloed. Men kan zijn leven niet tot zijn bezit rekenen. 16-18. De boer gaat met zichzelf te rade. In de vss 17-19 wordt 6x ‘ik’ en 4x ‘mijn’ gezegd. .19. Ziel: Het aan vlees en bloed gebonden leven, het ‘ik’ van deze boer. 20. Gij, dwaas: De boer houdt alleen maar rekening met zichzelf en niet met God. Dat is de typische houding van de dwaas van Ps. 14:1. Zie ook 1 Sam. 25:37-38 (Nabal). God haalt een streep door de rekening. In deze eigen nacht: Men lette op de tegenstelling tot het ‘voor vele jaren’ (vs 19). Voor wie zal het zijn?: Ps. 39:6; Pred. 6.T-2. 21. Die… niet rijk is in God: Jezus stelt tegenover elkaar het schatten-verzamelen voor jezelf en het rijk-zijn in God. Letterlijk: ‘naar God toe’. De levenshouding van de ware wijze is dat hij met zijn bezit niet op zichzelf maar op God, en dan ook op de naaste gericht is. Zie 1 Tim. 6:17-19. De gelijkenis waarschuwt voor het komende oordeel dat onverwacht over ons hebzuchtig plannen-maken kan komen, zodat onze dwaasheid ontmaskerd wordt.

Niet bezorgd-zijn 12:22-34

De verzen 22vv geven een nadere uitwerking van het ‘rijk zijn naar God toe’. Bij Matteüs staan deze woorden in het kader van de Bergrede (Mat. 6:25-34). 22. Weest niet bezorgd: Hetzelfde woord als in vs 11. Jezus veroordeelt niet de aandacht voor het materiële, wel de levensinstelling die gevangen is in bezorgdheid voor het materiële. Vanuit de koningsheerschappij van God gezien is er geen reden tot bezorgdheid. Het is de angst en de daardoor ontstane waan door levensmiddelen zijn leven veilig te kunnen stellen, die het zorgen-voor tot zondige bezorgdheid maken. In het zoeken van Gods Koninkrijk zal de discipel van die bezorgdheid bevrijd worden. 24. Let op: Het werkwoord betekent ‘waarnemen’, waarbij ook het verstand een rol speelt, zodat uit hetgeen wordt opgemerkt conclusies kunnen worden getrokken. Raven: Volgens Lev. 11:15 onreine dieren. 25. Een el aan zijn lengte: Vgl. Ps. 39:6. De bedoeling is: als ge het geringste al niet kunt, waarom zult u zich dan bezorgd maken om het overige dat helemaal niet in uw macht ligt. 27. Leliën: De bloemenpracht van de leliën die zo maar in het wild groeien, overtreft de pracht en praal van koning Salomo (vgl. 2 Kron. 9:13vv). 29. Weest niet verontrust: Wees niet angstig. De levenshouding van de volken stemt overeen met die van de boer in vs 19. 31. Rijk naar God toe is hij die Gods Koninkrijk leert zoeken. Onder Gods heerschappij zal het hem aan niets ontbreken. 32. Klein kud-deke: In het O.T. wordt het beeld van de kudde gebruikt voor Israel. Hier toegepast op de kring van Jezus’ volgelingen. Zulk een kleine kudde is blootgesteld aan gevaren. Daarom is er de opwekking: Vrees niet (vgl. Jes. 41: 14). Voor de woorden ‘het Koninkrijk geven’ zie Dan. 7: 27. 33. De juiste wijze van omgaan met zijn bezit wordt gekenmerkt door de barmhartigheid jegens de armen. Zie ook Luc. 18:22; Hand. 4:32-37. Beurzen die niet oud worden: Dwz. zij zijn vaak in handen als teken van vrijgevigheid. Welgestelden droegen zulke beurzen. Zie voor de betekenis van vs 33 ook Hand. 20:35. 34. Vgl. Mat. 6: 21.

Waakzaamheid 12:35-48

35-36. Zie Mat. 25:1-13. Met twee beelden worden de leerlingen opgeroepen om bereid te zijn tot dienst. Uw lendenen omgord: Vgl. Ex. 12:11. Het lange kleed moest omhoog getrokken worden door een gordel zodat de voeten vrij kwamen, gereed voor vertrek. De discipelen worden opgewekt tot een nieuwe exodus uit de wereld van het angstig bezorgd-zijn en het verzamelen van rijkdommen. Uw lampen brandende: De leerlingen moeten gelijk zijn aan mensen, die wachten op de komst van hun meester na het bruiloftsmaal ter gelegenheid van de bruiloft van een vriend. In deze gelijkenis is het de meester, die buiten staat (vgl. Op. 3:20). Zie daarentegen Luc. 13: 25 en Mat. 25:11. 37. Zalig de slaven… hij zal… komen… om hen te bedienen: Dat betekent een volledige omkeer van de verhoudingen; de heer wordt knecht en dient zijn slaven (vgl. Luc. 22:27; Mar. 10:45; Joh. 13:45). Zo handelt Jezus tegenover hen die waakzaam Hem verwachten. de tweede of in de derde nachtwake: De Joden verdeelden de nachtwake in 3 perioden; de Romeinen kenden er vier. Lucas volgt hier vermoedelijk de joodse indeling. Het tijdstip van de parousie is onbekend. Het kan ook in de nacht gebeuren (vgl. 1 Tess. 5: lw). 39. Voor het beeld van de dief in de nacht zie 1 Tess. 5:2; 2 Petr. 3:10, Op. 3:3; 16:15. Inbreken: Nl. het doorgraven van de lemen wand van het huis (vgl. Mat. 24:43). Beide gelijkenissen onderstrepen de noodzaak om waakzaam en bereid te zijn. De verzen rekenen met een zekere tijdsduur tot aan de wederkomst. Onverwachts zal de komst van de Zoon des mensen plaatsvinden (vs 40).

aansluiting aan de vraag van Petrus, hier genoemd met de naam waarmee hij ook in Handelingen steeds wordt aangeduid als apostel, volgt een gelijkenis die speciaal de verantwoordelijkheid en de voorrechten van de leiders der gemeente aan de orde stelt (zie ook Mat. 24: 45vv). 42. Rentmeester: Nl. een slaaf die als beheerder over het huispersoneel was aangesteld zoals Jozef in Egypte. Zie voor het beeld van de rentmeester 1 Kor. 4: lv; Tit. 1:7; 1 Petr. 4:10; Ef. 3:2; Kol. 1:25. Wie is dan…: De hoorder wordt uitgenodigd zich met het onderwerp van de gelijkenis te identificeren. Hun deel: De toegemeten portie brood dat op de romeinse landgoederen op gezette tijden werd uitgereikt. 43. Zo: dwz. als een trouw en wijs rentmeester. 45. De tegenstelling tot trouwe dienst is het wanbeheer en het machtsmisbruik. 46. Folteren: Het griekse werkwoord betekent letterlijk: ‘in tweeën delen, splijten, vierendelen’. Zie Ex. 29:17. In de oudheid was zulk een straf niet onbekend zoals auteurs als Homerus en Herodotus laten zien. 47-48. Beslissend is het al of niet kennen van de wil van God voor de zwaarte van de straf over de ontrouwe dienaren. God die geeft, vraagt ook rekenschap. Op de achtergrond staat de oudtestamentische spreekwijze over zonden die bewust, tegen beter weten in gedaan worden en zonden uit onwetendheid begaan (Num. 15:30; Deut. 17:12; Ps. 19: 13).

Tekenen der tijden 12:49-59

De verzen 49-50 hebben geen parallel bij Matteüs. Vuur: Dit woord staat met nadruk voorop. Voor ‘vuur’ als aanduiding voor het gericht van God zie Ps. 66:12; Jes. 43:2; Zach. 13:9; Mal. 3:2; Luc. 3:9. In Jer. 5:14 en 23: 29 wordt het Woord Gods met een vuur vergeleken. Jezus’ komst is de grote krisis (vgl. Luc. 3:16vv). Vuur loutert en maakt scheiding. Ben Ik komen werpen: De werkwoordsvormen drukken uit, dat het bezig is te gebeuren. Wat is mijn wil: Dwz. hoe verlang Ik er naar. Jezus hunkert naar het moment dat God zijn schepping gaat richten, dwz. recht-zetten. 50. Met een doop: Nl. zijn lijden en sterven. God voltrekt deze doop aan Jezus (daarop wijst het passivum: gedoopt worden). Vgl. Ps. 42:8; 69: 3. Als de komende rechter gaat Jezus zelf onder in de vuurgloed van het oordeel. Hoe beklemt het mij: Andere vert.: Hoe word Ik er door in beslag genomen.

51. Vrede… veeleer verdeeldheid: Christus’ komst brengt niet terstond een situatie van heil, van heel-zijn in de wereld. De vrede komt door de strijd en het lijden heen (vgl. Jer. 6:14). In Mat. 10:34 is ipv. ‘verdeeldheid’ sprake van het zwaard. De wegen van de mensen gaan bij Christus uiteen, zelfs tot in het gezin toe (vgl. Mi. 7:6vv).

52. Van nu aan: Dwz. vanaf de komst van Christus. 5456. Jezus richt zich tot de scharen. Ze weten de verschijnselen die een bepaald weertype aankondigt te onderkennen, maar ze verstaan niet de tijd, dwz. de door God gestelde tijd, de tijd waarin Jezus Christus present is, de tijd van zijn heilswerk die voor hen een genadetijd is (vgl. Luc. 19:44). Maar de mensen laten deze tijd onbenut voorbijgaan. Wolk… in het westen: In het westen ligt de zee en vandaaruit komt de regen in Palestina (1 Kon. 18:44). Zuidenwind: Waait deze, dan komt er hitte. 57-59. Oordeelt gij niet uit u zelf: Jezus vraagt hen waarom zij niet zelf beoordelen, onderscheiden wat recht is. Laat men die tijd voorbijgaan, dan ontloopt men het oordeel van God niet. Tegenpartij… rechter… gerechtsdienaar (het griekse woord is een technische term voor deurwaarder, die de schuld komt innen). Lucas beschrijft romeinse rechtsverhoudingen. Laat de debiteur met zijn schuldeiser in goed overleg een regeling treffen (vgl. Mat. 5:25). Doet hij dat niet, dan wacht hem de gevangenis. De laatste duit: De kleinste koperen munt in het romeinse systeem. Het joodse recht kende geen gijzeling in de vorm van gevangenisstraf voor de schuldenaar. Lucas past de gelijkenis toe als waarschuwing zich voor te bereiden op het komende oordeel, de krisis die de verzen 49-59 beheerst.

Omkeer noodzakelijk, 13:1-9.

Een tweetal voorvallen uit het leven van die tijd vormen voor Jezus aanleiding zijn hoorders op te roepen tot bekering. De daaropvolgende gelijkenis met de prediking van Gods geduld sluit daarbij aan.

1.Galileeërs, wier bloed Pilatus… vermengd had: Galilea gold als de bakermat voor de joodse verzetsbeweging van de Zeloten. Zinspeelt Lucas op de gebeurtenis vermeld in Hand. 5:37? Of moeten we denken aan een andere, ons niet overgeleverde, gebeurtenis? Pilatus heeft volgens dit bericht een aantal verzetsstrijders laten doden in de tempel tijdens offerhandelingen, misschien tgv. het Pascha. Het past bij het beeld wat ons van Pilatus is overgeleverd. 2. Meent gij: Op de achtergrond staat de joodse opvatting dat alles wat iemand overkomt een direct gevolg is van een door hem bedreven kwaad. De getroffenen zouden dan groter zondaars zijn geweest dan anderen. Wellicht tendeerde ook de boodschap van de ons niet nader bekende berichtgevers in deze richting: Waarom moesten de Galileeërs dit lot ondergaan? 3. Neen, zeg Ik u: Met gezag wijst Jezus de joodse vergel-dingsleer af (vgl. Joh. 9:2-3). Laat men de tekenen der tijden onderkennen. Bekering is nodig. Wie zich niet bekeert, kan en zal evenzo omkomen. Sommige uitleggers veronderstellen dat Jezus zinspeelt op de verwoesting van Jeruzalem. Zeker is dit niet. Eerder is te denken aan het laatste oordeel. 4. Die achttien: Er is geen reden om samenhang te zien met een opstand van Zeloten die zich in die toren verschanst zouden hebben. Toren: Of een verdedigingstoren in de stadsmuur öf een toren die behoort bij de waterbouwkundige werken van de stad. Si-loam: De vijver Siloam was door een tunnel van ruim , gegraven onder Hiskia (2 Kon. 20:20) verbonden met de niet opdrogende bron Gihon. 5. Zie vs 3.

6-9. Een derde oproep tot bekering, ditmaal in de vorm van een korte gelijkenis. Er is aansluiting aan het voorgaande. Waakzaamheid, die de door God gestelde tijd onderkent is nodig. 6. Vijgeboom: Zie Mar. 11:13 en Mat. 21:18- het O.T. wordt Israel de wijngaard desHeren genoemd (Jes. 5:1-5; Ps. 80:9-17; Jer. 24:2-6; Hos. 9:10,16; Ez. 15:1 w). Een onvruchtbare vijgeboom en wijnstok roepen Gods oordeel op (Jer. 8:13; Hos. 9: 10; Mi. 7:1; Hab. 3:17). God, de Eigenaar van zijn volk zoekt bij Israel vrucht van geloof en gehoorzaamheid. 7. Driejaar: Een vijgeboom kan gedurende 3 jaar tot rijpheid komen (Lev. 19:23). Vroege vijgen zijn in mei rijp. Een grotere opbrengst leveren de zomervijgen op die van augustus tot in October geplukt worden. Wellicht kan bij de 3 jaar gedacht worden aan de 3 jaar van Jezus’ werkzaamheid in Israel, Gods wijngaard (vgl. Luc. 3:89; 20:9vv). 8. De wijngaardenier wil er extra zorg aan besteden (vgl. Jes.5.T-7). 9. Omhakken: De tijd van de genade duurt niet eindeloos. Er is een grens aan Gods lankmoedigheid (vgl. Rom. 11:22). Jezus zelf is de wijngaardenier die pleit voor zijn volk.

Een genezing op sabbat 13:10-17

Het verhaal van de genezing van de vrouw illustreert enerzijds de zorg van Jezus ten opzichte van Israel en Gods reddende liefde, anderzijds de huichelarij van de joodse leiders die weigeren zich te bekeren. 11. Een geest van zwakheid… verkromd: De al achttien jaar durende ziekte heeft organische veranderingen in het lichaam van deze vrouw ten gevolge gehad. In vs 16 wordt gezegd dat de satan haar 18 jaar gebonden had. 12. Sprak Hij haar toe: Tegen de gewoonte in. Een vrouw was religieus en cultisch niet volwaardig. Bovendien was deze vrouw naar joodse opvatting door haar ziekte een door God gestrafte. Gij zijt verlost: Door Jezus bevrijdt God haar van haar kwaal. Zoals een gevangene bevrijd wordt, zo maakt Christus haar vrij uit de band van de satan (vgl. Luc. 4:18-19; 1 Joh. 3:8). Ook hier is de reactie op de reddende daad van Jezus de verheerlijking van God (vgl. Luc. 7:16 en Hand. 11:18). 14. De overste der synagoge: Zie Luc. 8:49. De functionaris is verontwaardigd over de verbreking van het verbod op sabbat te werken. Zijn ergernis tegen Jezus uit hij aan het adres van de schare! 15. Maakt ieder van u… niet los: Het drenken van het vee op sabbat was kennelijk algemeen gebruik. Er is overeenkomst tussen ‘verlossen’ (vs 12) en ‘losmaken’ (vs 15); zie ook vs 16, waar Jezus de joodse stijlfiguur ‘van het kleine naar het grote’ hanteert: als een dier al mag losgemaakt worden, hoeveel te meer een mens, één uit Gods eigen volk, een dochter van Abraham (vgl. Luc. 19:9). 16. Op de sabbatdag: Jezus laat juist de diepe zin van het sabbatsgebod zien. De sabbat is de dag van de voltooiing van de schepping en heenwijzing naar het komende Rijk. Daarom moest deze vrouw juist op sabbat genezen worden. 17. Lucas meldt een dubbele reactie. Jezus’ tegenstanders schamen zich (vgl. Jes. 45:16); de schare verheugt zich over de grote daden van God (vgl. Ex. 34:10; Deut. 10:21).

Mosterdzaad en zuurdesem 13:18-21

In deze twee contrastgelijkenissen van het Koninkrijk valt de nadruk op het contrast tussen het kleine begin en het heerlijke einde. Maar ook de gedachte van de groei is niet afwezig. Het kleine begin is teken, dat het Rijk komt en dat Gods heerschappij zich zal doorzetten. Terwijl de gelijkenis van het mosterdzaadje spreekt over de groei in extensieve zin, spreekt de gelijkenis van het zuurdesemover de doorwerking, de intensieve groei. De genezing van de vrouw is een teken van het nabijgekomen Koninkrijk. 19. Uit een miniem klein zaadje groeit een boom. Vogels… nestelden zich: Vgl. Dan. 4:10,12,21; Ez. 17: 23; 31:6. In het Rijk van God is ruimte voor alle volken. Met de ‘vogels’ zijn volken bedoeld (zie ook vs 29). 2021. Zuurdesem is oud, gegist deeg, dat aan meel toegevoegd een gistingsproces op gang brengt. Drie maten: Ongeveer . Het gaat om een geweldige hoeveelheid. Nam… en deed: Lett, ‘zij bergt het op in het meel’. Geheel doorzuurd: Het proces van de doorzuring treedt op de voorgrond. Terwijl in 12:1 het beeld in negatieve zin gebruikt wordt, gaat het hier om de openbaring van het Koninkrijk. Vanuit de zekerheid van het heerlijke einde krijgt de tijd tussen begin en einde betekenis.

De weg van het Koninkrijk 13:22-14:35
Ingaan in het Koninkrijk 13:22-30

Naar aanleiding van een vraag over het al of niet behouden worden, beklemtoont Jezus de noodzaak om in te gaan door de enge poort, eer het te laat is.

22. Predikende en reizende naar Jeruzalem: Lucas knoopt met dit vs aan bij 9:51. Jezus trekt doelgericht voort naar Jeruzalem. Onderweg geeft Hij zijn onderricht (vgl. 4:15). 23. Weinigen: In joodse geschriften wordt de vraag of er veel of weinigen behouden zullen worden, verschillend beantwoord. Enerzijds was er de opvatting dat heel Israel aan de toekomstige wereld deel Zou hebben. Anderzijds lezen we in het joodse geschrift IV Ezra dat slechts weinigen de verkwikking van de toekomstige wereld zullen ontvangen. Die behouden worden: Lett, ‘zij die op weg zijn naar de redding’. Met die redding is het eschatologische heil van het eeuwig leven bedoeld. Vgl. Hand. 2:47; 1 Kor. 1:18; 2 Kor. 2:15. De vraag kan ook zijn achtergrond hebben in het feit dat de reis naar Jeruzalem bepaalde verwachtingen wekte ivm. de messiaanse tijd. 24. Tot hen: Het antwoord richt zich tot een bredere kring (vgl. 12:15). Er dient niet gespeculeerd te worden over het getal. Ieder persoonlijk heeft zich te beijveren om het Koninkrijk in te gaan. Strijdt: In de griekssprekende joodse wereld werd het werkwoord gebruikt voor de strijd die de gelovige te strijden heeft, ook de strijd van de martelaren. Zie voor wat betreft het N.T.: Joh. 18:36; 1 Kor. 9:25; 1 Tim. 4:10; 6:12; 2 Tim. 4:7. De enge poort: Zie Mat. 7:13-14. Lucas spreekt over een deur en bedoelt dus de ingang van een huis, de toegang tot een feestzaal (vs 29). Velen: Daarmee accentueert Jezus de ernst van de beslissing. Nu is het tijd zich te bekeren. Wanneer die tijd voorbij is, zullen velen trachten in te gaan, doch dan zal het tevergeefs zijn. 25. Vgl. Mat. 25:11. Als de gasten binnen zijn, sluit de heer des huizes de deur. Ik weet niet van waar gij zijt: De hoorders worden er persoonlijk bij betrokken. Vgl. Mat. 7:23vv. 26. Dit vs wijst op de noodzaak volgeling van Jezus te worden in de weg van geloof en bekering. Tafelgemeenschap en onderricht op zich baten niet. 27. Gaat weg van Mij: Zie Ps. 6:9. 28. Niet binnengelaten worden betekent uitgesloten te zijn van de gemeenschap met aartsvaders en profeten in het Koninkrijk van God. Geween en tandengeknars: Volgens sommigen een uitdrukking van woede. Anderen denken meer aan de vertwijfeling van mensen die ontdekken dat zij door eigen schuld buiten het heil staan. 29. Uit alle windstreken zullen mensen binnentreden in het Rijk. Het messiaanse Rijk wordt hier voorgesteld onder het beeld van een feestmaal (vgl. Jes. 25:6). Voor de oudtestamentische verwachting van het heil voor de volken zie Jes. 43:5; 49:12; 59:19; Mal. 1:11, 30. Vgl. Mat. 19:30 en Mar. 10:31. Wie zichzelf als deelgenoot beschouwt komt buiten te staan. Wie strijdt om in te gaan en zich bekeert, kan van laatste eerste worden.

Jezus moet sterven te Jeruzalem 13:31-35

Ook in deze perikoop treffen we het thema van het ‘reizen naar Jeruzalem’ aan, in verband met een waarschuwing van sommige Farizeeërs tegen Herodes en een klacht van Jezus aan het adres van Jeruzalem. 31. Enige Farizeeën: Zijn zij handlangers van Herodes? Of zijn ze Jezus vriendelijk gezind? Het beeld wat Lucas schetst inzake de Farizeeërs is genuanceerd. Waarschijnlijk gaat het om mensen die op zich niets tegen Jezus hebben, maar Hem toch vanwege zijn radicale uitspraken liever uit hun buurt hebben. Herodes en de Farizeeërs hebben dan, op grond van verschillende motieven, er belang bij dat Jezus het veld ruimt omdat hij een gevaar is voor de orde. Herodes wil u doden: Vgl. 3:19 en 9:7-9. 32. Die vos: Dat tekent de sluwheid van Herodes, tegelijk ook het onbetekenende van deze man, zie ook Hoogl. 2:15; Klaagl. 5:17, 18. Gaat heen: Hetzelfde woord als in vs 31. Jezus’ werk is nog niet voltooid. Op de derde dag: Een korte tijd zal Jezus’ werk nog voortduren, dan komt spoedig het einde. Maar gelet op het werkwoord kan er ook een zinspeling in liggen op de derde dag, nl. de dag van de opstanding. Ben Ik gereed: Lett. Tk word voleindigd’. Op Gods tijd komt het einde van de reis en de voltooiing van Jezus’ werk. 33. Ik moet… reizen: Van Godswege is er de opdracht. Tot die opdracht behoort ook het lijden. Buiten Jeruzalem: Niet Herodes, maar Jeruzalem zal zijn dood worden. Jezus laat zich niet door Herodes weerhouden. Hij gaat de route die zijn Vader Hem wijst. De dood zal zijn taak niet vernietigen, maar afsluiten. Door de dood heen is er de voltooiing. 34. Jeruzalem, Jeruzalem: Vgl. Mat. 23:37-39. Voor de herhaling zie Luc. 10:41. Dat de profeten doodt: Zie Jer. 26:20vv. En stenigt: Zie Luc. 11:51 (vgl. 2 Kron 24:21). Jeruzalem staat hier pars pro toto als aanduiding van Israel. Jezus’ lijden en sterven is maar geen incident, maar vervulling van het lot van de profeten. Daar waar het brandpunt van de eredienst is, daar sterven de profeten. 34. Gelijk een hen haar kuikens: Zie Deut. 32:11; Jes. 31:5; Ps. 91:4. Het beeld drukt de zorg van God uit voor zijn volk. Niet gewild: dat wijst op de schuld van de aangesprokenen. 35. Uw huis wordt aan u overgelaten: Aankondiging van het oordeel (vgl. Jer. 12:7; Ez. ll:22vv). Totdat gij zegt: Dit vs wijst naar de parousie. Vgl. Hand. 3:19; Rom. 11:15,25-32. Zie voor het citaat ook Luc. 19: 38. Bij de intocht in Jeruzalem werd Jezus begroet met de woorden uit Ps. 118:26, bij zijn wederkomst zal Hij met ditzelfde woord ingehaald worden door allen die Hem als hun Messias en Here aanvaard hebben. Het oordeel is niet het laatste woord over Jeruzalem.

De genezing van een waterzuchtige op sabbat 14:1- de vss 1-24 gaat het om gebeurtenissen en gesprekken in het kader van een maaltijd. Dit thema is reeds aangeduid in 13:28-29. Het hoofdstuk in zijn geheel illustreert de wijze van Jezus’ onderricht onderweg, op zijn reis naar Jeruzalem.

De vss 1-6 vormen een pendant van 13:10-17. Daar ging het om de genezing van een vrouw, hier om het herstel van een man op de sabbat, de dag, die heenwijst naar de tijd waarop de gebroken schepping weer heel zal zijn. 1. Sabbat… om brood te eten: Op sabbat gebruikte men driemaal een maaltijd. Het was de gewoonte na de bijeenkomst in de synagoge een feestelijke maaltijd te houden. Vooral rabbi’s van elders die de toespraak in de synagoge gehouden hadden, werden als gasten uitgenodigd. Een der hoofden: Het is nïet geheel zeker, wie hiermee bedoeld wordt. Is het een van de leiders van de groep Farizeeën? Of moeten we denken aan een leidende functionaris van de synagogale gemeente? Of aan een lid van het Sanhedrin die tot de partij der Farizeeën behoorde? Vgl. ook Joh. 3:1. Nauwkeurig acht op Hem sloegen: Zie bij Luc. 6:6-11. 2. En zie: Er gebeurt iets verrassends en onverwachts. Deze zieke was bepaald niet uitgenodigd! Een waterzuchtig mens: Waterzucht of oedeem is een abnormale opeenhoping van vocht in de weefsels, waardoor lichaamsdelen opgezwollen raken. In de regel wijst het verschijnsel op een ernstige inwendige ziekte. 3. De vraag van Jezus beneemt de aanwezigen de mogelijkheid Hem achteraf een verwijt te maken. 4. Zij hielden zich stil: Ze konden geen ja of nee zeggen. Zouden ze ja zeggen, dan zou men hen van laksheid ten opzichte van de thora kunnen betichten, zouden ze nee zeggen, van hardvochtigheid ten aanzien van een medemens in nood. En liet hem gaan: Vgl. voor hetzelfde Luc. 13: 12. De genezing is teken van de bevrijdende heerschappij van God. 5. Als een zoon of een os: Sommige handschriften lezen ipv. ‘zoon’ (huios), ‘ezel’ (onos) of ‘schaap’. De gewijzigde lezing is wel te verklaren uit het feit dat men de combinatie van ‘zoon’ en ‘os’, dus mens en dier, vreemd vond. Anderen vertalen: Uw zoon of zelfs uw os. De bedoeling is duidelijk: wat je je eigen kind of je vee niet weigert, moet je ook voor een ander laten gelden. 6. Tegen de constatering van Jezus kan niemand iets inbrengen.

Gasten en gastheer bij de maaltijd 14:7-14

Een tweetal korte gelijkenissen vormt de overgang tot de gelijkenis van de verontschuldigingen. In alle drie gaat het om de maaltijd als heenwijzing naar het eschatologische heil in het Koninkrijk van God. 8. Op een bruiloft: Vgl. Jes. 25:6; Mat. 25:1; Luc. 12:36; Op. 19:7. Op de eerste plaats: De gasten lagen aan op rustbanken. De ereplaatsen waren aan het hoofdeinde van de tafel of in het midden van de middelste rustbank. Kriteria waren ambt of vermogen; pas later (na 300) gold ook de leeftijd als een kriterium. Voorname gasten kwamen later. 9-10. De gastheer heeft het recht de gasten zo te rangschikken als hij wil. Tegenover elkaar staan ‘schande’ en ‘eer’. 11. Vernederd worden… verhoogd worden: Zo gaat het toe in Gods Koninkrijk (vgl. Luc. 1:46-55). God is het die vernedert, wie zichzelf verhoogt en verhoogt, wie zich vernedert (vgl. ook 1 Sam. 2:lw; Luc. 18:14; 1 Petr. 5:5;Jac. 4:6). De houding van ootmoed heeft niets te maken met kruiperigheid of slaafsheid. Op de achtergrond staat veeleer het geheim van Jezus’ messiaanse dienst (vgl. Luc. 22:27; Filp. 2:6vv).

12-14. Nadat Jezus het woord gericht heeft tot de gasten, wendt hij zich in deze vss tot de gastheer. Aanzienlijke Joden kenden de gewoonte gasten te vragen voor de vroege of de late maaltijd.

Waarom moet men niet vrienden, verwanten of rijke buren nodigen? Zij kunnen je op hun beurt uitnodigen, zodat men over en weer ‘quitte’ staat. 13. Maar… nodigt bedelaars, misvormden, lammen en blinden: Hier worden vier categorieën genoemd die tot de maatschappelijk en cultisch uitgestotenen behoorden. Volgens 2 Sam. 5:8 hadden zij geen toegang tot de tempel. In een van de geschriften uit de bibliotheek van de gemeenschap van Qumran worden zij uitgesloten van de vergadering des Heren. Jezus’ liefde gaat juist tot deze armen uit. Zij hebben geen mogelijkheid terug te betalen. Wie hen nodigt doet dat uit onbaatzuchtige liefde. 14. Zalig: Dwz. deelhebbend aan het heil van Gods Koninkrijk. De opstanding der rechtvaardigen: Jezus sluit zich aan bij een joodse spreekwijze. Er waren twee opvattingen over de opstanding: sommigen leerden de opstanding van allen. Anderen waren van mening dat alleen de rechtvaardigen, dwz. zij die vasthielden aan de geboden, zouden opstaan. Ook in dit woord doorbreekt Jezus de loonge-dachte van zijn tijdgenoten. Beslissend in Gods oordeel is geloof, dat door de liefde werkt (vgl. Mat. 25:31-46).

De gelijkenis van de verontschuldigingen 14:15-25

15. Zalig: De zaligspreking van de tafelgenoot knoopt aan bij vs 14: ‘Gij zult zalig zijn’. Wil de gast Jezus’ woorden corrigeren? Betuigt hij zijn instemming? Of wil hij met een ‘vrome frase’ de voor de Farizeeërs pijnlijke situatie na Jezus’ kritische woorden ahw. neutraliseren. Dat laatste lijkt het waarschijnlijkst. De gelijkenis, die Jezus uitspreekt laat dan des te scherper de bedoeling van de vss 12-14 zien.

16. Een grote maaltijd: Vgl. Jes. 25:6; Mat. 8:11; 26:29. Het Koninkrijk van God betekent een feest, overvloed, verzadiging. 17. Zijn slaaf: God richt het feestmaal aan en laat mensen nodigen tot zijn Rijk. Jezus’ komst betekent de definitieve nodiging aan het adres van Israel.Om tot de genodigden te zeggen: Gasten werden 2x genodigd. Na een uitnodiging geruime tijd tevoren volgde kort voor het begin een herinnering. De knecht behoefde alleen maar te zeggen dat alles in gereedheid was. De weigering van de genodigden komt daardoor in een des te schriller licht te staan. 18. Tegen alle regels in verontschuldigen de genodigden zich. Akker… bezien: Het is toch wel erg vreemd dat men een akker koopt, zonder die gezien te hebben. 19. Vijf span: Dat doet denken aan een grootgrondbezitter. Ik verzoek u: De tweede laat het ‘noodzakelijk’ achterwege. 20. Een vrouw getrouwd: Volgens de bepalingen van Deut. 20:5,7 en 24:5 was de pas gehuwde van deelname aan de strijd vrijgesteld. Hier is het een ander geval. In dit geval blijft zelfs een verontschuldiging achterwege. 21. Straten en stegen: De plaatsen waar de bedelaars zich ophielden. Juist de in vs 13 genoemden worden genodigd, nl. de misdeelden, zij die naar het oordeel van de joodse geestelijke elite niet in telwaren. 23.De wegen en de paden: De landwegen buiten de stad. Dwing hen binnen te komen: Hier moet niet gedacht worden aan letterlijke dwangmaatregelen en gebruik van geweld, zoals deze tekst wel is verklaard, met alle vreselijke gevolgen van dien. ‘Dwingen’ wil hier zeggen: ‘dringend uitnodigen’ (vgl. Mat. 14:22; Mar. 6:45). De uitdrukking moet verstaan worden tegen de achtergrond van de oosterse gastvrijheid die met ‘zachte drang’, met vasthoudendheid zijn gasten nodigde (vgl. Gen. 19:3; Hand. 16:15). Er zit een climax in de nodigingen: zeggen (vs 17), brengen (vs 21) en in vs 23 dwingen of dringen. Alles stelt de gastheer in het werk om zijn huis vol te krijgen met gasten. 24. Mijn maaltijd: Nl. het feestmaal in Gods Rijk. Wie de nodiging weigert, stelt zichzelf buiten het heil. De gelijkenis tekent het universele heilsaanbod van de Here God. Israel is de eerstgeno-digde. Als de Farizeeërs en de overige leiders (14:3; vgl. 11:52) weigeren, zullen tollenaars en zondaars, de religieus misdeelden, hen voorgaan. Maar de blik reikt nog verder. In het geheel van Luc./Hand. is het zeer aannemelijk bij de derde categorie te denken aan de heidenen, die met de gelovigen uit Israel zullen delen in het heil.

Alles verlaten om Jezus’ wil 14:25-35

Ging het in het voorgaande om de ernst van de nodiging en de gevolgen van het niet-komen, in de vss 25vv worden ons de consequenties van het discipelschap voor ogen gesteld. Jezus’ woorden richten zich tot de scharen die met Hem meereisden (vgl. 13:22). Zie ook Luc. 9:5762 en 18:24-30 waar eveneens het aspect van het ‘alles verlaten om Jezus’ wil’ naar voren komt. De perikoop is als volgt opgebouwd: vs 25: inleiding; 26-27: twee parallelle uitspraken over het volgen; 28-32: twee parallelle gelijkenissen met toepassing (vs 33); 34-35: conclusie.

26. Zie ook Mat. 10:37. Niet haat: Dit moet verstaan worden tegen de achtergrond van het oudtestamentisch spraakgebruik (Gen. 29:31; Deut. 21:15-27; 1 Sam. 1: lw; 2 Sam. 19:7). De gehate vrouw is de niet beminde, de ten achter gestelde. Wie achter Jezus komt als zijn volgeling dient in het licht van het Koninkrijk alle andere bindingen te relativeren. 27. Niet zijn kruis draagt: Vgl. Luc. 9:23. Een door de Romeinen tot de kruisdood veroordeelde droeg zelf de dwarsbalk (vgl. Luc. 23:26; Joh. 19:17). Het is mogelijk dat hier gedacht is aan het martelaarschap als consequentie van de navolging. Het is delen in de smaadheid van Christus (Heb. 13:13). Belijden en navolging impliceren lijden. Achter Mij komt: Vgl. de oudtestamentische tegenstelling van het gaan in de wegen des Heren of het achternagaan, dwz. volgen van de afgoden (Deut. 13:4; 1 Kon. 18:21). 29. Want: De nu volgende gelijkenissen verklaren de vss 26-27. 29-30. Wie een toren (of torenachtig gebouw als bedrijfsruimte?) gaat bouwen dient eerst de kosten te berekenen. Christus vraagt de gehele mens. Is de bereidheid aanwezig Hem te volgen?Wie van u: Vgl. 11:5. 31-32. Vgl. Hand. 12:20. 33. Volgeling van Christus zijn betekent afstand doen van al wat men heeft en de volstrekte zeggenschap van Christus aanvaarden.

34- deze vss worden ons de gevolgen van een halfslachtige levenshouding tov. Christus geschetst. Vgl. voor de spreuk Mat. 5:13; Mar. 9:49.50. Zout was in die tijd een ruw product, dat o.a. gewonnen werd aan de oevers van de Dode Zee. Het ruwe zout bevatte allerlei bijmengsels. Raakte het deze kwijt, dan was het smaakloos en dus ook waardeloos. 35. Zie Luc. 8:8.

Het goede nieuws voor de verlorenen 15:1-32

Het thema van hoofdstuk 15 is de vreugde bij God over het vinden en redden van verlorenen, in tegenstelling tot de ergernis bij de geestelijke leiders van Israel. In 14:21 was sprake van de nodiging tot het feestmaal aan het adres van de uitgestotenen (vgl. 14:13). Jezus eet met hen (15:2). Farizeeërs en schriftgeleerden ergeren zich aan Jezus’ omgang meilieden van verdacht allooi of een in hun ogen oneerzaam beroep dat hen op gespannen voet deed staan met de eisen van de thora. In de drie gelijkenissen rechtvaardigt Jezus zijn handelen en ontmaskert Hij de ergernis van zijn tegenstanders.

Het verloren schaap 15:1-7

1.Al de tollenaars… komen: Zij geven gehoor aan het appèl van 14:35. Zie voorts Luc. 5:29; 7:34. Morden: Vgl. bij 5:30. Israels leiders doen wat de Israëlieten zo vaak deden: mopperen over Gods weg en werk. Zij versperden zich daardoor de ingang in het beloofde land. Ontvangt… en eet: Jezus doet wat volgens 13:25vv het eschatologische heil vormt, de maaltijd in Gods Rijk. Zijn houding botst met de rabbijnse regel, volgens welke een mens het gezelschap van de goddelozen moet mijden. 4. Honderd schapen: Het gaat om een boer met een middelgroot bedrijf. Verliest: Een kernwoord in dit hoofdstuk, vgl. vs 6,8,9,24,32. De herder gaat op zoek naar het verloren schaap. Rabbijnen vertelden een gelijkenis van een veedrijver die van een koppel van twaalf dieren, beladen met wijn, er een kwijt raakt, die terecht komt in het huis van een niet-israelitische wijnhandelaar. De rabbijnse gelijkenis illustreert de wetsgetrouwheid en de gedachte van de uitverkiezing van de wetsgetrouwe. In de wildernis: Nl. de gemeenschappelijke weidegrond waar de schapen onder de hoede van wakers bleven (vgl. Joh. 10:3). 5. 77//… het op zijn schouders: Een afgedwaald schaap wil niet meer lopen; het herleeft pas in de kudde. De herder helpt het zwakke dier (vgl. Gen. 48:15; 49:24; Ez. 34:15; Ps. 23). 6. Verblijdt u: Er is vreugde over het terugvinden van het verloren schaap (vgl. Ps. 119:76; Ez. 34:4). 7. Ik zeg u: Jezus geeft de toepassing in dit vs. Tegenover het gemor van Farizeeërs en schriftgeleerden staat de vreugde bij God. Jezus openbaart en demonstreert deze vreugde in zijn zoeken en redden van het verlorene. In de hemel: Di. bij God. De conclusie gaat van het kleinere (het schaap) naar het grotere (de redding van zondaren). Meer dan over negenennegentig rechtvaardigen: Dit is wel ironisch bedoeld. Zij die zich als rechtvaardig in eigen ogen beschouwden menen geen bekering nodig te hebben. Het meer dan drukt een tegenstelling uit. Tegenover de vreugde waar Jezus van spreekt staan de rabbijnse uitspraken die spreken over de vreugde van God over de rechtvaardigen en over de ondergang der goddelozen.

De verloren penning 15:8-10

8.Of welke vrouw: Naast het verhaal over de herder, een man, nu een gelijkenis waarin een vrouw het onderwerpis. Tien schellingen: Tien drachmen. Een drachme is een griekse zilveren munt. De waarde van een schaap bedroeg omstreeks 300 v.Chr. een drachme. Later verminderde de drachme in waarde. De tien munten vormden kennelijk het vermogen van de vrouw. Verschillende geleerden hebben gedacht aan een halssieraad dat als huwelijkscadeau gegeven was. Meer dan een mogelijkheid is dit niet. Een lamp: Dat was noodzakelijk in de vensterloze oosterse woningen. Bovendien was een drachme niet gemakkelijk terug te vinden wanneer men die op de grond had laten vallen. Zorgvuldig: Vgl. Luc. 10:34; Hand. 27:3. 10. Bij de engelen Gods: Dit behoeft niet persé een omschrijving te zijn die hetzelfde bedoelt als het ‘in de hemel’ (vs 7). De engelen (Heb. 1:14) die op belangrijke knooppunten in de heilsgeschiedenis een taak verrichten (Luc. 2:9; 22:43; 24:4; Hand. 1:10) verheugen zich over het heil des Heren. In beide gelijkenissen gaat het om hetzelfde thema: God die het verlorene zoekt en daarin volhardt, is zoals de beide gelijkenissen laten zien. In Jezus Christus is dit heil verschenen. En de tollenaars en zondaars hebben zich door Hem laten roepen. De dubbelgelijkenis (vgl. 13:18vv) onderstreept de zekerheid van dit getuigenis.

De Vader en de twee zonen 15:11-32

11. Iemand… twee zonen: Zie ook Mat. 21:28-32. Er is overeenkomst met de twee andere gelijkenissen (het motief van de vreugde; het vinden van het verlorene); er zijn ook verschillen; zo wordt in deze gelijkenis uitvoerig over de lotgevallen van de zoon verteld. In de vss 25-32 heeft de gelijkenis een tweede spits, nl. de ontmoeting van de vader met de oudste zoon. Ook deze gelijkenis predikt ons het handelen van God in Jezus tot redding van zondaren. Ten onrechte heeft men wel gezegd dat er in deze gelijkenis geen plaats zou zijn voor de Zoon, maar alleen voor de Vader. Christus zelf die deze gelijkenis heeft uitgesproken, staat er achter. Hij spreekt deze gelijkenis op weg naar Golgotha. Het feest van de vergeving (vs 24) is er alleen door Hem.

12. Geef mij… deel van ons vermogen: Volgens Deut. 21:17 kreeg de eerstgeborene 2/3 en de jongste zoon 1/3 van het vermogen. Het is moeilijk exact weer te geven wat er in de beschrijving van het verzoek van de zoon en de daad van de vader precies bedoeld is. Volgens sommigen gold een verdeling van het vermogen bij leven als een schenking, waarbij de schenker, de vader, onbeperkt vruchtgebruik genoot. De jongste zoon wil niet alleen de schenking, ook het vruchtgebruik ontneemt hij zijn vader. Anderen wijzen er op dat het griekse woord voor ‘vermogen’ (ousia) ook de landerijen omvatte, die niet in vreemde handen mochten overgaan. De jongste zoon doet alzo een aanval op het familiebezit. De vader deelt het bezit (bios) dwz. de roerende goederen onder zijn twee zonen.

13. Ging op reis naar een ver land: Di. een land overzee (vgl. Luc. 19:12). Emigratie naar de grote handelssteden van het Oosten kwam veelvuldig voor in die tijd; tegenover eenVi miljoen Joden in Palestina woonden er 4 miljoen in de Diaspora. 13. Overdaad: Jezus vertelt op sobere wijze, hoe de zoon zijn bezit wat de vader hem geschonken heeft, er doorbrengt. Zijn zonde is ontrouw aan het hem toevertrouwde. Vgl. in tegenstelling daarmee de brede schildering die de oudste zoon geeft van het gedrag van zijn broeder.

15. Drong zich op aan: Het griekse werkwoord betekent ‘zich hechten aan iemand’ (Hand. 5:13; 8:29; 17:34). Hongersnood en gebrek dwingen de (joodse) jonge man zijn arbeidskracht aan te bieden aan een heiden. Om zijn varkens te hoeden: Varkens waren onreine dieren (Lev. 11:7). De jongen is daardoor onrein, kan de sabbat niet meer vieren en is wel gedwongen gedurig zijn vaderlijke godsdienst te loochenen. Een spreuk uit een rabbijns geschrift luidt: ‘Vervloekt is de man die zwijnen hoedt’. 16. En hij begeerde… te vullen met de schillen: Plastisch wordt zijn honger geschilderd en daarmee zijn kommervolle situatie. Met de ‘schillen’ worden bedoeld de zgn. horentjes, de in de vorm van horentjes gebogen peulen van de Johannesbroodboom, het voedsel van de armen, maar ook als veevoeder gebruikt. Ten tijde van Jezus was er een spreuk die luidde: ‘Als de Israëlieten Johan-nesbrood nodig hebben, dan keren zij terug (tot God)’.

17. Toen kwam hij tot zichzelf: De zoon begint zich weer het vaderhuis te herinneren. In de vertaling wordt niet duidelijk, dat de griekse tekst hier een tegenstelling heeft: ‘Maar toen kwam hij tot zichzelf…’. Dagloners… en ik: De losse, tijdelijk ingehuurde werkkrachten hebben het beter dan hij. Hebben zij overvloed aan voedsel, hij dreigt om te komen van honger.

18. Zijn overweging voert hem tot het besluit terug te keren tot de vader. Tk zal me terstond op weg begeven’. Gezondigd tegen de hemel en voor u: Hij belijdt zijn schuld tegenover God en tegenover zijn vader. Bekering bevat ook de schuldbelijdenis. Lucas legt in Luc./Hand. er steeds weer nadruk op, dat het heil ontvangen wordt in de weg van bekering (Luc. 19:1-10; 24:47; Hand. 3:1719; 5:31; 16:30-31). 19. Niet meer waard: Hij heeft geen recht meer op de voorrechten van het kind, voedsel, kleding, onderdak. Hij wil het voor zich verdienen als loonknecht. In zijn berouw zit toch nog iets van het zelf goed te willen maken. 20b-24. Deze verzen bevatten het verhaal van de vader. Hij is het die het initiatief neemt. Met ontferming bewogen: Vgl. 7:13; 10:3; zie ook Luc. 1:7879. Hier staan we in het hart van de gelijkenis. Liep tegemoet: Lett, ‘op een drafje’ hetgeen niet paste bij de waardigheid van een bejaarde oosterling. Kuste hem: De vader stelt zich op gelijke hoogte als de zoon (vgl. Gen. 45:14-15; 44:4; 2 Sam. 18:33). De kus is teken van vergeving. 21. Vs 19b ontbreekt! 22-23. Het beste kleed: Als betoon van eer, vgl. Gen. 41:42. Klederen zijn vaak zinnebeeld voor de heilstijd. Ring: Bedoeld is de zegelring, als overdracht van de volmacht (vgl. Ester 3:10; 8:8). Schoenen: Slaven liepen blootsvoets. Schoeisel behoorde bij de waardigheid van de vrije burger. 24. De zoon wordt weer aangenomen als kind. Er wordt een vreugdemaaltijd aangericht, vgl. 15:4,8. Met twee parallelle tegenstellingen drukt de vader de grote wending uit die heeft plaatsgevonden: dood-levend; verloren-gevonden. De woorden drukken de tegenstelling uit van het leven buiten God en het leven in Gods gemeenschap.

25. Oudste zoon: Hij wordt ons getekend als toonbeeld van plichtsbesef. Muziek: Het griekse woord kan zowel een muziekgroep als een instrument aangeven. 26-27. Verwonderd informeert hij bij een van de knechts wat er gebeurd is. Uw broeder: Vgl. vs 32. Vgl. daarentegen dewoorden van vs 30: deze uw zoon, dwz. dat wanproduct van u. Zijdelings krijgt ook de vader daarin een verwijt. 28. Wilde niet: De griekse werkwoordsvorm wijst op een lange duur. Drong bij hem aan: Lett, ‘bad hem’ vgl. 2 Kor. 5:20. uw dienst: Lett, slavendienst. Uw gebod: de Joden kenden 613 geboden en verboden (resp. 248 en 365). Geitebokje: itt. gemeste kalf. Mijn vrienden: Dwz. de eigen, vertrouwde kring. In dit vs is de Farizeeër die neerkijkt op de tollenaren en zondaren aan het woord (vgl. vs 1-2). 30. De oudste zoon legt het verleden bloot. 31. Kind: Zoonschap betekent gemeenschap met de vader. Maar de oudste zoon heeft zich altijd alleen maar als slaaf gezien. 32. Vgl. vs 24. De gelijkenis heeft een open slot. Jezus doet daarmee een appèl op zijn hoorders. De liefde van de vader gaat uit tot beide zonen. Farizeeërs en tollenaars behoren beiden tot het volk Gods.

Omgaan met geld en goed 16:1-31

Terwijl in de hoofdstukken 14 en 15 Jezus’ zorg voor de armen en de verlorenen naar voren kwam, is het thema van hoofdstuk 16 het al of niet op de rechte wijze omgaan met geld en goed. Lucas laat sterker dan de andere evangelisten in zijn beide boeken het thema ‘de armen en de rijken’ horen. Het onderwijs is in eerste instantie gericht tot de leerlingen (vgl. vs 1) en waarschuwt hen voor het verkeerde gebruik van geld en bezit (16:1-13). Ook de Farizeeërs zijn in het adres betrokken (14vv), de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus is vooral aan hun adres gericht (16:19-31).

De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester 16:1-9

1.Ook: De gelijkenis heeft voor Farizeeërs en voor Jezus’ leerlingen betekenis, maar is vooral aan de laatsten gericht. Rijk man: Hiermee is wel bedoeld een landheer, eigenaar van een zgn. latifundium, zoals er in Galilea in die tijd veel te vinden waren. Dergelijke landgoederen waren in handen van romeinse eigenaars, die het beheer toevertrouwden aan een inheems rentmeester. Deze droeg zorg voor de inning van de pachten en de overige zaken. Rentmeesters hadden aanzienlijke wettelijke bevoegdheden. Aangebracht: Het griekse werkwoord betekent: ‘met vijandige bedoelingen iemand beschuldigen’. We behoeven daarbij niet persé te denken aan laster. Verkwisten: Hetzelfde werkwoord als in 15:13.

2.Geef rekenschap: Vgl. Mat. 12:36; Hand. 19:40; Heb. 13:17; 1 Petr. 4:5. De rentmeester moet alle bescheiden zoals oorkonden, rekeningen, schuldbekentenissen etc. overleggen. Zijn ontslag staat vast. Het ‘rekenschap afleggen’ dient ter controle of de aanklacht terecht was, of, zoals ook wel is geopperd, terwille van zijn opvolger. 3. Wetend, dat hij ontslagen is, probeert hij de hem nog resterende tijd te gebruiken om zich in te dekken. Wat moet ik doen? Zie voor de stijlvorm van de alleenspraak in de gelijkenissen Luc. 12:17; 15:17-19. Spitten kan ik niet: Dwz. ik heb er de kracht niet voor. De zinswending is in de griekse literatuur spreekwoordelijk bekend. 5. Eén voor één: Afzonderlijk worden de debiteuren bij de rentmeester geroepen. Op die manier zijn er geen getuigen. Een tactische zet van de rentmeester. 6. Honderd vaten olie: De omvang van de genoemde maat is . Complete waarde: 1000 denarii, dwz. lOOOx het dagelijks loon van een arbeider. De schuld wordt met de helft verminderd. Vlug: Dat kan zowel op ‘ga-zitten’ als op ‘schrijf’ betrokken worden. Het verhoogt het effect van de handeling. De debiteur moet zelf het bedrag veranderen.

7.Honderd zakken tarwe: Ook hiervan staat de waarde niet vast. Men heeft vermoed dat het gaat om de opbrengst vati 42 hektare land, ter waarde van zo’n 2500 denarii. Ook hier worden dan 500 denarii (= 20%) kwijtgescholden. In beide gevallen gaat het om grote bedragen die men schuldig was. Misschien moeten we bij deze debiteuren denken aan pachters die met de betaling van de pacht in natura achter waren. Bij de uitleg van deze gelijkenis komt altijd weer de vraag naar voren hoe het mogelijk is dat Jezus dit ‘geknoei’ op financieel gebied aan zijn leerlingen ten voorbeeld stelt. Er wordt dan op gewezen dat het punt van vergelijking niet is de financiële malversaties van de rentmeester, maar het met overleg handelen in een crisis-situatie. Als zelfs zo’n onbetrouwbare rentmeester al met overleg weet te handelen, hoeveel te meer behoren dat dan de kinderen van het licht te doen. De moeilijkheden komen te vervallen, als we een uitleg volgen die door een engels geleerde gegeven is. Volgens hem moeten we niet denken aan vervalsing van een schuldbekentenis of bedrog, maar moeten we de handelwijze van de rentmeester plaatsen tegen de achter-gronde van de joodse praktijken van het lenen. Dan deed zich altijd het probleem van de rente voor. De wet van Mozes verbood het nemen van rente. Toch werd er op grote schaal rente gevraagd. Het rentebedrag werd dan niet zwart op wit op de schuldbekentenis vermeld. Het aangegeven bedrag van de schuld was echter in werkelijkheid de som van de eigenlijke schuld plus het overeengekomen rentebedrag. Over rente werd formeel niet gesproken, maar ze werd wel berekend. Uit allerlei gegevens is bekend dat met name op een product als olie een rente berekend werd van 100 procent; bij tarwe bedroeg de rente 25 procent. Wat de rentmeester in dit geval dus deed was in feite niets anders dan dat hij de (onwettige) rente liet vallen en alleen de werkelijke schuld liet gelden.

8.De heer: De heer van de gelijkenis. Vele uitleggers denken dat we hier moeten lezen: de Here, nl. Jezus. Met overleg: Vgl. 12:42. Het woord wordt vaak gebruikt in verband met de houding die men moet aannemen met betrekking tot de komst van de Zoon des mensen. Wat de rentmeester, na een leven van onrechtvaardig beheer en zij het ook uit onzuivere motieven doet, is terugkeren tot wat de wet van Mozes gebood. Met overleg of met wijsheid handelen is handelen overeenkomstig de geboden des Heren. Kinderen dezer wereld… kinderen des lichts: Hebraïserende uitdrukking: ‘zij die behoren tot…’; met de laatste groep zijn bedoeld de volgelingen van Jezus (vgl. Joh. 12:36; 1 Tess. 5:5; Ef. 5:8). De uitdrukking is gevonden in enkele van de Dode-Zee rollen uit de grotten van Qumran.

9.De onrechtvaardige Mammon: Mammon betekent: datgene waarop men zijn vertrouwen stelt (vgl. het woord Amen). Rijkdom, vermogen, bezit is op zich niet verkeerd, maar kan een mens wel snel tot onrecht verleiden, als het geld doel op zich wordt. Maakt u vrienden:

Door een verantwoord beheer, door het delen met wie niet heeft toont men volgeling van Christus te zijn eri maakt men zich vrienden. Men u opneme: Sommige denken aan de eerder genoemde ‘Vrienden’. Beter is het te denken aan de engelen, als omschrijving voor de Naam van God. Eeuwige tenten: In de eeuwige heerlijkheid zullen de gezaligden in Loofhutten wonen als eertijds in de woestijn (vgl. Mar. 9:5; Op. 7:16-17).

Trouw in het beheer… trouw aan de ander 16:10-18

10-12. Het woord ‘onrechtvaardig’ verbindt deze spreuken met het voorafgaande. De tegenstelling tot ‘onrechtvaardig’ is trouw, dwz. eerlijk, betrouwbaar. Het ware goed: Dwz. het Rijk van God, dat eeuwig is. God is het die dit aan de discipelen zal toevertrouwen. 13. Vgl. Mat. 6:24. Lucas spreekt over een slaaf, nl. de huisslaaf die zich te verantwoorden heeft tegenover zijn heer. De tegengestelde woordparen ‘haten-liefhebben’, ‘hechtenminachten’ laten zien dat de mens zijn liefde niet delen kan. God vraagt ons gehele hart en ons gehele leven. Het woord ‘Mammon’ wijst terug op 16:1-9. 14. Geldzuchtig: Vgl. 2 Tim. 3:2; 1 Tim. 6:10. Ook in de kringen waarin de Dode-Zee rollen ontstaan zijn, de gemeenschap van Qumran, was kritiek op de hebzucht van de Farizeeërs. Misschien staat op de achtergrond van de farizeese instelling de gedachte dat rijkdom een speciale zegen van God is voor wetsgetrouwheid. Hoonden: dwz. lett. ‘zij trokken hun neus op’. 15. Zelfrechtvaardiging kan men mogelijk wel volhouden voor de mensen. God kent het hart. Vgl. Hand. 1:24; 15:8. Een gruwel voor God: In de LXX betekent het ‘wat cultisch onrein is’, bv. de afgoden. In het boek Spreuken het kwade tegenover dat wat God vraagt (Spr. 8:7; 11:1,20; 12:22; 28:9). Hoog: Zie Luc. 14:11; 19:14. 16. Wet en prof eten: Nl. de heilige Schrift van het O.T., vgl. vs 31.Tot Johannes: Johannes vormt een grens tussen de tijden. In zijn prediking worden wet en profeten samengevat. Sinds die tijd: De prediking van het Koninkrijk van God begint met de prediking van de Doper (vgl. Luc. 3:18; Hand. 1:21-22; 10:37-38; 13:24-25); in deze verkondiging wordt dit Koninkrijk ook manifest. Jezus, de Christus is de inhoud van deze prediking. Ieder dringt zich er in: Vgl. 13:24. Het ‘met geweld binnendringen’ moet vermoedelijk in positieve zin worden opgevat: zich ijverig moeite geven. Het ‘ieder’ geeft aan dit vs een missionaire spits.

17. Van de wet één tittel: De uitspraak van vs 16 betekent niet dat de wet van God zijn geldigheid verloren heeft, vgl. Mat. 5:18. 18. Als voorbeeld voor de handhaving van de wet wordt hier het verbod tot echtbreuk genoemd. Jezus vraagt de erkenning van de bedoeling van het huwelijk als verbond van trouw. Dat kan in principe slechts eenmaal gesloten worden. Ook nu weer neemt Jezus het op voor de vrouw.

De rijke man en de arme Lazarus 16:19-31

Deze gelijkenis heeft geen parallel in het Nieuwe Testament. Een joods verhaal vertelt van de arme geleerde en de rijke tollenaar Bar-Majan die met grote statie begraven werd, terwijl de arme geleerde slechts een eenvoudige begrafenis kreeg. De pointe in de gelijkenis die Jezus vertelt (vs 31) is geheel anders dan dit joodse verhaal, ondanks parallelle trekken.

19. Purper en fijn linnen: Purper werd gebruikt voor koninklijke gewaden. Linnen voor het onderkleed is een uit Egypte geïmporteerd artikel. Zo’n gewaad gold als luxe. Er is geen sprake van een met zoveel woorden uitgesproken veroordeling. Impliciet ligt dat er wel in. De schuld van de rijke is dat hij het leven tot een feest maakte, zonder de arme zelfs maar te zien! 20. Lazarus: Di. God helpt (Hebr. Eleazar). Dit is de enige keer dat iemand in een gelijkenis een naam draagt. Mogelijk zit in het ‘neergelegd’ opgesloten dat hij verlamd was. Voor samenhang met bedelarij zie ook Hand. 3:lvv. 21. Wat van de tafel van de rijke afviel: Hiermee zijn bedoeld stukken brood, die door de gasten gebruikt werden om de handen aan af te vegen en die vervolgens onder de tafel werden gegooid. Honden: Onreine straathonden vergrootten de kwelling van deze man. 22. En het geschiedde: Er treedt een wending op in het verhaal. In de schoot van Abraham: Dat is naar joodse opvatting de ereplaats in het eeuwige leven. De arme mag zich verheugen in de liefderijke nabijheid van de stamvader van Israel op een plek waar het aangenaam en koel was, volgens de rabbijnse traditie. 23. Dodenrijk: di. de Hades (Gr.), of Sjeool (Hebr.), verblijfplaats van de gestorvenen na hun dood. Deze plek wordt hier beschreven als plek van de pijn. De verblijfplaats van de doden wordt hier geschilderd met de kleur van de definitieve vergelding. Zag hij… Lazarus: Nu pas ziet de rijke man Lazarus, en dat terwijl deze jaar in jaar uit bij zijn voorportaal gelegen had. 24. Zend Lazarus… want ik…: Nog openbaart zich de zelfzucht van de rijke. Ook nu draait alles om zijn eigen ik en moet Lazarus daaraan dienstbaar zijn. Voor de bevrediging van zijn verlangens beroept de rijke zich op zijn relatie met Abraham en zijn behoren tot Abraham’s nageslacht. Overigens illustreert zijn verzoek de hevigheid van zijn kwellingen. Terwijl het paradijs een oord van stromen en bronnen is, doet de hitte van de Hades hem van dorst versmachten. 25. Kind: Ook de rijke is een uit het volk van het verbond. Vgl. bij dit vs Luc. 1:53. In het leven van de rijke ontbrak de vrucht, die aan de bekering beantwoordt. Het ging hem alleen maar om aards goed; meer heeft hij dus niet te verwachten. Hij kan God niets verwijten. 26. Onoverkomelijke kloof: De kloof illustreert de onherroepelijkheid van de beslissing. 27. De broers moesten gewaarschuwd worden. Impliciet ligt er het verwijt in: Als ik maar gewaarschuwd was, had ik wel anders geleefd. Ernstig waarschuwen: Het gr. werkwoord kan ook betekenen: ‘bezweren’. 29. Mozes en de profeten: Vgl. vs 16. Luc. 24:27. 30. Indien… vandedo-den, zullen zij zich bekeren: Hier vraagt de rijke om een teken uit de hemel, vgl. Mat. 12:38; Luc. 11:29-30. 31. Niet het teken, maar het Woord van God i nodig om tot geloof en omkeer te komen. Wet en profeten betuigen hoe men heeft te handelen tegenover God en de naaste (vgl. Jes. 58:7vv). Lazarus is itt. de rijke de mens die zoals de arme in wet en profeten in God zijn hulp vindt.

Onderricht aan de discipelen 17:1-10

Het onderricht aan de leiders en de schare wisselt af met de instructie voor de discipelen. De verzen 1-10 bevatten een waarschuwing tegen het geven van aanstoot (l-3a), een opwekking tot vergevingsgezindheid en groei in hetgeloof (3b-6), en woorden over de aard van het dienen van Christus.

Verschillende vermaningen 17:1-6 1.

Geen verleidingen: Het gr. woord skandalon betekent lett. het middel, waarmee men een val laat dichtklappen, dan ook: val, struikelblok, aanstoot, oorzaak van zonde. Hier waarschuwt Jezus zijn jongeren voor dingen, die een aanleiding kunnen zijn tot geloofsafval (vgl. vs 2: tot zonden verleiden). 2. Molensteen: Deze werd gebruikt voor het stukwrijven van het graan tot meel. Door de Grieken was rond 300 v.Chr. een groter type, de zgn ‘ezelsmolensteen’ ontwikkeld, die ook in Rome werd gebruikt. Door de grote opening kon de steen om de hals gehangen worden (vgl. Mat. 18:6; Mar. 9:42). In de zee geworpen: Vgl. Jer. 51:63. De werkwoordsvorm wijst er op dat het beter is dat de betrokkene vóór zijn daad van tot zonde verleiden in zee geworpen was. Een van deze kleinen: Sommige denken aan een lett. betekenis: kinderen, maar het verband wijst er niet op. Eerder is te denken aan de armen, de verachten, zoals Lazarus. Anderen laten het slaan op de gelovigen. 3a. Zie toe op u zelf: Of ‘heb zorg voor elkaar’. De woorden verbinden beide perikoop-delen.

Indien uw broeder: Vgl. Mat. 18:15. Zie ook Lev. 19:17. De vergeving wordt geschonken en ontvangen in de weg van het berouw. Zeven: Zie Ps. 119:164. Het wijst op de volledigheid. Er mag geen breuk blijven bestaan tussen de broeders en zusters des Heren. Aan deze vergeving zijn geen grenzen. 5. De apostelen: Het is niet geheel duidelijk waarom hier ineens weer sprake is van ‘apostelen’. Misschien mogen we de vraag om meer geloof zien in verband met hun toekomstige, door de Here (vs 5-6) opgedragen taak. Anderen zien de vraag als reactie op het voorafgaande. 6. Moerbeiboom: Deze boom had bijzonder sterke wortels. Hij zou u gehoorzamen: De in het Grieks gebezigde werkwoordsvorm drukt de zekerheid van de verhoring uit. Een illustratie bij deze verzen vormt Heb. 11.

Heer en slaaf 17:7-10

7.Wie van u: Zie ook 11:5,11; 12:25; 14:28; 15:4. Het in de gelijkenis geschetste geeft de maatschappelijke omstandigheden van die tijd weer. Als een slaaf na zijn werk op de akker thuiskomt, verwacht hij niet uitgenodigd te worden aan tafel. Het werk gaat dan door. Een slaaf heeft te doen wat zijn meester zegt. Zij verwachten geen dank-je-wel. Jezus gebruikt deze voor ons ondenkbare arbeidsverhoudingen als beeld voor het werk van zijn apostelen. 10. Onnut: Het griekse woord betekent niet zozeer nutteloos, als wel ‘onwaardig’, ‘zonder pretenties’, ‘bescheiden’. Christus’ dienstknechten kunnen geen rechten laten gelden op een beloning en werken niet om loon. Elke inbeelding, elke gedachte iets gepresteerd te hebben zij de volgeling van Christus vreemd. Wat wij moesten doen: Nl. wat we tegenover God schuldig waren te doen. Zie in tegenstelling daarmee Luc. 18:12.

De komst van de Zoon des mensen 17:11-18:8

De beginwoorden van vs 11 vormen opnieuw een markeringsroute in dit reisbericht (vgl. 9:51; 13:22). Na het bericht over de ontmoeting met de tien melaatsen (11-19) volgt een eschatologisch gedeelte, dat in drie delen uiteenvalt: a. de vraag van de Farizeeërs met betrekking tot de komst van het Koninkrijk van God (17:20-21), b. een rede tot de discipelen over de komst van de Zoon des mensen (17:22-37), c. de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter (18:1-8). Deze perikoop, die over het gebed handelt, is weer verbonden met Luc. 18:9-14.

De tien melaatsen 17:11-19

11. Dwars door Samaria en Galilea: Lett, ‘door het midden van’. Topografisch gezien een moeilijk te verklaren aanduiding. Heeft Lucas een gebrekkige kennis gehad van de geografische verhoudingen van Palestina, zodat hij er van uitging dat Samaria en Galilea naast elkaar lagen ten noorden van Judea? Anderen achten dit niet waarschijnlijk en denken aan een reis langs de grens tussen Samaria en Galilea. Dat Samaria als eerste genoemd wordt, hangt samen met de belangrijke rol van de Samaritaan in deze perikoop. 12. Tien melaatse mannen: Het getal tien speelt in het Jodendom een belangrijke rol. Voor een synagogedienst zijn tien mannen vereist (de minjan); zij vertegenwoordigen de gemeenschap. Moeten de tien melaatsen gezien worden als representanten van alle melaatsen? De tekst duidt dat niet aan. Die op een afstand bleven staan: Zij houden zich aan de reinheidsvoorschriften (Lev. 13:45v; Num. 5:2). 13. Hebme-delijden met ons: Vgl. 16:24; 18:38-39. 14. Toont u aan de priesters: Het meervoud ‘priesters’ hangt samen met het feit dat een gemengde groep wordt beschreven, bestaande uit Joden en Samaritanen. Die van de Joden waren te Jeruzalem, terwijl de genezen Samaritaan naar de tempel op de Gerizim moest gaan. Gewoonlijk volgde een dergelijk bevel nadat de genezing plaatsgevonden had, opdat de genezene officieel zijn plaats in de gemeenschap kon innemen (vgl. 5:12). Hier volgt het bevel voordat er sprake is van genezing. Het is een testcase voor hun geloof en gehoorzaamheid. 15. En het geschiedde: Ze gaan in geloof aan Jezus’ woord. 16. God verheerlijkende: Vgl. 2:20; 5:25; 7:16. Hij wierp zich op zijn aangezicht: De genezene betuigt zijn eerbied en ootmoed. Om Hem te danken: Vgl. 18:11; 22:17,19; Joh. 11:41; Hand. 28:15. Dit was een Samaritaan: Naar joodse opvattingen dus een bastaard, gehaat en veracht (vgl. Joh. 4). 18. Vreemdeling: In de LXX komt het hier gebruikte woord vaak voor als speciale aanduiding van de heiden (vgl. o.a. Ex. 12:43; 29:33; 30:33; Lev. 22:10). Zulke mensen moesten buiten de verboden zones van de tempel blijven. 19. Zie Luc. 7:50; 8:48; 18:42. Ook hier gaat het om een uitgestotene die in het geloof Jezus’ hulp inroept. Grenzen worden doorbroken door het helend en heelmakend werk van Christus.

De dag van de Zoon des mensen 17:20-37

De inzet van deze perikoop vormt de vraag van Farizeeërs naar de komst van het Koninkrijk van God. Jezus’ antwoord wordt gevolgd door een gesprek van Jezus met zijn discipelen over de toekomst. Het tijdstip van de voleinding is niet te berekenen. Onverwachts zal de Zoon des mensen komen. Daarom is waakzaamheid nodig. 20. Op de vraag: De vraag volgt op de genezing van de melaatsen. Genezing van melaatsen werd gelijk gesteldmet de opwekking van doden en gold als teken van de komende heerschappij van God. De Farizeeërs waren geïnteresseerd in apocalyptische verwachtingen inzake de komst van de Messias. Niet zo, dat het te berekenen is: Het griekse woord betekent oorspronkelijk het letten op symptomen van ziekten, vervolgens: nauwkeurige waarneming van tekenen en verschijnselen. In sommige griekse vertalingen wordt het woord gebruikt in Ex. 12:42: de nacht van waken, dwz. de nacht van het Pascha. zijn antwoord laat Jezus zien dat noch chronologisch noch lokaal de komst van Gods heerschappij te fixeren valt. Het Koninkrijk Gods is bij u: Vanaf de kerkvaders hebben velen de hier gebruikte woorden vertaald met: ‘is binnen in u’. Echter nergens geeft de Schrift aanleiding om het Rijk van God te versmallen tot een innerlijke aangelegenheid in de mens. Bedoeld is dat Gods heerschappij in Jezus’ woorden en werken present is onder de mensen. De vraag naar de toekomst wordt pas op de juiste wijze gesteld vanuit het geloof in Jezus als de Christus, in Wie het Koninkrijk present is. De weg van de berekening is de weg van het ongeloof. Vgl, ook Hand. 1:6-8.

22. Een der dagen van de Zoon des mensen: Vgl. voor het meervoud vs 26. Gedoeld wordt op kritieke dagen waarop de discipelen zullen verlangen naar de komst van Jezus als Zoon des mensen. 23. Zie daar… zie hier: Jezus doelt hier op telkens weer opduikende messiaanse bewegingen en geruchten in het joodse volk. Jezus’ volgelingen moeten aan de woorden van deze verleidende geesten geen gehoor geven. 24. Gelijk de bliksem flitst… zo zal de Zoon des mensen wezen: Vgl. Mat. 24:37-39; Mar. 13:21-22. Zowel het plotselinge en het algemeen zichtbare van de parousie is met het beeld van de bliksemflits bedoeld. De verschijning van de Zoon des mensen zal even duidelijk oplichten als de bliksem te zien is. 25. Zie Luc. 9:22. In Gods heilsplan is het lijden en de verwerping opgenomen. De Zoon des mensen is de Knecht des Heren (Jes. 53). Zie ook Luc. 24:24-26.

26-30. Met een tweetal voorbeelden uit het O.T. wordt duidelijk gemaakt dat de parousie van de Zoon des mensen verrassend en onverwachts zal zijn. Vgl. Gen. 6:IIIS; 7:7 (Noach) en Gen. 19:15vv (Lot). 27. Zij aten: Er is geen sprake van speciale zonden. Het gaat om mensen die opgaan in de elementaire bevrediging van behoeften als honger en dorst. Plotseling overvalt hen Gods oordeel, terwijl de wachtende en verwachtende Noach gered werd (vgl. Heb. 11:7). 28. Naast honger en dorst worden ook kopen, verkopen, planten en bouwen genoemd. Deze dingen worden op zich niet als negatief gezien. Het punt van vergelijking is de volledige verrassing waarmee het eschatologisch gebeuren een onvoorbereid geslacht treft.

Ook in de joodse traditie werden de verhalen van Noach en zijn tijdgenoten en Lot en Sodom dikwijls met elkaar verbonden als voorbeelden van de straf voor de goddelozen en de verlossing van de rechtvaardigen. 30. Geopenbaard wordt: Het is God die de dag van de parousie doet aanbreken. Niemand kent die dag. Waakzaamheid is nodig. 31. Vgl. Mar. 13:15-16; Mat. 24:17-18; Luc. 21:21. Het beeld is dat van vluchtende mensen die zich niet moeten laten ophouden door om te zien naar hun bezittingen. Een zinspeling op de gebeurtenissen van 66-70 naChr., de verwoesting van Jeruzalem? 32. Zie Gen. 19:26. Denken aan: dwz. zo aandacht schenken aan het verleden dat je er door bemoedigd of door gewaarschuwd wordt. Hier geldt uiteraard het laatste. 33. Dezelfde gedachte in 9:24. Vgl. ook Mat. 10:30; Joh. 12:25. Vernieuwen: Lett, in leven laten (Ex. 1:17 en Hand. 7:19, 1 Tim. 6:13). De tegenstelling is: ‘voor zichzelf bewaren’; wie dat doet, zal het leven juist verliezen. 34. Met een drietal voorbeelden wordt aangegeven, dat de scheiding wordt voltrokken tussen mensen die nauw met elkaar verbonden zijn. 35. De handmolen werd door twee vrouwen bediend. de vertaling van het NBG staat dit vers tussen vierkante haken. Het vs is vermoedelijk een latere toevoeging op grond van Mat. 24:40, gezien het feit dat de beste handschriften het missen. 37. De hoorders vragen naar het ‘waar’. Hun vraag knoopt aan bij vs 23. Waar het lichaam is: Op de plek van de dood verzamelen zich de aasgieren. Sommige exegeten interpreteren dit beeld als beeld voor het gericht van God. Anderen wijzen op het verband met de vraag. Waar en wanneer de Zoon des mensen zal komen is niet te zeggen. Dat Hij komt, is zeker. Even zichtbaar als de bliksem zal Hij verschijnen. En even duidelijk zal Hij aanwezig zijn als rondvliegende gieren de plek aanwijzen waar ze feilloos de aanwezigheid van een lijk weten.

De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter 18:1-8

In het voorgaande gedeelte werd het Koninkrijk Gods getekend als een presente werkelijkheid en tegelijk als een werkelijkheid waarvan de volledige realisering in de toekomst ligt. De nadruk op het onverwachte en niet te berekenen tijdstip dringt tot waakzaamheid in de tussentijd tussen vervulling en voleinding. De gelijkenis waarmee hoofdstuk 18 begint handelt over het volharden in het gebed in de tijd die aan de parousie voorafgaat. Vgl. Luc. 11:5-13.

1.Altijd moesten bidden: Vgl. Rom. 12:12; 1 Tess. 5:17. Niet verslappen: Dwz. niet moe worden, nalaten (2 Tess. 3:13; Gal. 6:9), de moed verliezen, wanhopen (2 Kor. 4: 1,16; Ef. 3:13). Zie ook Gen. 27:46; Num. 21:5; Spr. 3: 11; Jes. 7:16. Het gebed is voor de discipel een noodzaak. 2. Er was een rechter: Iedere stad had destijds een rechter die zich naar de wet van Mozes moest richten en in zijn rechtspreken gerechtigheid moest betrachten (vgl. Ps. 82:2vv). Deze rechter gaat tegenover God en de mensen zijn eigen gang. De beschrijving is spreekwoordelijk. In het O.T. is het vrezen voor God vooral de vrees voor Hem als Rechter. In vs 6 wordt de rechter aangeduid als onrechtvaardige rechter, dwz. omkoopbaar. 3. Een weduwe: Als armen en hulpelozen waren juist zij aangewezen op bescherming (Ex. 22:22; Deut. 10:18; 24:17; 27: 19; Jer. 22:3; Ez. 22:7; Ps. 68:5; vgl. ook Jak. 1:27). Zij kwam herhaaldelijk tot de rechter met de vraag haar recht te verschaffen. We moeten hierbij wel denken om een geldzaak. Een verschuldigde som of een deel van een erfenis wordt haar onthouden. 4. De vrouw heeft geen mogelijkheden met steekpenningen de rechter te beïnvloeden. Deze schuift een beslissing op de lange baan. Is de tegenstander in het proces wellicht als een vermogend man te beschouwen? Het enige wapen dat de vrouw heeft is haar vasthoudendheid. 5. Anders… in het gezicht slaan: I^ett. ‘iemand onder het oog slaan’ (vgl. 1 Kor. 9:.27). De rechter voorziet een eindeloos geprocedeer en geeft daarom de vrouw maar haar zin. ‘Opdat zij mij niet door haar voortdurend komen volledig stuk maakt’. 6. De Here: Vgl. 16:8. Als zelfs een onrechtvaardig rechter eindelijk tegemoet komt aan het aanhoudend vragen, hoeveel te meer mogen de uitverkorenen verzekerd zijn dat God, de rechtvaardige Hoorder der gebeden hun roepen verhoort. 7. Dag en nacht tot Hem roepen: De gemeente wordt gekenmerkt door de gerichtheid op de komst van Gods Rijk. En laat Hij hen wachten: Het gr. woord betekent: lankmoedig zijn, geduld hebben. Een andere vertaling dan die van het NBG is: Hij hoort hen geduldig aan, itt. de onrechtvaardige rechter die niet lankmoedig is. 8. Spoedig recht zal verschaffen: Het woord dat met ‘spoedig’ is vertaald kan ook weergegeven worden met ‘plotseling’. De komst van de Zoon des mensen betekent dat de Here recht verschaft aan zijn gemeente op aarde. Zal Hij het geloof vinden: Nl. het gelovig belijden van Jezus als de Messias (vgl. Rom. 10:10; Mar. 13:13).

De ontvangers van het heil 18:9-9:10

Het trefwoord ‘gebed’ verbindt de vss 1-8 met de vss 914. De werkelijke verbinding tussen het voorafgaande stuk over de komst van de Zoon des mensen en het gedeelte, 18:9-19:10 ligt in vs 8b. In de nu volgende perikopen wordt verteld, wie behoren tot degenen, die geloven in de Zoon des mensen en ingaan in net Rijk van God, om te delen in het heil.

De Farizeeër en de tollenaar 18:9-14

9.Die van zichzelf vertrouwden… en verachtten: Jezus richt de gelijkenis tot de Farizeeërs die ipv. te vertrouwen op de genade van God op hun eigen, door de vervulling van de eisen der wet aangebrachte gerechtigheid vertrouwden (vgl. Filp. 3:6; Gal. 1:12-14; zie daarentegen 2 Kor. 1:9-10). Dit zelfvertrouwen ging gepaard met verachting van de anderen, dwz. de zondaars, de schare die de wet niet kende. 10. Gingen op: Vgl. Hand. 3:1. Het morgengebed vond plaats om 9 uur en het avondgebed om 3 uur. De tegenstelling is wel uitermate groot: een wetsgetrouwe Farizeeër en een tollenaar, die als collaborateur beschouwd en als bedrieger gezien werd. 11. Bad dit bij zichzelf: Zijn gebed is in wezen een monoloog. Zijn ‘ik’ staat centraal. Ik dank u… niet zo ben als andere mensen: een joods gebed luidde: Tk dank U, JHWH, mijn God dat U mijn deel geplaatst hebt bij diegenen die in het leerhuis zitten en niet bij degenen die op de hoeken van de straten zitten, want ik sta vroeg op en zij staan vroeg op; ik sta vroeg op voor de woorden van de thora en zij staan vroeg op voor lege, waardeloze zaken; ik beijver mij en zij beijveren zich; ik beijver mij en ontvang loon en zij beijveren zich en ontvangen geen loon; ik loop en zij lopen: ik loop om het leven te verkrijgen in de toekomstige wereld en zij lopen naar de putten van de dood’. Als deze tollenaar: Verachtelijk ‘die daar’. 12. Ik vast: Voorgeschreven was het vasten op de Grote Verzoendag en op de dag van de verwoesting van de tempel. Privé kon in tijden van nood gevast worden op maandag en donderdag. Tienden van al mijn inkomsten: De Farizeeër doet meer dan de wet van hem eiste. 13. Van verre: Misschien in de buitenste voorhof van de tempel. Sloeg zich op de borst: Ten teken van berouw. Wees mij, zondaar, genadig: Verzoen U met mij, de zondaar (vgl. Heb. 2:17; Rom. 3:25). Gerechtvaardigd: Dwz. door God, die de tollenaar rechtvaardig verklaarde itt. de zichzelf rechtvaardigende Farizeeër. Verhoogt: vgl. 14:11.

Jezus zegent de kinderen 18:15-17

Lucas volgt vanaf dit vs weer de lijn van Marcus (vgl. 10: 13-16). 15. Kleine kinderen: Lett, zuigelingen. Zij zijn volstrekt hulpeloos en op hulp aangewezen. 16. Verhindert ze niet: Het werkwoord komt in het N.T. een aantal malen voor ivm. de doop (Mat. 3:14; Hand. 8:36; 10:47; 11:17). Voor zodanigen: Nl. voor wie even afhankelijk en hulpeloos is als deze kleine kinderen. De aanraking door Jezus betekent een zegening die de toegang opent tot het Rijk. Expliciet gaat het niet over de doop. Impliciet ligt er in de prediking van de alles vóórkomende genade een verwijzing naar wat de doop betekent. 17. Zie Mar. 10:15; Mat. 18:3-4.

De rijke jongeling 18:18-30

Op de woorden over het binnengaan in het Koninkrijk volgt evenals bij Mar./Mat. de ontmoeting van Jezus en de rijke jonge man (vgl. Mat. 19:16-26; Mar. 10:17-30). 18. Hooggeplaatst man: Lett, een ‘archoon’, dwz. een lid van het Sanhedrin (Luc. 23:13,35; 24:20) of een leider van een synagoge (Luc. 8:41). Vgl. voor de vraag Luc. 10:25. 20. Jezus verwijst hem naar de geboden. 22. Nog één ding te kort: Wat hem ontbreekt is het vermogen af te zien van zijn bezit en Jezus te volgen. 23. Diep bedroefd: Lucas gebruikt een sterker woord dan Mat./ Mar. 24. Dit vs bij Mat./Mar. gericht tot de discipelen. Bij Lucas kijkt Jezus de man aan. 25. Oog: Lett, opening. Naald: Het door Luc. gebezigde woord duidt in de oude griekse medische literatuur de naald aan, waardoor de draad wordt getrokken om de randen van een wond aaneen te hechten, nl. een chirurgische hechtnaald. 26. Maar wie: Lucas laat de verslagenheid van de jongeren weg. Wie kan dan wel behouden worden, dwz. het Rijk in gaan? Het is haast een onmogelijkheid. 27. Bij God is dit onmogelijke mogelijk (vgl. Gen. 18:14; Job 10:13; Zach. 8:6). In Luc. 19:1-10 (Zacheüs) en Luc. 24:53 (Jozef van Arimatea) zal Lucas vertellen aan personen die dankzij Gods mogelijkheden ingaan. 28. Prijsgegeven… gevolgd: Petrus wijst er op dat zij in praktijk gebracht hebben wat in vs 22 van de rijke jonge man gevraagd is. 29. Huis of vrouw: Bedoeld is wel het afzien van een huwelijk om der wille van het Koninkrijk. de toekomende eeuw: Bij de parousie van de Messias. Het eeuwig leven: Lucas laat weg Mar. 10:31. Zie Luc. 13:30. Alle nadruk valt op het eeuwig leven, het woord aan het begin van de perikoop (vs 18).

De derde aankondiging van het lijden, 18:31-34.

Vergeleken bij Mar. 10:32-34 en Mat. 20:17-19 kort Lucas dit vs in. Zie ook Luc. 9:22,44; 12:50; 13:32; 17:25. Al wat door de profeten… volbracht worden: Het plan van God dat door de profeten betuigd is komt tot verwerkelijking. Vgl. 9:31; 21:22; 22:37; 24:44 en 46; Hand. 13:29. Het is itt. de vertaling van het NBG beter om ‘aan de Zoon des mensen’ te vertalen met ‘over de Zoon des mensen’ en het te verbinden met: ‘al wat door de profeten geschreven is’.

32. Bespot en gesmaad: Met dit laatste woord wordt het element van de bespotting nog versterkt. 33. Mensen zijn handelend bezig: zij geselen en doden. Opstaan: Jezus zelf is de handelende. 34. Alleen Lucas deelt mee, dat de discipelen geen notie hadden van wat er met Jezus zou gebeuren; dat wordt op drieërlei wijze gezegd. Vgl. Luc. 24:45. Pas in de ontmoeting met de opgestane Here gaan de Schriften voor hen open en verstaan zij waarom de Messias moest lijden. Mat./Mar. illustreren het onbegrip van de discipelen door de vraag naar de ereplaats van de zonen van Zebedeüs. Bij Lucas staan de woorden over wie de eerste is in een ander verband (vgl. Luc. 22:24vv).

De genezing van een blinde bedelaar 18:35-43

Matteüs spreekt in 20:29 over twee blinden; Marcus in 10:46 over een blinde en maakt melding van zijn naam: Bartimeüs. Lucas vermeldt de naam niet. 35. Toen Hij in de nabijheid van Jericho kwam: Bij Marcus speelt de ontmoeting zich af toen zij Jericho uittrokken. Lucas plaatst deze ontmoeting bij de nadering van Jericho, terwijl hij in 19:1-10 vertelt van een ontmoeting met een tollenaarin Jericho. Beide ontmoetingen spreken over het heil, dat Christus geeft. Te bedelen: Vanwege het ontbreken van sociale voorzieningen waren blinden aangewezen op gaven van voorbijgangers (vgl. Hand. 3:1). 36. Hoorde… dat er een schare voorbijging: Lucas geeft precies de gang van zaken weer. De blinde hoort mensen in grote getale voorbijgaan. 38. Jezus, Zoon van David: Daarmee erkent de blinde Hem als de messiaanse Koning (Ps. 72). Terwijl de zienden blind zijn voor het geheim van Jezus, ziet deze blinde in Jezus de Messias, de Redder der armen. Tot de messiaanse verwachting behoorde het gegeven dat de Messias blinden het gezicht zou geven (Jes. 29:18; 35:5; 42:7; zie ook Luc. 4:19). 41. Hij zeide: Here: De blinde roept Jezus aan als Kurios, als Degene, die macht heeft redding en heil, opening van de ogen, te geven. Deze blinde is een voorbeeld van mensen, die de naam van de Here aanroepen en gered worden (vgl. Hand. 2:21; 9:14; 22:16; Rom. 10:11-13). 42. Uw geloof heeft u behouden: Vgl. 7:50; 8:48; 17:19; Hand. 16:31. 43. God lovende… gaf Gode lof: De lofprijzing op de reddende daden van God is een bij Lucas veel voorkomend thema (vgl. Luc. 2:20; 7:16; 17:15,18; Hand. 2:47; 11:18). De houding van de schare steekt schril af bij die van de leiders.

Jezus en Zacheüs 19:1-10

De ontmoeting van Jezus met de rijke tollenaar Zacheüs, aan wie redding geschiedt, vormt de tegenhanger van het verhaal van de rijke, hooggeplaatste jonge man (18:1830). Tevens tekent deze perikoop de reikwijdte van het heil dat Christus schenkt. Zijn barmhartigheid strekt zich uit naar het verachte en het verlorene. Alleen Lucas heeft deze geschiedenis overgeleverd.

1.Jericho: Als grensplaats was Jericho een belangrijk tolkantoor. 2. Zacheüs: Hebr. Zakkai, een veel voorkomende naam (vgl. Ezra 2:9; Neh. 7:14). De naam betekent: ‘de rechtvaardige’. Oppertollenaar: Dwz. hoofd van een groep mensen die de tollen in Jericho gepacht hadden. Zie over ‘tollenaars’ bij Luc. 3:12; 5:27; 7:29; 15:1; 18:9vv. Rijk: Gezien de frauduleuze praktijken, waarvan tollenaars zich bedienden heeft deze korte mededeling een negatieve klank (vgl. vs 8). 3. Trachtte te zien: Vgl. Luc. 9:9; 23:8 (Herodes). Misschien is nieuwsgierigheid het motief geweest. Zijn kleine gestalte stelt hem niet in staat over de menigte heen te zien. 4. Wilde vijgeboom: Een boom, gemakkelijk om in te klimmen, met bladeren als een eikenboom. 5. Jezus ziet Zacheüs (vgl. Joh l:47v). Heden moet Ik in uw huis vertoeven: Het ‘heden’ is een heilshistorische term. Voor Zacheüs is de heilstijd aangebroken (vgl. 2:11; 4:21; 23:43; 19:9). Naar het plan van God moet Christus in het huis van deze tollenaar komen. Het heil is voor hem een presente werkelijkheid. schril contrast tot de vreugde van Zacheüs staat het gemopper van de mensen in Jericho. Hier is weer sprake van de ergernis van de eigengerechtigde mens tegen het heilshandelen van God in Jezus, dat zich uitstrekt naar de verachten en de verlorenen. Vgl. Luc. 5:30; 15:2. De tollenaar is een zondig man (vgl. Luc. 5:8). Ingaan in het huis van zo iemand betekende jezelf verontreinigen en delen in diens zonde. 8. Jezus’ houding ten opzichte van de tollenaar bewerkt in diens leven een geweldige ommekeer. Hij wordt bevrijd van zijn ik-zucht tot een nieuw leven van dankbaarheid. De helft van mijn bezit… de armen: Zacheüs erkent Jezus als de Here over zijn leven. Terwijl de rijke overste (Luc. 18:22-23) geen afstand kon doen van zijn rijkdom op Jezus’ woord, biedt deze gehate tollenaar het uit zichzelf aan. Wat Zacheüs wil doen gaat ver uit boven wat gewoonlijk geëist werd, nl. 20% van iemands vermogen, om misbruik maken van vrijgevigheid te voorkomen. Afgeperst: Vgl. 3:14. De werkwoordsvorm geeft aan dat het ‘indien’ niet als een mogelijkheid moet worden opgevat. Zacheüs geeft aan dat hij mensen geld afgeperst heeft. Viervoudig: Ook dat is meer dan voorgeschreven was, nl. het volle bedrag van wat afgeperst was, plus een vijfde deel (vgl. Lev. 6:1-5). Zacheüs’ toezegging kan vergeleken worden met wat Ex. 22.T en 2 Sam. 12:6 vermelden inzake de vergoeding die een dief onder bepaalde omstandigheden moest geven. 9. Huis: Vgl. Hand. 11: 14; 16:18,31; 18:8. Zoon van Abraham: Zie Luc. 3:8; 13: 16; 16:25vv. Ook een verloren schaap behoort tot het volk van Abraham. 10. Zoeken en redden: Vgl. Ez. 34: 16,23; Luc. 15:4-7,9,32. De Zoon des mensen is de goede herder. Gekomen: Vgl. 5:32.

Dicht bij Jeruzalem 19:11-44

Van Jericho gaat Jezus naar Jeruzalem. De verwachtingen zijn blijkens 19:11 hoog gespannen. De discipelen, die weet hadden van de vervulling, getuige waren geweest van zoveel woorden en wonderen, die als inhoud hadden het heil van het Koninkrijk, meenden, dat de definitieve openbaring op handen was, nu Jezus Jeruzalem naderde. In de joodse toekomstverwachting werd het messiaanse heil immers verbonden met Sion/Jeruzalem als plek waar God zich zou openbaren. Jezus waarschuwt in de gelijkenis van de ponden (11-27) tegen deze verkeerde verwachting. De vervulling van de belofte zou langer op zich laten wachten dan de mensen meenden. Vóór de voleinding moest Jezus eerst met de koninklijke waardigheid bekleed worden. In de vss 28-44 vertelt Lucas de messiaanse intocht van Jezus in Jeruzalem. Hij is de koning van de vrede die Jeruzalem binnenrijdt. De wegnaar de kroon loopt via het kruis. Jeruzalem is de stad, die Hem verwerpt en niet verstaat, wat tot haar vrede dient.

De gelijkenis van de ponden 19:11-27

De gelijkenis heeft een parallel in de gelijkenis van de talenten bij Matteüs (25:14-30).

11. Toen zij… luisterden: Deze woorden leggen de verbinding met het voorgaande. Hoewel het heil er is als een realiteit in het heden (19:9) laat de toekomst, de parousie van de Zoon des mensen, nog op zich wachten. Dat… terstond openbaar zou worden: Vgl. Luc. 24:21; Hand. 1:6. Voor ‘openbaar worden’ wordt de passieve werkwoordsVorm gebruikt van het werkwoord ‘verschijnen’. Het passivum duidt aan, dat het God is, die zal doen verschijnen. Terstond: Dat staat in het Grieks voorop. 12. Een man van hoge’geboorte: Vgl. Hand. 17:11; 1 Kor. 1: 26. Het verhaal doet denken aan een gebeurtenis uit die tijd, nl. de geschiedenis van Archelaos, de zoon van Herodes de Grote. Deze stierf in 4 v.Chr. en had in zijn testament zijn rijk onder drie van zijn zonen verdeeld. Judea, Idumea en Samaria zouden met de koningstitel aan Archelaos toevallen. Om deze konigswaardigheid in ontvangst te nemen, reisde Archelaos, evenals zijn vader in 40 v.Chr., naar Rome. Omdat de Joden dit wilden verhinderen, stuurden zij een gezantschap van 50 man naar Rome om hun visie bij de keizer te bepleiten. Augustus hoorde beide partijen aan, ging accoord met het testament, maar gaf Archelaos niet de koningstitel. Hij moest eerst laten zien, dat hij deze waard was. Bij zijri terugkeer nam deze wraak op de Joden. In 6 na Chr. werd Archelaos op verzoek van een joods-samaritaanse delegatie naar Rome ontboden en afgezet. Allerlei motieven in de gelijkenis doen aan deze geschiedenis denken (vgl. 19: 12,13,14,15,27). 13. Bij zijn vertrek gaf de heer aan zijn slaven tien ponden, aan elk een pond. Itt. Mat. 25 ontvangen de slaven bij Luc. allen hetzelfde bedrag, dat bovendien veel kleiner is dan in de gelijkenis die Mat. vertelt. Een pond heeft een waarde van tussen de vijftig en honderd gulden. Met het toevertrouwde bedrag moeten zij zaken doen, gedurende de tijd van zijn afwezigheid, tussen vertrek en thuiskomst. Wat is met het pond bedoeld? Vermoedelijk wel de boodschap van het Evangelie van het Koninkrijk dat in Christus reddend verschenen is. Met de opdracht om die boodschap te verbreiden moeten de dienstknechten van Christus werken. Ook kan in het licht van Hand. 2 gedacht worden aan de. Geest, die Jezus bij zijn heengaan aan al de Zijnen geschonken heeft. 14. Het is mogelijk dat hierin te beluisteren valt de verwerping van Jezus als koning door de mensen (vgl. Hand. 17:7). 15. Niet de duur van de afwezigheid staat centraal ih de geüjkenis, maar wat gedaan is met het toevertrouwde pond. 16. Een winst van 100% was in de antieke wereld niet ongewoon. 17. De trouwe knecht wordt aangesteld als gouverneur over tien steden. 18. Vgl. 16. De bewoordingen klinken alsof het pond zichzelf vermeerderd heeft. Wat de gelovigen doen, blijft het werk van God door zijn Woord en Geest. 20. Dat ik in een doek… bewaard heb: Hier staat het woordje ‘ik’ centraal. De doek diende in het Oosten om het hoofd van iemand te beschermen tegen de zonnehitte. Hetzelfde woord in Joh. 11:44; 20:7; Hand. 19:12. Rabbijnse geschriften maken melding van een dergelijke wijze van geld bewaren; men beschouwde het evenwel als onveilig. Geld begraven in de grond (Mat. 25:25) gold als safer. 21. Niet hebt uitgezet: Een term uit het bankwezen: geld beleggen. De derde slaaf blijkt geen fiducie in zijn heer te hebben maar hem te wantrouwen. 22-24. De derde slaaf die het niet de moeite vond het ene pond bij de bank te beleggen, wordt geoordeeld itt. de beide andere slaven. Het pond wordt hem afgenomen. 24-25. Geeft het hem, die de tien ponden heeft. De verantwoordelijkheid, die de derde slaaf niet wilde dragen, wordt niet van de mens afgenomen. In de tijd die aan de parousie voorafgaat worden we niet ontslagen van de opdracht. 26. Zie Mat. 13:12; Luc. 8:18. Wie niet getrouw is zal verliezen wat hem toevertrouwd is. 27. Dit vs lijkt aan te sluiten bij de historische omstandigheden: de wraak van Archelaos. Vgl. voor ‘afslachten’ 1 Sam. 15:33. De pointe van de gelijkenis ligt in de door Jezus gegeven opdracht waakzaam en werkzaam te zijn in de tussentijd, voorafgaande aan de komst van de Zoon des mensen.

De intocht in Jeruzalem 19:28-44

Zie Mat. 21:1-11; Mar. 11:1-10; Joh. 12:12-19.

28. Met de woorden toen Hij dit gezegd had, dwz. de woorden die een waarschuwing zijn tegen verkeerde verwachtingen, legt de evangelist de verbinding tussen het verhaal van de intocht en de voorgaande gelijkenis. Op te gaan: Vgl. 18:31. Het is een technische term voor het opgaan van de pelgrims naar het Pascha in Jeruzalem.

29. Dichtbij Betfage en Bethanië: De volgorde van de plaatsen is gezien vanuit Jeruzalem. Betfage is de plaats waar de pelgrims zich plachten te reinigen, voordat ze het gebied van Jeruzalem betraden. Bethanië is het huidige El-Azarieh. Olijfberg: Met deze berg waren op grond van Zach. 14:4 en Ez. 11:23 eschatologische heilsverwachtingen verbonden. Het dorp hiertegenover: Nl. Betfage. 30. Een veulen… waarop nog nooit iemand gezeten heeft. Vgl. Deut. 21:3; Num. 9:2; 1 Sam. 6:7. Vgl. ook Luc. 23:53. Voor de inhuldiging van een koning is een rijdier vereist, dat nog niet gebruikt is. Vastgebonden: Vgl. Gen. 49:11. 31. De Here heeft het nodig: Jezus, de Meester, is de werkelijke Eigenaar. 32. Zij, die uitgezonden waren: Lucas accentueert het met volmacht gezonden zijn. 33. De eigenaars: er blijken er dus meer dan één te zijn (vs 31). 34. Vgl. vs 31. 35. Wierpen hun klederen over het veulen: Deze klederen zijn wel bedoeld als zadel. Hielpen Jezus er op: Alleen Luc. vermeldt dit. Jezus wordt als koning op zijn rijdier geholpen, zoals Salomo, die uitging om gekroond te worden (1 Kon. 1:33). Hetzelfde werkwoord komt ook voor in Zach. 9:9, de profetie die nu in vervulling gaat (vgl. Mat. 21:5). 36. Spreidden zij hun klederen op de weg: Ook dat is een teken van hulde jegens een koning (vgl. 2 Kon. 9:13).

37. Aan de glooiing van de Olijfberg: Di. op het punt waarop een deel van de stad in zicht komt. Begon… vol blijdschap God te prijzen: Vgl. bij 18:43. Zie ook Luc. 2: 10,13,20. De lof van engelen en herders klinkt nu uit de mond van velen. Jezus, die het initiatief tot de optocht genomen heeft (vs 28) aanvaardt de hulde. De omstanders loven God om de messiaanse daden waarvan zij getuige waren geweest als tekenen van de met Jezus’ komst aangebroken heilstijd (Mi. 5:3). 38. Wat zij zingen is eenlofzang in vier regels die herinnert aan de engelenzang (Luc. 2:14). Gezegend… in deNaam des Heren: Aanhaling uit Ps. 118:26 (vgl. Luc. 13:35). De psalm behoort tot het Hallel, gezongen bij het Pascha. In de psalm vormt het een onderdeel van de groet, waarmee de priester de koning begroet, die met zijn dank voor de verlossing hem bewezen, naar de tempel komt. Hij, die komt: Vgl. Jes. 62:11; Zach. 9:9; Luc. 19:10; 7:19. De Messias is de Komende. Hij komt in Gods opdracht en diens volmacht. De Messias is de Koning: Mogelijk dient dit ter verduidelijking van Lucas’ griekse lezers. In de hemel vrede: Het heil is bij God. De eer komt Hem toe. Christus brengt dit heil, waarvan God de oorsprong is. 39. Bestraf: De Farizeeërs verfoeien deze messiaanse inhuldiging. Speelt ook de angst voor de Romeinen hierin mee? Dat is niet onmogelijk. 40. Indien dezen… zouden destenen roepen: Sommigen laten dit slaan op de puinhopen van Jeruzalem, die zullen roepen, dat Jezus’ aanspraken verworpen werden (vgl. vs 44). Anderen zien verband met Hab. 2:11: het sprekend protest van stomme stenen vanwege schending van het recht. Mogelijk is ook,1 dat Jezus wijst op het onweerstaanbare: Eerder zullen de dode stenen spreken dan dat mensen zwijgen.

42. Weende hij: Een sterk woord: ‘in snikken uitbarsten’. Als was er een dode te betreuren (Luc. 7:13; 8:52). Vgl. ook Joh. 11:35. Jezus weent als de profeten (2 Kon. 8:11; Jer. 9:1; 14:17; 15:5). 42. Wat tot uw vrede dient: Woordspeling met Jeruzalem, waarin het woord sjaloom = vrede te horen is (Ps. 122:6; 147:12-14; Heb. 7:6). De stad van de vrede verstaat niet, dat Jezus de vrede geeft (vs 38). Verborgen: Er is sprake van schuld en tegelijk van het oordeel van God. De nadruk valt op het ‘thans’ (vgl. ‘op deze dag’). Dagen komen: Zie 1 Sam. 2:31 en 2 Kon. 20:17 waar de uitdrukking eveneens een dreigende toekomst aangeeft. 43. De beschrijving is ontleend aan de gebruikelijke manier van oorlog voeren (vgl. Jes. 29: 3; Ez. 4:2). Vertreden: Ps. 137:9; Hos. 10:14; 14:1; Nah. 3:10: verpletteren; Jes. 3:26: met de aardbodem gelijk maken. Jeruzalem wordt als moeder aangesproken, de inwoners zijn de kinderen. 44. De tijd… dat God naar u omzag: Het griekse woord voor ‘omzien naar’ kan zowel in gunstige (Gen. 50:24; Ex. 3:16; Luc. 1:78; 7:16; 1 Petr. 2:12) als ongunstige zin (Jer. 6:15; 10:15; Jes. 29:6) gebruikt worden. In Christus bezoekt God zijn volk met zijn heil. Maar zij letten niet op de hen geschonken gelegenheid.

Jezus’ werk in Jeruzalem 19:45-24:53

Dit gedeelte valt in drie delen uiteen. 1. De beschrijving van de gebeurtenissen in de laatste week voor het lijden in Jeruzalem(19:45-21:38). 2. Het bericht aangaande Jezus’ lijden en sterven (22:1-23:56). 33. Het bericht over Jezus’ opstanding en verhoging (24) Lucas’ boek eindigt in de tempel, zoals zijn verhaal ook in de tempel begon (Luc. l:5vv).

Lerende in de tempel 19:45 – 21:4
De reiniging van de tempel 19:45-48

Vergeleken met Mar. ll:15vv en Mat. 21:12vv is Lucas zeer sober in zijn beschrijving van deze gebeurtenis. Lucas begint en eindigt zijn evangelie in de tempel (1:9 en 24:52-53). Jezus werd er voorgesteld (Luc. 2:27) en kwam er als twaalfjarige (2:40vv). 45. Begon de kooplieden uit te drijven: In de voorhof der heidenen werd vlak voor het Pascha veel handel gedreven. De pelgrims konden hier offerdieren kopen. 46. Er staat geschreven: Een samenvoeging van Jer. 7:11 en Jes. 56:7. Lucas laat weg de verwijzing naar ‘alle volken’. Dit kan samenhangen met het feit dat deze evangelist na 70 zijn evangelie te boek stelde. De nadruk ligt op het gebed. Dat is het hart van de eredienst. Rovershol: Rovers bergen hun buit in grotten en holen. Pelgrims worden ahw. uitgeplunderd en er wordt flink aan hen verdiend. De reiniging van de tempel is een messiaans teken. Jezus is Heer van de tempel (vgl. Mal.3:1). Het is geen revolutionaire daad. Hij reinigt en zuivert het huis opdat de ware bestemming, de aanbidding, weer plaats kan vinden. Op de achtergrond kunnen profetieën als Zach. 14:21 en Ex. 40-48 meegesproken hebben.

47. Hij leerde: Naast huis van gebed is de tempel ook leerhuis (vgl. 20.T; 21:37-38; Hand. 5:12,20). De overpriesters: de priesteradel zoekt samen met de schriftgeleerden naar een gelegenheid Hem te doden. Het kruis komt in zicht. Al het volk: In tegenstelling tot de houding van de leiders is het volk op Jezus’ hand. Hing aan zijn lippen: Zie ook 20:1,9,45. Het woord dat Lucas gebruikt voor ‘volk’ betekent het volk Gods, Israel. Het onderricht dat Jezus aan het volk geeft in de tempel, vindt plaats in de geladen situatie van de groeiende tegenstand van de zijde der joodse leiders. Drie maal is er sprake van een deputatie, die Jezus vragen stelt over zijn persoon en zijn werk, over zijn onderricht ook, om na te gaan of Hij in zijn onderwijs aan het volk in overeenstemming is met de thora (20:1-8; 20-26 en 27-40). Jezus waarschuwt het volk tegen hun leiders (20:9-18; 21-44 en 45-47, vgl. ook 21:1-4). Op een enkele uitzondering na volgt Lucas de orde van het verhaal bij Marcus (Mar. 12: 28-34 komt bij Lucas voor in 10:25-28).

De vraag naar Jezus’ bevoegdheid 20:1-8

1.Op één der dagen: Daarmee wordt de verbinding gelegd met het voorgaande (19:47). Er is een duidelijke scheiding tussen het volk, het volk van God, het verbondsvolk èn de leiders die Jezus vijandig gezind zijn. Leerde… verkondigde: Vgl. Hand. 4:2; 5:42; 15:35. Tussen de beide woorden bestaat geen groot verschil. Mogelijk zit in ‘leren’ de gedachte dat Jezus passages uit de Schriften, het O.T. uitlegde met het oog op de komst van het Rijk van God in zijn persoon en werk. Overpriesters… schriftgeleerden… oudsten: alle drie groepen van het Sanhedrin worden genoemd. Dat wijst op een officiële afvaardiging. Kwamen daarbij staan: Zie Hand. 4:1; 6:12. 2. Bevoegdheid: Vgl. 4:6. Jezus moet zich legitimeren. Gevraagd wordt naar de Hem verleende opdracht en autorisatie tot prediken en genezen. Had Hij de bevoegdheid van een rabbijn of was deze profetisch? 3. Ik zal u… vraag stellen: Het stellen van een tegenvraag behoorde tot de rabbijnse discussiemethode. 4. Vgl. Luc. 3:3,15. Johannes was geen rabbi, wel een profeet. 6. Stenigen: Dat was de straf voor een valse profeet (Deut. 13:1-11); hier ook omgekeerd van toepassing op hen die de legitimiteit van de ware profeet in twijfel trokken. Het volkrepresenteert het ware Israel itt. de ongelovige leiders. 8. Ik u ook niet: In het grieks krijgen deze woorden door de volgorde waarin ze staan, grote nadruk. Zonder hen expliciet te antwoorden, heeft Jezus evenwel duidelijk laten zien, wat de bron van gezag is. Dat Hij van God gezonden is, wordt uitgewerkt in het vervolg (vgl. vs 13,17,4144). Zie voor deze perikoop ook de parallellen, Mat. 21: 23-27 en Mar. 11:27-33.

De gelijkenis van de opstandige pachters 20:9-19

Zie ook Mat. 21:33-46 en Mar. 12:1-12. Alleen Lucas deelt mee, dat Jezus de gelijkenis uitsprak aan het adres van het volk. 9. Deze gelijkenis: Jezus knoopt aan bij een in die tijd veel voorkomende gebeurtenis. Grote delen van het galilese bergland werden in beslag genomen door landgoederen, die voor het merendeel in handen van niet tot het land behorende eigenaars waren, die vaak in het buitenland vertoefden. Onder de kleine boeren van Galilea heerste een revolutionaire stemming tegen deze grootgrondbezitters, ten gevolge waarvan met name de beweging van de Zeloten er door bevorderd werd. Omdat de eigenaars dikwijls in het buitenland woonden, hadden de pachters vaak vrij spel ten aanzien van de slaven, die de pacht moesten incasseren. Ook de anders ongelofelijke speculatie van de pachters dat de wijngaard na de liquidatie van de enige zoon in hun bezit zou komen, wordt verklaarbaar als de eigenaar als buitenlander gedacht moet worden. Een proseliet die zonder erfgenaam stierf, et een bezit na, dat iedereen zich kon toeèigenen. Wie iet eerst er bij was, mocht zich dan bezitter noemen. Hoewel de gelijkenis allerlei raakvlakken heeft met de sociale en economische verhoudingen van die tijd, gaat het in het onderwijs van Jezus om de heilshistorische toespitsing en draagt de gelijkenis allegorische trekken. 9. Iemand plantte een wijngaard: Bij Lucas ontbreekt de gedetailleerde beschrijving van de wijngaard (vgl. Mat. 21:37/Mat. 12:1). Met de wijngaard is bedoeld het volk Israel, Gods eigendom (vgl. Jes. 5:1-7; Ez. 15:1-6; Hos. 10:1; zie ook Luc. 13:6). Pachters: Daarmee zijn bedoeld de leiders van het volk. 10. Toen het de tijd was: Het duurde vier jaar alvorens een wijngaard voldoende opbrengst gaf. Een slaaf: Matteüs spreekt van ‘slaven’ (vgl. ook Mar. 12:4). Lucas heeft 3x het enkelvoud. 11. Behandelden hem smadelijk: Vgl. Hand. 5:41. 12. Wierpen hem buiten de wijngaard: In de behandeling van de slaven door de kwaadwillige pachters zit een climax. Verwondden: Hand. 19:16. 13. Wat moet ik doen?: De alleenspraak is een bij Lucas veel voorkomende trek in gelijkenissen (vgl. bv. Luc. 12:17; 16:3; 18:4). Mijn geliefde zoon: Zie Luc. 3:33. Nl. de enige. Met deze Zoon is Jezus bedoeld: zie ook Mar. 1:11; 9:7. Die zullen zij wel ontzien: Het door ‘wel’ vertaalde woord dient vertaald te worden met ‘misschien’. De verwachting van de eigenaar is een getemperde hoop. 14. Zie bij vs 9. De pachters namen aan, dat de eigenaar dood was. Zouden zij de erfgenaam doden, dan zou de wijngaard automatisch hen toevallen. 15. Wierpen… doodden hem: Vgl. 1 Kon. 21:10. Bij Mar. (12:8) is de volgorde: doden/buiten de wijngaard werpen. Lucas en Matteüs draaien deze volgorde om. Het ‘uitwerpen’ betekent de verwerping van de zoon en zijn aanspraken op de wijngaard. De vijandschap vindt zijn climax in de moord op de zoon van de eigenaar. Misschien ligt er ook een christologische toespitsing in op de kruisdood van Jezus buiten de poort van Jeruzalem (Joh. 19:17; Heb. 13:12-13).

16. Hij zal… de wijngaard aan anderen geven: Het is niet juist om hier de verwerping van het joodse volk in te lezen. Er staat alleen ‘aan anderen’, niet ‘aan een ander volk’. Met die anderen kunnen bedoeld zijn de discipelen van Christus, de volgelingen uit Israel en de volken. 17. Hij zag hen aan: Dat onderstreept het gewicht van dit ogenblik. Desteen, die: Citaat uit Psalm 118:22. Zie bij Hand. 4:11. In de rabbijnse traditie is de steen een naam voor de Messias. De bouwlieden zijn de joodse leiders. 18. Een ieder die: Alleen Lucas maakt melding van deze oordeelsaankondiging over hen die Christus verwerpen. Op de achtergrond van dit woord staan Jes. 8:14 en Daniël 2:34,44-45: de steen die het beeld vergruizelt en tot een berg wordt. Ook deze passage is vroeg messiaans uitgelegd. 19. Opnieuw treft het contrast: leiders – volk.

Het recht van de keizer 20:20-26

Ook deze perikoop komt bij alle drie de Synoptici voor (vgl. Mat. 22:15-22; Mar. 12:13-17. Zie voorts ook mbt. de houding ten opzichte van de overheid Rom. 13:1-7 en 1 Petr. 2:13-17).

20. Lucas meldt in zeer nauwe aansluiting aan het voorafgaande, hoe de leiders opnieuw pogen Jezus te betrappen op een overtreding, waardoor zij Hem zouden kunnen aanklagen. Werd in het voorafgaande een religieuze kwestie aan de orde gesteld, dit maal ligt de vraag op het politieke vlak. Spionnen, die zich voordeden als vrome mensen: Lucas noemt de namen van Farizeeërs en Herodianen itt. Mat./Mar. niet. Hij accentueert het element van de huichelarij (vgl. Mar. 12:15). De uitgestuurde spionnen (lett. ‘mensen die aangesteld zijn om te spioneren) deden zich voor als rechtvaardigen, dwz. als mensen die zich hielden aan de thora, maar in wezen kwamen zij met de kwade opzet Jezus ten val te brengen. Om Hem op een woord te vatten: Ditzelfde woord ook in de vss 19 en 26. Stadhouder: Lett, betekent het griekse woord ‘he-gemoon’ gouverneur. Bij een eventuele aanklacht zou Jezus onder de jurisdictie en de bevoegdheid van deze magistraat gesteld zijn. 21. De werkelijke vraag wordt ingeleid door een lange, welwillende inleiding waarin Jezus geprezen wordt als een leraar, competent mbt. kwesties betreffende de interpretatie van de thora. Rechtuit: Vgl. Luc. 7:43; 10:28; Deut. 5:28. Niemand naar de ogen ziet: Deze uitdrukking die betekent: ‘bevoordelen’ gaat terug op het O.T. (Lev. 19:15; 2 Kon. 3:14; Job 42:8). De weg Gods: dwz. de levenswijze die God van mensen vraagt (Deut. 8:6; 10:12-13).

22. Is het ons geoorloofd: De vraag is of het ‘ons’, nl. de Joden vrij staat volgens de thora aan de keizer in Rome belasting te betalen. Deze belastingen (tribuut, belasting per hoofd, grondbelasting) waren onlosmakelijk verbonden aan de romeinse overheersing. Met name de Zeloten achtten het in strijd met de toewijding aan God en zijn geboden om aan de heidense heersers belasting te betalen. 23. Sluwheid: vgl. 1 Kor. 3:19; 2 Kor. 4:2; 11:3; Ef. 4:14. Zou Jezus ‘neen’ zeggen dan zou Hij in botsing komen met de autoriteiten, zou hij ‘ja’ zeggen dan zou het volk zich van Hem afwenden, gekwetst als het zou zijn in hun nationale gevoelens. 24. Beeldenaar en opschrift: Dezilveren denarie had aan de ene zijde een afbeelding van het hoofd van de romeinse keizer met als inscriptie: ‘Tiberius Caesar, zoon van de vergoddelijkte Augustus, Augustus’. Aan de andere kant was de afbeelding te zien van de moeder van de keizer Livia als een aardse incarnatie van de godin van de vrede, Pax, met daarbij de inscriptie: Pontifex Maximus (dwz. hogepriester). De munt symboliseerde de macht van de keizer. Het opschrift met naam betekende zoveel als een eigendomsstempel. En de religieuze aanspraken waren voor elke Jood in het licht van het eerste gebod een gruwel. Juist rondom de kwestie van het al of niet belasting betalen waren vele opstanden ontbrand (vgl. Luc. 2:lvv; Hand. 5:37). 25. Geeft: Sommige vertalen met ‘geef terug’, maar het door Lucas gebruikte woord wordt doorgaans gebruikt voor ‘betalen’. Uit Jezus’ woorden kan men een positieve houding ten opzichte van de overheid afleiden (vgl. Rom. 13:lvv), maar de gehoorzaamheid is niet onbegrensd. De vergoddelijking wordt afgewezen. Geeft… Gode wat Gods is: Als mensen die het beeld Gods dragen zijn wij Hem verschuldigd de erkenning van zijn heerschappij over ons. De loyaliteit aan mensen vindt daar zijn grens (vgl. Hand. 5:20; Op. 13). 26. Zij… hielden zich stil: De toeleg van de spionnen is mislukt. Lucas accentueert weer de positieve houding van het volk.

De vraag naar de opstanding 20:27-40

Vgl. Mat. 22:23-33; Mar. 12:18-27.

27. Sadduceeën: Voor de eerste en enige maal maakt Lucas in zijn evangelie melding van deze godsdienstige groepering (zie ook Hand. 4:1; 5:17; 23:6-8). De Sadduceeën vormden een partij die verbonden was met de priesteraristocratie en in theologisch opzicht in meer dan een geval tegenover de Farizeeërs stonden. Zij ontkenden de leer van de opstanding der doden alsook het geloof in engelen of geesten. Bovendien verwierpen zij het gezag van de mondelinge traditie. De oorsprong van de naam is niet geheel duidelijk. Meestal wordt de naam afgeleid van de naam van de priester Zadok (vgl. 2 Sam. 8:17; 1 Kon. 1:8); in Ez. 40:46 is sprake van een als ‘de zonen van Zadok’ aangeduide groep priesters, die trouw bleven temidden van de afval. Ook in de Dode-Zee rollen komt de naam ‘zonen van Zadok’ voor; de gemeente van Qumran leefde in fel verzet tegen de afvallige priesters van Jeruzalem. Men heeft daarom wel vermoed, dat de naam ‘Sadduceeën’ als aanduiding van de godsdienstige groepering omstreeks het midden van de 2e eeuw voor Chr. voor het eerst is gebruikt door de tegenstanders van die partij, die de naam ‘Zadokieten’ veranderden in die van ‘Sadduceeën’, hen daarmee bestempelend als ‘half-rechtvaardigen’, ‘half-zadokieten’ nl. mensen die telkens weer gemene zaak maakten met de machthebbers en voor wie macht en invloed belangrijker waren dan de naleving van het Verbond van God. De Sadduceeërs vonden hun aanhang voornamelijk onder de rijken. Na 70 n.Chr. hoort men weinig meer van hen.

28. Mozes: Vgl. Deut. 25:5-6 de regeling van het zwagerhuwelijk, met als doel het eigendom in de familie te houden door een erfgenaam te verwekken die het kan erven (Ruth 3:9 – 4:12). het apocriefe boek Tobit is sprake van Sara die aan zeven mannen ten huwelijk was gegeven. 33. De vrouw dan: Lucas plaatst in deze kwestie de vrouw voorop. 34. Kinderen dezer eeuw: Zij die behoren tot deze wereldtijd. 35. Die waardig gekeurd zijn: God is het die deel geeft aan de opstanding der doden. 36. Aan de engelen gelijk: Jezus weerspreekt niet alleen de saddu-ceese opvatting ten aanzien van de opstanding, maar ook hun afwijzing van de engelen. Kinderen Gods… kinderen der opstanding: Dwz. ‘behoren tot…’. Zij zijn aan de dood ontheven. 37. Dat doden opgewekt worden staaft Jezus met een beroep op het O.T. (Ex. 3:2,6,15). Vgl. de vermelding van Mozes in vs 28. 38. God is ook na hun dood de God van de aartsvaders, en daarom leven zij, ook al zijn zij gestorven. Zie ook Rom. 14:8. 39. Van de zijde van de schriftgeleerden (van de richting der Farizeeërs) ontvangt Jezus waardering. 40. Vgl. Mar. 12: 34b.

De Persoon van de Messias 20:41-44

Na zijn tegenstanders tot zwijgen gebracht te hebben, neemt Jezus nu het initiatief door aan de schriftgeleerden (vgl. vs 39) een vraag voor te leggen met betrekking tot de Messias (vgl. Mar. 12:35-37; Mat. 22:41-46). 41. Zoon van David: Vgl. 2 Sam. 7; Ps. 89:20-37; Jes. 9:2-6; 11:19; Jer. 23:5-6; 33:14-18: Ez. 34:23-24; 37:24. 42.David zegt: David geldt als schrijver van het boek der Psalmen (vgl. Luc. 24:44; Hand. 1:20; 13:33). Het citaat is uit Ps. 110:1 naar de LXX. De vraag is: Hoe kan de Messias, de Zoon van David tegelijk Davids Here zijn (zie Hand. 2: 35-36). De Joden zagen uit naar een aards bevrijder, een afstammeling van David. Maar in de vraagstelling van, Christus komt naar voren dat de Messias meer is, nl. de Here, van goddelijke oorsprong.

Waarschuwing tegen de schriftgeleerden 20:45-47

Vgl. Mar. 12:38-40; Mat. 23:6-7. 45. Wacht u voor: Zie Luc. 12:1. 46. Eerste plaatsen: Zie Luc. 14:7. Die de huizen der weduwen opeten: Jezus ontmaskert de schijnvroomheid van de schriftgeleerden die onder het mom van vroomheidsbetuigingen zich tegoed deden aan de schamele bezittingen van de armen. Misschien kunnen de beide delen van vs 47 verbonden worden gedacht, in die zin dat met het ‘voor de schijn uitspreken van lange gebeden’ bedoeld is de voorbede voor de zaak der weduwen, waarvoor men zich dik liet betalen. In het oordeel van God zal hun hebzucht en eerzucht des te zwaarder bestraft worden.

Het offer van de weduwe 21:1-4

In 20:46 waarschuwt Jezus tegen de hebzucht van de schriftgeleerden, waarvan de weduwen slachtoffer werden, ln 21:1-4 gaat het om een weduwe, die in tegenstelling tot de schijnvroomheid van de leiders laat zien wat ware Godsvrucht betekent, ook en juist in het omgaan met geld. Vgl. Mar. 12:41-44.

1.Toen Hij opkeek: Lucas tekent Jezus als lerend in de tempel, terwijl Hij ziet wat er om Hem heen gebeurt. Offerkist: In de voorhof der vrouwen bevond zich de schatkamer met dertien bazuinvormige offerblokken. Tweekoperstukjes: Vgl. 12:59. 3-4. De rijken gaven van hun overvloed. Deze arme weduwe schonk haar gehele levensonderhoud. Tegenover het ‘iets’ van de rijken staat ‘haar ganse levensonderhoud’.

De komst van het einde 21:5-38

Vgl. Mat. 24:1-36; Mar. 13:5-37.

De rede van Jezus over de toekomst vormt een onderdeel van en is nauw verbonden met zijn onderwijs in en nabij de tempel, zoals de vergelijking van Luc. 21:5 met Mar. 13:1 laat zien. Jezus richt zich tot hen van wie in het voorgaande is verteld dat zij positief reageerden op zijn onderricht (19:48; 20:1,19,45; 21:38). Wanneer sommigen de luister van de tempel prijzen, kondigt Jezus de ondergang ervan aan. Deze ondergang van de tempel is teken van het einde, dat komt. Voordat het einde komt zal er eerst een periode van vervolging over de gemeente komen (vss 12-19), zoals Lucas daarover ook melding maakt in zijn tweede boek (bv. Hand. 8:1-4; 14:22). Ook aullen oorlogen, opstanden, hongersnoden, ziekten en kosmische verschijnselen de ondergang aankondigen (vss 9-11). De val van Jeruzalem is een oordeel van God over Israel, maar dit heeft geen definitief karakter. Het is een tijdelijk oordeel, zolang God het de heidenen toestaat (vss 20-24). In het verlengde van deze gebeurtenissen ligt Gods gericht over de volken. Angst en radeloosheid kwellen hen. Zij zullen met de komst van de Zoon des mensen geconfronteerd worden. Binnen dit perspectief van de vervulling naar de voleinding is er sprake van schrikwekkende gebeurtenissen, maar de gelovigen worden getroost (vs 28). Het Koninkrijk is nabij (vss 28-32). Maar deze verwachting mag niet leiden tot berekening, maar moet stimuleren tot volharding en tot waakzaamheid. De geschiedenis verloopt naar het plan van God (vss 9,22,24). Zijn woord zal in vervulling gaan. De discipelen hebben te bidden en te waken opdat de dag van de Zoon des mensen hen niet onverhoeds treffe (vss 34-36).

De verwoesting van de tempel 21:5-6

In 13:35 was sprake van de verwoesting van de tempel, in 19:42-44 van de ondergang van Jeruzalem. In 21:5-6 wordt de verwoesting van de tempel in verband gezien met de komst van de Zoon des mensen. 5. Wijgeschenken: Geschenken gegeven door tempelbezoekers. Zeer opvallend was de door Herodes geschonken gouden wijnstok aan de poort, die toegang gaf tot het Heilige. Ook de joodse historicus Flavius Josefus maakt op meerdere plaatsen melding van de schoonheid van het tempelcomplex. 6. Er zullen dagen komen: Vgl. 17:22. De uitdrukking geeft aan, dat de verwoesting van de tempel niet het onmiddellijk intreden van het einde zal zijn. Geen steen op de andere: Vgl. Luc. 19:44.

De vraag naar het ‘wanneer’ 21:7-11

In antwoord op de vraag naar het moment waarop de voorzegde dingen zullen geschieden, waarschuwt Jezus zijn hoorders voor de verleiding van valse profeten die met messiaanse aanspraken zullen komen. Ook oorlogen en catastrofen moeten hen niet schokken in hun geloof. Dat alles vormt een deel van Gods plan, maar het betekent niet dat het einde terstond zal komen.

7.Het teken: Jezus’ hoorders hebben de verwoesting van de tempel opgevat als een eschatologisch gebeuren. 8. Verleiden: Vgl. Op. 2:20; 12:9; 13:14. Valse Messiassen zullen verkondigen dat het tijdstip van de eindtijd is aangebroken (vgl. voor de uitdrukking Dan. 7:22; Op. 1:3). Zie Hand. 5:37; 20:30. Onlusten: Jac. 3:16; 1 Kor. 14:33.

Misschien is te denken aan burgeroorlogen. Die dingen moeten eerst geschieden: Naar het heilsplan van God (vgl. Luc. 13:33; 17:25; 19:5; 24:7,26,44). Nog niet… het einde: Vgl. Dan. 2:28. Met het einde is bedoeld de komst van de Zoon des mensen. 10. De woorden en beelden zijn ontleend aan Jes. 19:2 en 2 Kron. 15:6. 11. Aardbevingen: Jes. 13:13; Hag. 2:6; Zach. 4:4; zie ook Op. 6:12; 8: 5. Lucas accentueert in vergelijking met Mar. door te spreken van ‘grote aardbevingen’ (vgl. Op. 11:13; 15:18; zie ook Mat. 28:2). Nu hier, dan daar: Lett, ‘op verschillende plaatsen’. Pestziekten: Vaak verbonden met hongersnoden (Jes. 14:30; 8:21; Op. 18:8). Tekenen van de hemel: Te denken is aan ongewone natuurverschijnselen, zoals kometen; vgl. Joël 2:30; Am. 8:9; Hand. 2:19; Op. 6:12-14. Lucas spreekt over gebeurtenissen in de aardse en hemelse sfeer (vgl. Hand. 2:19-20). Conflicten tussen de mensen en natuurrampen zullen de mensen teisteren, maar nog is het einde niet.

Vervolging en volharding 21:12-19

12. Vóór dit alles: Eenzelfde uitdrukking ook in Hand. 5:36; 21:38. De vervolgingen zullen plaats vinden, voor de in de vss 7-11 beschreven gebeurtenissen. Van de kant van Joden en heidenen zullen de volgelingen van Christus vervolgd worden. De vervolging geschiedt ter wille van de naam van Jezus als Messias (vgl. Hand. 8:3; 12:4; 21:11; 5;28,40; 9:15-16; 28:17). Zie ook 1 Petr. 4:14,16; 3 Joh.:7; Op. 2:3; Joh. 15:2. 13. Het zal een tijd zijn om te blijven getuigen van het heil in Jezus, ook al betekent dat het martelaarschap. Volgens sommige uitleggers heeft het vs de betekenis: Het zal uitlopen op een bewijs tegen uw vervolgers op de dag van het oordeel. 14. Niet… te bedenken: Lett, het instuderen van een redevoering, prepareren. Verdedigen: Zie Luc. 12:11. 15. Ik zal u mond en wijsheid geven: Zie Ex. 4:12; Jer. 1:9; Hand. 6:10; 13:8; 2 Tim. 3:8; 4:15. Weerleggen: Hand. 4:14; Luc. 2:34; 20:27. 16-18. Niet alleen voor overheden en geestelijke leiders zullen de volgelingen van Jezus ter verantwoording geroepen worden. Zij zullen ook delen in de smaadheid, die hen treffen zal van de zijde van de mensen in het algemeen, ja zelfs van ouders en verwanten. Maar in al deze omstandigheden mogen zij verzekerd zijn van Gods bijstand. Vgl. voor de uitdrukking in vs 18: Luc. 12:7; Hand. 27:34; 1 Sam. 14:45; 2 Sam. 14: 11; 1 Kon. 1:52. 19. Laten de discipelen volharden. Dan zullen ze ondanks lijden en zelfs de lichamelijke dood, toch met God en in God verbonden blijven, en zo waarlijk leven.

Het oordeel over Jeruzalem 21:20-24

20. Opnieuw komt Jeruzalem binnen de gezichtskring. De vss sluiten aan bij 19:43-44. Vergelijking met Mat. 24:15,21,22 en Mar. 13:14,19,20 laat zien dat Lucas de tekening van het gericht concretiseert door bewoordingen, die herinneren aan de val van Jeruzalem in het jaar 70. Wat men had ondervonden in de val van Jeruzalem, werd, zo laat Lucas uitkomen, bedoeld door Jezus in zijn woorden over de toekomst. Tegelijk is het spraakgebruik in deze verzen ook gekleurd door de oudtestamentische profetie aangaande het gericht. Door legerkampen omsingeld: Die omsingeling kondigt het einde aan. Verwoesting: Zie 2 Kron. 36:21; Jer. 4:7; 7:34; 22:5, 21-22.

Wanneerde dagen van de vergelding: (vgl. Deut. 32:35; Hos. 9:7) aanbreken, en de profetie in vervulling gaat inzake het gericht over de stad (vgl. 1 Kon. 9:6-9; Mi. 3:12; Dan. 9:26), moet men vluchten naar de bergen, dwz. naar het Overjordaanse. Zie voor het thema van de vlucht: Gen. 19:26; Jes. 15:5; Jer. 49:8; Am. 5:19-20. 23. Wee de zwangeren en de zogenden: Zie ook Luc. 23: 29. Zij vormen een in die dagen zeer kwetsbare categorie. Nood: vgl. 1 Kor. 7:26; 2 Kor. 6:4; 12:10; 1 Tess. 3:7. Vgl. voor het O.T. Sef. 1:15. Het land: Nl. Judea. Toorn: Sef. 1:15; 1 Tess. 2:16. 24. Dit vs schildert de gevolgen van de ondergang van de stad voor de mensen. Sommigen zullen gedood worden. Voor de uitdrukking ‘scherpte des zwaards’ zie Jer. 20:4-6; 21:7. Anderen zullen als balling worden weggevoerd (Deut. 28:64; Ez. 32: 9). Vertrapt worden: In het klassieke Grieks duidt het woord aan het met voeten treden, wat overwinnaars de overwonnenen doen. Zie Zach. 12:3; Jes. 63:18; Ps. 79: 1. Totdat… vervuld zijn: Er is een begrenzing aan het lijden voor Jeruzalem, vgl. Rom. 11:25. Zie ook Zach. 8: 12-14. Bij deze woorden over de verwoesting van Jeruzalem kan gezegd worden, dat de tekening die Flavius Jose-fus geeft van het beleg en het woeden van de romeinse overheersers, laat zien dat de werkelijkheid in overeenstemming is geweest met hetgeen voorzegd is.

De komst van de Zoon des mensen 21:25-28

25. En er zullen tekenen zijn: Kosmische tekenen betuigen de komst van de Zoon des mensen in heerlijkheid. Ook nu weer gaat het woordgebruik terug op de apocalyptische gedeelten van het O.T., waar gebeurtenissen aan de hemel aanduiden, dat het einde nabij is (Jes. 13: 10; Ez. 32:7; Joël 2:10; 3:15). Lucas is aanmerkelijk korter in zijn beschrijving dan Marcus in 13:24. Vs 25b en 26a komen alleen bij Lucas voor. Radeloosheid en angst overvallen dé mensen als zij zee en branding horen razen (vgl. Ps. 65:8; 89:10; Jona 1:15). De zee is een demonische, Gode vijandige macht (vgl. Op. 21:1). 26. Dingen, die over de wereld komen: Nl. onheilspellende gebeurtenissen (vgl. Hand. 8:24; 13:40; Jac. 5:1). De machten der hemelen: Vgl. Jes. 34:4; Hag. 2:22. Bedoeld kunnen zijn de sterren of hemelse legermachten of kosmische krachten. Dit ‘wankelen’ is het voorspel op de komst van de Zoon des mensen. 27. Vgl. Dan. 7:13. Op een wolk: Bij Dan. is sprake van het meervoud. Zie ook Op. 1:7. Het enkelvoud ‘wolk’ is een aanduiding van de goddelijke presentie en de glorie van God (vgl. Luc. 9:34; Hand. 1: 9,11). Tegenover de machten der hemelen komt de Zoon des mensen, de Rechter-Koning van de eindtijd met macht en glorie. 28. Uw verlossing: Oorspr. het loskopen van een gevangene of een slaaf, dan ook: verlossing als bevrijding uit nood en ellende (vgl. Luc. 2:38; Rom. 8: 23; Ef. 1:14; 4:30). Tegenover de radeloze angst staat de houding van blijmoedig verwachten. Heft uw hoofden omhoog: Als teken van hoop (Richt. 8:28; Ps. 24:7; 83: 3). De komst van de Zoon des mensen betekent het einde van alle nood. Daarom behoeven Jezus’ volgelingen niet te wanhopen bij het aanschouwen van de tekenen.

Zekerheid en waakzaamheid 21:29-38

De profetie van het oordeel over Jeruzalem wijst heen naar het grote einde, dat komt. Op de woorden over de

verlossing die ophanden is volgt een gelijkenis die de zekerheid van hetgeen voorzegd is onderstreept. 29-31. Zoals het uitlopen van de bomen de zomer aankondigt, de tijd van licht en leven, zo zal de komst van het Rijk spoedig volgen op de tekenen, waarvan Jezus gesproken heeft (vgl. 19:11). De vijgeboom onderscheidt zich van andere bomen in Palestina doordat hij in de winter zijn loof verliest, volledig dood lijkt, maar als de groene loten zich weer vertonen, is dat het teken van de naderende zomer: het leven overwint de dood. Lucas spreekt in onderscheid van Mat. 24:32 en Mar. 13:28 van ‘de vijgeboom en al de bomen’. De vijgeboom is beeld van de komende zegen. Door de toevoeging maakt hij het beeld toegankelijk voor niet-Joden. 32. Vgl. Mar. 13:30 en Mat. 24:34. Dit geslacht: De generatie van deze wereldtijd. Ook dit woord accentueert de zekerheid, dat het einde nabij is. Niet het tijdstip waarop is de pointe van dit vs. 35. Voorbijgaan: Dwz. ten onder gaan, vergaan. Wat Jezus gezegd heeft over de laatste dingen heeft en behoudt geldigheid.

34-35. De rede wordt besloten met enkele vermaningen aan het adres van de hoorders. Wat ook gezegd is over misleidende tekenen en de vervulling van bepaalde gebeurtenissen voor de parousie, het blijft staan, dat de dag des Heren plotseling en onverwachts zal komen. Daarom moeten de discipelen waakzaam zijn. Nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap: Vgl. Rom. 13:13; Gal. 5:21; Ef. 5:18; zie ook,-Jes! 24:20. Jezus waarschuwt voor datgene waardijölr- men illusie en werkelijkheid niet meer kan onderscheiden.. Het gevaar bestaat dat men bezwijkt voor de verdovende aantrekkingskracht van de zondige wereld. Zorgen voor levensonderhoud: vgl. Luc.8:14; 12:13-34. Men kan zo in beslag genomen worden door de zorg voor het dagelijks bestaan dat de verwachting van de toekomst uit de gezichtskring verdwijnt. Men onderkent dan de tekenen niet meer. Die dag… als een strik: Als iemands hart vol is van de roes en bezwaard wordt door de zorg om het bestaande dan heeft de komst van Christus de werking van een strik. De woorden-‘als een strik’ kunnen ook verbonden worden met het begin van vs 35. Het beeld van de valstrik duidt het gevaar van de roes aan. Men komt er niet meer uit. Komen over allen: Het griekse woord betekent: plotseling en met geweld binnendringen. Oppervlak: Vgl. Jes. 24:17; Jer. 25:29. De parousie zal allen aangaan. 36. Voortdurende waakzaamheid en gebed is geboden. Vgl. Luc. 18.T; 1 Tess. 5:17; Ef. 6:18. Gesteld worden: Nl. in het laatste oordeel. 37-38. Zie Luc. 19:47 en 20:1. Vgl. ook 22:39,53.

De laatste maaltijd 22:1-38

De instelling van de maaltijd des Heren maakt deel uit van een groter geheel waarin de liefde van Christus voor zijn leerlingen, en zijn bereidheid tot het lijden en de dood in scherp contrast staan tot het verraad van Judas, de rivaliteit en de zwakheid van de leerlingen, die nog steeds niet verstaan wat werkelijk geschiedt. Naast overeenstemming met de beide andere Synoptici geeft Lucas ook in de weergave van de lijdensgeschiedenis een eigen kleur en accent aan zijn beschrijving. Zie ook Mat. 26:135; Mar. 14:1-31.

Het verraad van Judas 22:1-6

1.Het feest… der ongezuurde broden… Pascha: Lucas volgt de terminologie van de LXX (Ex. 23:15; 34:18; Deut. 16:16). Als uitleg wordt de term Pascha gegeven. Pascha of Pésach werd eigenlijk op 14-15 Nisan gevierd; het feest der ongezuurde broden duurde van 15-21 Nisan. Herdacht werd de uittocht uit Egypte. In Kanaän werd het Pèsach-feest en het feest der ongezuurde broden versmolten tot één feest. Ongezuurde broden: Broodkoeken, gebakken zonder gebruikmaking van zuurdeeg dat een werking heeft als van gist. Vgl. 1 Kor. 5:7-8 over het wegdoen van zuurdeeg ivm. de heiliging van het leven. 2. Terwijl het volk tot Jezus komt om naar Hem te horen (21:38) beramen de leiders van het Sanhedrin zijn dood. Twee van de drie groepen worden in vs 2 genoemd: Overpriesters en schriftgeleerden. Zochten: De werkwoordsvorm wijst op een voortdurend zoeken, voor de vrees voor het volk zie ook 20:19.

3.De satan voer in Judas: Vgl. Joh. 13:2 en 27. Ook in 22:31 noemt Lucas de satan (vgl. ook vs 53). Niet alleen menselijke overwegingen hebben hun aandeel in Jezus’ lijden. Zie voor de inwerking van de boze op het mensenhart ook Hand. 5:3; 1 Kor. 2:8; Joh. 14:30. Dit vs grijpt ook terug op 4:13. Het getal der twaalven: De invoeging van het woord ‘getal’ kan betekenen dat Lucas wil aangeven dat Judas slechts behoorde tot het aantal, maar nooit werkelijk een leerling van Jezus is geweest. 4. Hoofdlieden: De tempelpolitie, leiders van die groep Levieten die voor orde en bewaking in en om de tempel zorgden. Het woord ‘stratègos’ komt in Hand. 5x voor ter aanduiding van romeinse functionarissen. Overleveren: Dwz. verraden. Het woord heeft met name in de brieven ook een theologische betekenis (Rom. 8:32; Gal. 2:20 e.a.pl.). 5. Alle drie de Synoptici delen mee dat de leiders Judas geld gaven. Alleen Mat. noemt een bedrag.

6.Buiten de schare om: Dwz. zonder tumult te veroorzaken.

De voorbereiding tot de viering van het Pascha 22:7-13

7.De dag… waarop het Pascha moest geslacht worden: Dwz. het paaslam (Ex. 12:18vv en Deut. 16:2). 8. En Hij zond: Jezus neemt het initiatief. De verzen over de voorbereiding doen denken aan Luc. 19:29-35, de voorbereidingen voor de intocht. Gezien de vele bezoekers in Jeruzalem rondom het Pascha was bespreking van een vertrek noodzakelijk. 10. Een man… die een kruik water draagt: Gewoonlijk droegen mannen leren zakken, vrouwen een kruik. Het teken was dus iets ongewoons. 11. Het vertrek: Hetzelfde woord als in 2:7, waar het ‘herberg’ betekent. 12. Een grote bovenzaal: Lett, ‘iets dat boven de grond uitsteekt, mogelijk een extra kanier op het dak voor privégebruik. Van alles voorzien: Dwz. bedekt met kussens en tapijten. Maakt het daar gereed: De Synoptici en Johannes stemmen overeen in het gegeven, dat Jezus op een vrijdag gekruisigd is. Op donderdagavond na zonsondergang heeft hij dan met zijn leerlingen de Pèsach-maaltijd gevierd. Het is moeilijk vast te stellen of de bewuste vrijdag op 14 of 15 Nisan viel. Sommige geleerden denken aan een verschillende kalenderindeling.

De instelling van het Avondmaal 22:14-20

14. Hij… en de apostelen met Hem: De woorden accentueren dat het initiatief van Jezus uitging. Hij beheerst deze maaltijd. 15. Vurig begeerd: Deze sterke begeerte van Jezus wordt uitgedrukt door een werkwoordsvorm + een substantief in de derde naamval ter versterking. Dezelfde constructie vinden we ook in de LXX. Eer Ik lijd: Jezus weet, dat zijn lijden aanstaande is. 16. Door de komst, het lijden en de opstanding van Christus is de heilstijd aangebroken. Bij de parousie van Christus zal het Pascha definitief vervuld worden in de maaltijd van het Koninkrijk van God. 17. Hij nam een beker op: Er zijn in totaal vier bekers bij de Pascha-viering. Hier is sprake van een beker vóór het breken van het brood (vgl. 1 Kor. 10:16, maar zie daartegenover 1 Kor. 11:23-25). De dankzegging: De joodse zegenbede over spijs en drank. De in dit vs bedoelde beker is wel de beker aan het begin van de maaltijd; de beker in vs 20 is de beker na de maaltijd, de derde beker. Tussen beide momenten werden Hallel-psalmen gezongen (Ps. 113-118), bittere kruiden gegeten en ging de tweede beker rond. 18. Zie vs 16. Vrucht van de wijnstok: Deze woorden zijn afkomstig uit de joodse zegenbede die de huisvader uitsprak bij elke maaltijd waarbij wijn gedronken werd.

19- deze verzen wordt de instelling van het Avondmaal, de maaltijd des Heren beschreven. In een aantal handschriften ontbreken de vss 19b en 20 en breekt de tekst af met: ‘dit is mijn lichaam’. De waarde van de tekstgetuigen pleit voor de echtheid van de langere tekst. Brood en wijn representeren Jezus’ lichaam en bloed, dwz. Hemzelf. Hij geeft zichzelf in de dood ten offer voor de Zijnen. Op de achtergrond staat de profetie van de Knecht des Heren (Jes. 53:6,12,10). Voor u: Ten behoeve van, ten gunste van. Het voorzetsel kan gebruikt worden met betrekking tot de daad van de martelaar als ook in verband met het offer voor de zonde. De wijn wijst heen naar het bloed waardoor het nieuwe verbond (Ex. 24:8; Jer. 31:3vv; Heb. 8:8; 10:16vv) tot stand wordt gebracht. Jezus’ offerdood is de bron en de oorzaak van het heil voor zijn gemeente, als fundering van het Nieuwe Verbond. Tegelijk wijst het Avondmaal heen naar de maaltijd in het Koninkrijk Gods. Door te eten en te drinken ontvangen de discipelen deel aan de heilsgave. Tot mijn gedachtenis: Vgl. Ex. 12:14; 13:8; Deut. 16:3. Gedenken is het verleden present stellen in het hoopvol vooruitzien naar de toekomst. De discipelen worden opgeroepen om ook straks, als Hij niet meer bij hen is, deze handeling van Jezus voort te zetten en Hem daarbij te gedenken.

Gesprekken bij het Avondmaal 22:21-38

Lucas plaatst in onderscheid van Mar./Mat. de aankondiging van het verraad direct na de instelling van het Avondmaal. Scherp staan tegenover elkaar de gave van Jezus’ offer en het verraad van Judas; de tegenstelling wordt uitgedrukt in de woorden Doch, zie (vs 21). De hand… is met Mij: De nauwe tafelgemeenschap met Jezus, de presentie aan de tafel van de Here is geen garantie tegen afval. De verrader is een medegenoot aan de maaltijd. Wat niet samen kan gaan, geschiedt toch! 22. Naar hetgeen beschikt is… doch wee die mens: Voor ‘beschikken’ zie Hand. 2:23; 10:42; 17:26. Gods plan sluit demenselijke verantwoordelijkheid niet uit. 23. Te twisten: Dat vormt de overgang tot de vss 24vv. In de verzen 2438 vinden we vier groepen woorden van Jezus.

24-27. De discussie, wie de verrader toch wel is, slaat om in de vraag wie de meeste is, de eerste in rangorde. Vgl. Mar. 10:42-45. Weldoeners: De titel Euergetes komt vanaf de 5e eeuw voor Chr. tot in de 2e eeuw na Chr. voor als titel voor goden (Zeus, Osiris) en speciaal voor de romeinse keizers. De leider als de dienaar: Dienen was in de griekse wereld een minderwaardige zaak. Maar Ik: Dat staat met nadruk voorop. Jezus zelf is de dienaar, de diakonos bij uitnemendheid, niet alleen aan deze maaltijd, maar tijdens zijn hele leven op aarde. Zie ook Joh. 13:1-17.

28-30. Was in het voorgaande sprake van het dienen in navolging van Jezus, hier wordt gesproken van de belofte voor de discipelen die in zijn gemeenschap gebleven zijn temidden van de verzoekingen door de boze. Zij zullen delen in de vreugden van het feest in het Koninkrijk en de twaalf stammen van Israel richten. De twaalf representeren de nieuwe heilsgemeente uit Israel en de volken. Zitten op tronen: Vgl. Dan. 7:9. Het ‘beschikken’ herinnert aan 22:20. Het gaat ook hier om de zegening van het Nieuwe Verbond.

31-34. Met een herhaaldSimon, Simon (vgl. bij Luc. 10: 41) richt Jezus zich tot Petrus, de woordvoerder in de apostelkring. Desatan: Vgl. vs 28. Evenals bij Job krijgt de satan verlof de discipelen te toetsen, te testen. Het beeld is het beeld van het ziften van tarwe, die met een zeef gezuiverd werd (vgl. Am. 9:9). Verzoekingen hebben het effect als van het schudden van de zeef. 32. Tegenover het doen van de satan staat hier Jezus’ werk: zijn voorbede voor Petrus en de andere leerlingen, dat hun geloof niet zou bezwijken in de verzoeking. Versterk dan uw broeders: Vgl. Hand. 14:22; 18:23; 15:32,41. Het versterken geschiedt in een situatie van aanvechting en vervolging (1 Tess. 3:2). 33-34. Vgl. Joh. 13:6,8; Mar. 14:29; Mat. 26:33. In Handelingen zal Lucas laten’zien dat gevangenschap en dood de apostelen te wachten staan. Vgl. 2 Sam. 15:20-21 bij dit vs. Jezus voorzegt in vs 34 dat Petrus Hem driemaal zal verloochenen.

35-38. De vierde groep woorden vormt een terugblik en een blik op de toekomst. 35. Jezus grijpt terug op eerder uitgesproken woorden (9:3; 10:4). Bij de uitzending destijds hebben ze aan niets gebrek gehad. 36. Maar nu: In scherp contrast tot de vroegere situatie. Wie er geen heeft… kopeeen zwaard: Een zwaard is verkieslijker dan een opperkleed, dat doorgaans dienst deed in koude nachten, in de situatie van bedreiging en gevaar. In het licht van Jezus’ prediking kan het woord stellig geen oproep tot gewapend verzet betekenen. Eerder doelt het woord op de bereidheid tot het offer en het verduren van tegenstand. 37. Met een citaat uit Jes. 53:12 wijst Jezus op zijn eigen dood naar het heilsplan van God (vgl. Luc. 24:7,26,44). 38. De discipelen blijken Jezus’ woord niet verstaan te hebben. Sprak Jezus over een zwaard, zij beschikken er over twee. Het is voldoende. Over de betekenis van deze woorden is veel gespeculeerd. De achtergrond vinden we in het O.T. (o.a. Deut. 3:36; Gen. 45: 28; 1 Kon. 9:5). Bedoeld is wel: Over allerlei zaken is nu genoeg gesproken. In het licht van 22:49vv is niet waarschijnlijk dat Jezus zijn volgelingen een zwaard zou hebben aanbevolen om zich in hun arbeid van de verkondiging te verdedigen. De perikoop blijft moeilijk te interpreteren en heeft in de kerkgeschiedenis aanleiding gegeven tot ‘de leer van de twee zwaarden’.

Gevangenname en proces van Jezus 22:39 – 23:25

Zie Mat. 26:36 – 27:26 en Mar. 14:32-15:15. Dit gedeelte van de lijdensgeschiedenis begint met de gebedsstrijd van Jezus in Gethsemane (22:39-46), gevolgd door zijn arrestatie (22:47-53), verhoor voor de Hoge Raad en verloochening van Petrus (22:54-71), verhoor voor Pilatus en Herodes (23:1-25). Hij, in wie geen schuld is wordt onschuldig veroordeeld, door Jood en heiden, verlaten en verloochend door zijn leerlingen.

Gethsemane 22:39-46

39. Naar de Olijfberg: De naam van de plaats waar Jezus bidt tot zijn Vader wordt niet genoemd. 40. Verzoeking: Vgl. vs 28,31. Lucas laat het gesprek met Petrus, Johannes en Jakobus achterwege. Tot al de leerlingen komt het appèl te bidden om in de verzoeking, die op handen is nu hun Meester gevangen genomen wordt niet te bezwijken.

41. Knielde neer: In ernstige situaties bad men knielend.

42. Deze beker: De beker van het lijden. In het O.T. is ook sprake van de beker, gevuld met de wijn van Gods toorn (Ps. 75:8; Jer. 25:15; Jes. 51:17; Hab. 2:16). Jezus buigt onder Gods wil. 43-44. Een engel: Ook in het O.T. is sprake van de hulp van engelen (1 Kon. 19:5v; Dan. 10:17vv; zie ook Jes. 42:6: over het behoeden van de Knecht des Heren). Dodelijk beangst… zweet als bloeddruppels: De angst van Jezus en de geweldige concentratie in het gebed vinden hun fysieke uitdrukking in het zweet dat als bloed op de grond druppelt. 45. Slapende van droefheid: Droefheid en verdriet kunnen intens moe maken.

De gevangenneming 22:47-53

47. Judas treedt Jezus tegemoet met de bedoeling Hem te kussen: De gewone begroeting zoals die tot op heden in oosterse landen geschiedt. Zie Gen. 27:26-27; 2 Sam. 15: 5; Spr. 7:13; 27:6; 2 Sam. 20:9. 48. De Zoon des mensen: De Messias, de Rechter-Koning van de eindtijd, door Judas verraden. 49-50. Zie Joh. 18:10. Verwonding van het rechteroor van de slaaf van de hogepriester maakte hem ongeschikt voor priesterlijke dienst. Een dergelijke zwaardslag beledigde tegelijk ook de meester (2 Sam. 10: 4-5). 51. Laat het hierbij: Dat kan betekenen ‘tot zover’ of ‘laat hen (= de tempelpolitie) begaan’. Het eerste is het waarschijnlijkst, omdat Jezus zich richt tot zijn leerlingen.

52. Lucas noemt de leidende priesters, de tempelpolitie en de oudsten als degenen die Jezus komen arresteren. Rover: Vgl. 10:30. Het woord is vaak een aanduiding voor de Zeloten, oproerlingen die met geweld de romeinse heerschappij zochten af te werpen. Uw uur: Het door God aangewezen uur. De Macht der duisternis: Vgl. Luc. 4:6; 1:79; Hand. 26:18.

Jezus, door Petrus verloochend 22:54-62

54. Naar het huis van de hogepriester: De naam van de hogepriester wordt niet genoemd. Vgl. Joh. 18:12. Volgens Josefus lag dit huis in de westelijke bovenstad van Jeruzalem. Lucas maakt geen melding van de nachtelijke zitting van het Sanhedrin. 55. Vuur. Vanwege de koude in de nacht. 59. Galileeër. Zij waren kenbaar aan hun dialect. Galileeër zijn betekende in die tijd ook Zeloot zijn, rebel tegen het romeinse bewind. 60. Maar Petrus zeide: Driemaal verloochent Petrus zijn Meester. De bewoordingen bij Lucas wijken enigszins af van Mar./ Mat. Ook het ‘zich vervloeken en zweren’ ontbreekt bij Lucas. 61. De Here: Vgl. 2:11; 7:13. De blik van Jezus treft Petrus (vgl. Mar. 10:21). Alleen Lucas vermeldt dit.

62. Zie Mar. 26:75. De herinnering aan Jezus’ woord brengt Petrus tot inkeer.

Bespotting en verhoor 22:63-71

63. De mannen, die Hem vasthielden: De mensen, die Jezus bewaken, dienaren en soldaten. De bespotting vindt plaats in de tijd die voorafgaat aan het verhoor in de morgen. 64. Zij wierpen een doek over zijn hoofd: De bewakers spelen met Jezus een soort ‘blindemansspel’. De geblinddoekte moest raden, wie hem de klap gegeven had. Profeteer: Zij honen Hem in zijn profeet-zijn en laten door hun vraag uitkomen dat zij Hem daarin niet serieus nemen. 65. Lasterlijke taal: Inhoud van de spot is Jezus’ positie tot God.

66. De Raad van de oudsten van het volk: Lucas noemt het Sanhedrin met een voor zijn lezers in de griekse we^ reld bekende uitdrukking. Zie voor andere benamingen Hand. 5:21; 22:5. Oudsten, overpriesters en schriftgeleerden vormden de drie geledingen. 67. De Christus: In het geding zijn de Messiasaanspraken van Jezus. Voor Pilatus zal men Hem als politiek rebel beschuldigen. Jezus heeft Zichzelf niet de Messias genoemd. Hij is immers geen Messias zoals zijn tegenstanders zich dat voorstellen. 68. Daarom is een discussie over zijn Messias-zijn doelloos. Zie voor de titel Christus: 2:11; 3:15; 4:41; 9:20; 20:41; 23:35,39; 24:26,46. De Messias is de lijdende Messias. 69. Van nu aan: Door zijn lijden en sterven gaat het naar de verhoging. Het tijdstip van de verhoging is aanstaande. Hun uur en macht schept naar Gods raad het uur van zijn glorie. De Zoon des mensen: Als de verhoogde Wereldrechter zal Jezus heersen aan Gods rech-, terhand (Dan.7:13; Ps. 110:1,2). 70. De reactie laat zien dat zij in de term Zoon des mensen de aanduiding van de door God verhoogde gehoord hebben. Jezus noemt Zichzelf de Zoon van God. In de romeinse wereld was de laatstgenoemde titel een aanduiding van de romeinse kej-zer. De drie genoemde titels komen in Jezus samen. Als de Zoon van God die in een unieke positie tot de Vader staat is Hij de Christus, Zijn weg is de weg van Jes. 53 en Dan. 7.

Het proces voor Pilatus en Herodes 23:1-25
Jezus voor Pilatus 23:1-7

1.En leidde Hem voor Pilatus: Pilatus, de vertegenwoordiger van het gezag van Rome, resideerde in de paastijd te Jeruzalem, in plaats van in Caesarea. Aan hem moest de beslissing van het Sanhedrin ter goedkeuring en uitvoering worden voorgelegd. Voor ‘leiden’ zie Joh. 18:28. Zie over Pilatus: Luc. 3:1; 13:1. 2. Verleidt: Vgl. Hand. 13:8,10; 20:30; Filp. 2:15. Het volk: het gebruikte gr. woord ethnos is aanduiding van het joodse volk in onderscheid van andere volken (vgl. 7:3). Verbiedt… belasting te betalen: Zie Luc. 2:1; Hand. 5:37. De aanklacht is in strijd met Jezus’ woorden in Luc. 20: 25. De Christus, de Koning: Tegenover Pilatus geven de joodse leiders aan de Messiastitel een politieke vulling: Jezus zou Zich tegenover het romeinse gezag als koning opgeworpen hebben. Zie daartegen Luc. 22:67vv. Joh. 18:33-38 vinden we een gesprek tussen Jezus en Pilatus over het koningschap. 4. Niets strafbaars: Tot 3x toe betuigt Pilatus dat Jezus niet schuldig is aan een strafbaar feit (vs 4,14,22). Zie ook Joh. 18:38; 19:4,6. 5. Maar zij hielden vol: In het Grieks wordt een woord gebruikt, dat op een fel en heftig aanhouden wijst. Jezus wordt ervan beschuldigd het volk tot oproer aan te zetten, een in die tijd met zijn vele opstootjes en tumulten gevaarlijke aanklacht. 7. Galileeër: Galilea behoort tot de jurisdictie van de vazalvorst Herodes Antipas (9:7-9; 13:31). Galilea was ook het gebied waar de meeste actievoerders tegen de Romeinen zich ophielden. Vgl. Hand. 5:37.

Jezus voor Herodes 23:8-12

8.Toen Herodes Jezus zag: Ook Herodes verbleef in verband met het Pascha in Jeruzalem, misschien in het paleis van de Hasmonaeën ten westen van de tempel. Hij is Verheugd over de ontmoeting. Zie Luc. 9:7. Een of ander teken: Herodes verlangt een mirakel om zijn vragen beantwoord te zien (vgl. Luc. 11:16,29). 9. Hij ondervroeg Hem: Gedurende geruime tijd ondervraagt Herodes Jezus. Maar Jezus geeft hem geen antwoord. Hij komt niet tegemoet aan de sensatiezucht van Herodes. Ook kan op de achtergrond staan het-motief van Jes. 53: 7,10. Ondanks de felle beschuldigingen vindt ook Herodes geen schuld in Hem (vgl. vs 15). Twee getuigen (Deut. 19:15) betuigen Jezus’ onschuld. 11. Bespotte Hem: Vgl. Hand. 4:27-28; Ts. 2:2. Herodes en Pilatus spannen samen tegen Jezus. Schitterend kleed: De veel geopperde veronderstelling dat de witte toga is bedoeld voor kandidaten voor een hoog ambt, is onbewijsbaar.

12. Met elkaar bevriend: De wederzijdse erkenning van eikaars bevoegdheden doet de vijandschap tussen de twee rivalen verdwijnen. Wat de oorzaak van de vijandschap is, vertelt Lucas niet. Was het het gebeuren dat in Lüc. 13:1 vv verteld wordt? Of was Pilatus boos dat Herodes met drie van zijn broeders er in Rome op aangedrongen had Pilatus ter verantwoording te-roepen vanwege de gouden schilden die hij zonder de religieuze gevoelens van de Joden te respecteren in Jeruzalem had laten aanbrengen?

Overgeleverd om gekruisigd te worden 23:13-2

ln heel dit gedeelte horen we geen woord uit de mond van Jezus. Over Hem wordt beslist. Maar in heel dit gebeuren, waarin de volkswil lijkt te triomferen, voltrekt zich Gods plan. Het gedeelte valt in drie delen uiteen: vss 13-16: Conclusie uit het verhoor voor Herodes; vss 1723: Aandrang van de zijde van de Joden, vss 24-25 Pilatus’ toegeven aan de wil van de aanklagers.

13. Volk en leiders worden hier tezamen genoemd. Elders staat het volk aan de kant van Jezus. Mogelijk noemt Lucas hier het volk als getuige van Jezus’ onschuld. 14. Gij hebt… beschuldigd: Vgl. vs 4. 15. Met grote nadruk (2x in de vss 14-15:En zie) onderstreept de landvoogd Jezus’ onschuld. 16. Geselen en loslaten: Daarmee geeft hij toch blijk van zijn zwakheid. Met de geseling wilde hij enigermate tegemoet komen aan de verlangens van de Joden. In Mar. 15:15 wordt een ander woord gebruikt. Het hier gebruikte woord vinden we ook in Hand. 7:22; 22:3 (= opvoeden). Vgl. 1 Kon. 12: 11; 2 Kron. 10:11: opvoeding kon ook kastijding inhouden. Is in Mar. 15:15 de geseling de inleiding tot de kruisiging, hier is de geseling bedoeld als alternatief voor de kruisigingsstraf. 17. De vertaling van het NBG zet dit vs tussen vierkante haken; het vs ontbreekt in de beste handschriften en is mogelijk ingevoegd op grond van Mar. 15:6; Mat. 27:15. De invoeging van dit vs verklaart vs 18. 18. Barabbas: Letterlijk vertaald: ‘zoon des vaders’. Zie Mar. 15:7,11,15. De amnestie tov. een gevangene op Pascha was een gebaar van de bezetter tegenover de Joden. Weg met Hem: Het gr. werkwoord ‘wegnemen’ heeft hier de betekenis: doden (Joh. 19:15; Hand. 2:22: vgl. Jes. 53:8). 19. Barabbas was vermoedelijk een Zeloot, misschien zelfs een leider, die bij een opstootje gearresteerd was. Pilatus’ handelwijze is een laatste poging om Jezus los te laten. Maar hij beseft niet dat juist een Barabbas-figuur populair was bij het volk. Daarom mislukt zijn toeleg. Steeds feller klinkt de roep om Jezus’ dood. 23. Onder luid geschreeuw: Tot 2x toe vermeldt Lucas het zinloze geschreeuw van opgehitste mensen. 24. Besliste: Technische term voor ‘vonnissen’. Aan hun eis: Een verzoek inwilligen. De woorden zijn ambtelijke vaktaal. 25. Gaf Hij over: Het werkwoord heeft een diepe zin in Jes. 53:6,12, alsmede in de brieven (Gal. 2:20; Rom. 4:25; 8:32). Niet de wil van het volk is het beslissende. Maar de wil des Heren geschiedt. Jezus wordt overgeleverd om onze zonden.

In heel dit gebeuren wordt Pilatus getekend als de zwakkeling, speelbal van de volksgunst die mede verantwoordelijk is voor Jezus’ dood. Hij is het, die ambtelijk de beslissing neemt.

Kruisiging en begrafenis 23:26-56
Op weg naar het kruis, 23:26-32.

Zie voor vs 26 Mat. 27:32; Mar. 15:21. Vss 27-31 alleen bij Luc. 26. Simon van Cyrene: Vgl. Hand. 2:10; 6:9; 11: 20; 13:1. Behoorde Simon tot de synagoge der Cyre-naeërs? Het kruis: Veroordeelden moesten zelf de dwarsbalk, depatibulum, dragen. Hier wordt dit Simon opgelegd. Achter Jezus: Misschien toespeling op 9:23 en 14: 27.

27. Vrouwen, die... weeklaagden: De aanwezigheid van omstanders bij een executie was normaal. Ook de aanwezigheid van klagende vrouwen. De rouwklacht gold als verdienstelijk werk. 28. Wendde zich tot haar: In priesterlijke bewogenheid denkt de Here aan het lot van Jeruzalem. Voor de 4e maal uit Hij zijn smart over de komende ondergang en waarschuwt Hij de stad. Dochters van Jeruzalem: zie Jes. 3:16 en Zach. 9:9. 20. Kinderloosheid gold doorgaans als een ramp en een smaad. Maar de verschrikkingen die over de stad zullen komen zijn van dien aard, dat de normale verhoudingen omgekeerd zijn. De kinderlozen zullen dan juist gelukkig geprezen worden, omdat zij niemand nalaten, die deze rampen zullen treffen.

Weent niet: Het motief dat juist moeders en kinderen te beklagen zijn, wanneer rampen een volk of een stad treffen vinden we ook bij allerlei griekse schrijvers zoals Euripides, Sofocles, en bij de romeinse schrijver Seneca.

30. Tot de bergen: Valt op ons: Dit woord gaat terug op Hos. 10:8. Het woord kan betekenen, dat men zich in zo’n verschrikkelijke tijd liever dood wenst dan dit mee te maken. Mogelijk is ook, dat het woord uiting geeft aan de wens om zich te kunnen verbergen voor de komende catastrofe (Op. 6:15-16).

31. Het groene hout… het dorre: Groen hout, dwz. fris en levend hout brandt niet zo makkelijk als droog en dor hout. Met het vuur is hier bedoeld het vuur van Gods oordeel (Ps. 50:3; Jer. 66:15; Op. 18:8). Als het oordeel zo al over de rechtvaardige Jezus komt, wat zal dan een schuldig Jeruzalem niet boven het hoofd hangen. Vgl. voor de gedachte Spr. 11:31; Ez. 20:47; 1 Petr. 4:17-18.

32. Met Jezus worden twee misdadigers naar de plaats van de terechtstelling geleid. Mar./Mat. noemen hen ‘rovers’, ‘opstandelingen tegen Rome’.

De kruisiging 23:33-43

33. Schedel: Lucas noemt niet de naam Golgota, maar geeft de voor zijn griekse lezers verduidelijkende weergave Schedel, vanwege de vorm die de heuvel had. Kruisigden zij Hem aldaar: Vgl. Joh. 19:18. De kruisiging was een wrede straf die de Romeinen van de Carthagers hadden overgenomen en die op slaven en rebellen werd toegepast. enkele handschriften ontbreekt dit vs (uit anti-joodse motieven?). De bede om vergeving voor de beulen ontbreekt in joodse martelaarsverhalen, waar juist de dreiging met Gods oordeel wordt uitgesproken. Jezus bidt voor degenen die Hem kruisigen, nl. de Romeinen en de Joden. Dat ook de laatsten bedoeld zijn blijkt uit Hand. 3:17. Onwetendheid sluit schuld niet uit. Zie als achtergrond Jes. 53:12 en Mat. 5:44. Later zal ook Stefanus bidden voor wie hem stenigen (Hand. 7: 60). En zij wierpen het lot: Vgl. Ps. 22:19. 35. Het volk… Ook de oversten: Zie Ps. 22:8. Indien Hij de Christus Gods is, de uitverkorene: In Jes. 42.T wordt ‘uitverkorene’ gezegd van de Knecht des Heren. In joodse geschriften is het een messiaanse titel. De oversten bespotten Jezus Messias-zijn. Laat Hij het bewijzen door Zichzelf te bevrijden. 36. Zure wijn: De drank van de soldaten en de gewone man (Mat. 27:48; Mar. 15:36; Joh. 19:29-30). De romeinse soldaten bespotten zijn koningsaanspraken. 38. Er was ook een opschrift: Mogelijk geeft dit opschrift boven het kruis de climax in de spot aan. 39. Een van de medekruiselingen doet mee in de spot. Voor deze rebel en vrijheidsstrijder legitimeert een Messias Zich door het volk te bevrijden van tyrannie en onderdrukking. 40. De ander buigt onder het oordeel van God over zijn schuld. Tegelijk belijdt hij Jezus’ onschuld. Onbehoorlijks: Lett, ‘wat niet op zijn plaats is’. 43. Jezus, gedenk mijner: In de Psalmen doet de gelovige een beroep op de Here God om hem te gedenken (Ps. 106:4). Hier richt de bede zich tot Jezus. Ondanks de spot belijdt deze misdadiger zijn geloof in Jezus’ heerschappij. 43. Heden… met Mij… in het paradijs: Hetwoord ‘paradijs’ is een perzisch leenwoord. In de gr. vert. van Gen. 2:8 duidt het de hof van Eden aan. In joodse literatuur is het een aanduiding van de rustplaats der rechtvaardigen, de plaats waar de gestorven rechtvaardigen verblijven. Hier betekent het de heilstoe-stand na het sterven. Door Christus is er een ingaan in de eeuwige vreugde. Zelfs de dood kan geen scheiding maken (vgl. Rom. 8:38; Filp. 1:23). Het ‘heden’ is een woord dat bij Luc. veel voorkomt (zie bij 2:11).

Het sterven van Jezus en de begrafenis 23:44-56

44. Ongeveer het zesde uur. dwz. 12 uur ‘s middags. Duisternis… verduisterd: Het is de duisternis van het gericht van God. Het motief van de zonsverduistering vinden we ook bij de profeten (Am. 8:9; Joël 2:10,31; 3:15).

45. Het voorhangsel scheurde: De pass. werkwoordsvorm wijst op een daad van God. ‘Voorhangsel’ is in de LXX het gordijn dat het heilige van het heilige der heiligen scheidt (Ex. 26:31vv; Lev. 21:23; 24:3), maar ook wordt het wel gebruikt voor het gordijn aan de voorzijde van het tempelgebouw (Ex. 26:37; 38:18; Num. 3:26). Het voorhangsel symboliseert de scheiding tussen de zondaar en de heilige God. Door Christus’ dood is de toegang ontsloten, en is er gemeenschap tussen God en zijn volk. Vgl. Heb. 10:19vv.

46. Vader, in uw handen: Jezus sterft met Ps. 31:6 op de lippen, het avondgebed van elke vrome jood. Gaf Hij de geest: Hij sterft vrijwillig. Zowel in het eerste als in het laatste kruiswoord roept Jezus de Vader aan.

47. Rechtvaardig: Het is mogelijk dat in de mond van deze heidense honderdman dit woord niet meer betekent dan ‘rekening houdend met recht en wet’. Het oudtestamentische tsaddiq betekent: deel hebbend aan Gods gerechtigheid overeenkomstig de thora, in de rechte verhouding tot God. Mogelijk kiest Lucas de term ‘de Rechtvaardige’ als omschrijving van ‘Zoon Gods’ (Mat. 27:45; Mar. 15:39). 48. De reactie van de schare drukt smart en wroeging uit (vgl.zij sloegen zich op de borst), misschien zit er ook iets in van boetvaardigheid. 49. Al zijn bekenden: Vgl. Ps. 38:12; Ps. 88:9.

50. Jozef: Een lid van het Sanhedrin die niet ingestemd had met de besluitvorming omtrent Jezus’ dood en het Verzoek aan Pilatus.Arimatea: misschien identiek met Ramataim (1 Sam. 1:1). Goed en rechtvaardig: Vgl. Hand. 10:22; 11:24. Zie Luc. 2:25. Het krijgt zijn verklaring in het ‘die het Koninkrijk Gods verwachtte’.

53. Rotsgraf: Het gebezigde griekse woord betekent lett. ‘grafmonument’. Het is een nieuw graf (vgl. 1:34; 19: 30). 54. De dag der voorbereiding: De dag die geldt als voorbereiding op, toerusting tot de Pésach-viering. En de sabbat brak aan: Dwz. de avondster die de komst van de sabbat aankondigde verscheen. 55. De vrouwen: Vgl. Luc. 8:2; 23:49. 56. De vrouwen maken specerijen klaar om na de sabbat, dwz. na zonsondergang op sabbat, deze te brengen bij het lichaam. Deze specerijen dienden om het lichaam te balsemen. Vgl. Mat. 2:11: de mirre bij Jezus’ geboorte. Rustten naar het gebod: Vgl. Ex. 12:16; 20:10; Lev. 23:8.

De opstanding van Jezus 24:1-53

Alle vier evangeliën eindigen met het bericht van de opstanding en de verhoging van Jezus, de verschijningen

aan zijn leerlingen. Bij Lucas vinden alle verschijningen plaats in en rond Jeruzalem, en op de avond van de opstandingsdag, terwijl uit Hand. 1 blijkt dat ook Lucas geweten heeft van een langere periode yän verschijningen. Jeruzalem, de stad van Jezus’ dood is ook de plaats van zijn overwinning en de stad van waaruit de wereldwijde evangelieprediking een aanvang neemt en de vorming van de gemeente. Het evangelie van Lucas begint in de tempel en eindigt er.

Het lege graf 24:1-12

1.Maar: In tegenstelling tot het voorgaande. Zodra de sabbat voorbij was en zo vroeg mogelijk zetten de vrouwen zich aan de taak die zij op zich genomen hadden. 2. De vrouwen zijn de eerste ooggetuigen die de weggewen-telde steen zien en constateren, dat het graf leeg is. 4. Twee mannen in blinkend gewaad: Vgl. Hand. 1:11. Stonden: Vgl. 2:9. Het werkwoord wordt vaak gebruikt in verband met de verschijning van hemelse wezens in dromen, visioenen. Twee getuigen bevestigen de zaak (Deut. 19:15). De Levende: Zie voor ‘leven’ in deze betekenis: Luc. 15:32; 24:23; Hand. 1:3; 9:41; 25:19; Mar. 16:11; Rom. 14:9; Gal. 2:20; Heb. 7:25; 1 Petr. 3:18; Op. 1:18. 6. Herinnert u: De twee mannen roepen de vrouwen op te gedenken aan Jezus’ aankondiging van zijn lijden en opstanding naar het plan van God (Luc. 9: 22). Gedenken is meer dan ‘denken aan’. In de Bijbel is gedenken je de daden en woorden van God voor ogen stellen en er op vertrouwen. In de vss 27 en 44-45 wordt het ‘gedenken’ uitgewerkt als een uitleg van wet en profeten, een openen van de Schriften en van het verstand. Dit gedenken leidt tot geloven. 9. Niet de verzorging van een dode, maar de verkondiging van de Levende wordt hun taak. Vrouwen zijn de eerste getuigen. 10.Johanna: In 8:3 heet zij de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes. Maria (de moeder) van Jakobus: Vgl. Mar. 15: 40; 16:1. Niet geheel duidelijk is, wie met Jakobus wordt bedoeld. In elk geval niet de broeder des Heren, die als hoofd van de gemeente te Jeruzalem wordt genoemd (vgl. Gal. 2:9). 11. Zotteklap: Nonsens. 12. Dit vs staat in de vert. van het NBG tussen vierkante haken; het ontbreekt in belangrijke tekstgetuigen. Het vs wil zeggen: Petrus is na de vrouwen de eerste man die getuige is van het lege graf. Wat er gebeurd mocht zijn: Deze vert. laat niet uitkomen dat het gaat om een feitelijk en reëel gebeuren: wat er geschied is. Bij zichzelf: Dit kan verbonden worden met ‘ging weg’, dwz. naar zijn huis.

De Emmaüsgangers 24:13-35

Alleen Lucas maakt melding van deze verschijning; een mogelijke zinspeling is misschien aanwijsbaar in Mar. 16:12-13. Twee punten komen met name naar voren: a. Het feit van de opstanding is de vervulling van wet en profeten; b. de verrezen Here verschijnt aan getuigen en wordt herkend als Jezus. De gekruisigde is de opgestane. Er zijn in de beschrijving enkele overeenkomende trekken met Hand. 8:26-40 (motief van de reis, onbekendheid met de Schriften, verklaring van Jezus’ lijden op grond van de Schriften, verzoek aan de uitlegger om te blijven, het sacrament van doop/maaltijd, plotselinge verdwijning van de uitlegger).

13. Twee van hen: Nl. van de in vs 9 genoemden. De eenblijft ongenoemd. De ander draagt de naam Kleopas (= afgekorte vorm van Kleopatros, zoals Antipas afgeleid is van Antipatros). Is hij dezelfde als Klopas in Joh. 19:25? Naar een dorp… Emmaüs: 1 stadion is de lengtemaat van een toenmalig stadion, nl. . Sommige handschriften lezen ipv. 60 160 stadiën. Het is moeilijk vast te stellen waar Emmaüs precies gelegen heeft. Vs 33 doet denken aan een plaatsje dicht bij Jeruzalem. 14-16. Jezus voegt zich bij de twee wandelaars. Maar deze herkennen Hem niet. Hun ogen waren bevangen (lett. ‘verhinderd om te…’), nl. door God. 17. Met somber gelaat: Dwz. bedroefd, treurig uitziend. 18. Zijt gij de enige vreemdeling: Blijkbaar houden zij Jezus voor een pelgrim van elders die op weg is naar huis en onkundig is van wat er zich op dit Pascha in Jeruzalem heeft afgespeeld. Het gr. werkwoord ‘vreemdeling-zijn’ duidt op de vreemdeling die ergens vertoeft zonder er burgerrecht te hebben. 19. Een man… profeet… machtig in woord en werk: Vgl. Hand. 7:22. Jezus was machtig ‘voor God en het ganse volk’. Lucas stelt het volk apart tov. zijn leiders. 20. De leiders van het volk zijn verantwoordelijk voor Jezus’ dood. de hoop… die Israel verlossen zou: Zie Luc. 1:68; 2:38; 19:11; 21:28; Hand. 1:6 en 28: 20. Hun verwachting dat Jezus zijn profetisch werk zou bekronen met de bevrijding van Israel was door zijn dood de bodem ingeslagen. De derde dag: In de joodse opvatting speelt de overtuiging mee, dat op de vierde dag de ziel het lichaam verlaten had (vgl. Joh. 11:39). Mogelijk is er ook een vage heugenis aan Jezus’ woorden, ln het O.T. is de derde dag de dag waarop beslissingen vallen, hetzij gericht, hetzij heil (vgl. Hos. 6:2; Gen. 22:4: de zoon, dwz. Israel leeft). 22-24. Er is wel gezegd, dat het graf leeg is, maar Degene om wie het gaat, Jezus hebben zij niet gezien.

25-27. Onverstandigen en tragen van hart: Jezus verwijt hen, dat zij zo gevangen zitten in hun verwachtingspatroon inzake de Messias en de verlossing van Israel, dat zij niet geloven alles, wat door de profeten gezegd is. Niet alleen de beloften van herstel en verlossing voor Israel, maar ook het lijden van de Messias. Heerlijkheid: de glorie van de verhoogde Zoon des mensen (vgl. 1 Tim. 3:16; Filp. 2:6-11; 1 Petr. 1:11,18-19,21. De Schriften: Bv. Ps. 22,110; Jes. 53; Zach. 9; Jer. 31. 29. Drongen sterk… aan: Hetzelfde werkwoord in Hand. 16:15. Voor het motief zie Gen. 24:55; Richt. 19:9; Luc. 19:5; Joh. 1: 38. 30. Brood… dezegen… het brak… toereikte: Dezelfde handelingen worden ook vermeld in Luc. 22:19 en 9: 16. Het gaat hier om de tafelgemeenschap tussen de opgestane Here en zijn jongeren. Er wordt in dit vs geen melding gemaakt van de wijn, zoals in Luc. 22. 31. God opent hun ogen, zodat zij Jezus herkennen. Hij verdween: De Opgestane laat zich niet vasthouden. 32. Brandend: Hun verwachting was vurig genoeg. Nu pas, door Jezus’ uitleg, zien zij hoe Hij Israel’s Messias is. 34. Vgl. 1 Kor. 15:4-5. Voor de Emmaüsgangers kunnen vertellen, hoe Jezus hen verschenen was, horen zij uit de mond van de elven het bericht van Zijn opstanding en de verschijning aan Petrus.

De verschijning aan de discipelen 24:36-43

In de vss 36-39 wordt grote nadruk gelegd op de lichamelijkheid van de opgestane Here. Dit leven is opgenomen

in de verlossing door Christus. De lichamelijkheid van de opgestane Heiland is niet gebonden aan onze maatstaven van ruimte en tijd. Sterk wordt in deze vss de identiteit van de Opgestane met de aardse Jezus beklemtoond. 36. Stond Hij zelf: Plotseling verschijnt Jezus in hun midden, vgl. Joh. 20:19. Sommige mss voegen toe: ‘En Hij zeide tot hen: Vrede zij u’ (vgl. Luc. 2:14). 37. Een geest: Voor ‘geest’ is deze betekenis zie 24:39 en Hand. 23:8-9. 38. Overwegingen: Vgl. bij 2:35. Hier gaat het om overwegingen met betrekking tot de vraag naar de realiteit van de opstanding. 39. Mijn handen en mijn voeten: De gekruisigde is de Opgestane. Betast Mij: Vgl. 1 Joh. 1:1. 40. Dit vs ontbreekt in een aantal mss. Zie Joh. 20:20. 42. Gebakken vis: Vgl. Joh. 21:5,10. Dat vis beschikbaar was in Jeruzalem blijkt uit Neh. 3:3; 13:16. 43. Voor hun ogen: Zij allen zijn ooggetuigen, vgl. Hand. 1:4; 10:41.

Het zendingsbevel 24:44-49

De berichten over de opstanding eindigen met de opdracht tot verkondiging van het Evangelie (vgl. Mat. 28: 19; Mar. 16:15; Joh. 20:21).

44. Dit zijn mijn woorden: Alle drie de delen van de Schrift worden in de volgorde van de hebreeuwse bijbel genoemd. 45. Opende Hij: Vgl. vs 31-32.

46-47. Niet alleen het üjden en de opstanding van Christus zijn geschied naar de Schriften, ook de prediking van het Evangelie onder alle volken is opgenomen in het heilsplan van God. In zijn Naam: Dwz. op basis van zijn Naam, op de grondslag van Christus’ werk in kruis en opstanding. Inhoud van de verkondiging is bekering tot vergeving van zonden (vgl. Hand. 5:31). Deze verkondiging neemt zijn uitgangspunt in Jeruzalem (vgl. Jes. 2: 2vv; Mi. 4:lw). 48. De discipelen worden van ooggetuigen getuigen: wat zij gezien hebben mogen zij doorgeven. Vgl. Jes. 43:10; 44:8; Joh. 15:26-27. 49. De belofte mijns Vaders: Wat God beloofd heeft is de Heilige Geest. Bekleed wordt: Zie voor de oudtestamentische achtergrond van dit beeld: Job 29:41; 2 Kron. 6:41; Ps. 35:26. Voor het N.T. zie Rom. 13:14; 1 Kor. 15:53; Ef. 4:24. Kracht uit de hoge: Vgl. Jes. 32:15. De Geest zal hen de kracht tot getuigen schenken. De vervulling van deze belofte zal in Jeruzalem geschieden.

De hemelvaart van Jezus 24:50-53

Behalve in Hand. 1 maakt Lucas ook in het slot van zijn evangelie melding van de hemelvaart. In Lucas 24 is zijn heengaan tot de Vader het hoogtepunt van Jezus’ zending en de afsluiting van zijn arbeid op aarde, terwijl in Hand. 1 de Hemelvaart het begin van de tijd van de kerk inluidt. 50. Hij hief de handen omhoog: Vgl. Lev. 9:22. Jezus zegent zijn jongeren als Hogepriester. Er is verband tussen het begin en het slot van het Evangelie. Vgl. Luc. 1:42,54; 2:28,34 en 24:50-53. Aan het begin is sprake van een priester die niet in staat is de zegen te geven. Aan het eind geeft de Opgestane de zegen, buiten de tempel op de Olijfberg. Zegenend gaat Christus heen. 52-53. Overeenkomstig Christus’ bevel keren de discipelen terug naar Jeruzalem. Er is sprake van grote vreugde (vgl. 2:10). In de tempel loven zij God: lett. zij zegenden God. Jezus’ volgelingen beantwoorden de hogepriesterlijke zegen door deze ahw. terug te geven.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken