Menu

Premium

Maleachi

INLEIDING

Maleachi als profetisch boek

Maleachi is het laatste bijbelboek van de profetische geschriften. Ook het laatste boek van het O.T. in de nederlandse vertalingen; in het hebreeuwse O.T. vormen 1 en 2 Kronieken het slot.

Iemand noemt Maleachi: de Adventist. In zekere zin zijn alle profeten adventfiguren. Ze mogen, ieder op hun wijze, de boodschap verkondigen van de beloofde en komende Christus. En allemaal hebben ze gesproken van de grote en vreselijke Dag, die des HEREN is.

Maar je zou kunnen zeggen: Maleachi heeft dit wel op een zeer bijzondere manier gedaan. Want hij is de laatste in de rij. Hij heeft de zware taak om het hek van de oudtestamentische profetie dicht te doen. En als God sluit, opent niemand. Vier eeuwen lang blijft het hek gesloten! Het boek Maieachi kenmerkt zich door een levendige stijl in vraag en antwoord. Tegenwoordig zouden we zeggen: in de vorm van een dialoog. Eerst komt de profeet met een bewering (1:6), daarna komen zijn hoorders met tegenwerpingen (1:6, 7) en tenslotte volgt een uitvoerig antwoord van de profeet, waarin hij zijn bewering motiveert (1:8-2:9). Deze discussievorm komt bij de profeten niet zo vaak voor. We treffen deze oa. aan in Jes. 49:1421 en Jer. 13:12-14.

Deze wijze van spreken, de vraag-en-antwoord-methode, is later in de joodse synagoge veel toegepast. Het werd een gewild literair procédé, dat bv. in de Heidelbergse Catechismus een systematisch doorgevoerde nagalm heeft gevonden.

De omstandigheden waaronder de profeet optrad, waren geestelijk gezien, niet zo gunstig. Een nieuwe tempel betekende nog geen nieuw volk. De heerlijkheid des HEREN, de luister van Salomo’s huis, is met het nieuwe gebouw niet weergekeerd. De tempelgebouwen staan er wel, zelfs op hun oude plaats. Maar waar is de ten hemel rijzende wolk, waar de onmiddellijke tegenwoordigheid des HEREN?

Er zijn zonden bij de vleet, zonden in de eredienst niet het minst. Zo veroordeelt Maleachi het in de priesters, dat zij de offerdienst in het bijzonder en de tempel in het algemeen met zo grote achteloosheid behandelen. En wat hem het meest ergert is, dat Joden zich lieten scheiden van hun wettige vrouw, om een huwdijk aan te gaan met een vreemde vrouw (2:10-16). Hierin is hij eensgeestes met Ezra, in welke periode hij geprofeteerd heeft, zeer waarschijnlijk vóór de tweede komst van Nehemia naar Palestina (Neh. 13).

Gods Woord omvat alle tijden, is nooit tijdgebonden, ook de profetie van Maleachi niet. Daarom zijn Gods woorden niet alleen een boodschap voor toen, maar ook voor nü. De zaken, die in dit boekje naar voren komen inzake de eredienst, huwelijk, sociale zorg, de toekomst, blijven actueel en houden hun betekenis ook voor onze dagen.

Tenslotte loopt alles uit op de grote Dag des HEREN. Een troostvol slot aan het einde van het O.T., een springplank naar het N.T. Vandaar, dat iemand concluderen kan: de openbaringshistorische lijn naar de prediking van het Nieuwe Testament en de komst en wederkomst van Christus ligt hier voor de hand.

Naam en schrijver van het boek

Het boek draagt de naam van de profeet Maleachi, van wie ons een aparte verzameling profetieën is bewaard. In het hebreeuwse O.T. bestaat het boek Maleachi uit drie hoofdstukken tegenover de vier hoofdstukken in de Septuaginta, de Vulgata en alle moderne vertalingen. Het vierde hoofdstuk (4:1-6) komt in onze vertalingen overeen met de laatste zes verzen van het derde hoofdstuk in de Masoretische tekst (MT) te weten: 3:19-24.

De naam van de profeet betekent letterlijk: bode (= engel) des HEREN of mijn bode. Velen zeggen, dat deze naam een ambtsnaam is en dat de eigenlijke naam van de profeet ons niet bewaard is gebleven. In deze ambtsnaam zou een zinspeling liggen op Mal. 3:1: ‘Zie, Ik zend mijn bode, die voor mijn aangezicht de weg bereiden zal’. Reeds de Targum Jonathan, vele rabbijnen, de kerkvader Hieronymus, e.a. zagen in dit woord een ambtstitel, die de profeet zichzelf toekent. Men vatte ‘Maleachi’ op als een schuilnaam voor Ezra of Mordechai. Als argument wordt ook wel aangevoerd, dat de naam nergens elders in het O.T. als eigennaam voorkomt. Dit argument heeft echter maar een zeer relatieve betekenis: je kunt een lijst van namen opstellen, waarvan dit ook geldt. De bedenking, dat geen enkele joodse vader zijn kind ‘mijn bode’ zou noemen is mi. niet steekhoudend en terecht merkt iemand op, dat elk van de betekenissen ‘mijn bode/engel’ of ‘angelicas’ een natuurlijke naam voor een joods kind geweest kan zijn.

Concluderend zou ik willen zeggen, dat nog steeds veel te zeggen valt ten gunste van ‘Maleachi’ als eigennaam. Ook deze traditie gaat ver in het verleden terug. De Septuaginta duidt het boek aan met de naam ‘Malachias’ en hieruit kan worden afgeleid, dat deze griekse vertaling ‘Maleachi’ reeds als eigennaam heeft gekend. Laten we tevens bedenken, dat alle profetische boeken de naam van de profeet vermelden.

Terecht is opgemerkt, dat de naam en de levensomstandigheden van de profeet voor het openbaringskarakter van het boek niet van het grootste belang zijn. Het vraagteken boven de naam van de profeet is geen ramp. Als we maar verstaan, dat het niet zozeer gaat om de prediker,als om de bóódschap die hij namens zijn Zender brengt. Verder weten we niets over de persoon van de profeet. Noch van zijn afkomst, noch van zijn geboorteplaats is ons iets bekend. Het enige wat we van hem kunnen zeggen is datgene wat we in het boek Maleachi van hem lezen. Hij is slechts ‘boodschapper van Jahwe’, Verbi Do-mini Minister, dienaar van het Goddelijk Woord. Zo maakt hij in zijn geschrift de woorden waar van hem, wiens komst hij moest aankondigen: Johannes de Doper, die gezegd heeft: ‘Hij moet wassen, ik moet minder worden’ (Joh. 3:30).

De tijd van Maleachi’s optreden

De tijd, waarin Maleachi profeteerde kan bij benadering worden vastgesteld. Allereerst is duidelijk, dat hij moet zijn opgetreden na de inwijding van de herbouwde tempel, die gebouwd en ingewijd werd na de ballingschap (516 v.Chr.), omdat hij telkens spreekt over de tempeldienst. Het is ook geruime tijd daarna, want de geestdrift, die er was bij de bouw van de tweede tempel onder Haggaï en Zacharia, is blijkbaar allang geluwd en had plaats gemaakt voor een schandelijke veronachtzaming van de cultus. Evenals Ezra bestraft Maleachi de huwelijken met heidense vrouwen (2:11), maar hij spreekt ook over nalatigheid in het brengen van tienden en heffingen (3:8 w) en bij Nehemia lezen we, dat het volk zich had verplicht tot het opbrengen van de tienden (Neh. 10:35), zodat we het optreden van Maleachi het meest waarschijnlijk kunnen stellen tussen het eerste en het tweede verblijf van Nehemia in Jeruzalem, dat is ongeveer tussen 433 en 424 v.Chr. Zijn profetie dient dan gelezen te worden tegen de achtergrond van Nehemia 13.

De eenheid en indeling van het boek Maleachi

Over het algemeen is men eenstemmig inzake de eenheid van dit boek. Tegen sommige gedeelten zijn er bedenkingen tegen de echtheid; de argumenten zijn echter niet overtuigend en over het algemeen oordelen de commentatoren, dat het boek Maleachi weinig literaire problemen heeft. De slotsom is dan ook, dat de echtheid èn de eenheid op goede gronden kan worden gehandhaafd.

Sommigen verdelen dit boek in twee hoofddelen:

A. 1:2-2:16: bestraffing van priesters en volk;

B. 2:17-4:3: aankondiging van de Dag des HEREN, met 4:4-6 als een min of meer zelfstandig slot.

Het verdient echter de voorkeur het boek in te delen volgens de zes toespraken, zodat we de volgende onderscheidingen maken:

Opschrift, 1:1

Gods liefde voor Israel, 1:2-5

Aanklacht tegen de priesters, 1:6-2:9

Veroordeling van gemengde huwelijken en echtscheidingen, 2:10-16

Eerste aankondiging van de Dag des HEREN, 2:17-3:5

Oproep tot bekering, 3:6-12

Tweede aankondiging van de Dag des HEREN, 3:13-4:3

Slot, 4:4-6

VERKLARING

Opschrift 1:1

Het begin van het opschrift is gelijk aan dat van Zach. 9: 1; vgl. 12:1. De omschrijving: ‘door de dienst van’ vindt men ook in Haggaï T.l. De eerste term die gebezigd wordt betekent letterlijk: vracht, dienst, gewicht. Het dient hier te worden opgevat in de zin van ‘uitspraak’ en dan vooral Godsspraak als aanduiding van profetische openbaring. Deze Godsspraak is een woord des HEREN en kan een oordeels- of heilsaankondiging tot inhoud hebben. Dit moet uit het verband worden afgeleid.

Gods liefde voor Israel 1:2-5

In deze perikoop vindt u direct al het hoofdthema van het boek: enerzijds de liefde van God tot zijn volk Israel, anderzijds de ontrouw en de ondankbaarheid van het volk, welke in het licht van Gods liefde des te scherper uitkomen. Eerst komt het evangelie, dan de wet. Zo sterkt de profeet zijn hoorders in hun wankelend vertrouwen; maar dan volgen ook vermaningen en bestraffingen.

Ik heb u liefgehad (vs 2), dwz. Ik heb u liefde bewezen, zegt de HERE en dan vraagt het volk naar een bewijs of nadere verklaring: het volk twijfelde aan die bijzondere liefde van God, wegens het uitblijven van de messiaanse heilstijd. Op te merken valt nog, dat het werkwoord ‘liefhebben’ in het O.T. 32 maal wordt gebruikt in verband met de liefde van God; die liefde gaat hier uit tot zijn bondsvolk Israel. Zie ook Mal. 2:11; voorts o.a. Deut. 7:6-8,13; Ps. 47:5; Jes. 43:4; Jer. 31:3; Hos. 11:1. ‘En dan zegt gij’; deze wending is typerend voor de stijl van Maleachi. Deze reactie van het volk duidt de ongeloofshouding van Israel aan. Waarin hebt Gij ons uw liefde bewezen? Het volk vraagt naar het concrete bewijs van Gods liefde in het licht van de crisis, waarin het verkeert. Was niet enz. onderstreept de souvereine verkiezende liefde van God voor Jakob, vgl. Gen. 25:23; Rom. 9:10 vv.

De beide zonen van de aartsvader Isaäk, nl. Esau en Jakob, staan hier tevens voor de volken: Edom en Israel. Zie ook de verklaring op Obadja.

‘Maar Esau heb Ik gehaat’. Dit is reeds bij de stamvaders begonnen en bij de volken voortgezet. Deze woorden zijn voor velen een aanstoot. Men verzwakke echter dit woord niet in de zin van ‘meer en minder geliefd’. De Israëlieten haatten Edom wegens het leedvermaak, dat het gehad had bij de ondergang van Juda, vgl. Ez. 25:12; Ob.: 10-14. Anderzijds betekent ‘haat’ niet, dat Esau voorbestemd was tot eeuwige rampzaligheid. Esau leeft aan de rand van het bondsvolk en blijft binnen het bestek van Gods heilsplan met de wereld.

Bergen (1:3): Edom woonde op het gebergte Seïr, vgl. Ob.:3, 8, 9, 19 en 21. Het werkwoord ‘prijsgegeven’ ontbreekt in de hebreeuwse tekst. Dit gebeurt wel meer. De bedoeling is echter wel duidelijk: het land is in een wildernis veranderd. Zie voor ‘jakhalzen’, Jes. 13:22; 34: 13, e.a.

Vs 4 spreekt uit, dat de vernedering van Edom blijvend zal zijn. Deze profetie is ook vervuld. Waarschijnlijk hebben nabateïsche Arabieren tussen 550-400 v.Chr. de Edomieten definitief verdreven, zodat vanaf deze tijd Edom nooit meer een eigen volksbestaan heeft gehad. Zie voor de Godsnaam: HERE der heerscharen (vs 4) of Jahwe Sebaot, die 24 maal in Maleachi voorkomt, bv. op 1 Sam. 17:45; Haggaï 1:2, e.a.

Aanklacht tegen de priesters 1:6-2:9

Nadat in de vss 2-5 de HERE heeft gewaagd van de liefde, die Hij Israel heeft betoond, begint thans de boete-prediking. Deze richt zich tot 2:9 in hoofdzaak tegen de priesters, hoewel in hun zonde de schuld van het volk mee begrepen is, zie vss 8 en 14.

De HERE wordt sprekende ingevoerd en begint met een algemeen aanvaarde stelling: ‘Een zoon eert de vader’. Een herinnering aan het vijfde gebod uit de decaloog (Ex. 20:12; Deut. 5:16), maar ook een zinspeling op een algemeen voorkomend feit: eerbied voor ouders was kenmerkend bij de semitische volken, vgl. de Wet van Hammurapi. Als dit bij ménselijke verhoudingen al zo is, heeft de HERE er dan geen recht op, dat Hij geëerd en gevreesd wordt? Hij is toch onze VADER! zie: Ex. 4:22 v; Jes. 63:16, 64:8; Jer. 3:4, Mal. 2:10, e.a. ‘Afijn naam’: de Naam van God is de openbaring van Hem. Wie die Naam veracht, veracht God Zelf, vgl. Zach. 10:12.

De priesters doen dit door minderwaardige (lett.: bevlekte, verontreinigde) offerspijzen op het altaar te brengen (vs 7). Lett.: ‘brood, spijze’, vgl. Lev. 21:6, 8, enz. Hiermee worden geen toonbroden bedoeld (Hieronymus), want die kwamen niet op het altaar. Blinde, kreupele, zieke dieren (vs 8), dergelijke dieren mochten niet worden geofferd, zie Lev. 22:20-25; Deut. 15:21. Zelfs uw landvoogd, als vertegenwoordiger van de perzische koning, zou zulke gaven niet willen aanvaarden en moet God het dan wel doen? Dergelijke landvoogden waren ook Zerubbabel (Hag. 1:1) en Nehemia (Neh. 5:14).

Was er maar iemand onder de priesters, die de deuren van de buitenste voorhof, waar het brandofferaltaar stond, toesloot (vs 10), zodat aan een dergelijke offerdienst een einde kwam! Géén cultus is altijd nog beter dan een verkeerde cultus; zie Hos. 6:6. Dit alles wordt in de vss 11- dezelfde woorden nader gemotiveerd. In vs 11 moet bij het brengen van ‘een rein spijsoffer’ gedacht worden aan de Joden in de verstrooiing (Babel, Egypte). De tafel des HEREN (vs 12) = het altaar (vgl. vs 7). De priesters vinden hun inkomen, dat aan de offerdienst verbonden is, niet veel zaaks (vs 12).

Op de bestraffing (1:6-14) volgt nu de oordeelsaankondiging (2:1-9). Toch is het nog een voorwaardelijk vonnis: Indien gij niet hoort en indien gij het niet ter harte neemt, vgl. Jes. 57:1. Ja, Ik heb ze reeds in vloek verkeerd. Vs 3 zet de bedreiging voort. De HERE zal, indien ze niet horen, hun nakroost bedreigen dwz. zc zullen met kinderloosheid gestraft worden, vgl. Deut. 28:18. Het vuil (SV drek) uwer feesten, di. de mest van de offerdieren, zal men op het gelaat der priesters werpen, waardoor ze onrein zouden worden en het priesterschap niet zouden kunnen uitoefenen. Ze worden zelfs daarheen (= de mesthoop) weggesleept!

Opdat mijn verbond met Levi besta (vs 4): het verbond, dat God met het priesterlijk geslacht gesloten had, vgl. Deut. 17:9. Hier blijkt duidelijk, dat in het verbond God en mens niet twee gelijkwaardige bondgenoten zijn.

De vss 6 en 7 beschrijven de ideale priester, zoals hij behoort te zijn (Deut. 33:9 v) en zoals in het verleden, naast veel ontrouw ook een hooghouden van dit ideaal is geweest, vgl. Ex. 32:26. Wat waren de priesters uit Malea-chi’s dagen hiermee in felle tegenspraak! Zij zijn van de weg (= de door God verordende weg, zie Deut. 9:12) afgeweken en zij hebben door het onderricht in de wet velen doen struikelen (vs 8). De priesters hebben door hun goddeloosheid het volk tot zonde gebracht en zo in het ongeluk gestort. Tot 4 maal toe wordt in de verzen 6-9 gesproken over het onderricht in de wet: uit de Tora, het wetsonderricht, had men kunnen weten, wat rein en wat onrein was en waar naar het volk zich te gedragen had, ook bij het sluiten van een huwelijk (zie beneden).

Gemengde huwelijken en echtscheidingen 2:10-16

Thans richt de profeet zich niet speciaal tot de priesters, maar tot het hele volk. Hij veroordeelt het gemengde huwelijk (vss 11, 12) en de echtscheidingen (vss 13-16) op grond van één uitgangspunt: Hebben wij niet allen één Vader? (vs 10). Daarom behoort er tussen mensen een geestelijke saamhorigheid te bestaan, waarmee ze zich voor elkaar verantwoordelijk weten, vgl. Job 31:15. Trouweloos (vss 10, 11): dat zijn ze, zowel door hun huwen met heidense vrouwen, als door de echtscheidingen, vgl. Ezra 9:2. Met de dochter van een vreemde god (vs 11) wordt een heidense vrouw aangeduid, die de afgoden dient, in tegenstelling met een Israëliet, die de HERE tot zijn Vader heeft.

Dan wijst de profeet erop, hoe de HERE hun offers niet aanneemt (vs 13) – valt dit op te maken uit de misoogsten?, vgl. 3:10 v – , vanwege de zonde der echtscheidingen (vss 14-16).

Ómdat de HERE getuige geweest is (vs 14): het huwelijk is gesloten voor het aangezicht des HEREN, vgl. Spr. 2: de drievoudige benaming: de vrouw uwer jeugd, uw gezellin en uw wettige vrouw beklemtoont de profeet de heiligheid van het huwelijk! Zie ook Deut. 24:1 v en de woorden van de Heiland in Mat. 19:3. In tijden van morele slijtage en ontheiliging van het huwelijk hebben deze profetische woorden nog niets aan kracht ingeboet! Vs 15 is heel moeilijk te vertalen. Voldoende geest bezitten is waarschijnlijk: nog een gezond verstand hebben; het zaad Gods: iedere rechtgeaarde Israëliet verlangde een vroom nageslacht te hebben. Vs 16 kan ook als volgt worden vertaald: ‘Wie zijn vrouw wegzendt, overdekt zijn gewaad met geweldpleging’.

Eerste aankondiging van de Dag des HEREN 2:17-3:5

Hier begint een nieuw gedeelte. Israel klaagt erover, dat de reeds zo vaak beloofde komst des HEREN uitblijft en dat het de goddelozen goed gaat, zie ook 3:13 w; vgl. Ps. 73:3 w. Als antwoord op dit ongeduldig vragen van het volk van het Verbond, belooft de HERE, dat Hij welhaast ten gerichte komt (3:1). ‘Zie, Ik zend mijn bode’: de komst des HEREN wordt beschreven als die van een Koning tot zijn paleis. Vóóraf gaat de heraut, de bode (Hebr.: maleachi), die de weg moet banen. Deze gedachte komt ook voor in Jes. 40:3 en is misschien door Maleachi daaraan ontleend. Evenals in 4:5 v bedoelt de profeet met deze bode:Elia. Vervuld is dit woord blijkens het N.T. in het optreden vanJohannes de Doper, zie Mat. 11:10; Mar. 1:2; Luc. 7:27; Joh. 1:21. Met ‘deEngel des verbonds’ wordt de Messias bedoeld, de komende Christus; zie over Hem, Gen. 16:7 e.a. Die gij zoekt (vs 1) drukt het verlangen uit naar de Dag des HEREN, welke het volk beschouwde als een Dag van louter heil. Op die grote Dag zal de HERE zitten (als rechter), terwijl Hij als een goudsmid (een veel voorkomend beeld, vgl. Jes. 1:25; 1 Petr. 1:7) het zilver smelt en reinigt. Loog is een scherpe zeepsoort, dat de vuilheid wegvreet. De zonen van Levi (vs 3) zijn de priesters, zie op 2:4. In de Dag van het gericht zal de HERE optreden als een snelle aanklager (lett. getuige, vgl. 2:14) tegen de volgende groepen van zondaars: tovenaars-echtbrekers-mein-edigen-die het loon van een dagloner drukken (zie Lev. 19:13) weduwe en wees verdrukken (zie Ex. 22:22 v) de vreemdeling terzijde dringen (zie Ex. 22:21; 23:12). Deze in vs 5 genoemde categorieën worden samengevat in allen die Mij niet vrezen. Oproep tot bekering, 3:6-12. Met de vroegere profeten heeft Maleachi gemeen, dat hij de oproep tot bekering tot zijn volk richt. Het volk klaagt, dat de oogst mislukt tengevolge van droogte en een sprinkhanenplaag (vs 11):de afvreter, vgl. Joël 1:4, 6). Ze hebben dit echter aan zichzelf te wijten, omdat ze niet trouw de tienden betaalden. Zie over de tienden oa. Lev. 27:30- vs 8 is ook sprake van de heffing; dit woord ziet op de vrijwillige gaven, welke men gaf voor het heiligdom, zie Ex. 25:2; Lev. 22:12; Num. 5:9. Wanneer men deze gaven weer brengen zou naar ‘de voorraadkamer’ (vs 10, di. de opslagplaats in de tempel, bestemd voor de priesters èn voor de offers, zie 2 Kron. 31: 11 v; Neh. 10:38; 13:12), dan zou de zegen des HEREN niet uitblijven en zou God de vensters van de hemel openen, een overvloedige regen doen neerstromen, vgl. Gen. 7:11; 2 Kon. 7:2.

Dan zullen (vs 12) alle volken hen gelukkig prijzen en Israel zal een begeerlijk land zijn, vgl. Zach. 8:13.

Tweede aankondiging van de Dag des HEREN 3:13-4:3

Opnieuw (zie 2:7) de klacht over het uitblijven van Gods komst ten gerichte. Het volk zegt het zelfs met vermetele (vs 13; Hebr.: sterke) woorden. Ze vragen zich af, wat het voor zin heeft in rouw te gaan voor het aangezicht van de HERE Sebaot (vs 14). Bedoeld als teken van verootmoediging en uiting van boete, vgl. 2:13. Zie ook Ps. 35:13; 38:7; Joël 1:13. En dat, terwijl de overmoedigen (vs 15) voorspoed hebben! We treffen hier dezelfde ge-dachtengang aan als in Ps. 73:3 vv.

Dan – nl. wanneer God gekomen is ten gerichte, vgl. Mi. 3:4 – spreken zij die de HERE vrezen: er zijn gelukkig nog mensen, die God vrezen en Hem dienen! God schreef een gedenkboek (vs 16) voor zijn aangezicht; de voorstelling van een boek bij God behoort bij de apocalyptische literatuur, zie Ex. 32:32; Ps. 139:16; Jes. 4:3;65:6; Ez. 13:9; Op. 20:12. Het beeld sluit aan bij het gebruik van oosterse koningen aantekeningen te laten houden van de voornaamste gebeurtenissen aan het hof, vgl. Ester 6:1; Dan. 7:10; Hand. 10:4. De gelovigen zijn Gods eigendom (vs 17). Welk een troost en bemoediging voor hen! Vgl. Ex. 19:5; Deut. 7:6; Ps. 135:4; Heid. Cat. zondag 1. Ik zal hen sparen: met hen medelijden hebben, zie Joël 2:18, zoals iemand (= de vader) zijn zoon spaart; vgl. 1:6; Luc. 15:29.

In Mal. 4:1 wordt gesproken overde dag. Bedoeld is de Dag des HEREN (hebr.: jom Jahwe), zie 3:17; 4:5. Brandend als een oven: een beeld van het alles verterend vuur van Gods heiligheid, dat op die Dag al wat zondig is zal wegdoen, zie Ps. 21:10; Jes. 10:16 v; Sef. 1:18; 3:8; Hebr. 12:29. De goddelozen worden geheel verteerd, zoals dat met ‘stoppels’ het geval is, vgl. Jes. 5:24, 47:14; Ob.:18; Nah. 1:10; Zach. 12:6, welke hun wortel noch tak zal overlaten; zie Job 18:16; Arnos 2:9.

Daartegenover wordt de positie beschreven van hen, die de naam des HEREN vrezen. Voor hen ‘zal de zon der gerechtigheid opgaan’. Deze benaming wordt ook aan Christus gegeven, maar het beeld is hier algemener bedoeld: de zon als bron van licht en symbool van heil en voorspoed, vgl. Ps. 97:11 en gerechtigheid staat hier voor heil, zoals meermalen in het O.T.: Ps. 132:9; Jes. 40-66; vgl. Luc. 1:78. Onder haar vleugelen is genezing: in het wapen van Assyrië en in dat van Perzië kwam een gevleugelde zonneschijf voor; zie ook Ps. 17:8.

Slot 4:4-6

Gedenkt de wet van Mozes deze benaming van de Pentateuch komt alleen nog voor in Dan. 9:11, 13. Op Horeb geboden, een andere naam voor de Sinaï. Zie Ex. 3:1, waar de HERE zijn wet aan Mozes voor zijn volk gegeven heeft, Ex. 19:24; 31:18 e.a.

Volgens sommige uitleggers zijn de vss 4-6 van een latere hand. Vs 4 sluit zich echter aan bij het spraakgebruik van Deuteronomium (inzettingen en verordeningen), zie Deut. 4:1, 8, 14; Horeb, wat in overeenstemming is met Maleachi’s gewoonte.

Ik zend u de profeet Elia, vs 5. Naast Mozes als middelaar van de wet, wordt als vertegenwoordiger der profetie Elia genoemd, vgl. Mat. 17:3. In de oudtestamentische Godsopenbaring gaan wet en profeten hand aan hand! Vóór de nadering van de Dag des HEREN zal een profeet opstaan in de geest en de kracht van Elia. Deze profetie is in Johannes de Doper vervuld, zie Mat. 11:14; 17:10-12; Mar. 9:11-13; Luc. 1:17. Deze zal de wegbereider zijn van Jezus Christus, die komt. En de Heiland herstelt in zijn genade alle verhoudingen, ook die van het ontredderd gezinsleven: Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen (vs 6).

Dit slot van Maleachi (vss 4-6) sluit zich nauw aan bij de voorafgaande verzen, maar vormt ook een treffend slot van het hele boek. Velen beschouwen deze slotverzen als een toevoeging van de redactoren, die de bundel van de profeten bijeenbrachten, als besluit van het gehele boek der kleine profeten of ook van héél de verzameling der profetische geschriften van het Oude Testament.

BEKNOPT CHRONOLOGISCH OVERZICHT VAN HET OUDETEATAMENTISCHE PERIODE

NB: alle jaartallen zijn meer of minder benaderingen! Deze onzekerheid verklaart de verschillen tussen dit overzicht en dat aan het eind van de verklaring van de boeken Koningen.

MAANDEN

Religieus

Burgerlijk jaar
1 VII Abib Ex. 13:4 maart-april
= Nisan Ester 3:7
2 VIII Ziw (Ijjar) 1 Kon. 6:1, 37 april-mei
3 IX Siwan Ester 8:9 mei-juni
4 . X Tammuz juni-juli
5 XI ‘Ab Ezra 7:9 juh-aug.
6 XII Elul Neh. 6:15 aug.-sept.
7 I Etanim (Tisjri) 1 Kon. 8:2 sept.-okt.
8 II Bul (Marcheswan) 1 Kon. 6:38 okt.-nov.
9 III Kislew Zach. 7:1 nov.-dec.
10 IV Tebet Ester 2:16 dec.-jan.
11 V Sebat Zach. 1:7 jan.-febr.
12 VI Adar Ezra 6:15 febr:-maart
13 We-Adar (schrikkelmaand)

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken