Marcus
INLEIDING
1.Een boek wordt ‘evAngeles’ genoemd.
Wie het door Marcus geschreven evangelie wil uitleggen, moet zich er rekenschap van geven dat dit geschrift een naam gekregen heeft, die van huis uit niet bedoeld was als aanduiding van een boek. Evangelie was de goede tijding, het goede nieuws, de ongehoorde boodschap dat God de wereld met Zich verzoend heeft en de mensen oproept, deze verzoening te aanvaarden, aan deze God vertrouwen te schenken en vanuit de geschonken nieuwe verhouding als Gods partners te leven. In het Oude Testament werd deze boodschap kort samengevat in zinnen als: ‘Zie, hier is uw God!’ (Jes. 40:9-11) of: ‘Uw God is Koning.’ (Jes. 52:7). Jeruzalem of Sion – en dat betekent: allen, die God kennen – worden in dat verband opgeroepen, deze boodschap luide te verkondigen en daarvoor ahw. op een hoge berg te gaan staan; en van de vreugdeboden, die deze tijding van Gods heil voor mensen brengen, wordt gezegd: ‘Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdeboden (Woordelijk: van de evangelisten).’ In het jodendom voor en ten tijde van het Nieuwe Testament zijn deze profetische aankondigingen herhaaldelijk met de komst van de Messias in verband gebracht. En Jezus zelf heeft eens in de synagoge te Nazaret de woorden van Jes. 61:l-2a op Zichzelf betrokken en verklaard, dat ze voor hun oren vervuld waren: ‘De Geest des Heren is op Mij, daarom dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen.’ Geen wonder dat de apostelen en de oudste kerk met hen deze term gebezigd hebben voor de boodschap van Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane. Daarin lag Gods boodschap voor Israel en voor de volken. Daar was God, daar was Hij heilbrengend aan het werk. Daar werd de wereld verzoend; daar was de Herder, die volgens Jes. 40:11 zijn kudde zou weiden en in zijn armen de lammeren vergaderen en in zijn schoot dragen. Daarom kan Paulus, wanneer hij heel in het kort wil zeggen wat het evangelie is, spreken over de gekruisigde en opgestane Christus (vgl. Rom. 8:34; 14:9; 1 Kor. 1:18,23; 2:2; 2 Kor. 5:15); en hij citeert ergens als vreugdeboodschap een oude christelijke belijdenis: ‘Christus is gestorven voor onze zonden naar de Schriften en Hij is begraven, en ten derden dage opgewekt naar de Schriften en Hij is verschenen…’ (1 Kor. 15:3-5).
Het zou nog een lange weg zijn, voordat er gebundelde uitgaven van verschillende geschriften uit de apostolische tijd zouden verschijnen, waarin opschriften zouden voorkomen als ‘het evangelie naar Marcus’. Geen van de vier evangelisten heeft een dergelijk opschrift gebruikt. Allen waren zij op de één of andere wijze bij de verkondiging van het evangelie betrokken, dat zijn centrum had in de boodschap van kruis en opstanding. Dat blijkt overigens nog heel duidelijk uit het feit dat bv. bij Marcus de gebeurtenissen rondom Jezus’ lijden, sterven en opstanding niet minder dan zes hoofdstukken beslaan (hst. 11-16), dat afgezien daarvan de voorafgaande hoofdstukken vanaf 8:31 zeer duidelijk en opzettelijk in hun betrokkenheid op die kruisiging verteld worden en dat de schaduw van het kruis zelfs zo zeer over het gehele geschrift valt, dat reeds in 3:6 het besluit vermeld wordt, Hem te doden.
Marcus heeft dit alles aan het begin reeds onder woorden gebracht, want de eerste zin luidt: ‘Begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.’ Het centrum van het evangelie ligt ontegenzeggelijk in kruis en opstanding, maar het begin van dit evangelie ligt daar, waar dit heilbrengend handelen van God op aarde openbaar wordt: in het optreden van Jezus. Deze eerste zin uit het Marcus-evangelie zal later waarschijnlijk de stoot gegeven hebben, om zijn geschrift evangelie te noemen. Elk gedeelte er van was een stuk evangelie, een aspect of een manifestatie er van. En dat is ook in overeenstemming met Marcus, mits men elk onderdeel leest en overweegt in het nauwste verband met de boodschap van Gods verzoenend handelen in zijn kruis en opstanding. Maar ook in een tijd, dat elk van deze vier geschriften Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes als evangelie aangeduid werd, is het besef niet verloren gegaan dat er eigenlijk maar één evangelie bestaat: het Evangelie van Jezus Christus; het opschrift luidt in ons geval namelijk: het evangelie naar Marcus, dus: de blijde boodschap, de Christusboodschap, zoals Marcus die op schrift heeft gesteld.
2.EÉN VAN DE VIER EVANGELIËN
Het Marcus-evangelie staat op de tweede plaats in een rij van vier geschriften, die de naam ‘evangelie’ dragen. Over de onderlinge verhouding tussen hen spreken zij niet, en ook de oudste traditie laat ons met vele vragen zitten. De wetenschappelijke nieuwsgierigheid, die ons bezielt bij het stellen van vragen en bij het zoeken naar antwoorden, speelde in die tijd nog geen wezenlijke rol. Men had andere zorgen. In een tijd, waarin de oog- en oorgetuigen aan de kerk ontvielen – en dat was in de zestiger jaren van de eerste eeuw -, werd het hoog tijd dat de boodschap van het evangelie beveiligd werd voor vergetelheid, vermenging en vervalsing. Op de drempel naar de zgn. na-apostolische tijd, zo moeten wij het ons voorstellen, werd de kerk genoodzaakt en werden enkelen in haar midden aangespoord om alles, wat voor de doorgaande verkondiging van het evangelie van belang was,op te schrijven. En toen dat een keer gebeurd was, ontstond er ook een begrijpelijk streven, de nauwe band tussen deze geschriften en de verkondiging van de apostelen tot uitdrukking te brengen, want het ging om de waarde, om het gezag van de daarin verhaalde boodschap. In een tijd van toenemende invloed van ketterse groeperingen was het van groot belang, op de apostolische herkomst van de evangeliën te kunnen wijzen. Het eerste en het laatste werden aan apostelen toegeschreven, hoewel dat in die evangeliën zelf niet staat. In het geval van Lucas werd meteen in de eerste verzen duidelijk, dat de auteur de mondelinge en schriftelijke overlevering van de eerste getuigen op zorgvuldige wijze had bestudeerd en weergegeven. Bij ons tweede evangelie wist Papias (gestorven rond het jaar 125) met beroep op een oude presbyter Johannes te vermelden, dat Marcus als tolk van Petrus alles wat hij zich herinnerde zorgvuldig had opgeschreven, zowel de woorden als ook de daden van de Here. Omdat hij echter wel een volgeling van Petrus, maar niet een discipel van Jezus geweest was, had hij niet alles in de historische volgorde kunnen opschrijven, maar volgens de leer-voordrachten van Petrus, die deze ordende volgens de behoeften van de toehoorders. Papias verontschuldigt Marcus voor dit gebrek, voegt er echter aan toe dat deze er zeer op bedacht geweest was, van het gehoorde niets te verwaarlozen of verkeerd weer te geven. Ook bij Papias gaat het kennelijk om de apostolische oorsprong en dus om de betrouwbaarheid van dit evangelie, wiens auteur zelf geen oog- en oorgetuige geweest was. Het is alleszins begrijpelijk dat Marcus niet als nummer één in de rij van de evangeliën staat. Matteüs was veel uitvoeriger en mag ook om andere redenen als het bij uitstek kerkelijke evangelie beschouwd worden. Maar bovendien was Matteüs een apostel en daarmee een betere ‘lijsttrekker’. Marcus en Lucas hadden er, vergeleken met hem, toch alleen maar in afgeleide zin recht op, apostolisch genoemd te worden. Zo dacht men tenminste. In sommige oude handschriften staat Marcus zelfs op de derde plaats, achter Lucas. Ook dat is te verklaren: immers, Lucas was zowel rondom Jezus’ geboorte als ook met het oog op de opstanding veel uitvoeriger; verder kon men tal van gelijkenissen, die men bij Marcus vergeefs zocht, bij Lucas vinden. In de geschiedenis van de uitleg van de Bijbel hebben Matteüs, Lucas en Johannes meestal veel meer in de belangstelling gestaan dan Marcus.
Wanneer men vandaag de volgorde van de evangeliën zou moeten bepalen, dan zouden de meeste onderzoekers voor een andere volgorde kiezen en Marcus voorop plaatsen, omdat zij van mening zijn, dat dit het oudste evangelie is en dat zowel Matteüs als ook Lucas zich op dit geschrift hebben georiënteerd, toen zij zich geroepen voelden, zelf een evangelie te schrijven en daarin naast de inhoud van Marcus ook andere overleveringen te verwerken. Voor ons mag het op deze plaats voldoende zijn te weten, dat wij bij de verklaring van Marcus niet bij andere evangeliën te rade hoeven te gaan. Achteraf blijkt er overigens ook generlei reden te bestaan, Marcus te verontschuldigen, alsof hij zonder enige goede orde zomaar lukraak dingen opgeschreven zou hebben volgens een toevallige opeenvolging in het onderwijs van Petrus. Als door het onderzoek van de laatste tijden één ding duidelijk geworden is, dan wel dit, dat Marcus zijn evangelie op een zeer doordachte wijze heeft opgebouwd.
3.Opbouw en boodschap
Een eerste indeling van het evangelie bestaat daarin, dat met de belijdenis van Petrus te Caesarea-Filippi en de eerste lijdensaankondiging van Jezus aldaar een samenhangend gedeelte begint, dat van het begin tot het einde bepaald wordt door het thema: lijden, sterven en opstanding (8:31). De aankondiging daarvan wordt ettelijke malen herhaald (9:9-12,31; 10:33 – 34,45) en bepaalt ook in ander opzicht Jezus’ gesprekken met zijn discipelen en zijn oproep aan hen, om tot dienstbetoon, lijden en kruisdragen bereid te zijn (8:34-38; 9:35; 10:35-44; 13: 9,11-13). De weg vanaf Caesarea-Filippi wordt zelfs op een vrij consequente wijze beschreven als de weg naar het vijandige Jeruzalem, het kruis tegemoet.
Aan dit alles gaat een eerste gedeelte vooraf, waarin het optreden van Jezus met grote uitvoerigheid wordt verteld. Men zou dit deel met 1:14 kunnen laten beginnen. Toch verdient het de voorkeur, 1:2-15 als een soort ouverture te beschouwen. Jezus wordt kort en pregnant geïntroduceerd als de Christus en Zoon van God, zoals het opschrift van vs 1 Hem reeds had aangeduid. Als Christus wordt Hij aangewezen door Johannes de Doper, de bode, die Hem de weg zou bereiden; als Christus wordt Hij bij zijn doop door God aangesproken met de -woorden ‘mijn geliefde Zoon’ en begiftigd met de Heilige Geest. Als Christus wordt Hij meteen op de proef gesteld door de duivel in de woestijn. En als Christus treedt Hij dan op met de proclamatie van de vervulling van de tijd en het komen van het Koninkrijk Gods. Daarmee is het thema reeds genoemd, en in het vervolg wordt het systematisch nader uitgewerkt.
Het gedeelte van 1:16 – 8:26 kan zinvol onderverdeeld worden in drie delen. Iedere keer staat een perikoop over de roeping, aanstelling of uitzending van zijn discipelen aan het begin; daarop volgt een langere reeks verhalen over Jezus’ werkzaamheden, waarbij zijn leer weliswaar steeds wordt genoemd, maar aan zijn vele wonderdaden toch een bredere plaats wordt toegekend. Alle drie keren volgt daarop een gedeelte, dat over weerstand bericht, die Jezus overal ontmoet: open vijandschap, forse afwijzing of ook onbegrip en blindheid, en dit alles zowel bij tegenstanders, familieleden, stadgenoten en zelfs bij zijn eigen discipelen. Toch kan dat nooit het laatste zijn. Het valt ons op dat Marcus daarop telkens weer notities laat volgen, waaruit blijkt dat Jezus desondanks zijn werk met kracht voortzet. Doordat deze opeenvolging van discipelschap, onderwijs en wonderen, weerstand èn voortgaande activiteiten van Jezus zich drie keer op structureel gelijke wijze herhaalt, krijgt dit alles een duidelijke nadruk. Jezus proclameert het Koninkrijk van God, Hij schakelt discipelen in, Hij treedt op in prediking en wonderen, Hij stuit overal op tegenstand, onbegrip, blindheid en soms op open vijandschap. En dit alles wijst reeds op het tweede hoofddeel: op zijn lijden. En toch gaat zijn werk door, dwars door alle tegenwerking heen. De Gekruisigde blijkt op de Paasmorgen de overwinnaar te zijn. En zijn werk gaat door, alle weerstand ten spijt, ook tot de tijd van Marcus – en tot in onze eigen tijd.
4.De auteur
Zonder dat dit voor de uitleg verder van groot belang is, gaan we er van uit dat deze Marcus dezelfde is als Johannes Marcus, die als Jodenchristen van Jeruzalem in Hand. 12:12 genoemd wordt, daarna meermalen als begeleider van Paulus optreedt (Hand. 13:5,13; Kol. 4:10; Fil.24) en later ook als leerling van Petrus voorkomt (1 Petr. 5:13). Hij heeft dus zowel wat de overlevering van de evangeliestof als ook wat bepaalde theologische accenten betreft belangrijke leermeesters gehad. Dat hij over uitgebreide overleveringen beschikte en die tegelijk op een theologisch zorgvuldige wijze ordende, ontdekken wij spoedig bij de nadere bestudering van dit geschrift. Op Rome als plaats van ontstaan zou behalve de vermelding in 1 Petr. 5:13 en 2 Tim. 4:11 in elk geval een groot aantal latijnse woorden kunnen wijzen, die dan ook door Matteüs en Lucas in de meeste gevallen vervangen of verwijderd worden. Ook verklarende toevoegingen over joodse zeden zoals in 7:3v, door de andere evangelisten overgeslagen, wijzen op lezers, die met het jodendom minder bekend waren. Opmerkelijk is ook dat alleen hij Simon van Cyrene nader aanduidt als vader van Alexander en Rufus (vgl. Rom. 16:13). Tenslotte willen we er alleen maar vragenderwijs op attenderen, dat in 14:51 v sprake is van een jonge man, die bij de gevangenneming van Jezus aanwezig was en alleen maar door te vluchten het vege lijf kon redden. Was dat de jonge Marcus zelf?
Ook bij de vraag naar de tijd van ontstaan zijn wij op gissingen aangewezen. We noemen de feiten: reeds de oudste traditie wijst op de zestiger jaren. Daarbij verschilde men van mening, of Marcus het evangelie voor of na de marteldood van Petrus zou hebben geschreven. Onafhankelijk daarvan maakt het evangelie zelf de indruk, dat de berichten over het optreden van Jezus reeds langere tijd in omloop waren. Marcus kan zelfs reeds over schriftelijke bronnen beschikt hebben, die ieder voor zich een collectie perikopen bevatten, zoals bv. twistgesprekken, wonderen, gelijkenissen en de lijdensgeschiedenis. Verder zijn wij met velen ervan overtuigd dat Marcus het oudste evangelie is. Vele gegevens wijzen in de richting van de zestiger jaren. De enige duidelijke aanwijzing in het evangelie zelf vinden we in de rede over de toekomst in hst. verband met de aankondiging van de ramp over Jeruzalem en de tempel wordt er de zin tussengevoegd: Wie het leest, geve er acht op! Dit zou er op kunnen wijzen, dat het evangelie in die dagen of kort daarna is ontstaan. Het meest waarschijnlijk is de gissing, dat het niet lang na de val van Jeruzalem is ontstaan. We krijgen nl. de indruk dat Marcus er veel aan gelegen is, duidelijk te maken dat die ondergang van Jeruzalem weliswaar een voorteken van het komende einde is, maar geenszins het begin van het einde. Dat is niet zonder belang voor het goede verstaan.
Hoe één en ander ook te verklaren is, één ding staat in ieder geval vast: toen de oog- en oorgetuigen wegvielen, sommigen van hen zelfs als martelaren stierven, hebben onder Gods voorzienigheid, door de leiding van zijn Geest, maar tegelijk ook in het besef van hun verantwoordelijkheid voor de voortgang van het evangelie in de wereld enkele christenen, waaronder Marcus, de pen opgepakt en het apostolisch getuigenis op schrift gesteld en aldus voor de mensheid van alle tijden bewaard.
Inhoudsopgave
Jezus wordt als de Christus geïntroduceerd 1:1-15
Het eerste hoofddeel: Jezus’ optreden, prediking enwonderdaden 1:16-8:26
Een eerste collectie berichten 1:16-3:12
De roeping van de eerste discipelen 1:16-20
De eerste dag in Galilea 1:21-39
Jezus raakt in conflict met Joden 1:40-3:6
Zijn werk gaat door 3:7-12
Een tweede collectie berichten 3:13-6:6
De definitieve roeping van de 12 discipelen 3:13-19
Jezus temidden van allerhande onbegrip 3:20-35
Jezus verkondigt het Koninkrijk van God temidden vanallerhande tegenwerking 4:1-34
Hij doet grote wonderen 4:35-5:43
Jezus in conflict met zijn stadgenoten, maar zijn werkgaat door 6:1-6
Een derde dubbele collectie berichten 6:7-8:26
Jezus zendt zijn discipelen uit, en ondertussen wordt Johannes de Doper martelaar 6:7-32
De eerste reeks 6:33-7:30
Hij doet grote wonderen 6:33-56
Twist over de joodse reinheidswetten 7:1-23
Jezus’ werk gaat door 7:24-30
De tweede reeks 7:31-8:26
Hij doet grote wonderen 7:31-8:10
Twist met Farizeeën en discipelen 8:11-21
Jezus’ werk gaat door 8:22-26
Het tweede hoofddeel: Jezus’ lijden, kruisdood enopwekking 8:27-16:20
Het lijden tegemoet 8:27-10:52
Eerste collectie berichten 8:27-9:29
Eerste lijdensaankondiging en oproep tot
zelfverloochening 8:27-9:1
De verheerlijking op de berg 9:2-13
De genezing van een bezeten jongen 9:14-29
Tweede collectie berichten 9:30-10:31
Tweede lijdensaankondiging en oproep tot nederigheiden vastberadenheid 9:30-50
Gesprekken onderweg 10:1-31
Derde collectie berichten 10:32-52
Derde lijdensaankondiging en oproep tot dienen 10:32-45
De genezing van Bar-Timeüs 10:46-52
De laatste dagen in Jeruzalem 11:1-13:37
Eerste thema: intocht en tempelreiniging 11:1-33
Tweede thema: onderwijs over actuele vragen 12:1-44
Derde thema: de rede over de toekomst 13:1-37
Lijden, sterven en opwekking van Jezus 14:1-16:20
Jezus staat gereed voor zijn lijdensweg 14:1-42
De zal ving temidden van het beraad der vij anden 14:1-11
De instelling van het Avondmaal 14:12-25
De worsteling te Gethsemané 14:32-42
Gevangenneming en veroordeling van Jezus 14:43-15:21
Gevangenneming en verhoor 14:43-65
De verloochening door Petrus 14:66-72
Jezus door Pilatus ter dood veroordeeld 15:1-21
Kruisiging en opwekking van Jezus 15:22-16:20
De kruisiging 15:22-41
De begrafenis 15:42-47
De opwekking 16:1-20
VERKLARING
Jezus wordt als de Christus geïntroduceerd 1:1-15
Begin van het evangelie van Jezus Christus, zo luidt het opschrift boven dit boek. En daarmee wil de schrijver aangeven, waar het hem om begonnen is. Niet dat hier het boek begint, maar dat hij van plan is, in dit boek over het begin te vertellen, over het begin van het evangelie. Het grote nieuws is en blijft het verzoeningswerk van Jezus door zijn lijden en sterven aan het kruis en door zijn opwekking daarna. De Zoon des mensen is gekomen, om zijn leven te geven als losprijs voor velen (10:45). Maar wat ging daar aan vooraf, en hoe was dat alles begonnen? Daarover wil Marcus door dit geschrift de kerk inlichten. In de verbinding met het grote nieuws, dat de Gekruisigde opgewekt is en de overwinning heeft behaald, heeft alles, wat men over Jezus’ optreden, over zijn prediking en machtsvolle daden doorvertelt, zijn plaats en waarde. Iedere keer wordt één van de vele aspecten van het evangelie nader belicht. Het beeld, dat de gelovige krijgt, wordt steeds scherper. Het woord ‘evangelie’ ontvangt een steeds diepere en rijkere inhoud.
De boodschap over Jezus kon een goede tijding genoemd worden, omdat deze de door God Gezalfde, de Christus was. Marcus spoedt zich, in dit inleidend gedeelte Jezus zo als de ‘hoofdfiguur’ zo snel mogelijk ten tonele te voeren.Johannes de Doper, de door God geroepen boeteprediker, kondigt Hem aan. Johannes kent zijn eigen plaats, klein en bescheiden stelt hij zich op, niet waard ook maar de nederige dienaar van de Christus te zijn. Toch mag hij het volk, dat tot hem komt, op de na hem komende wijzen; hij mag Hem zelfs dopen in de Jordaan. Voor andere mensen was die onderdompeling teken van reiniging, van vergeving en verzoening. Voor Jezus zou het een eerste verborgen heenwijzing zijn naar zijn onderdompeling in het lijden (vgl. 10:38). Maar dat kon ook Johannes nog niet bedenken.
Gij zijt mijn Zoon, de geliefde; in U heb Ik mijn welbehagen. De hemelse stem van de Vader bevestigt het Messiasschap, getuigt van Gods goedkeuring tav. de weg, die Jezus nu betreedt, nl. de weg van de gehoorzaamheid tot de dood als de Verlosser der mensen. Mijn geliefde Zoon, daarin komt het diepste geheim van zijn leven en van zijn unieke relatie met de Vader reeds tot uitdrukking. Met deze stem uit de hemel gaat dan gepaard het zichtbare neerdalen van de Geest, die Hem kracht zal verlenen, die Hem zal toerusten tot zijn dienst, om te volharden in zijn gehoorzaamheid te midden van alle verzoekingen.
Reeds in de volgende verzen wordt aangeduid, hoe zijn gehoorzaamheid op de proef gesteld zou worden. Hier staat een verzoeking van veertig dagen in de woestijn aan het begin; deze wordt hier weliswaar niet nader ingevuld, toch treedt Jezus hier op tegenover Adam. Deze had in het paradijs met al zijn volheid en weelde de verzoekingen niet kunnen weerstaan. Jezus blijft staande te midden van alle ontberingen en ondanks knagende honger. In het kort geschetste beeld van Jezus tussen de dieren en engelen licht voor een ogenblik het paradijs op. Maar de weg naar dit uiteindelijke doel zou nog lang en moeizaam zijn.
Marcus duidt dit alles uiterst beknopt aan, en zijn eerste vertelling komt pas enigszins tot rust, wanneer hij weergeeft, op welke wijze Jezus zijn werk in het openbaar begon. Hij noemt in één geladen zin de inhoud van Jezus’ prediking: nu ging de tijd in vervulling, die in Gods heilsplan vastlag; nu kwam het Koninkrijk van God dichtbij de mensen, zo dichtbij dat zij het wezenlijke ervan konden herkennen: de heerschappij van Gods liefde, waar beslissingen vallen op de basis van verzoening en vergeving, waar mensen bevrijd worden van machten en angsten, waar hun leven nog een keer opnieuw kan beginnen. Mensen worden uitgenodigd, zich daarheen te wenden – dat is bekering – en deze verrassende tijding te aanvaarden – dat is immers geloof.
Het eerste deel van het evangelie 1:16-8:26
Een evangelie stond in die tijd voor de moeilijke opgave, om uit het vele, dat over Jezus verteld werd, een keuze te maken. Voor die taak staat ook Marcus; en hij vervult deze taak op een zeer doordachte wijze. Drie of vier keer achter elkaar stelt hij collecties van alle mogelijke berichten over Jezus’ onderwijs, over zijn daden en over ontmoetingen met allerlei mensen zo samen, dat steeds de volgende kanten er van belicht worden: Hij doet zijn werk niet zonder mensen er nauw bij te betrekken; Hij treedt op in de verbazingwekkende volmacht, die God Hem gegeven had en die in allerlei wonderdaden tot uiting komt; Hij doet zijn werk temidden van verdenkingen, beschuldigingen en andere uitingen van onverstand, blindheid en verharding; maar aan het einde is Hij hetsteeds, die voor een nieuwe doorbraak zorgt; zijn werk is niet te stuiten.
Een eerste collectie berichten over het optreden van Jezus 1:16-3:12
De roeping van de eerste discipelen 1:16-20
Dat is wel frappant, dat Jezus meteen aan het begin van zijn optreden in het openbaar mensen vraagt, Hem te volgen, met Hem mee te trekken, er bij te zijn, waar Hij zijn werk doet. Dat moest ook voor de lezers opmerkelijk zijn: Hij doet zijn werk, maar Hij wil het niet zonder mensen doen, ook al kunnen zij Hem zijn opdracht niet afnemen. Het speelt zich af op het strand van het meer van Galilea, aan de noordwestkant, nabij Kapernaüm en Bethsaïda. Het is nog vandaag een stukje rustige natuur, dichtbij de opgravingsvelden, waar men de synagoge van Kapernaüm kan herkennen en waar het huis van Petrus aangewezen wordt. Petrus en Andreas zijn broers,Johannes en Jakobus eveneens. Zij horen zijn roep Volg Mij! en zij verlaten zonder meer hun netten, hun boot en hun vader. En zij …gingen … Hem achterna. Daar zullen zeker meer woorden gevallen zijn. Maar in de kortheid van dit bericht komt goed uit, wat navolging van Christus is. Op een gegeven ogenblik zal niets meer opwegen tegen zijn oproep. Men moet wel weten, wat men aan het evangelie heeft, om dit te kunnen vatten. Maar dan zal men het ook beamen.
De eerste dag in Galilea 1:21-39
Een dag in Kapernaüm, zo worden deze korte verhalen wel eens getypeerd; het zou inderdaad alles op één dag gebeurd kunnen zijn. Het begint op een sabbat in de synagoge. Daar spreekt Jezus tot de mensen; Hij sluit zich wat plaats en gelegenheid betreft bij hun vroomheid aan; dat was immers ook zijn vroomheid. Maar meteen merken de mensen dat hier iemand optreedt, die zich ergens wezenlijk onderscheidt van al die anderen, die ook wel eens gevraagd werden, tot stichting van de gemeente te spreken. De wijze, waarop Hij sprak, deed hen verstommen. Hij sprak als iemand, die het voor het zeggen had, zo direct, zo met gezag, net alsof God Hem een bijzondere volmacht had verleend. Dat was ook zo; hier sprak de Zoon, die niet slechts de Schrift beter begreep dan de theologisch geschoolden onder hen, de schriftgeleerden, maar van wie ook de Schriften getuigden. Over volmacht of machtiging gesproken: daar in de synagoge zou dat nog op andere wijze blijken. Er was een mens, die door duistere machten beheerst was, in hun bezit; daarom spreken wij van bezetenen. De demon voelt goed aan, dat hij door Jezus bedreigd wordt. Hij probeert Hem met een toverformule op een afstand te houden. Men was in de oudheid algemeen van mening, dat men de magische macht van een bezweerder of tovenaar ongedaan kon maken door diens naam luid uit te spreken. De demon noemt Jezus bij de naam en spreekt Hem aan als de Heilige Gods. Maar zijn afweerformule Wat hebt Gij met mij te maken? werkt niet. Alle tegenspartelen helpt niet. Jezus bedwingt hem. Zwijg stil is nog maar een wat bleke vertaling van wat Jezus zegt. Hij bedoelt: Ik zal je knevelen, ik zal je tot zwijgen brengen. Zo souverein treedt Jezus op. En na enkele stuiptrekkingen verdwijnt de boze geest, en de mens is bevrijd. De verbazing wordt groter: een nieuwe leer met gezag. Hij spreekt, en het geschiedt. Weldra is Jezus in geheel Galilea een bekende.
Het wordt een goede dag. De schoonmoeder van Petrus wordt genezen, en dat betekent tegelijk: de discipelen maken het zeer direct mee; en kort daarna, tegen de avond, komen mensen met al hun zieke familieleden. Wat een zieken! Zo is het. Normaal zie je alleen maar gezonde mensen op straat. Maar er wordt zo veel geleden, lichamelijk en geestelijk – meestal in het verborgene. Nu komt het aan het licht, maar nu wordt er ook iets aan gedaan. Hij geneest hen allen. Dat Hij de bezetene verbiedt, over Hem te spreken, houdt oorspronkelijk verband met het bijzondere van de bezetenheid en de af-weerpogingen van deze, maar het krijgt hier en op vele andere plaatsen bij Marcus een bijzondere betekenis. Jezus is wel de Christus, de Messias; maar het heeft nog geen zin dat uit te bazuinen. Het zou toch verkeerd begrepen worden. Iedereen dacht bij de titel ‘Christus’ aan ontplooiing van macht, aan openbaring van hemelse glorie; wie het over de Messias had, hoopte op nationale bevrijding, op herstel van Israels onafhankelijkheid en dus op het einde van bezetting en verdrukking. Alleen Jezus wist beter. De Messias zou eerst de weg van het lijden moeten gaan, zie 8:27-33. Dat was de reden dat Hij steeds weer mensen verbood, over zijn messianiteit en grote daden te spreken, ook al hielp dat verbod vaak niet veel. In elk geval heeft Marcus dit element zeer beklemtoond. Is het soms een blijvend gevaar, zich van Jezus een eigen idool te maken? Over Hem te spreken in termen van politieke bevrijding, terwijl de boodschap van plaatsbekleding en verzoening als bijzaak en onbegrepen opzij wordt geschoven?
Jezus raakt in conflict met de Joden 1:40-3:6
De evangelist Marcus heeft zeer herhaaldelijk op conflicten gewezen tussen Jezus en zijn omgeving. Er bleek tijdens het leven van Jezus veel onbegrip te heersen tav. zijn optreden, zijn omgang met mensen en de wijze waarop Hij Gods geboden uitlegde en in praktijk bracht; onbegrip niet slechts bij bekende tegenstanders van Hem als de schriftgeleerden en farizeeën, maar ook bij zijn stadgenoten in Nazaret (6:1-6), bij zijn eigen familieleden (3:21,31v) en zelfs bij zijn eigen discipelen (7:17-19; 8:14-21). Het messiaanse optreden van Jezus blijkt nog onder een geheimzinnige sluier verborgen te zijn. En dat zou ook zo blijven en zo moeten blijven tot zijn opstanding (vgl. 9:9). Menselijke blindheid zou Hem lijden toevoegen en aan het kruis brengen, en Hij zou deze weg als zijn opdracht aanvaarden. Maar door de opstanding zou duidelijk worden, dat zijn dienen en ijveren, zijn lijden en sterven Gode welgevallig geweest was en tot het wezenlijke van zijn zending behoorde. De tegenspraak zou pas daar wegebben, waar mensen Hem beleden als de Gekruisigde en Opgestane. Wanneer Marcus hier en in de volgende hoofdstukken zo grote nadruk legt op allerlei vormen van onbegrip, ergernis en vijandschap, dan staat dat in het nauwste verband met en in dienst van het alles beheersende zwaartepunt, dat reeds in 3:6 door tegenstanders genoemd, vanaf 8:31 door Jezus zelf open ter sprake gebracht en vanaf 14.T in alle uitvoerigheidverteld zal worden: zijn lijden, zijn dood aan het kruis en zijn opstanding.
En een melaatse kwam tot Hem 1:40-45
Aan het begin van een zestal kortere verhalen staat dit bericht over de genezing van een melaatse. Daarbij is van enige twist nog geen sprake; veeleer toont Jezus dat Hij in volledige overeenstemming handelt met de bepalingen, die in het jodendom van kracht waren. Wie als door een wonder (Num. 12:10-12; 2 Kon. 5:8-14) van deze als dodelijk beschouwde ziekte (Job 18:13) genas, moest zich bij een priester vervoegen, die de genezing constateerde en de rituele reiniging voltrok. Pas daarna mocht de melaatse terugkeren naar de gemeenschap. De zieke Kan dit verhaal belijdt dat Jezus hem kan reinigen; ook hier weer het motief van de volmacht. En zo treedt Jezus ook op: Ik wil, word rein! Dit optreden met goddelijk gezag maakt bepalingen als die van Lev. 14:1-9 overbodig, immers die gingen uit van de begrijpelijke twijfel. Toch beveelt Jezus aan de genezene, de weg van de wet te gaan: Ga heen, toon u aan de priester… En aan het gebod, het verschuldigde offer te brengen voegt Jezus toe: hun tot een getuigenis. Een getuigenis waarvan? Dat de melaatsheid verdwenen was? Dat Jezus zijn macht over deze erge ziekte getoond had? Of ook dat Jezus generlei aanleiding gaf, Hem van wetsverachting te betichten? Toen men deze perikoop aan het begin van een collectie met twistgesprekken plaatste, heeft men zeker ook aan dat laatste gedacht.
Toelichting: Onder melaatsheid begreep men in die tijd verschillende vormen van huid- en weefselziekten. Ten dele waren zij ongeneselijk, men vreesde besmetting, en de melaatsen golden als ritueel onrein. Zij moesten in afzondering leven en zelf de voorbijgangers waarschuwen. Het feit dat deze bepalingen lang niet overal streng in acht genomen zijn, kan als aanwijzing gelden dat men ook toen reeds tussen verschillende vormen en graden van gevaar onderscheidde. In elk geval mogen we de in de Bijbel genoemde melaatsheid niet zonder meer gelijkstellen met de nog vandaag bekende lepraziekte, die door medicamenteuze behandeling in elk geval tot stilstand gebracht kan worden. Alleen ingetreden verschrompelingen zijn van blijvende aard.
Zij brachten een verlamde tot Hem 2:1-12
Hier wordt verteld over de genezing van een verlamde; een dramatisch verhaal. Je ziet het gebeuren. Daar komen ze aan, het straatje door, de trap op, en de zieke aan touwen naar beneden gelaten. Zo wordt hun geloof al vertellend uitgebeeld. Zij weten blijkbaar precies, wat zij doen; en er is niets, wat hen ervan kan weerhouden, hun buurman of makker tot Jezus te brengen, ook niet de menigte van mensen, die zich voor de ingang verdringt. Hun geloof wordt beloond; de arme stakker, die het vaak uitschreeuwde van pijn, genas; hij kon weer lopen, en hij kon zelfs het matras dragen, dat hem gedragen had. Maar er is één element, dat in de vertelling naar voren gehaald wordt: dat Jezus aan deze man vergeving schenkt. Jezus denkt niet in het schema, dat in die tijd onder de Joden wel bekend was (zie Luc. 13:2-5), dat nl. ziekte of een ongeluk het gevolg zou zijn van eigen zonden. Maar Hij gaat wel uit van een visie op de mens, waarbij lichamelijke en geestelijke noden bij elkaar horen.
Hij behandelt niet een ziekte, maar een zieke, een mens, die niet enkel bevrijd moet worden van deze of gene ziekte, maar die in de vrijheid gesteld moet worden, waarin het leven kan worden hersteld. Dit schenken van vergeving is het dan, wat bij de tegenstanders hevige ergernis verwekt. Wat alleen God kan doen en wat Hij op de jongste dag zal doen, dat doet Jezus hier en nu. Opdat gij moogt weten dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonde te vergeven… Voor hen is het godslasterlijk, terwijl het in wezen vervulling van Gods belofte is in de tijd van de Messias. Het gebeurt inderdaad hier en nu. De reactie van de schare was overigens aanmerkelijk anders. Hun ontzetting weerspiegelt juist een vaag gevoel, met Gods handelen in aanraking te zijn gekomen.
En Hij zag Levi en zeide tot hem: Volg Mij 2:13-17
Tot de groepen, die aan de rand van de maatschappij verkeerden, behoorden naast de melaatsen en de kreupelen vooral ook de tollenaren. Zij huurden een tolhuis, collaboreerden met de bezetter, aan wie zij jaarlijks hun huur moesten betalen, en veroorloofden zich allerlei oneerlijke praktijken om aan geld te komen. Een beroep dat maar al te begrijpelijk in een kwade reuk stond. En de tollenaren wisten het. Levi zal dan ook meer dan verrast geweest zijn, toen een vrome rabbi en wonderdoener uit Israel hem aansprak, met hem praatte en aan het eind hem vroeg, zijn volgeling te worden. Dat Jezus daarna in zijn huis wilde komen en aan zijn tafel wilde zitten en ook het gezelschap van andere tollenaren geenszins meed, was voor alle aanwezigen onbegrijpelijk. Wat dat betreft mag het echt een wonder genoemd worden.
Dit alles lokt verzet uit. De farizeeën, die hier genoemd worden, waren een vrome lekenbeweging, die het niet alleen nauw namen met de wet, maar die bovendien de nogal strenge cultische wetten, die door de priesters in acht genomen moesten worden, op het dagelijkse leven wilden toepassen. De meeste schriftgeleerden deelden deze gezindheid. Hier treden dus farizeeën tegen Jezus op, die een gedegen studie van de tora hebben gevolgd. Waarom eet Hij met tollenaren en zondaren? Maar Jezus laat hun tegenwerpingen niet gelden. Met een souve-rein antwoord, dat voor twistgesprekken in de evangeliën kenmerkend is, maakt Hij aan het debat een eind en verklaart Hij het doel van zijn missie: de zondaren te zoeken zoals een arts de zieken opzoekt. En wie meent, deze zondaarsliefde evenmin nodig te hebben als de gezonde de dokter, moet het zelf maar weten.
Twist om het vasten 2:18-22
Vasten was in die tijd één van de voornaamste vormen van vroomheid. In Luc. 18:11 zegt een farizeeër in zijn gebed tot God: Ik vast twee keer per week. Wat in het Oude Testament slechts voorkwam als een persoonlijke of ook gemeenschappelijke spontane handeling, behoorde ondertussen vrij algemeen tot de praktijk van de vroomheid. Johannes had geen reden gezien, daaraan te tornen, immers hij was de boeteprediker. En vasten had altijd iets met boete te maken gehad. Maar in de kring rondom Jezus wordt zeer bewust niet gevast. Zij levenbij de vreugdevolle boodschap van het gekomen heil, van het gekomen Koninkrijk, van de vreugde der vervulling. Vergelijk hiermee Mat. 11:16-19. Wettische aanpassing bij bestaande praktijken zou in dit geval een verloochening zijn van deze vreugde over de tijd van de Messias. Men moet weten, wat past en wat niet past. Vastende bruiloftsgasten zijn misplaatst. En een nieuwe lap past daarom niet op een ouder kledingstuk, omdat die na de eerste was krimpt; en de scheur wordt erger. Hetzelfde geldt van gistende jonge wijn, die de hard geworden leren wijnzak zou doen barsten. Maar Jezus is ook realist. Hij laat weten dat er ook voor discipelen, ook voor de kerk tijden zullen komen, waarin vasten als spontane uitdrukking van hun nood en van hun concentratie op Gods beloften een zinvolle plaats in hun leven kan hebben. Wij mogen vandaag ook denken aan de om zich heen grijpende nood, honger en verdrukking van miljoenen. God vraagt oprechtheid in de vreugde en oprechtheid in de droefheid, solidariteit en voorbede.
Zijn discipelen begonnen aren te plukken 2:23-28
De strekking van dit verhaal over het aren plukken op de sabbat ligt in de uitspraak van Jezus aan het eind: De sabbat is er voor de mens. Die ene dag is goed voor hem en moet zijn welzijn dienen. Zo is hij een gave van de goede God. Niet omgekeerd, want dan worden mensen slaven van geboden, die God hun gaf, om hen in de vrijheid te stellen. En de Zoon van God toont juist daarin, heer over de sabbat te zijn, dat Hij door alle verordeningen heenziet naar de goede wil van God. Geen willekeurige, ook geen revolutionaire heer, maar iemand, die aan alles de eigen en door God bedoelde plaats geeft. Zo kunnen mensen ademhalen in de vrijheid, die God hun gunt en in de binding aan Hem als hun Here. De verwijzing naar David (vgl. 1 Sam. 21) wil niet een rechtvaardiging zijn voor de handelwijze van Jezus, maar moet gezien worden als een herinnering dat een ‘relativering’ van het sabbatgebod ook in het Oude Testament niet onbekend of ongehoord was.
Een mens met een verschrompelde hand 3:1-6
De twistgesprekken, die naar alle waarschijnlijkheid reeds vóór Marcus als een bestaande collectie overgeleverd werden, bereiken hun hoogtepunt, wanneer Jezus op een sabbat in hun synagoge een kreupele man geneest. Zijn hand is geheel vergroeid. Het is dus niet een kwestie van levensgevaar, waar de nood ook in Israel wetten kon breken. Daarom zetten de tegenstanders zich schrap op het ogenblik, dat deze man tot Jezus komt of omgekeerd dat Jezus voor hem belangstelling toont. Jezus aanvaardt de uitdaging, Hij stelt de patiënt in het midden, zoals Hij in een ander geval een kind in hun midden plaatst (9:36) of een schelling diezelfde plaats geeft (12: 16). Het tafereel is zodoende klaar voor zijn doorslaggevend woord. Eerst een vraag (vs 4), die hen doet zwijgen, omdat hun voorschriften en discussies mbt. de sabbat niet uitgaan van goed doen of kwaad doen, maar geheel formeel van iets (wat dan ook) doen of niet doen. Dat maakt mensen in hun hart bikkelhard. Dat bedroeft Jezus, daarover is Hij ook echt toornig. Zo staan hier verwijten tegenover verwijten. En voor het eerst is sprake van moordplannen. Blijkbaar was het ook de bedoeling van de oude kerk, om door een aantal twistgesprekken te vertellen, duidelijk te maken, hoe Jezus, die Gods geboden eerde en vervulde als geen ander, het offer werd van vooroordelen, verstarde tradities en een formalisme, dat steeds weer met liefdeloosheid gepaard gaat en tot harde veroordelingen leidt.
Zijn werk gaat door 3:7-12
Het is maar een kort gedeelte, maar de inhoud ervan weegt op tegen al die verdachtmakingen, aantijgingen en dreigementen in de twistgesprekken, die daarvoor staan. Deze zes verzen hebben een samenvattend karakter. Al trekt Jezus Zich terug naar de stille oever, toch wordt Hij gevolgd door een talrijke menigte. En dan worden de streken genoemd, waar ze allemaal vandaan komen: van heinde en ver, uit joodse gebieden, maar ook uit heidense streken en steden. Het is alsof Marcus voor een ogenblik denkt aan al die gebieden, waar in zijn tijd het evangelie reeds aangenomen was. En talrijk zijn ook de mensen, die door Hem genezen worden. Niemand van hen, die tot Hem gebracht worden, keert zonder genezen te zijn weer terug. Wederom zijn de boze geesten niet bij machte, hun bezit te handhaven. Ook hun geschreeuw wordt gesmoord. De belijdenis van Jezus als Zoon van God zal binnen afzienbare tijd de opdracht van hen zijn, die Hem kennen als de Gekruisigde en Opgestane. Dit gedeelte heeft na al het voorafgaande iets triomfantelijks: niemand kan Hem er van weerhouden, het werk van zijn liefde voort te zetten, de geschonden Godsrelatie te herstellen en het leven van vele mensen onder zijn bevrijdende heerschappij te plaatsen.
Een tweede collectie berichten over het optreden van Jezus 3:13-6:6
En Hij stelde er twaalf aan 3:13-19
Ook deze tweede grotere eenheid begint met een gedeelte over de discipelen. Nu is hun aantal compleet; zij worden dan ook allen met name genoemd. Een bont gezelschap, waarin rustige vissers en een met de bezetter samenwerkende tollenaar naast onstuimige vrijheidsstrijders een plaats hadden. Maar nu gaf niet langer hun verleden de doorslag maar het heden, het volgen van Jezus en het leren door naar Hem te luisteren en op Hem te zien; immers Hij had tot Zich geroepen, wie Hij wilde. En in het verschiet lag die andere opdracht, die alles van hen zou vragen: het apostolaat, dat zij uitgezonden werden en zich lieten zenden. Ook van deze eerste kring is niet iedereen daaraan toegekomen; immers, ook Judas Iska-rioth was één van hen; en hij onderscheidde zich blijkbaar in generlei opzicht van de anderen, zodat niemand onder hen ook maar het geringste vermoeden had, dat hij wel eens een verrader zou kunnen zijn (14:19). En die anderen, die later wel als apostelen het evangelie aan Israel en aan de andere volken hebben verkondigd, zouden onderweg ook schipbreuk geleden hebben, indien Jezus hen niet had vastgehouden (14:30; vgl. Luc. 22:31 v; Joh. 20:24-28).
Jezus temidden van allerhande onbegrip 3:20-35
De inzet van dit gedeelte heeft blijkbaar de bedoeling, om opnieuw over de activiteiten van Jezus te vertellen.
Evenals in 2:1 gaat Jezus een huis binnen. En evenals die eerste keer verdringen zich weer de mensen. Er wordt hier niet uitdrukkelijk over wonderen verteld en ook niet over prediking gesproken. Maar dat alles”wordt wel verondersteld. Daarom hadden ze namelijk geen tijd om te eten. Ook het verwijt van de tegenstanders, dat Hij de boze geesten uitdrijft door Beëlzebul, de overste der duivelen, is een reactie op het machtsvol optreden van Jezus. Marcus beperkt zich tot deze weinige pennestreken. De lezer weet ondertussen, op welke wijze Jezus optrad en hoe Hij alle verwijten ten spijt zijn gedragslijn verdedigde. Daarmee is het tafereel, dat hier aangeduid wordt en als veronderstelling voor het volgende dient, voldoende aangeduid. Door deze beknoptheid vestigt hij des te meer de aandacht op het onbegrip, dat nu van verschillende zijden opkomt en uitvoerig verteld wordt.
Het begint met zijn verwanten. Zij begrijpen zijn handelwijze niet en kunnen die niet langer voor hun rekening nemen. Ook hun wetsgetrouw denken maakt het moeilijk, zo niet onmogelijk, zijn wijze van optreden goed te keuren. Hij is van zinnen; dat is enerzijds een hard oordeel, anderzijds echter een laatste poging, verzachtende omstandigheden van psychologische aard aan te voeren: hij is over zijn toeren, hij is overspannen. Het hier gebruikte woord heeft ook de betekenis: in extase zijn; het wordt bij Marcus ook herhaaldelijk gebruikt, om de meer dan verbaasde reactie van mensen op Jezus’ wonderen uit te drukken (2:12; vooral 5:42 en 6:51). De tegenstanders daarentegen nemen geen blad voor de mond en zoeken blijkbaar de confrontatie. Dat Jezus mensen van duistere machten bevrijdt, kunnen zij niet loochenen. Zij moeten hun toevlucht nemen tot een interpretatie, waarover moeilijk te discussiëren valt. De kracht van hun bewering kan alleen liggen in het gezag, dat zij bij het volk hebben. Zij brengen het goede werk van Jezus met de duivel in verband, omdat het aannemen van zondaren, het schenken van vergeving en het relativeren van het sabbatsgebod voor hun besef alleen zo verklaard kan worden. Beëlzebul was oorspronkelijk de naam van een kanaänitische godheid: Heer der verhevenheid. Deze naam was in Israel tot een spotnaam en tot aanduiding van de duivel geworden.
Vanaf vs 28 gaat Jezus op deze verwijten van familieleden en schriftgeleerden in, en wel, zoals dat herhaaldelijk gebeurt, in omgekeerde volgorde. Voordat Hij echter direct reageert op hun beschuldiging, spreekt Hij tot hen in gelijkenissen (vgl. 4:10). Een koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, of een huis dwz. een gezin dat verdeeld is, kan niet bestaan. Wanneer dus Beëlzebul tegen de demonen zou vechten, zou hij zichzelf het graf graven. Zo dom is hij toch zeker niet! Maar dan keert Jezus de zaak om: niet de duivelen onderling, niet de huisgenoten onder elkaar, maar de van buiten komende is een bedreiging. Als die in staat is, de heer des huizes (Beëlzebul) te bedwingen, kan hij hem alles ontnemen. Zo handelt Jezus, en de mensen, die Hij bevrijd heeft uit de greep van de duivel, zijn zijn welsprekende getuigen. Dan volgt in vs 28 het antwoord aan de schriftgeleerden; het is zeer barmhartig. Zij weten niet, wat zij doen of zeggen (vgl. Luc. 23:34; 1 Kor. 2:8). Zij komen ondanks hun lasterlijke woorden niet minder voor vergeving in aanmerking dan anderen, aan wie ook vergeving geschonken wordt. Men moet vs 30 vooreerst met vs 28 verbinden. Dat was op dat ogenblik hun godslastering. De aankondiging in vs 29, dat de lastering tegen de Heilige Geest daarentegen niet vergeven zal worden, is eerder aan de lezers resp. aan de gelovigen gericht, die van Pinksteren vandaan komen en aan wie de Heilige Geest geschonken is. Een element, dat zonder enige twijfel in de prediking van Jezus doorklonk, wordt hier tot uitdrukking gebracht; en zodoende wordt het antwoord van Jezus aan de schriftgeleerden van zijn tijd naar de gemeente toe geactualiseerd. Wie denkt dat hetgeen de schriftgeleerden van toen zeiden wel het ergste is, wat er bestaat, die moet weten dat er nog ergere dingen bestaan. Verwijten mbt. Jezus, zijn woord en zijn werk, in de tijd na Pinksteren en in de christelijke gemeente wegen veel zwaarder dan de ergste verwijten uit de tijd voor Jezus’ sterven in de mond van mensen, die blind waren voor het geheim van zijn zending. Overigens mag het karakter van deze dubbele uitspraak als spreekwoord of raadselspreuk niet over het hoofd worden gezien. Zij wil duidelijk maken, welke zonden in Gods ogen het ergst zijn (vgl. Luc. 12:47v); zij wil niet mensen tot paniek brengen, of zij soms de onvergefelijke zonde tegen de Heilige Geest begaan hebben.
In de verzen 31-35 neemt Marcus het antwoord van Jezus aan zijn familieleden op, die buiten staan en Hem willen spreken, Hem tot verantwoording willen roepen of misschien zelfs Hem willen bewegen, zich te kalmeren, elke opspraak te vermijden en met hen mee te gaan. Zij proberen hun invloed als familie te laten gelden. Het antwoord van Jezus neemt weer de vorm aan van een beeldspraak. Wie zijn mijn moeder en broeders? Wie zijn naastbestaanden zijn, wordt bepaald door hun houding tov. Hem; niet zij, die macht over Hem willen uitoefenen, maar zij, die luisteren, van Hem leren en Hem volgen. Wij mogen uit deze verzen (evenmin als in Joh. 2:4) niet afleiden dat Jezus zo bars en scherp placht te antwoorden. Hier worden enkel die uitspraken overgeleverd, die in het kader van de vraagstelling beslissend zijn.
Jezus verkondigt het Koninkrijk van God temidden van allerhande tegenwerkingen 4:1-34
Het spreken in gelijkenissen behoort tot de kenmerken van de prediking van Jezus. In dit hoofdstuk wordt een aantal gelijkenissen bijeengebracht, die daarin met elkaar overeenstemmen, dat het in alle gevallen om groei gaat: om groei ondanks tegenwerking, hoewel men er een tijdlang niets van merkt, of ook om de tegenstelling tussen een klein begin en een indrukwekkend einddoel.
De gelijkenis van de zaaier schijnt oorspronkelijk de bedoeling gehad te hebben om op te wekken tot een goed luisteren. Het begint met de oproep: Hoort! En het maakt duidelijk dat men op allerlei wijzen kan horen. Men kan ook horende horen en niet verstaan (vs 12). Van de wijze van horen hangt af, Wat het gepredikte Woord bewerkt. Horen zonder bereidheid het gehoorde aan te nemen en in praktijk te brengen is als zaaien op een hard pad. Oppervlakkig horen zonder over de consequenties na te denken kan voor een ogenblik enthousiasme doen oplaaien; maar er blijft daarna niets van over,want men heeft er niets voor over. Het zaad is op steenachtige grond gevallen. Horen naar het evangelie en tegelijk vol zitten met eigen zorgen en eigen begeerten betekent dat straks het gehoorde verstikt wordt, evenals zaad tussen de dorens. Echt horen vereist een open hart, een duidelijke bereidheid, aan het gehoorde gehoor te geven. En die bereidheid is er alleen maar, wanneer iemand de sprekende kent en weet dat het goed is, naar Hem te luisteren, de goede aarde. Die houding noemen wij geloof.
Maar nu is deze gelijkenis hier ingevoegd in een hoofdstuk, dat over het komen van het Koninkrijk van God handelt. Ondanks de diverse weerstanden, die in de gelijkenis (vss 3-9) uitgebeeld en in de toelichting daarna (vss 13-20) nader verklaard worden, komt het rijk en brengt de prediking vrucht, rijke vrucht zelfs. Een aar met honderd korrels mag er zijn! Daarom is deze gelijkenis ook zeer zinvol op deze plaats, want dat zijn juist de beide zwaartepunten, die Marcus al vertellend duidelijk maakt: allerhande weerstand, en toch vindt het werk van Jezus voortgang.
In de gelijkenis van vss 26-29 wordt één gezichtspunt van deze groei nader belicht. Een tijdlang merkt de boer er niets van. Hij heeft gezaaid, maar de akker is nog altijd zwart. Toch is daar iets aan het groeten, terwijl hij gaat slapen en zich voorlopig om niets bekommert. De boer weet, wat er gebeurt, al ziet hij het (nog) niet. Zonder dit ‘geloof’ zou hij geen boer kunnen zijn. Zijn overtuiging, die hem overigens geen moeite kost (wel echter kent hij die stille en diepe verwondering tot in zijn oude dagen!), wordt daarna rijk beloond. Zulk ‘boerengeloof’ heeft een discipel nodig.
Het is alsof Jezus alle moeite doet en daarbij zichzelf de vraag stelt: hoe kan ik het hun toch duidelijk maken? Zij hebben er behoefte aan, want veel begrip wordt in dat stadium nog niet verondersteld. Als iemand als Jezus van Nazaret hier en daar met mensen spreekt, een zieke geneest, een bezetene bevrijdt, denk je nog niet meteen, dat de nieuwe wereld aan het komen is. Wij zoeken het steeds weer in het grote en zijn daarna teleurgesteld, wanneer het weer in het niet verzinkt. Het optreden van Jezus is nog niet dadelijk wereldschokkend, en dat zal het nog veel minder zijn, wanneer de tegenstand toeneemt; en het belooft helemaal niets meer, vormt zelfs een dodelijke bedreiging voor elke hoop, wanneer deze Jezus straks het lijden tegemoet gaat, met zich laat sollen en daarna aan het kruis sterft. Wat een mosterdzaadje waard is, weet je ook pas achteraf. Alleen wie die grote struik kent, kan met dat nietig zaadje hoge verwachtingen verbinden. Alleen wie de opgestane Christus kent en in Hem gelooft, zal achteraf met gelovige ogen en oren vernemen, dat in dat nietig begin toch reeds het geheim schuil ging van alles, waarover het geloof later kon spreken.
Gelijkenissen zijn enerzijds zo simpel dat elk kind ze kan begrijpen, anderzijds echter zo raadselachtig dat alleen het geloof in staat is ze te verstaan en er iets aan heeft. Daarop wijzen die moeilijke verzen 10-12. Wie het geheim van het Koninkrijk niet kent – en dat geheim ligt in Jezus zelf, uiteindelijk in de verzoening doordat Hij zijn leven geeft tot een losprijs voor velen (10:45) -, die begrijpt er niets van. Voorlopig heeft de prediking bij hen alleen maar een verhardende werking, evenals vroeger de prediking van Jesaja (daarop wijst het citaat uit Jes. 6: 9v) vooreerst (zie Jes. 6:11!) alleen maar verhardend gewerkt had.
Dat het in deze gelijkenissen om verborgenheden gaat, wordt ook in de verzen 21-25 verondersteld. Maar het zal niet zo blijven. Een lamp hoort op een kandelaar en niet onder een korenmaat of onder een bed te staan. Daarom moet naar deze gelijkenissen goed geluisterd worden. De spreekwoorden van vs 24 en 25 hebben hier de functie, om kracht bij te zetten aan de waarschuwing: Ziet toe, wat gij hoort. In Luc. 8:18 lezen we: Ziet toe, hoe gij hoort. Dat geeft nog duidelijker weer, wat Jezus bedoelt. En daarom wordt ook nog eens herinnerd aan het feit dat die gelijkenis van de zaaier een kommentaar is bij het ‘Hoort!’ van vs 3.
Hij doet grote wonderen 4:35-5:43
In de eerste hoofdstukken speelde de vraag naar de volmacht van Jezus en zijn recht van spreken en handelen steeds weer een belangrijke rol, ook daar, waar het om wonderen ging. Nu volgt een collectie met wonderverhalen, die alle nadruk leggen op de grootsheid, op het indrukwekkende van zijn daden. Waarschijnlijk heeft Marcus ze reeds in deze combinatie en met dit zwaartepunt overgenomen. In 4:35-41 wordt de verbazingwekkende macht van Jezus verduidelijkt door de vertelling over ervaringen op het meer van Galilea, waar vroeger en ook vandaag plotseling opkomende valwinden het rustige meer tot een kolkende zee kunnen maken. Hoe vaak waren kleine bootjes met de mensen erin het offer van zulke stormen geworden. In zo’n situatie had Jezus zijn macht getoond. Hij had wind en golven bestraft en bij wijze van spreken tot zwijgen gebracht, zoals Hij demonen had bedwongen. Alles, wat de mens in zijn bestaan bedreigt, behoort tot die donkere machten, waartegen Jezus optreedt en zijn machtswoord spreekt. Evenals in andere verbanden legt Marcus grote nadruk op hun wanhoop: Meester, trekt Gij er U niets van aan, dat wij vergaan? Ook Jezus attesteert hun ongeloof, en aan het einde komen zij nog niet verder dan tot de vraag: Wie is deze? Maar ondertussen is het wonder van zijn macht over de machten van de afgrond verteld; en de discipelen, die op hun vraag nog geen antwoord vinden, getuigen er in elk geval van, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn. Wie dit evangelie tot het einde toe leest, zal dan ook evenals de discipelen een deugdelijk antwoord hebben verkregen op de vraag, wie Deze is.
Het bericht over de uitdrijving van de demonen in het gebied der Gerasénen ten oosten van het meer van Galilea, een heidens gebied, heeft een aantal trekken, die samen ertoe dienen, het grootse van dit wonder te onderstrepen. De bezetene huisde tussen de graven en verbreidde angst door zijn schreeuwen; men had steeds weer tevergeefs gepoogd, hem in boeien te leggen; op de vraag van Jezus naar zijn naam zegt hij: mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk; en eindelijk blijven de demonen ook dan nog vernielzuchtig en als zodanig in de buurt, wanneer Jezus hen uitgedreven heeft, immers zij razen met eenkudde varkens het water in. De voorstelling is daarbij niet dat de demonen ondergaan, maar dat de kudde varkens verdrinkt. En die aangerichte schade is voor de bezitters weer een reden Jezus te vragen, zo vlug mogelijk weg te gaan. Bevrijding van duivelse machten weegt niet op tegen de materiële schade. Afgezien van bekende trekken, die we reeds uit andere verhalen over uitdrijvingen van boze geesten kennen (zie de verklaring bij 1:23-28), is er nog één bijzonder element: de bevrijde man wil een discipel van Jezus worden. Hij wordt het ook, maar hij springt bij wijze van spreken een stadium over: hij wordt meteen een gezondene (apostolos = apostel), om in die heidense streek van de Dekapolis het evangelie van Gods ontfermende daden te verkondigen; de bevrijde in dienst van zijn Bevrijder.
Het derde wonderverhaal, dat in deze collectie voorkomt, voegt aan de vorige wonderen nog een nieuwe dimensie toe: de opwekking van een dode. Verondersteld wordt blijkbaar dat Jezus, teruggekeerd van de oostkant van het meer, weer aan de oever bij Kapernaüm is. Terwijl zich meteen een schare bij Hem voegt, komt Jaïrus, de overste van de synagoge, tot Jezus met het verzoek, met hem mee te gaan, omdat zijn dochtertje doodziek is en elk ogenblik kan sterven. Jezus wil meegaan, maar wordt opgehouden door een vrouw. Dit kost veel tijd, en wanneer Jezus eindelijk verdergaat – het is maar een korte afstand van een paar honderd meter -, komen de boden uit het huis hen reeds tegemoet: het is te laat, het dochtertje is ondertussen overleden. Elk nieuw element in deze vertelling is tegelijk geschikt om op de grootheid van het er op volgende wonder te wijzen. Waarom valt gij de Meester nog lastig? Daarop kan alleen Jezus antwoorden, door tot de vader te zeggen: Wees niet bevreesd, geloof alleen. Samen met zijn drie vertrouwde discipelen Petrus, Johannes en Jakobus gaat Hij het huis binnen, waar het weeklagen reeds begonnen is. Het hier genoemde misbaar is niet maar een spontane uiting van droefheid, maar een wijd verbreide gewoonte, gecultiveerd van geslacht tot geslacht. Vrouwen, die daarin erg bedreven waren, werden vaak in een rouwhuis geroepen, om aan het weeklagen leiding te geven. Hier komt in dat weeklagen ook de onherroepelijkheid van de ingetreden dood uit. Wanneer Jezus dan zegt: Zij is niet gestorven, maar slaapt, wordt dit alles nog versterkt. Geen wonder dat Hij wordt uitgelachen. Maar in deze woorden wordt tegelijk de grootheid van het wonder aangeduid, dat straks zal gebeuren. Hier staat iemand, die bij machte is een dode op te wekken zoals men een slapend kind wakker maakt. Zo handelt Jezus dan ook. Hij neemt haar bij de hand en zegt: Meisje, sta op! En het gebeurt. Merkwaardig is dat dit machtswoord in de aramese taal is overgeleverd: Talitha koem! Zo groot was de verwondering en de bewondering. Alsof men door het herhalen van deze uiterst korte zin heeft willen zeggen: zo groot was zijn macht, dat Hij door dit woord met hetzelfde gemak een dode opwekt zoals wij iemand wakker maken na een genoten nachtrust.
Van Jezus’ macht wil ook dat tussengeschoven gedeelte vertellen, dat over een vrouw handelt, die reeds twaalf jaar lang leed onder bloedingen. Wat een ongemak, wat een lijden en voortdurende verzwakking; en bovendien was het ook nog volgens de wet een jarenlange rituele onreinheid. De notitie dat zij reeds vele dokters tevergeefs geraadpleegd en al haar bezit daaraan besteed had, was in dergelijke verhalen een geliefd stijlmiddel, om aan te geven, hoe erg de ziekte en hoe geweldig de genezing was, die nu verteld werd. Opvallend is de grote verwachting, die zij van Jezus had. Dit grote geloof, dat haar volgens de woorden van Jezus heeft behouden, staat duidelijk tegenover het ongeloof, dat zelfs zijn discipelen had vervuld (4:40). Merkwaardig is dat eerst reeds over haar genezing bij het aanraken van Jezus’ kleding gesproken wordt, terwijl aan het einde de indruk ontstaat, dat het woord van Jezus ‘Wees genezen van uw kwaal’ de genezing brengt. Vermoedelijk hangt dat samen met de zwaartepunten, die bij verschillende gelegenheden, wanneer dit wonder verteld werd, gelegd werden. Ligt de nadruk op deze vrouw en op haar moedige stap, waarbij zij alle taboes doorbreekt, dan ligt de verbinding tussen aanraken en genezen ook voor de hand. Maar wanneer het weer verteld wordt in het kader van wonderberichten, die de grootheid en bovenmenselijke macht van Jezus naar voren willen brengen, dan moet de aandacht gevestigd worden op de macht van zijn woord. Het ene sluit het andere echter geenszins uit.
Jezus in conflict met zijn stadgenoten, maar zijn werk gaat door 6:1-6
Uit Mat. 4:13 en Joh. 2:12 weten wij dat Jezus samen met zijn moeder en broers om de ene of andere reden zijn geboortestad Nazaret heeft verlaten. Zij gingen in Kapernaüm wonen, een klein vissersplaatsje aan de noordwestelijke oever van het meer van Galilea, ongeveer van Nazareth af. Over Nazareth horen wij in het Marcus-evangelie slechts hier iets; Lucas vertelt eveneens, en wel aan het begin van zijn optreden, over een bezoek van Jezus aan de synagoge te Nazareth. Het ligt voor de hand dat dit geen uitzondering geweest is, al geven de evangelisten niet de indruk, dat Jezus zich op die plaats heeft geconcentreerd. De onvriendelijke houding, die uit dit gedeelte blijkt (vgl. ook Luc. 4:29), ligt in het verlengde van de wijze, waarop in 3:21,31-35 zijn familieleden hadden gereageerd. Zij namen aanstoot aan Hem. Enerzijds is er bewondering of verbazing, anderzijds is er ergernis, want Hij was een jongen uit hun straat. Het door Jezus geciteerde spreekwoord dat een profeet niet geëerd is in zijn vaderstad, verklaart hun reactie, in zover er zoiets altijd weer gebeurt. Maar er blijft een belangrijke rest, die onverklaarbaar blijft: zij nemen aanstoot aan de daadwerkelijke liefde van God, die in Hem tot hen komt. Het reddend, genezend en herscheppend Woord is vlees geworden en heeft onder hen gewoond. Maar zij zagen – anders dan de geloofsgetuigen, die in Joh. 1:14 aan het woord zijn – nog niets van die heerlijkheid, die vol genade en waarheid was. Deze houding van de Nazarenen beperkt Jezus in zijn werk, hoewel Hij ook daar mensen helpt, die blijkbaar geen aanstoot aan Hem nemen. Maar zijn werk gaat door, is het niet in Nazareth, dan toch in de omliggende dorpen. Wat Jezus begonnen is, kan ook Nazareth niet uitdoven.
Een derde, dubbele collectie berichten 6:7 – 8:26
Na een eerste (1:16 – 3:12) en een tweede collectie van samenhangende berichten (3:13-6:6) begint hier in 6:7 een derde deel, waarin we ondanks alle verschillen toch ook weer een soortgelijke opbouw ontdekken: Voorop staat weer een perikoop over de discipelen, dan worden achtereenvolgens twee grotere collecties berichten ingevoegd, die de reeds bekende thematiek hebben: Jezus doet grote wonderen; daar staat dan afwijzing, twist of blindheid tegenover, maar desondanks gaat zijn werk door. Op de weg van deze dubbele reeks van verhalen bereikt de beschrijving van Marcus ergens een climax; en dat is kennelijk ook zijn bedoeling, zoals wij zullen zien.
Jezus zendt zijn discipelen uit, en ondertussen sterft Johannes de Doper als martelaar 6:7-32
Nadat Marcus aanvankelijk verteld had, hoe de eerste vier jonge mannen volgelingen van Jezus waren geworden (1:16-20) en in een ander gedeelte (3:13-19) over de definitieve aanstelling van het twaalftal discipelen had gesproken, volgt nu een kort verslag over een uitzending van hen met een wel omschreven opdracht. Het was een opdracht, die alleen maar één of enkele dagen in beslag zou nemen. In groepjes van twee werden zij erop uitgestuurd; de inhoud van hun opdracht kwam uiteraard overeen met de prediking van Jezus zelf. Bekeert u, want het Koninkrijk van God is nabij gekomen (1:15; vgl. Mat. 10:7). Zoals echter het doen van Jezus bij Marcus steeds op de voorgrond stond en met bijzondere uitvoerigheid verteld werd, zo ook wordt van de opdracht, die de discipelen meekregen, uitdrukkelijk vermeld, dat Jezus hun macht gaf over de onreine geesten. Gezondenen van Christus zullen door hun prediking en door hun optreden de macht van de duivel terugdringen; een niet gering perspectief! En Hij gebood hun niets mee te nemen voor onderweg. De bepaling dat zij generlei voorraad mee mochten nemen houdt niet alleen verband met de sobere leefwijze, die zij van Jezus zouden overnemen, maar ook met de gedachte dat zij in de huizen van mensen zouden worden opgenomen en verzorgd (v 10; vgl. Luc. 10:7). Daarentegen moeten zij wel een staf hebben en sandalen dragen; zij moeten goed ter been zijn, anders kunnen zij hun opdracht niet uitvoeren. Het lijkt alles net op een generale repetitie voor de grote uitzending na Pasen. Indien een plaats u niet ontvangt… Van het begin af wordt ook in hun geval met tweeërlei ervaringen gerekend: met openheid van hart en huis, maar ook met afwijzing. Zoals een vrome Jood het stof van zijn voeten schudde, wanneer hij terugkwam van heidens gebied, zo zullen de boden van Jezus het doen, ook al komen ze uit een joodse stad en worden zij afgewezen, omdat de boodschap van Jezus niet overeenstemt met hetgeen zij in hun vroomheid van een godsgezant verwachten. In de verzen 12v wordt de vervulling van hun opdracht kort samengevat, maar pas in de verzen 30-32 horen wij, dat zij terugkeren en verslag doen van hun zending. Moe als zij zijn worden zij door Jezus in de gelegenheid gesteld, op een eenzame plaats uit te rusten.
Maar tussen het weggaan en het terugkeren van de discipelen vertelt Marcus ons uitvoerig over het martelaarschap van Johannes de Doper. De overgang naar die vertelling ligt in het feit dat de berichten over Jezus ook waren doorgedrongen tot Herodes Antipas, gezaghebber van Galilea en een overjordaanse strook, Perea geheten. Deze Herodes had eerst in Sepphoris, niet ver van Nazareth, geresideerd, maar was ondertussen naar een nieuwe, door hem gebouwde residentie aan de westelijke oever van het meer van Galilea verhuisd; hij had haar Tiberias genoemd naar keizer Tiberius.
Wanneer zich de moord op Johannes heeft afgespeeld, doet niet ter zake. Uit vs 16 blijkt dat deze gebeurtenis in het verleden lag. In 1:14 was al verteld dat Johannes gevangen genomen was voordat Jezus in het openbaar optrad. De joodse geschiedschrijver Josephus vertelt, dat Johannes de Doper in de vesting Machaerus in Perea om het leven gebracht werd. Zoals de dingen echter hier verteld worden, zou men eerder aan het nieuwe luxe paleis in Tiberias denken. Hoe dit ook zij, Marcus geeft aan dit verhaal uitgerekend hier een plaats. Hij heeft daarmee kennelijk zijn eigen bedoeling. Op andere plaatsen wordt de waarschuwing van Jezus genoemd: Hem volgen betekent zichzelf verloochenen, het kruis dragen en eventueel ook zijn leven verliezen (8:34v; 10:37-40). Hier wordt datzelfde door deze vertelling en door deze compositie uitgedrukt: terwijl de ene zijn roeping als de gezondene van zijn Here vervult, sterft de andere als martelaar. Dat kan echter ook betekenen: Wie bereid is het Koninkrijk Gods te verkondigen en boze geesten uit te werpen, moet ook bereid zijn, zo nodig alles voor Jezus en voor dit Koninkrijk over te hebben.
De eerste reeks 6:33-7:30
Hij doet grote wonderen 6:33-56
Het heeft zijn voordelen, wanneer we dit gedeelte als een geheel in ons op proberen te nemen; het wordt in alle evangeliën als één geheel verteld, zelfs bij Johannes (hst. 6). En wat Marcus betreft, aan het einde van het verhaal dat Jezus over het meer gaat, wordt terugverwezen naar de vermeerdering van de broden. Welk motief kan daarin meegespeeld hebben, dat achter elkaar over de spijziging van 5000 mensen op een eenzame plaats en over het wandelen van Jezus op het meer in een nachtelijk uur verteld wordt? We komen daar misschien achter, wanneer we bij vs 34 beginnen: Hij zag een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben. Deze woorden herinneren nl. aan Num. 27:15-18. Daar bidt Mozes tegen het einde van zijn leven tot God om een man, ‘die voor het aangezicht van Israel uit- en ingaat, die hen doet uittrekken en weer terugbrengt, opdat de vergadering des Heren niet zij als schapen, die geen herder hebben.’ Het antwoord van God hierop is: ‘Neem u Jozua, de zoon van Nun…’ In de griekse vertaling wordt Jozua weergegeven als Jesua. Hier treedt Jezus dus op als de eschatologische vervuiler van wat in de woestijn van God afgesmeekt was, en door wie God Zich een volk zou vergaderen zoals een herder zijn kudde. Het is zijn taak als Messias, om in de tijd van de vervulling het messiaanse volk te verzamelen.
Op welke wijze wordt nu in het handelen van Jezus het ontfermen van God openbaar? In de eerste plaats daarin dat Hij hun vele dingen leert. Evenals God tijdens de woestijnreis steeds weer met Israel sprak om het zijn wegen te leren, zo ook leert en verklaart Jezus aan de mensen om Hem heen de wil van God, die zo dikwijls bedolven wordt onder menselijke leringen. Maar zoals dat bij Marcus vaker gebeurt, wordt deze leer alleen maar genoemd, en hier niet inhoudelijk doorgegeven. Dat gebeurt straks in het twistgesprek van hoofdstuk 7 wel. Het ontfermen neemt nu echter daarin concrete vormen aan, dat Hij aan duizenden mensen te eten geeft, wanneer dezen na een lange dag bij Hem te zijn geweest hongerig zijn geworden. Zoals God in de woestijn Israel dagelijks met manna verzorgde, zo deelt Jezus hier brood en vis aan hen uit. Eh zoals Israel zich in de woestijn in geordende groepen legerde, zo draagt Jezus de mensen hier op, groepsgewijs op het gras te gaan zitten. De almacht van Jezus, deze duizenden te voeden met vijf broden en twee vissen, waarbij zelfs nog manden vol brood overblijven, herinnert aan de almacht van God, die Israel in de woestijn elke dag weer op overvloedige wijze voedde met manna en kwakkels.
Ook het verhaal van het wandelen van Jezus op het meer wijst terug naar de tijd, dat Israel onderweg was van Egypte naar Kanaän. Door het wonder van Gods aanwezigheid en trouw kon Israel droog door de Rode Zee gaan. God was bij hen temidden van alle gevaren, bij dag en bij nacht. Wolkkolom en vuurkolom waren daarvan de zichtbare tekenen geweest. Zo verschijnt Jezus midden in de nacht op het meer, waar de discipelen in een bootje zitten. Van storm of hoge golven is hier geen sprake, alleen maar van tegenwind. Het wonder bestaat daarin dat Hij verschijnt, dat Hij bij hen is in een bovenaardse verschijning. De notitie in vs 48 en Hij wilde voorbijgaan is nog een aanwijzing, dat het hier om iets anders gaat dan in de perikoop over de storm op het meer (4:3541). Maar ook het antwoord van Jezus op hun uiting van angst wijst daarop: Ik ben het! Dat herinnert aan de Godsnaam uit het O.T. In Ex. 3:12-14 verklaart God deze naam Jahweh zelf met de woorden: Tk ben met U’ (vs 12), Tk ben, die Ik ben’ (vs 14a) en: ‘Aldus zult gij tot Israel zeggen: “Ik ben” heeft mij tot u gezonden’ (vs 14b). In deze wonderen toont Jezus dat op Hem de benaming ‘Immanuël – God met ons’ (Mat. 1:23) terecht van toepassing is. Wanneer aan het einde staat, dat de discipelen ondanks dat alles nog niet tot inzicht komen, maar verhard zijn, dan blijken zij daarmee dezelfde gesteldheid te bezitten als Israel in de woestijntijd. Het gedeelte sluit af met een samenvatting (vs 53-56), zoals Marcus die herhaaldelijk toevoegt aan een grotere samenhang met gelijke strekking.
Twist over de joodse reinheidswetten 7:1-2
In dit gedeelte gaat het om verschillende vragen van de joodse overlevering, die in de tijd van Jezus mondeling overgeleverd en met ijver bestudeerd werd. (Na de val van Jeruzalem in het jaar 70 n.Chr. begon men deze traditie te verzamelen en schriftelijk vast te leggen. Het resultaat was de Mishna uit de 2e eeuw, die later weer van kommentaren werd voorzien en sinds de 5e eeuw als Talmoed bekend staat.) Jezus ziet in die vele bepalingen een veruitwendiging van de vroomheid. Concentratie op vele casuïstische regels en toepassing van vele voorschriften voor de priesterdienst op het dagelijkse leven in huis en beroep gingen vaak gepaard met verontachtzaming van datgene, waar het op aan kwam en wat de diepste bedoeling van God als de gever van de tora was geweest.
In de eerste verzen wordt iets weergegeven van de kritiek van de farizeeën op de discipelen van Jezus, omdat dezen het rituele wassen van hun handen voor de maaltijden niet beoefenden. Hierbij ging het niet om een vraag van hygiëne, maar om de toepassing van voorschriften, die in de wet alleen betrekking hadden op de uitoefening van de priesterlijke dienst. Door een ritueel wassen van de handen wilde men voorkomen, dat men ondanks alle waakzaamheid en nauwgezetheid mbt. de reinheid der spijzen zich toch per vergissing verontreinigde. Marcus verklaart deze gewoonte, waarvoor de Mishna zeer uitvoerige voorschriften bevat, nader voor de niet-joodse lezers. Overigens generaliseert hij ietwat, wanneer hij zegt dat alle joden deze rituele wassingen inacht namen; de Sadduceeën wilde er nl. niets van weten, en het gewone volk gaf er niet om. In vs 5 wordt het probleem scherp gesteld door de vraag: ‘Waarom wandelen uw discipelen niet naar de overlevering der ouden?’ Het antwoord van Jezus, waarmee dit eerste twistgesprek eigenlijk al ten einde is, bestaat uit een verwijzing naar Jes. 29:13, waar deze profeet de veruiterlijking van de dienst van God in Israel’scherp laakt. Daar staan lippendienst en hart tegenover elkaar in de zin van de uiterlijkheid en de wezenlijke dienst van God. In de griekse vertaling schijnt men deze beschuldiging nog aangescherpt te hebben door over inzettingen van mensen te spreken; men wilde in Alexandrië in de laatste eeuwen voor Christus het geloof van Israel zo presenteren dat de profetische kritiek op die elementen, die aanstotelijk waren of waarover een hellenistische medeburger zich verheven voelde, zeer duidelijk tot zijn recht kwam. Marcus neemt het citaat ook in deze vorm over. In de geest van de profeten en in verlenging van hun kritiek wijst Jezus deze farizeese praktijk af en doorbreekt tegelijk ook alle andere mozaïsche bepalingen mbt. rein en onrein.
Het is korban. Hier wordt de gedachtengang enigszins onderbroken. In de verzen 8-13 geeft Jezus een ander voorbeeld van de overlevering, die niet slechts een veruiterlijking, maar zelfs een ombuiging en vervalsing van Gods geboden was. Er bestond nl. een door de schriftgeleerden vastgestelde mogelijkheid, de stringentie van het vijfde gebod te omzeilen. Vader en moeder eren betekende voor het Jodendom ook: voor hen zorgen, wanneer zij oud waren, hun te eten geven, te kleden, voor warm beddegoed te zorgen en met hen uit te gaan. Maar het werd als legaal beschouwd, wanneer een kind zich aan deze plicht onttrok met de schijnvrome formule: Het is korban (= een aan God beloofd offer), wat ik u had willen geven. Het was daarvoor in het geheel niet vereist, dat hij dit offer ook metterdaad bracht. De formule was effectief, zij was zelfs zo bindend dat schriftgeleerden in de 2e eeuw er over gediscussiëerd hebben, of en hoe dit weer ongedaan gemaakt kon worden. Het is begrijpelijkdat Jezus tegen deze schijnheiligheid en huichelarij, die zeker ook niet door alle Joden van zijn tijd goedgekeurd geweest zal zijn, in het geweer komt. Als ergens tot in de woorden toe duidelijk wordt, wat het betekent, het woord van God krachteloos te maken door eigen overlevering, dan wel hier. Toch moet het als een signaal verstaan worden, want dit gevaar is steeds weer levensgroot aanwezig.
Mete,dat van buiten …komt. In de verzen 14-16 geeft Jezus met de Hem eigen souvereiniteit en volmacht te kennen, dat deze bepalingen als tijdloze wetten geen waarde hebben. Wat de actuele betekenis in een vroegere tijd en in het kader van het leven van israelitische stammen temidden van de oudoosterse volken geweest is, is een andere vraag. Jezus stelt als richtlijn, die voor geen misverstand vatbaar is, dat niets onrein is, wat door de mond tot de mens ingaat; het is dus een onnodige en zelfs misleidende bezigheid, zich om die vele voorschriften te bekommeren, die voor elk nieuwe geval een beslissing voorschrijven. Onrein is dat, wat uit de mond uitgaat en uit het hart komt. In vs 21 worden al die onreinheden bij de naam genoemd. Daar, in het hart liggen rein en onrein naast elkaar. En het is meer dan de moeite waard, zich daarop te richten en na te gaan, hoe veel zonde reeds vanuit een onrein hart oa. via de mond naar buiten gekomen is, als zonde tegen God en tegen mensen. Daar ligt de actualiteit van het spreken over rein en onrein; daarom ook het vermaan: Indien iemand oren heeft om te horen, die hore. In de kring van de discipelen wordt dit onderwijs nog voortgezet; het was ook ongehoord, had iets revolutionairs en kon ook door hen nog lange tijd slechts met moeite aanvaard worden. Daarom ook de vraag: Zijt gij ook zo onbevattelijk? Na een korte samenvatting van de herhaalde toelichtingen van Jezus staat dan ook in vs 20 de slotconclusie: En zo verklaarde Hij alle dingen rein. Het feit dat en de wijze waarop dit twistgesprek overgeleverd werd, verraadt wel een bijzondere interesse van de oude kerk. Hier waren beslissingen gevallen, die voor hun leven als gemeente en voor het verstaan van het O.T. bijzonder belangrijk waren en die hen in hun leven ook duidelijk van de synagogale gemeenschap van de Joden onderscheidde.
Jezus’ werk gaat door; de genezing van een heidens meisje 7:24-30
De voorafgaande twistgesprekken bereikten in zeker opzicht een hoogtepunt: daar wees Jezus immers de veruiterlijkte en ongeestelijke vroomheid af, die zich in de bepalingen van de schriftgeleerden en in de praktijk van de farizeeën weerspiegelde. Het ging daarbij niet maar om één of andere eenzijdigheid, maar om kernvragen. Wanneer Jezus in dat verband het bindend karakter van de reinheidswetten in het geding bracht, was de breuk met hen onvermijdelijk, omdat dit alles de kern van hun geloofspraktijk uitmaakte. Daaraan beantwoordt nu deze perikoop, die duidelijk moet maken dat het werk van Jezus doorgaat. Dat moest hier wel betekenen dat Hij nu buiten het volk Israel optrad. Daardoor zou Hij tegelijk tonen dat ook op het vlak van mensen en volken er geen tegenstelling tussen rein en onrein bestaat, iets wat volgens Hand. 10 zelfs in de tijd na Pinksteren voor iemand als Petrus nog moeilijk te aanvaarden was.
Wanneer Jezus in het gebied van Tyrus rondtrekt, heeft Hij daarmee land en volk van Israel voor een korte tijd achter zich gelaten. Wanneer we van diaspora-Joden afzien, die mn. in de steden te vinden waren, mogen we zeggen, dat zij nu in een puur heidens gebied waren. De vrouw, die daar tot Hem komt met een bezeten dochtertje, wordt dan ook naar haar volk als Syro-Fenicische en naar haar taal of cultuur als een griekse aangeduid. Zij kent Jezus blijkbaar goed genoeg, om met dit meisje tot Hem te komen; Hij kon immers niet verborgen blijven, al was dat soms zijn streven. Ook hier wordt niet het verloop van heel het gesprek weergegeven; veeleer worden typische elementen daaruit genoemd. Allereerst het feit dat zij als heidense vrouw tot Jezus komt, terwijl zij voor Hem, indien Hij tenminste als Jood optreedt, als een onreine moest gelden. Of de uitspraak over kinderen en hondjes een vast gezegde was of dat hierin een herinnering ligt aan een verachtelijk spreken over heidenen als honden, is moeilijk uit te maken, maar ook niet beslissend. Jezus spreekt taal, die men begrijpt. Het geloof van deze vrouw, dat zodoende op de proef gesteld wordt, blijft daarin staande. Zij aanvaardt de prioriteit van Israel en verwacht tegelijk, dat het ontfermen van God niet tot Israel beperkt blijft. Opvallend is ook, dat juist zij Jezus aanspreekt als Here. Here of Kyrios was nl. later de meest bekende benaming van Jezus, het was een belijdenis: ‘Niemand kan zeggen: Jezus is Here, dan door de Heilige Geest’ (1 Kor. 12:3). Evenals bij de heidense hoofdman (15:39) klinkt in haar woorden reeds de christelijke belijdenis door. Zo is er in een heidens gebied geloof in Jezus en openheid voor zijn werk, terwijl in Israel, waar geloof verwacht mocht worden, afwijzing en vijandschap toenemen. De genezing zelf wordt overigens niet eens verteld, zij wordt alleen geconstateerd; waar openheid is voor Hem, daar is het heil een voldongen feit.
De tweede reeks 7:31-8:26
Hij doet grote wonderen 7:31-8:10
Dat 7:31 niet zo maar een vervolg is op het vorige gedeelte, blijkt reeds uit de geheel nieuwe inzet en de verandering van plaats. In één enkel vers wordt een lange reis aangeduid. Wel echter speelt zich ook het nu volgende weer af in een niet-joodse streek, nl. in de Dekapolis, het gebied ten oosten van het meer van Galilea. Daar brengt men een doofstomme tot Jezus, en zij smeken Hem, deze de hand op te leggen, dwz. zijn macht aan te wenden om hem te genezen. Dan wordt op tweeërlei wijze verteld, hoe Jezus deze doofstomme geneest; allereerst wordt het op een wijze verteld, die aansloot bij antieke praktijken, die ook uit andere bronnen bekend zijn: de patient daar aanraken, waar de ziekte gezeteld is; de vinger in zijn oor steken, met speeksel zijn tong aanraken en diep zuchten. Dat waren bekende praktijken, hoewel de ervaringen vaak teleurstellend waren. Men poogde op een symbolische of magische wijze de eigen genezende kracht op de ander over te dragen (vgl. 8:23). Wanneer Jezus zich bij die vorm aangesloten heeft, dan verschilt alleen de uitkomst. Indien men zijn wonderen op deze wijze heeftverteld, dan is dat om in een bepaalde religieuze omgeving aanschouwelijk te maken, dat het in zijn geval geen twijfelachtige pogingen zijn, maar dat Hij inderdaad de macht bezit, om doofheid en stomheid te doen wijken. Echter in vs 34 staat het wat anders. Daar spreekt Jezus met één woord een bevel uit: Effatha, dat is: word geopend.’ Zo groot is zijn macht; één woord is voldoende. Het heeft er alles van, dat Marcus hierop de nadruk heeft willen leggen. Het daarop volgende vermaan, er met niemand over te spreken, dient hier alleen maar om des te duidelijker te laten uitkomen, hoe zeer dit optreden van Jezus in de omgeving ruchtbaar werd. Ook de reactie van de aanwezigen getuigt van die indruk, die zijn daden achterlaten. In een lofprijzende stijl worden zijn daden bezongen, zoals men Gods grote daden bezingt: ‘Hij heeft alles wel gemaakt, ook de doven doet Hij horen en de stommen spreken.’ vgl. Gen. 1:31 en Jes. 35:5v. Zo breekt de jubel door in heidense gebieden.
In 8:1-10 wordt een tweede wonder van een spijziging van duizenden verteld. Behalve andere kleinere verschillen bestaat er vooral onderscheid tussen de getallen: de hoeveelheid mensen (4000 ipv. 5000), broden (zeven ipv. vijf) en manden vol brokken (zeven ipv. twaalf). Wat kan Marcusbewogen hebben, dit tweede wonder op te nemen? In de grond van de zaak is de strekking toch dezelfde. In beide gevallen hebben grote scharen wat langer bij Jezus vertoefd; hier zelfs drie dagen, en zij kwamen deels van verre. In beide gevallen wordt ook het ontfermen van Jezus als motief voor de spijziging genoemd. Het is echter niet onmogelijk, ook al is het niet te bewijzen, dat Marcus dit wonder als een spijziging van mensen uit heidense volken heeft opgevat. Het speelt zich af in de heidense Dekapolis; de notitie dat sommigen van verre gekomen zijn, zou ook op andere streken kunnen wijzen; een symbolische waarde van de getallen (bv. de zin van 1000 uit elk der vier windstreken) is weliswaar twijfelachtig; wel echter is het opmerkelijk dat tussen de spijziging van het joodse Galilea en de spijziging van de heidense Dekapolis de woorden van Jezus staan: Laat eerst de kinderen verzadigd worden (7:27) en die van de griekse vrouw: ‘de honden eten immers ook onder de tafel van de kruimels der kinderen’ (vs 28). Het mag in elk geval niet als spitsvondig beschouwd worden, wanneer hier op verbanden gewezen wordt. Het zou ook wel in de lijn van Marcus liggen. Hij doet grote wonderen. Dit opschrift zou dan aan het einde van toepassing zijn voor de volken, tot wie de eerste lezers van dit evangelie behoorden.
Twist met farizeeën en discipelen 8:11-21
Getrouw aan de wijze, waarop hij reeds enkele keren grotere onderdelen van zijn evangelie heeft samengesteld, laat de auteur nogmaals enkele verzen volgen, waarin van vervreemding en twist sprake is. Waarover de farizeeën met Jezus redetwistten, wordt niet gezegd, maar het kan wel geconcludeerd worden uit het volgende: zij vragen om een teken, en dat betekent hier: zij vragen Jezus, Zich te legitimeren als door God gezonden en gerechtigd om zo te spreken als Hij spreekt en zo te handelen als Hij handelt. In deze vraag ligt reeds hun vijandigheid opgesloten. Als Jezus daarop ingegaan was, hadden zijn wonderen een geheel ander karakter gekregen; dan waren zij niet meer betoon van genade en ontferming, van redding en nabijheid, om te helpen en te troosten; het zou een schouwspel geworden zijn, om hun verlangens te bevredigen en om zichzelf te rechtvaardigen. Overigens hoefden zij alleen maar hun ogen open te houden om te zien, wat Jezus deed; dan zou dit verzoek overbodig geweest zijn. In elk geval is Jezus voor zulke demonstraties niet te vinden. Aan dit geslacht, dwz. aan mensen met deze geestelijke instelling zal geen teken gegeven worden. En Hij liet hen alleen; Hij ging weg. Dat is de definitieve breuk; ook de veelvuldige werkzaamheden van Jezus lopen nu af in die streek, waarover Hij volg. Mat. 11:20-24 en Luc. 10:12-15 zijn droefheid uitdrukt en zijn ‘Wee’ uitspreekt, dit rijk gezegende en liefelijke stukje aarde dicht bij het meer van Galilea, aangeduid met de namen van de steden Chorazim, Beth-saïda en Kapernaüm.
Misverstand en blindheid waren echter volgens Marcus in dat stadium nooit beperkt tot een bepaalde groep van mensen. Dat laat hij ook hier weer uitkomen. Zijn discipelen zijn ondanks alle ervaringen en ook na deze twee broodwonderen nog niet verstandiger geworden. En in de verzen 17-21 wordt hun dit uitdrukkelijk verweten. Wanneer Jezus hen waarschuwt voor het zuurdesem dwz. de verderfelijke invloed van het farizeese denken en voorde vijandschap van mensen, die nauw met de politieke macht van Herodes verbonden zijn, begrijpen zij die waarschuwing niet eens. Bij zuurdesem denken zij aan brood, en brood hebben zij nu juist vergeten mee te nemen. De notitie van het éne brood, dat zij wel bij zich in de boot hebben, wordt door sommigen als een zinnebeeldige toevoeging van de evangelist beschouwd: immers Jezus was het ware brood. Maar dit alles heeft hier toch alleen maar de functie te laten zien, hoe groot het onbegrip ook bij de discipelen nog was. Dat blijkt het doorlopende thema van Marcus te zijn. Goed en voorgoed gaan de ogen pas open, wanneer zij zullen geloven en belijden, dat Hij op de weg van lijden, sterven en opstanding zijn werk op aarde volbrengt. Op de weg daarheen zal God zelf het moeten zijn, die hen en anderen ziende maakt. Nu hebben zij nog ogen en zien niet, hebben oren en horen niet, hebben een hart, dat nog verhard is. Alleen door een wonder, alleen door Gods eigen ingrijpen zullen zij ziende, verstaande en gelovige discipelen worden.
Jezus’ werk gaat door; de genezing van een blinde te Bethsaïda 8:22-26
Op deze plaats vertelt Marcus de genezing van de blinde te Bethsaïda. Het is één zaak dat deze genezing gebeurd en overgeleverd is. Het is één van de voorbeelden dat Jezus in die stad zijn macht toonde, waarvan in Mat. 11:21 gezegd wordt, dat daarin uitzonderlijk veel krachten waren geschied. De stad lag even ten oosten van de plaats, waar de Jordaan in het meer van Galilea stroomt; het was vroeger de hoofdstad geweest van het gebied ten noordoosten van het meer van Galilea, waarover Filippus in die tijd regeerde. Deze had overigens aan de voet van de Hermon en nabij de bron van de Jordaan een nieuwe residentie gesticht, die hij naar de keizer en naarzichzelf Caesarea-Filippi genoemd had. Maar het is een andere zaak, dat Marcus deze genezing op deze plaats vertelt. Het is een voorbeeld dat Jezus blinden ziende kan maken. Voor de wijze, waarop dit wonder beschreven wordt, verwijzen wij naar de toelichting bij 7:31-37. Maar dat Hij bij machte is, blinden het gezicht te geven, heeft juist hier een geheel eigen boodschap. Wanneer zeer opzettelijk over zo veel onbegrip, verharding en blindheid bij tegenstanders, familieleden, stadgenoten en discipelen is verteld (zie 2.T – 3:6; 6:1-6; 7:1-23 en 8:1121), en wanneer toch zijn werk doorgang zal vinden, dan is het geheel op zijn plaats en getuigt het ook van een zorgvuldige en doordachte wijze van redigeren, dat Marcus in de laatste verzen van dit eerste deel van het evangelie juist dit wonder vertelt. In vs 18 vraagt Jezus zijn discipelen: Hebt gij ogen en ziet gij niet? Hier wordt duidelijk, dat de zaak daarmee nog niet verloren is, want Hij doet grote wonderen. En omdat de wonderen de wereld niet uit zijn, gaat zijn werk door.
Tweede hoofddeel: Jezus’ luden, kruisdood en opstanding
Het lijden tegemoet 8:27-10:52
Een eerste collectie berichten 8:27-9:29.
De eerste aankondiging van zijn lijden en de oproep tot zelfverloochening 8:27-9:1
Wie een evangelie leest als een doorlopend bericht over gebeurtenissen, die zich achter elkaar hebben afgespeeld, zal op deze plaats alleen maar constateren dat de reis van Jezus verder gaat. In het voorafgaande had Hij reeds enkele keren buitenlands gebied betreden; nu gaat Hij met zijn discipelen van Bethsaïda naar Caesarea-Filippi, van de oude naar de nieuwe hoofdstad van het gebied, waarover Filippus, de zoon van Herodes de Grote regeerde. Politiek gezien was het niet eens een reis naar het buitenland, hoewel deze plaats aan de voet van de Hermon eerder heidens dan joods was. In de grot, waar één van de bronnen van de Jordaan ontspringt, was een oud Baäls-heiligdom geweest, dat later aan de griekse god Pan was gewijd. Afgezien daarvan ademde de residentiestad van Filippus in menig opzicht een heidense, griekse geest. Het is dus begrijpelijk, dat Jezus met zijn discipelen volgens het bericht van Marcus naar de dorpen bij Caesarea-Filippi ging, niet echter in dat heidense oord zelf vertoefde.
Toch is het niet zomaar de voortzetting van een verhaal, want een evangelie is nog iets anders dan een reisbeschrijving. Hier in dit gedeelte wordt voor het eerst door Jezus openlijk en indringend over zijn komend lijden gesproken. Daarmee wordt een thema genoemd, dat voor de nu volgende hoofdstukken alles bepalend zal blijken te zijn. De dagen bij Caesarea-Filippi blijken een keerpunt te zijn. Vanaf dit moment en deze plaats gaat Jezus overduidelijk en nadrukkelijk het lijden tegemoet.
Bij vroegere gelegenheden was Jezus in zijn prediking en daden wel als Messias, als Christus opgetreden; en blijkens allerlei reacties gingen de gedachten van de aanwezigen soms ook wel wat in die richting. Maar Jezus had altijd vermeden, in duidelijke termen over Zichzelf te spreken. Het is dan ook een teken van een nieuwe situatie, wanneer Hij nu de discipelen vraagt: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? Deze vraag blijkt nauw samen te hangen met het voornemen van Jezus, de discipelen voor te bereiden op het lijden, dat Hij binnenkort zal moeten ondergaan. Zij mogen daardoor niet overrompeld worden. Alles, wat nu volgt, is een soort innerlijke voorbereiding van zijn discipelen op dit lijden van Hem.
Uit het antwoord dat zij geven, blijkt heel duidelijk, dat de gedachten van de mensen, die het optreden van Jezus hadden meegemaakt, steeds in één bepaalde richting gingen, nl. in die van de eschatologische heilsopenbaring van God. In de tijd van het Oude Testament had God aan Israel een hoopvolle toekomstverwachting gegeven. Over het hoe kon men twisten; het was in wet, profeten en psalmen op verschillende wijze en door middel van een aantal beelden tot uitdrukking gebracht; ook diverse namen uit het O.T. speelden een rol, zo bv. Mozes, David, Elia en andere. In het antwoord van de discipelen komt iets daarvan naar voren: de weer opgewekteJohannes de Doper, Elia of één der profeten. Hetzelfde antwoord vinden we overigens ook reeds in 6:14v. Indien de Doper, die het eindoordeel en de komst van de Messias aangekondigd had, weer door God opgewekt was, dan zou de jongste dag zeer nabij zijn. Hetzelfde geldt voor Elia, die volgens Mal. 4:5 zou terugkeren” ‘voordat de grote en geduchte dag des Heren komt’. Eén vers eerder was sprake geweest van Mozes; en iedereen, die de Schrift kende, wist ook van de voorzegging in Deut. 18: 15, dat God een profeet als Mozes zou verwekken, vgl. ook Joh. 1:21. Precies wist niemand het; wat de details betreft waren de verwachtingen ook niet zo eenduidig. Wanneer de tijd van de vervulling zou komen, dan zou die vervulling zeker verrassingen met zich meebrengen. In alle voorstellingen ging het om openheid voor de toekomst, waarin God op zijn wijze de vervulling zou brengen en het heil zou realiseren. Meer dan die openheid kon ook nauwelijks verwacht worden.
Wanneer Jezus naar hun antwoord vraagt, zegt Petrus in naam van hen allen: Gij zijt de Christus, de Messias, de Gezalfde, de door God Toegeruste. Petrus noemt daarmee een verwachting, die in het O.T. gewekt was en die in de loop der eeuwen in toenemende mate centraal was komen te staan in Israels toekomstverwachting. De profetie van 2 Sam. 7:14, de messiaanse koningspsalm 2 en de belofte van Jes. 9 en 11 waren de basis geweest voor de verwachting van de gezalfde koning van de eindtijd, die als een tweede David het Koninkrijk van God in Israel tot luisterrijke voleinding zou brengen. De discipelen hebben uit het optreden van Jezus deze conclusie getrokken: Hij is deze beloofde Messias. Overigens was er in die tijd een zeer gespannen messiaanse verwachting in Israel. Hoe groter de nood en hoe ondraaglijker de lasten van de onderdrukking waren, des te meer klampte men zich vast aan de belofte van de grote koning. Dat zou immers het einde zijn van de nood en ook van de romeinse overheersing. Steeds weer hadden opstandige Joden, die de strijd tegen de bezetters aanbonden, uit deze verwachting hun kracht geput. De gedachten van de discipelenzullen na al dat onderwijs van Jezus zeker niet gelijk geweest zijn aan die van de opstandige Zeloten; maar uit alles, wat de evangeliën ons van hen vertellen, blijkt toch wel dat ook zij door dit verwachtingspatroon beïnvloed waren. Als de Messias kwam, zou Hij alleen maar zijn koninklijke macht, die God Hem zou geven, hoeven te ontplooien. Dan zou het eeuwige rijk van gerechtigheid en vrede er zijn.
Dit is het punt, waar Jezus een beslissende correctie moet aanbrengen. Hij spreekt over de noodzaak van zijn lijden: dat Hij moest lijden, niet omdat omstandigheden of aardse machthebbers Hem daartoe zouden dwingen, maar omdat Hem het lijden was opgelegd door God, zijn Vader. Tot de verwachting, die God in het O.T. had gegeven, behoorde immers ook de bevrijding van eigen zonde en schuld; op alle mogelijke wijzen was gesproken over verzoening en vergeving; en in de profetie van Jes. 53 was gesproken over de Knecht des Heren: ‘Hij werd om onze overtredingen doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op hem. — De Here heeft de ongerechtigheid van ons allen op hem doen neerkomen.’ Dat was een vergeten gezichtspunt in de verwachting, die God voor zondige mensen gewekt had. Het zou een ramp zijn, indien de discipelen er niet enigszins op voorbereid zouden zijn, wanneer dat zou gebeuren. Het voor hen allen onbegrijpelijke moest nu onder woorden gebracht worden: dat de koning der ere verworpen en vermoord zou worden, en dat Hij toch de koning der ere bleef, of meer dan dat: dat Hij zich juist op die weg als de grote koning en Zoon Davids zou openbaren.
Zo moet de reactie van Jezus verstaan worden. In de eerste plaats verbiedt Hij hun nadrukkelijk, Hem als Christus te verkondigen. Waarom? Omdat een verkondiging van de Messias zolang misleidend moet zijn totdat duidelijk is, dat de machtige Gezalfde en de lijdende Knecht één en dezelfde zijn. Alleen de lijdende Christus, de Verlosser als Verzoener, kan de verkondiging tot een evangelie, een blijde boodschap maken. Anders wordt het alleen maar een variant op die vele geruchten met een messiaanse kleur, zoals zij in die tijd de ronde deden.
De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden. Omdat de term ‘Messias’ reeds op een bepaalde en misleidende wijze gevuld was, gebruikt Jezus de beeldspraak uit Dan. 7:13v, waar in een visioen iemand als een mensenzoon voor God verschijnt, en waar aan deze heerschappij, eer en koninklijke macht gegeven wordt, zodat alle volken voor hem buigen en hem dienen. Daarin ligt nu het raadsel, dat zich voor hun ogen zal voltrekken: dat deze Zoon des mensen, deze hemelse Gevolmachtigde zal lijden en verworpen worden.
‘Petrus… begon Hem te bestraffen.‘ Daarvan blijken de discipelen niets te begrijpen; en zij willen het eigenlijk ook niet. Petrus had Jezus waarschijnlijk nog nooit eerder bestraft. Dat paste niet. Maar nu bestraft hij Jezus. Dit wordt te gek! Jezus reageert even beslist, en Hij bezigt de zwaarste woorden: Ga achter Mij, Satan.’ Dat is geen scheldwoord en geen vloek. Satan betekent tegenstander, en hier zo woordelijk mogelijk: Petrus stond Jezus in de weg; en daarmee stond hij tegen wil en dank aan de kant van de duivel, die in de Bijbel ook Satan genoemd wordt, omdat hij de tegenstander van God bij uitnemendheid is.
Daarom ook het bevel: Achter Mij! Een discipel mag Jezus niet in de weg staan, zijn werk te volbrengen; alleen achter Hem aan, in zijn navolging, in de bereidheid de weg van Jezus te aanvaarden, kan hij een discipel zijn. Al het andere is volgens Jezus’ woorden: bedacht zijn op de dingen der mensen.
Indien iemand Mij wil volgen… Ook met het oog op hun eigen toekomst is het voor de discipelen belangrijk, oog te hebben voor deze weg van Jezus. Als zij de lijdende Messias volgen, zullen zij er ook niet voor terug mogen schrikken, indien zij mede moeten lijden. Zij zullen niet dezelfde weg moeten gaan als Jezus; zijn plaatsbekleding heeft iets unieks; daar heeft ook navolging een grens. Maar de bereidheid tot het offer vanuit de gezindheid der liefde zal ook hun leven moeten bepalen. Zichzelf verloochenen staat tegenover zichzelf handhaven, eigen eer of gemak zoeken. Omdat de kruisiging als romeinse doodstraf schrikbarend bekend was in die tijd, kan ook de overdrachtelijke betekenis van kruisdragen als toentertijd bekend verondersteld worden. Er lopen twee werkelijkheden door elkaar; de eerste is: het leven vinden bij en door Christus; de tweede is die van het vasthouden aan het door eigen maatstaven en idealen bepaalde leven. Wie het leven gevonden heeft door Christus en in het Koninkrijk van God, kan het zich permitteren, navolging belangrijker te achten dan het krampachtig vasthouden aan en zoeken van aardse zekerheden. Een verliezer is ten slotte hij, die steeds bezig is, het eigen leven veilig te stellen. Hij zal schade lijden aan zijn ziel, dwz. aan zijn bestaan, aan zijn leven. Afgezien van de geschonken hoop bestaat er geen hoop; er is ook niets, wat men zou kunnen aanbieden voor dat, wat men dan toch wel gaarne zou willen hebben: het eeuwige en ware leven in het rijk van de Messias. Wanneer de Zoon des mensen zich voor iemand zal schamen, dwz. niets met hem van doen wil hebben, dan is alles hopeloos.
In 9:1 hebben wij één van de uitspraken van Jezus, die alleen maar met een korte termijn rekenen voor de voleinding van het Koninkrijk van God. Dat is niet onmogelijk, want het behoorde ook tot de nederigheid van Jezus als Zoon van God, dat Hij afstand had gedaan van die goddeUjke kennis, die alleen maar past bij de staat van zijn heerlijkheid (vgl. 13:32). Het is echter evenzeer mogelijk dat hier gedacht wordt aan die toekomstige tijd, die aangeduid kan worden door Pasen en Pinksteren, de tijd van de verhoging van Jezus en van het werk van de Geest. Met het komen van Jezus in de wereld is het Koninkrijk van God reeds doorgebroken en tegenwoordig, zij het ook in alle voorlopigheid. Na Pasen en Pinksteren kan inderdaad gesproken worden van een komen van Gods Koninkrijk met kracht. We laten in het midden, wat Jezus met deze uitspraak heeft bedoeld.
De verhoging op de berg 9:2-13
Dit gedeelte is door de tijdsbepaling na zes dagen nauw met het vorige verbonden. Op een hoge berg. Vanwege de notitie in 9:30 moet verondersteld worden dat hier een gebeurtenis bedoeld wordt, die plaats gehad heeft in het bergachtig gebied van Opper-Galilea. Verder is het zinloos te vragen, waar deze verheerlijking plaats gevonden heeft. In de evangeliën wordt herhaaldelijk over de berg gesproken, als plaats van het gebed, van het onderwijs, van de verzoeking en aan het einde ook van de hemelvaart. Reeds vanaf de tijden van het O.T. gold een berg vaak als plaats van hemelse openbaring; men denke alleen maar aan de berg Sinaï en de Sion. En hun verscheen Elia met Mozes. Kenmerkend voor dit verhaal is dat twee figuren uit het O.T. aan Jezus verschijnen, die een belangrijke rol in de geschiedenis van Israel gespeeld hebben, representanten van wet en profeten, daarenboven zijn zij volgens het O.T. op een geheimzinnige wijze door God opgenomen. Tenslotte worden beiden ook in het laatste hoofdstuk van het O.T. in Mal. 4 genoemd ivm. het komend heil en gericht Gods.
Waarover Elia en Mozes met Jezus spraken, wordt niet gezegd; Lucas voegt er aan toe: over zijn uitgang, dus zijn lijden en sterven, in Jeruzalem. Wel is ook bij Marcus één ding duidelijk: het gaat niet om een voorlopig ontvluchten aan deze wereld en haar vijandschap. Dat dachten de discipelen; daarom wilden zij ook drie tenten bouwen. Zij waren ook nu niet bedacht op de dingen en het programma van God. Eerder dan hun lief is, gaat Jezus weer met hen de berg af. En als zij dan nog wat ontredderd vragen naar Elia en zo, stelt Jezus de tegenvraag: maar hoe staat er dan geschreven van de Zoon des mensen, dat Hij veel moet lijden en dat Hij veracht zal worden?
De hemelse verschijning en al die heerlijkheid waren weldra voorbij geweest. Maar wat door de hemelstem gezegd was, bleef hen bij: Deze is mijn geliefde Zoon, hoort naar Hem. En dat betekent in dit stadium zeer nadrukkelijk: Hoort naar de aankondiging van zijn lijden en verzet u daartegen niet! Bij de doop was Jezus de geliefde Zoon genoemd, toen Hij gereed stond, zijn werk te beginnen; nu wordt het herhaald op het tijdstip dat Hij gereed staat, het lijden tegemoet te gaan. En omdat het de discipelen zijn, die hier nog belangrijke bijlessen moeten hebben, wordt het in de derde persoon gezegd.
Voor de laatste keer maant Jezus de drie discipelen, die bij deze verheerlijking aanwezig geweest zijn, hierover te zwijgen. Tegelijk wordt naar zijn opstanding uit de doden verwezen; daarna zouden al die zwijggeboden niet meer geldig en ook niet meer zinvol zijn. Wanneer Hij, de gekruisigde Messias, opgestaan zou zijn, dan zou men over Hem, de verzoener der wereld, alles mogen vertellen, wat ze van Hem wisten.
Ondertussen blijven de discipelen nog met vele vragen zitten. De profetie van Mal. 4 over de wederkomende Elia verbindt Jezus ook hier weer (vgl. ook Mat. 11:1115) met het optreden van Johannes de Doper, de voorloper van de vervulling. En dat zij met Jezus’ woorden over de opstanding geen raad weten, is begrijpelijk. Opstanding op de jongste dag was voor hun geloof niet vreemd; maar de gedachte aan de opstanding van Jezus en tegelijk het perspectief van een verdergaande geschiedenis, dat zouden zij eerst moeten beleven, voordat zij in staat waren, dat in hun geloven en denken te verwerken.
De genezing van een epileptische jongen, 9:14-29.
Dit wonder schijnt van meet af aan samen met het verhaal over de verheerlijking te zijn verteld. We kunnen twee motieven van elkaar onderscheiden. In de eerste plaats wordt verteld, hoe Jezus na het afdalen van de berg een jongen geneest, die reeds vanaf zijn prille kindheid aan epilepsie lijdt. De verschijningsvorm van de ziekte wordt uitvoerig verteld. En zoals alles, wat het leven van de mens bedreigt, met de macht der duisternis in verband wordt gebracht, zelfs een storm op het meer, zo zegt de vader met grote vanzelfsprekendheid van zijn zoon, die niet spreken kan, dat hij een stomme geest heeft. Een dergelijk spreken mogen wij zo niet overnemen.
De grootheid van Jezus komt daarin uit dat Hij volbrengt waartoe ook zijn discipelen niet in staat geweest zijn en dat zijn machtswoord de jongen van zijn verschrikkelijke kwaal bevrijdt.
Daar komt nu echter een tweede motief bij, nl. dat van het geloof. Aan het begin deelt Marcus ons het verwijt van Jezus mee: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Deze vraag heeft ergens met het nabije einde van Jezus te maken, ziet echter ook op de tijd, dat dit steeds weer gesignaleerde ongeloof van diverse groepen veranderd zou worden in geloof, nl. in de tijd na Pasen. Daarna antwoordt Jezus op de woorden van de vader Als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons met de stelregel: Alles is mogelijk voor wie gelooft. Wil Jezus zeggen: dus is het Mij mogelijk? Of wordt de aandacht al weer op hen gericht, op de vader, op de discipelen … en op de lezers van dit evangelie? Ik denk dat dit laatste bij Marcus groot gewicht krijgt. Daarvan getuigen ook de volgende woorden van de vader: Ik geloof, Here, kom mijn ongeloof te hulp. Rechtlijnig denken weet met deze zin geen raad. Het is of het één of het ander; je bent öf gelovig öf ongelovig. Maar is deze uitspraak niet een parel van oprechtheid? En is er iemand in de wereld, die meer last heeft van ongeloof dan de gelovige? En dan aan het eind: wanneer de discipelen in een huis, dus in besloten kring met Jezus over dat alles praten, zegt Jezus: Dit geslacht (dwz. deze ziekte, deze machten) kan niet uitvaren dan alleen door gebed. Daar blijkt dan, dat niet meer beslissend is wat wij kunnen, maar wat Hij kan, van wie wij alles mogen verwachten.
Een tweede collectie berichten 9:30-10:31
De tweede aankondiging van zijn lijden en de oproep tot nederigheid en vastberadenheid 9:30-50
Terwijl Jezus vanuit het gebergte van Noord-Galilea zuidwaarts trekt door Galilea, met een kort oponthoud in Kapernaüm, herhaalt Hij de aankondiging van zijn lijden. We verwijzen hier naar de toelichting bij 8:31. Deuitspraak is uiterst beknopt en zou wel eens een woordelijke weergave van Jezus’ eigen uitspraken hierover kunnen zijn. De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der mensen. Het is een raadselspreuk, die alle kenmerken heeft van de puntige en vergelijkende spreekwijze van Jezus. Alleen een goed verstaander zou het begrijpen. Het is net als in 4:11, waar Jezus tot zijn discipelen zegt: ‘U is gegeven het geheim van het Koninkrijk.’ Hier zou men kunnen zeggen: alleen wie het geheim van Jes. 53 en de noodzaak van de verzoening kent, zal deze aankondiging kunnen begrijpen.
Een lijdensaankondiging is echter nooit bepaald door een ondergangsstemming; zij is iedere keer weer (vgl. 8: 31; 9:9,12; 10:33v) aankondiging van zijn opstanding. Verzoening geeft hoop, levende hoop, en die is vlg. 1 Petr. 1:3 altijd bepaald door de opstanding van Christus. Evenals in 8:32v en 9:10v ontgaat hun echter voorlopig nog de betekenis van dit alles.
Zij hadden in hun argeloosheid en ijdelheid dan ook niets beters te doen dan met elkaar te discussiëren over de vraag, wie van hen de grootste, de belangrijkste was. Waren Petrus, Johannes en Jakobus er trots op dat zij met Jezus op de berg hadden mogen vertoeven en het hemelse schouwspel hadden mogen meemaken? Gingen zij soms wat irritant om met het geheim, waarover zij nog niet mochten spreken? Hoe dan ook, Jezus merkt het wel. En Hij roept hen op om bescheiden te zijn en gering van zichzelf te denken. In hst. 10 komen we een gedeelte tegen, waar Jezus een kind neemt en dan de discipelen oproept om te worden als een kind. Die gedachte is hier weliswaar niet geheel afwezig, maar de strekking is toch ietwat anders: wie zulk een kind ontvangt in mijn naam, die ontvangt Mij. Maar, goed met kinderen omgaan veronderstelt ook een kinderlijke gezindheid. Kinderen hebben in dat opzicht de volwassenen net zo goed door als Jezus zijn discipelen door had.
De oproep tot nederigheid en bescheidenheid bepaalt ook de verzen 38-40, waar de discipelen Jezus op iemand wijzen, die in Jezus’ naam boze geesten uitdrijft, maar toch geen discipel is zoals zij dat zijn. Waren ze soms jaloers? Zij hadden het immers niet gekund (9:18). Vonden zij het onverdraaglijk dat anderen meer konden dan zij? Dat oude, onuitroeibare prestatie- en concurrentieden-ken! In ieder geval hadden zij nog zo weinig geleerd, dat zij in de waan leefden, dat alle gelovigen zouden moeten zijn als zij; anders deugt er niets van. Liever een bezetene meer dan dat dit principe schipbreuk lijdt. Zo actueel is de Bijbel tot vandaag toe! Zij moesten leren leven met de veel belangrijkere vraag, of iemand smadelijk (dan wel lovend) over Jezus spreekt. Er zijn geen waterdichte regels te bedenken. Wij mensen zijn slim genoeg, op een gegeven ogenblik toch weer een uitweg te vinden. Toch is er een goede regel uit Jezus’ woorden af te leiden. Wanneer het over jezelf gaat, dan geldt: Wie niet voor Mij is, die is tegen Mij (Mat. 12:30; Luc. 11:23). Wanneer het echter om de ander gaat, begin dan maar met de regel: Wie niet tegen Mij is, die is voor Mij (Mar. 9:40; Luc. 9: 50). En als deze regels niet voldoende zijn, zoek dan verder, maar vergeet nooit de nederigheid, en denk er aan dat wij gelukkig geen wereldrechters zijn.
Ook de daarop volgende verzen worden beheerst door het vermaan van Jezus, ootmoedig en tegelijk in de navolging vastberaden te zijn. Vastberaden in het dienen van hen, die al blij zijn met een beker water, vastberaden in het streven, niemand tot zonde te verleiden, vastberaden ook in de strijd tegen de eigen zonde. Men moet daarbij de wijze, waarop Jezus in de taal van zijn tijd en omgeving sprak, en zijn voorliefde voor spreekwoordelijke en toegespitste woorden kennen, om deze uitspraak op juiste wijze te kunnen taxeren. Indien uw hand u tot zonde verleidt… Hier wordt noch tot wreedheid noch tot zelfverminking aangespoord, maar tot een consequente levenshouding, de zinnen te richten op de heerschappij van God en goed te weten dat er nog veel te doen is voor iemand, die in oprechtheid op de weg van Jezus wil blijven. De verzen 49 en 50 zijn voor ons niet geheel doorzichtig. Dat hangt met oude gezegden samen, die hier meespelen, misschien ook met de vertaling uit het Aramees in het Grieks. Bij vertalingen gaan nl. vaak belangrijke nuances verloren. In elk geval worden vuur en zout hier vanwege hun positieve functie genoemd; zij werken bewarend, reinigend en ook ontdekkend. In het O.T. werden offers met zout gezouten. Dat zout niet zoutloos of smakeloos mag worden, staat ook op andere plaatsen (Mat. 5:13; Luc. 14:34v). Daarom moeten discipelen zout in zich hebben; zout kan bijten, maar dat moet ook, want alleen zo kan het zuiveren. Hoe meer wij streven naar een ootmoedig en vastberaden leven in het geloof, hoe lichter het zal zijn, onder elkaar de vrede te bewaren en zo nodig te herstellen.
Gesprekken onderweg 10:1-31
In dit gedeelte neemt de evangelist een aantal gesprekken op over vragen, die ook voor hem en zijn gemeente actueel waren. Ten dele hebben zij het karakter van twistgesprekken. Dit geldt vooral van het eerste (vss 2-12), dat over de echtscheiding handelt. Dat zij Jezus met deze vraag op de proef wilden stellen, staat er uitdrukkelijk bij. Maar het was ook onder de Joden van die tijd een voortdurend twistpunt. Op hun vraag, of echtscheiding al dan niet geoorloofd is, antwoordt Jezus door te vragen, wat hierover in de wet van Mozes staat. Daarbij kan men denken aan het zevende gebod, waar God echtbreuk en daarom ook de echtscheiding, die daar het gevolg van is, strikt afwijst. Zij echter denken aan de bepaling van Deut. 24, waar staat dat een man aan zijn vrouw een scheidbrief moet geven, wanneer hij zich van haar wil scheiden en haar tot haar familie terugzendt. Hij mag dat doen, wanneer hij iets lelijks of schandelijks aan haar gevonden heeft. De strenge richting onder de Joden (de school van Shammai) legde dit uiterst beperkend uit: alleen wanneer zij zich zedelijk misdragen had. De meer rekkelijke en populaire school van Hillel echter legde de nadruk op ‘iets’. Iets schandelijks kon ook daarin bestaan, dat zij het eigen huis verwaarloosde of het eten liet aanbranden. De vraag stelt Jezus voor de keuze: Shammai of Hillel, precies of rekkelijk, streng of toegeeflijk. Maar Jezus doet geen keuze. Hij geeft aan Deut. 24 zijn historische plaats en betrekkelijke waarde: met het oog op de hardheid van hun harten. De scheidbrief was nietbedoeld als vrijbrief, maar diende als bescherming voor de weggestuurde vrouw. En inderdaad zijn er scheidbrie-ven uit die tijd gevonden, waarin de dingen voorbeeldig en keurig geregeld werden. Zij kreeg alles weer mee, wat zij in het huwelijk ingebracht had; zelfs de waardevermindering werd gecompenseerd; met de scheidbrief in de hand had zij – zo kunnen wij het lezen – de vrijheid, ‘elke joodse man te huwen’. Aan het einde van zulk een document belooft de man zelfs, aan haar een nieuw exemplaar te geven, wanneer zij daarom zou vragen (bv. wegens verlies, roof of brand), ‘mits ik dan nog in leven ben’. Juridisch was alles goed geregeld, en de scheidbrief was ondertekend door de man zelf en door twee of drie getuigen. Alleen: het kwaad van de echtscheiding werd daarmee niet bestreden.
Tegenover deze praktijk stelt Jezus, wat van den beginne gold. God wil de echtscheiding niet, en Hij wil al datgene niet, wat uiteindelijk tot de echtscheiding leidt. God wil de overgave van de liefde, die Hij de mens ingegeven heeft. Hij wil dat die liefde gekoesterd en voor bederf bewaard wordt. Daarvoor citeert Jezus Gen. 1:27 en 2:24. Hij geeft geen formalistisch, nog minder een hard antwoord. Hij ontkent zeker niet dat er een situatie kan zijn ingetreden, waarin er niets anders overblijft dan een echtscheiding. Daarmee houdt Matteüs rekening, wanneer hij eraan toevoegt: ‘om een andere reden dan hoererij’. Daarin heeft Shammai zeker gelijk gehad. En er zijn evengoed andere situaties te bedenken, waarin mensen het huwelijk tot een kwelling of een hel kunnen maken. Jezus heeft er geen behoefte aan, zulke gevallen te noemen, nog minder ze casuïstisch af te bakenen. Hij wil die situatie niet, waarin er geen andere uitweg dan die van echtscheiding is. God verwacht dat wij mensen liefde als een voortdurende uitdaging beschouwen, met steeds nieuwe mogelijkheden. De wil tot vergeving en in dat verband ook de kritische zelfkennis openen deuren naar een nieuwe gemeenschappelijke toekomst, mits men daarmee niet te laat is. God wil dat wij juist daarin Hem eren en tonen, dat de gave en het gebod van de liefde meer zijn dan wat zelfzuchtige en genotzuchtige mensen onder liefde believen te verstaan.
Wanneer gezegd wordt dat huwelijkspartners één vlees worden, wordt met het woord ‘vlees’ de totale geschapen werkelijkheid van de mens bedoeld. Hun eenheid is zo diep en zo existentieel dat het verbreken er van het verscheuren is van iets, wat naar zijn wezen niet te scheiden is. De zonde bestaat in het verwaarlozen van deze mogelijkheid en bestemming. Men neemt met minder dan deze eenheid genoegen. Men moet eerst weer begrip krijgen voor de woorden wat God samengevoegd heeft, voordat men de regel van Jezus kan waarderen: dat scheide de mens niet. Wanneer men niet meer met overtuiging of met een goed geweten zeggen kan: ‘God heeft ons samengevoegd’, maakt dat het probleem alleen maar duidelijker: Een ethische krisis is in wezen een geloofskrisis.
ln de laatste twee verzen waarschuwt Jezus nog eens, dat men niet moet denken, met een schone lei opnieuw te kunnen beginnen, wanneer men zo onserieus de weg van de scheiding opgaat. Overigens past vs 12 de vraag ijl een grieks-romeinse omgeving toe, waar er ook voor de vrouw de mogelijkheid bestond, zelf het initiatief te nemen en die stap te doen, hetgeen in de joodse omgeving nog niet mogelijk was.
De verzen 13-16 vertellen dat mensen kinderen tot Jezus brengen, om hen te zegenen. De handeling heeft op zich zelf niets uitzonderlijks; maar dat Jezus hen niet alleen zegent, maar ook zonder enige voorwaarde het koninkrijk Gods in het vooruitzicht stelt, maakt dit tafereel tot een parel in het evangelie. Niet dat zij nog onschuldig, niet hebzuchtig, eerlijk of iets dergelijks zijn, is de hierachter liggende gedachte, maar veeleer dat zij nog generlei gelegenheid of neiging hebben, door wetsvervulling geschikt te worden voor Gods Koninkrijk. Kinderen telden nog niet mee; men kon ze ongestraft kleineren of gewoon wegjagen. Laat de kinderen tot Mij komen… Het is een omkering van alle waarden, wanneer Jezus aan kinderen de voorrang geeft. Niet de volwassenen zijn nu de voorbeelden voor de kinderen, maar omgekeerd. Zij kunnen nog hun handen ophouden, iets vragen en iets verwachten zonder van eigen verdiensten uit te gaan en zonder zich daarvoor te schamen dat zij gewoon vragen en liefde verwachten. Dat maakt hen in de ogen van Jezus zo beminnelijk. Wanneer iemand Hem wil beletten, naar deze maatstaf groot en klein (klein en groot!) te zegenen, is dat een kwalijke zaak, die Jezus hem zeer kwalijk neemt, vooral wanneer het zijn eigen discipelen zijn.
Goede Meester, wat moet ik doen? De vraag, die in het gedeelte van vss 17-27 gesteld wordt, is typerend voor iemand, die als een vrome Jood zijn godsdienst serieus neemt. Alle vragen cirkelen rondom de tora en haar vervulling. De wet gold als de weg ten leven. Wie vraagt, wat hij moet doen om het eeuwige leven te beërven, vraagt daarmee naar de tora; hij wil ‘tora leren’. Temidden van de onoverzichtelijke veelheid van bepalingen, die met elkaar de traditie uitmaakten, kwam steeds weer de vraag op, waar het op aankomt, waar de accenten moeten liggen, vanuit welk perspectief men het geheel moet bezien. Het antwoord van Jezus valt op door zijn eenvoud. Hij noemt enkele van de ‘tien woorden’. Daar zag men meestal de problemen niet liggen; dat wist men wel en dat deed men wel resp. niet. Maar Jezus vestigt de aandacht altijd weer op datgene, wat centraal staat en dient te staan. En in een tweede stap zal Hij in een nog grotere concentratie alle geboden van God samenvatten in het gebod van de liefde; dan blijft er maar één woord over.
Dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af. De jonge schriftgeleerde, die Jezus nadert, wil zich niet lang bij deze tien geboden ophouden; zij zijn voor hem te simpel; die is hij in wezen reeds gepasseerd. Zijn problemen liggen in de meer ingewikkelde vragen. De bemoeienis van Jezus met hem heeft ten doel, bij hem het besef te wekken, dat niemand mag zeggen, met deze geboden al lang klaar te zijn. Maar daarvoor moet ophieuw duidelijk worden dat elk van deze geboden gestalte wil geven aan de door God geboden liefde, en dat ook de vrome wegens gebrek aan liefde in gebreke blijft de geboden te vervullen en dus generlei reden heeft, zo groot en roemvol over zichzelf te spreken. De opdracht, alles te verkopen en het aan de armen te geven, komt overeen met Jezus’ voortdurende zorg voor allen, die in de maatschappij te kort komen, en ook met zijn waarschuwing voor het gevaar van de rijkdom. Maar deze opdracht heeft hier de functie, exemplarisch te laten zien, waartoe de liefde kan leiden en welke offers de liefde plotseling van iemand kan vragen. Jezus had precies de zere plek ontdekt, want deze jonge man had vele goederen, en hij ging bedroefd weg, toen hij besefte dat die niet meer veilig waren. In vs 18 staat een eerste reactie van Jezus, die moeilijk uit te leggen is. Op de aanspraak ‘goede meester’ antwoordt Jezus dat God alleen goed is. En deze goedheid van God blijkt dan uit zijn goede geboden, ook uit de uitleg ervan, zoals Jezus die hier geeft. De rijke jongeling is dus bedroefd over de goede geboden van God.
Aansluitend aan dit gesprek neemt Marcus enkele uitspraken van Jezus op, die eveneens over de vraag van rijkdom en vroomheid handelen. Daarvoor gebruikt hij de vorm van een onderwijzing van de discipelen in besloten kring. De moeilijkheid voor geldbezitters, in te gaan in het Koninkrijk van God, hangt daarmee samen dat geld een eigen dynamiek heeft en de neiging bezit, zich over de mens meester te maken en als Mammon een god voor hem te zijn. Door geld te gebruiken is de mensheid in staat, de waarde van verricht werk of van verkochte goederen door jaren heen te conserveren. De gehele oogst van één jaar of de waarde van een grote kudde vee in één geldbuidel! De mens die daartegen kan, moet sterk zijn. Deze geniale uitvinding, waar het leven reeds toen – laat staan vandaag – niet zonder kon, wordt de grootste verzoeking van de mens. De bepalingen van de wet zoals het geven van tienden en het teruggeven van bepaald bezit in het jubeljaar waren pogingen, om de uitwassen van kapitaalvorming tegen te gaan. In het verlengde daarvan beschermen ook vandaag tal van wetten de mens tegen de macht van zijn eigen geld. En toch zal dit alles niet baten, wanneer niet het gebod van de liefde door iedereen in zijn eigen leven vertaald wordt in zeer concrete opdrachten van God. Gods gebod wijst op de één of andere wijze ook steeds in de richting van wat wij ons bezit noemen.
De kameel en het oog van de naald. Het spreekwoord van vs 25 moet in zijn volle zwaarte blijven staan. Niet het verbreden van het oog van de naald geeft baat, maar alleen de bekering van de rijke. De discipelen weten met deze woorden geen raad. Dan is behouden worden onmogelijk. In hoeverre is het dan, na alles wat Jezus hier gezegd heeft, bij God toch niet onmogelijk? Omdat Hij ook rijke mensen kan veranderen, en omdat het Hem gaat om deze verandering, om het doorwerken van de liefde en niet om een hoge drempel voor kleingelovige en gebrekkig liefhebbende mensen. Ook deze woorden blijven een plaats houden in het evangelie van vergeving en verzoening; van verzoening, die niet met verandering identiek is, maar die wel verandering met zich meebrengt.
Zie, wij hebben alles prijsgegeven… De verzen 28-31, waarmee dit gedeelte afgesloten wordt, vormen oorspronkelijk geen eenheid met het voorafgaande. Niet de benauwende gedachte dat niemand bekeerd kan worden vormt hier het uitgangspunt, maar de oprechte opmerking van Petrus namens de discipelen, dat zij alles prijsgegeven hebben en Jezus gevolgd zijn. In welk verband Petrus dat een keer gezegd heeft, is op deze plaats niet meer van belang. Het gaat nu om de erop volgende woorden van Jezus, een belofte, zoals wij die in het evangelie maar hoogst zelden horen. Jezus belooft nl. dat zij dat alles honderdvoudig terug zullen ontvangen. We kennen inderdaad uitspraken van Jezus, die daar veel op lijken, bv. Mat. 5:3-12 en Luc. 6:20-23. Mn. in de laatste van de daar opgenomen zaligsprekingen zegt Jezus: ‘zie, uw loon is groot in de hemel.’ Ook hier wordt weliswaar over het terug ontvangen in de vorm van het eeuwige leven gesproken. Maar het opmerkelijke is nu juist, dat daaraan voorafgaat: ‘nu in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen.’ Wie hier gedwongen wordt, veel of alles prijs te geven voor Christus, ontvangt reeds hier en zelfs temidden van vervolgingen alles terug. Daarmee zal bedoeld zijn de troostrijke solidariteit van de gemeente. Vervolging was doorgaans iets incidenteels. Maar wie dan alles kwijt raakte, mocht weten dat hij in de gemeente, in de gemeenschap van het geloof en van de liefde veel vergoed kreeg. Zolang de vervolging niet op duivelse wijze geperfectioneerd wordt en iemand in grootste eenzaamheid laat lijden, kan hij echt blij zijn om alle goede zorg en daadwerkelijke liefde in de gemeente. Woorden van Jezus, die dit uitspreken, zullen wel met bijzondere zorg overgeleverd en gekoesterd zijn, toen men individueel of samen vervolgingen onderging. En het is niet onmogelijk dat de vorm, waarin deze woorden uiteindelijk hier in het evangelie een plaats gekregen hebben, iets daarvan verraadt. De enige troost in het leven gaat ook hier vooraf aan de enige troost in het sterven.
Een derde collectie berichten 10:32-52
Derde lijdensaankondiging en oproep tot dienen 10:32-45
De evangelist laat hier voor de derde keer een aankondiging van Jezus aangaande zijn lijden volgen. Wij zouden de strekking er van nog niet hebben begrepen, wanneer wij daaruit de conclusie zouden trekken, dat Jezus dus drie keer over zijn naderend einde gesproken heeft. Wij moeten oog hebben voor de opbouw van dit gedeelte van 8:27 tot 10:52. Evenals in het eerste grote deel van zijn evangelie rangschikt hij hier de stof in drie reeksen, die iedere keer inzetten met een lijdensaankondiging. Hij wil op die manier duidelijk maken dat geheel de weg van Jezus vanaf het uiterste noorden, nl. Caesarea-Filippi, tot in Jeruzalem door dat naderende lijden, door het besef daarvan en het onderwijs daarover bepaald werd. De stemming onder de discipelen is dan ook dienovereenkomstig: zij waren verbaasd en bevreesd.
Het lijden wordt in deze verzen zeer uitvoerig aangekondigd; men zou kunnen spreken van een korte samenvatting van heel het lijdensbericht; nagenoeg alle elementen ervan worden opgesomd. Zo maakt de evangelist aan de lezer duidelijk dat niets van hetgeen nu ging gebeurenbuiten de wil en voorkennis des Heren geschiedde. Verder ligt ook hier evenals in 8:31 en 9:31 een sterke nadruk op het laatste zinsgedeelte: en na drie dagen zal Hij opstaan. Jezus ging het lijden tegemoet in het bewustzijn dat de overwinning in het verschiet lag. Het offer van zijn leven zou niet vergeefs gebracht worden. Ter vergelijking lette men op Fil. 2:9. Nadat Christus getekend is als gehoorzaam tot de dood aan het kruis, wordt gezegd: ‘Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd.’
Wie het evangelie tot hiertoe gelezen heeft en zich ook de diverse kanttekeningen in deze verklaring herinnert, weet dat Marcus zeer consequent is in het beschrijven van ongeloof en misverstand, ook bij de discipelen. In de hier volgende verzen wordt op beschamende wijze duidelijk, hoe hardleers ook de discipelen zijn. Terwijl Jezus over zijn lijden spreekt, dromen zij over de beste plaatsen in zijn Rijk. Zij schijnen die woorden over zijn lijden en doodgewoon te negeren. Wat men niet horen wil, hoort men vaak ook niet. Hun droom en vraag getuigen van een geestelijk, of beter gezegd: van een ongeestelijk egoïsme. En verder handhaven zij ondanks alles, wat zij van Jezus hadden kunnen leren, gewoon hun eigen toekomstverwachting.
Het lijden gold weliswaar in een unieke zin voor Hem, maar op een andere wijze toch ook voor de discipelen. In zijn navolging zouden ook zij aandeel hebben aan het drinken uit de beker, waaruit Hij zou drinken, nl. de beker van lijden en smaad. Jezus kan dat ook noemen: gedoopt worden met de doop, die Hij ondergaat, het ondergedompeld worden in doodsangsten en helse pijn. Zijn zij daartoe bereid? Zij zeggen van wel. Jezus laat het hier in het midden en beëindigt het gesprek hierover. Al spoedig zou blijken dat hun antwoord op zijn minst voorbarig was geweest. Jezus volstaat met de verklaring dat het niet aan Hem toekomt, ereplaatsen te verdelen. Dat laat Hij aan de Vader over. Zijn taak is het, zelf gehoorzaam te zijn en zijn discipelen op te roepen, om tot dienst bereid te zijn.
Wat wij in vs 41 lezen is – ook voor ons – typisch: de andere discipelen namen Johannes en Jakobus hun verzoek kwalijk. Waren zij beter? Door verontwaardiging over anderen te tonen proberen wij steeds weer ons zelf in een naar verhouding gunstig daglicht te plaatsen. Jezus’ antwoord doorkruist dit geharrewar. De regels van deze wereld, die overal vanzelfsprekend en ongestraft toegepast worden, gelden onder gelovigen niet. Dat moeten Johannes en Jakobus ter harte nemen, maar de anderen niet minder. Je kunt alleen de eerste zijn in die zin, dat je voorop staat in het dienen van anderen. En daarin is Jezus zelf weer het goddelijke voorbeeld. Hij is gekomen om te dienen. Dat was geen bijkomstig verschijnsel, maar vooropgezet doel. Zijn volmaakt dienen leidde Hem ror het geven van zijn leven. Daarmee diende Hij de wereld, want dit offer had het karakter van een losprijs. Het diepe geheim van de verzoening kan bij benadering worden aangeduid door te spreken van een losprijs, waarmee bv. een slaaf kon worden vrijgekocht, of meer vanuit de cultus door te spreken van een zoenoffer, waardoor schuld gedelgd werd. Maar wat verzoening is, gaat al die beelden te boven. Niet een bepaalde bijbelse of dogmatische term, maar het handelen van God in Jezus Christus moet duidelijk maken, wat verzoening is. Daar, waar zondaren met Hem aan tafel zitten, wordt de werkelijkheid er van beleefd. Maar daar, waar het lijden en sterven van Jezus verkondigd wordt, dringt tot ons door, wat daarvoor nodig was.
De genezing van Bar-Timeüs 10:46-52
Wij herinneren ons dat de evangelist in 8:22-26 een drietal uitvoerige reeksen van verhalen over het optreden van Jezus in woord en daad had afgesloten met het bericht over de genezing van een blinde te Bethsaïda. Hier gebeurt weer zoiets: drie kortere collecties berichten, die allen gekenmerkt waren enerzijds door lijdensaankondigingen van Jezus, anderzijds door de oproep aan zijn discipelen tot zelfverloochening, nederigheid en dienst, lopen uit op het verhaal van de genezing van de blinde Bar-Timeüs. Maar ook daarin bestaat een overeenkomst, dat de genezing van een blinde in beide gevallen volgt op de constatering van geestelijke blindheid bij de discipelen (vgl. 8:14-21 en 10:35-45). Wanneer zullen hun ogen opengaan? Het antwoord, dat hier nog niet uitdrukkelijk gegeven wordt, maar dat geheel het evangelie bepaalt, luidt: na Pasen. Belangrijk in deze perikoop is verder, dat de blinde Bar-Timeüs Jezus aanspreekt als Zoon van David, dus als de beloofde Koning, de Messias. Zijn vertrouwen in Hem schijnt onbeperkt te zijn. Zijn geloof wordt dan ook door Jezus geprezen. Marcus kan dit alles alleen maar vertellend onderstrepen. Ten slotte wordt vermeld dat Bar-Timeüs, ziende geworden, Jezus volgt op de weg. Dat is voor Marcus geen bijkomstige opmerking. Het gaat in al die perikopen over navolging. Zonder een juiste visie op Jezus’ weg van de verzoening en op het verband tussen kruis en Koninkrijk zal er van ware navolging geen sprake kunnen zijn. Zonder de visie van het geloof is er ook geen weg van het geloof.
De laatste dagen in Jeruzalem 11:1-13:37
Eerste thema: intocht en tempelreiniging, 11:1-33.
De intocht van Jezus in Jeruzalem wordt duidelijk zo verteld, dat daarbij zijn messiaanse waardigheid, tegelijk echter zijn messiaanse nederigheid uitkomt. Als vertrekpunt worden Bethanië, een dorp aan de zuidoostzijde van de Olijfberg, en Bethphage (woordelijk: huis of oord van vijgen), een gebied ten oosten van de stadsmuur van Jeruzalem, genoemd. In aansluiting aan Zach. 14:4 leefde in het Jodendom van die tijd en ook later de gedachte, dat de Messias vanaf de Olijfberg Jeruzalem zou binnentrekken. Toch wordt het niet de intocht van een luisterrijke koning. Jezus rijdt op een jonge ezel; wederom herinnert dit aan de profeet Zacharia; in 9:9 wordt immers over de messiaanse koning gesproken in termen en beelden van uiterste soberheid: nederig, rijdend op een ezel. Zo is dan het beeld compleet: de Messias treedt Jeruzalem binnen, maar zonder pracht en praal, het messiaanse geheim in woord en beeld. Toch hebben de aanwezige bewoners en pelgrims er iets van begrepen. Hij was voor hen geen onbekende. Hun gedachten gingen meer dan eens in de richting van het messiasschap. En velen spreidden hun klederen op de weg… Zo kwam het spontane gebaar tot stand; zij bereidden Hem een uitbundig welkom. De elementen daarin zijn ontleend aan de feestvreugde tijdens de grote feesten zoals pascha en het loofhuttenfeest; het zog. Hallel, waaraan de uitroep ‘Hosianna’ ontleend is (Ps. 118:25v), nl. de Psalmen 113 tot 118, werd bij die feesten steeds weer gezongen. En de bundel twijgen, die bij de liturgie van het loofhuttenfeest een belangrijke plaats innam, kon zelfs Hosianna genoemd worden. Toch zijn de hier weergegeven zinnen alleen maar ten dele als welkom van een pelgrim te verklaren. Hij, die komt in de naam des Heren, wordt hier nauw verbonden met het komend koninkrijk van onze vader David, dus met het messiaanse rijk. Dit messiaanse welkom wordt dan nader onderstreept doordat zij de weg met groen versieren en zelfs hun kleren voor Jezus uitbreiden. Overigens was de roep ‘Hosianna’ oorspronkelijk een bede: ‘Here, red (ons) toch!’ Maar in de loop der tijden was het een uiting van jubel geworden: De Redder komt!
Toch zal deze intocht van Jezus de perken van het sobere niet te buiten zijn gegaan. Als de romeinse troepen ook maar iets hadden vernomen van een messiaanse demonstratie, zouden zij er meteen bij geweest zijn, om daar een eind aan te maken, zoals zij dat ook in andere gevallen hadden gedaan en zouden doen. Het juichend welkom zal een begrensd en incidenteel karakter hebben gehad; de niet ingewijde hoorde alleen maar wat klanken, zoals die bij luidruchtige groepen van pelgrims niet ongewoon waren. Uit vs 11 blijkt dan ook, dat de intocht zonder opzienbarende verschijnselen verloopt. Jezus gaat de tempel binnen, Hij neemt daar alles in ogenschouw en gaat weer naar buiten, de tempel en de stad uit, terug naar Bethanië, alsof er niets gebeurd was. Jeruzalem was de stad, die vijandig stond tegenover Jezus als Messias (vgl. 3:22; 7:1). Volgens andere overleveringen heeft Hij bij andere gelegenheden en ook in die dagen over deze stad geweend, omdat zij Hem afwees (Mat. 23:37-39; Luc. 13:34v) en niet verstond, wat tot haar vrede diende (Luc. 19:42). Over deze stad zou Jezus straks het oordeel uitspreken en de ondergang aankondigen. Op zinnebeeldige wijze gebeurt dit ook hier bij Marcus, eerst door de vervloeking van de vijgeboom, die geen vrucht bracht (11:12-14 en 20-26). Ook in Luc. 13: 6-9 wordt de vijgeboom als zinnebeeld voor het officiële Israel gebruikt, dat afwijzend stond tegenover de prediking van Jezus. Het geduld, waarmee daar aan die boom nog een jaar gegund wordt en de toorn, waarmee Jezus hier die boom vervloekt en aldus de toorn van God over het volk uitbeeldt, zijn geen tegenstellingen, maar twee gezichtspunten, die het handelen van God belichten. De lankmoedige God is wel terdege de God, die op zijn tijd het oordeel over de wereld brengt.
Als aankondiging van Gods oordeel over stad en tempel moet ook de tempelreiniging beschouwd worden, die hier samen met de eraan voorafgaande vervloeking en de erop volgende verdorring van de vijgeboom één literair geheel vormt. Ook zij zal een beperkte omvang gehad hebben en vooral van symbolische betekenis geweest zijn. De tempelpolitie onderneemt niets tegen Hem, en ook bij het verhoor enkele dagen later wordt er met geen woord op gezinspeeld. In zijn harde woorden over stad en tempel, in zijn citaat over het bedehuis, dat zij tot een rovershol gemaakt hebben, en in zijn handelend optreden tegen geldwisselaars en kooplieden staat Jezus geheel in de lijn van de profeten van het O.T., die eveneens in ijver werden verteerd voor het huis, de stad en het volk van God, en die daarom ook niet schroomden, striemende woorden uit te spreken. Men leze ter vergelijking bv. Jer. 19 en 26.
De veemarkt in het ruime voorhof der heidenen (475 x groot) was officiëel toegestaan, speelde zich ten dele zelfs onder de regie van de priesters af. De pelgrim kon alleen zo aan een geschikt offerdier komen. En ook de geldwisselaars vervulden een belangrijke functie, omdat men voor de tempelbelasting over joodse halve-sche-kel-munten moest beschikken. De onkosten voor het wisselen bedroegen volgens rabbijnse bronnen tussen 2 en 4% van de som. Wat dat betreft was alles goed geregeld, in goede handen en onder priesterlijk toezicht. De symbolische aanduiding van Gods oordeel richt zich dan ook niet primair tegen amorele uitwassen van woeker en winstbejag, maar tegen geheel de cultus, tegen wét en orde, tegen een godsdienstigheid, die uiterlijk alles deed, om de religieuze riten te doen functioneren, maar die de Gezondene van God, zijn boodschap en zijn optreden, afwees. Tegenover de bestemming van de tempel als bedehuis voor alle volken spreekt Jezus van een rovershol; niet omdat de handelaren en geldwisselaars er zulke goddeloze praktijken op na hielden, maar in de geest van de profeet Jeremia, die ooit in naam van God de vraag stelde: Ts dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol?’ (7:11) Jeremia had daarmee de goddelijke voorzegging verbonden: ‘Daarom zal ik dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen … van voor mijn aangezicht wegwerpen.’ (7:14v) In de dagen van Jeremia werd de tempel aan een rovershol gelijk, omdat men ondanks alle mogelijke zonden zijn vertrouwen op de tempel stelde (7:4). Zo signaleert Jezus enerzijds hardheid van harten om te horen naar de boodschap, die in naam van God tot hen komt, zelfs vijandigheid, die hen er toe leidt, onschuldig bloed te vergieten tussen tempel en altaar (Mat. 23:35), anderzijds een geveinsd vertrouwen op de wijze, waarop zij alles regelen, zelfs het reilen en zeilen op de tempelmarkt. Geen wonder dat profetische prediking, striemende woorden en krachtdadige maatregelen tot nieuwe vijandige reacties leidden (vs 18). Het was hetzelfde protest, dat steeds weer op Jezus’ optreden was gevolgd (vgl. reeds 2:7 en 3:6).
Ook uit de verzen 27-33 blijkt dat de oversten van de tempel in het optreden van Jezus generlei aanleiding zagen, de Romeinen er mee in te laten. Het lag ook voor hun besef niet op het niveau van revolutionair handelen, maar van religieuze eigenmachtigheid. In de vorm van een twistgesprek vertelt Marcus over hun scherpe vraag: Krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen? Het was voor hen geheel onbegrijpelijk dat iemand, die de grondbeginselen van Israels godsdienst kende, zich zou aanmatigen, in naam van God te keer te gaan tegen de eredienst, die juist door God verordend was en tot zijn eer strekte.
In de bekende vorm van een wedervraag daagt Jezus henuit te zeggen, krachtens welke bevoegdheid Johannes de Doper was opgetreden. Opeens worden zij heel klein en voorzichtig, bang als zij zijn voor de scharen: vv;}’ weten het niet. Dat meenden zij toch niet. Voor hun eigen besef wisten zij het best (vgl. Luc. 7:30). Zonder op hun vraag te antwoorden laat Jezus hen staan. In zijn souvereiniteit heeft Hij het niet nodig, zich voor zijn vijanden te verantwoorden. Zijn weigering is indirect een oproep, terug te keren tot die sfeer, waarin vragen en antwoorden alleen een zinvolle plaats hebben: de sfeer van geloof en bekering (men denke aan de prediking van de Doper), van openheid en oprechtheid.
Aan het eind willen wij er nog op wijzen dat het gedeelte over vervloeking en verdorring van de vijgeboom een merkwaardig slot heeft. Wanneer de discipelen tot Jezus komen en zeggen: Rabbi, zie, de vijgeboom, die Gij vervloekt hebt, is verdord, volgen daar uitspraken op over het geloof, waarmee iemand tot een berg zou zeggen: hef u op en werp u in de zee, en over het bidden in het geloof, dat zeker verhoord zal worden. Tenslotte wordt vanuit het trefwoord ‘geloven’ gesproken over bidden en vergeven. Aan de hand van de trefwoorden: geloven, bidden en vergeven worden hier dus uitspraken van Jezus aan elkaar geregen. Zij zullen aan het begin met elkaar, later pas met de perikoop over de vijgeboom verbonden zijn geworden. Zij konden aan die symbolische handeling toegevoegd worden, omdat het spreken van Jezus tegen de vijgeboom en het gelovige bidden (op zichzelf onmogelijke dingen) daarin iets met elkaar gemeen hebben, dat in beide gevallen gesproken wordt vanuit een machtiging, die God zelf heeft verleend.
Tweede thema: onderwijs over actuele vragen 12:1-44
Het is opmerkelijk dat in dit gedeelte van het evangelie nog uitvoerig onderwijs van Jezus ter sprake komt. In het eerste hoofddeel had de evangelist dit onderwijs vaak meer aangeduid dan weergegeven. De laatste dagen in Jeruzalem blijken veel gelegenheid te hebben geboden voor onderwijs en gesprekken; en zij waren maar zeer ten dele van vijandige aard. Maar de evangelist blijkt er hier ook veel waarde aan te hechten, belangrijke thema’s vrij uitvoerig aan de orde te stellen. Daar, waar zijn lijden met toenemende uitvoerigheid verteld wordt, ontvangt ook het onderwijs van Jezus een brede plaats.
De pachters van de wijngaard 12:1-12
De wijngaard was in het onderwijs van Jezus ook in ander verband in een gelijkenis ter sprake gekomen (vgl. Mat. 20:1-16). Een wijngaard was een kostelijk bezit; en de eigenaar ervan besteedde er te allen tijde grote zorg aan, want als het goed was, leverde hij kostbare en begeerde vruchten op. Reeds in het O.T. diende de wijngaard als gelijkenis voor het volk Israel, omdat God aan zijn volk zo veel goede zorg besteedde, steeds in de hoop, dat deze moeite door een dankbaar en gehoorzaam leven als goede vrucht bekroond zou worden. In Jes. 5, waaraan de gelijkenis hier ons herinnert, had de profeet de zorg van God, zijn geduld, zijn teleurstelling en ten slotte ook zijn oordeel aanschouwelijk gemaakt door een verhaal te vertellen over een wijngaard. Jezus neemt deze prediking over en actualiseert de gelijkenis ivm. de situatie, waarin Israel nu verkeerde.
Diverse trekken uit de gelijkenis weerspiegelen de houding, die de leidinggevende Joden van zijn tijd tegenover Hem innamen. En hij zond een slaaf, … een andere slaaf, … nog een andere slaaf, ten laatste zond hij zijn zoon. Jezus staat in de rij van de vele gezondenen, ook al onderscheidt Hij Zich van hen: zij waren knechten, Hij is de Zoon. Dienovereenkomstig is ook de vijandige reactie feller: Zij grepen hem, doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard. Slechts de volgorde: doden en buiten de wijngaard werpen, wijkt af van het lot van Jezus: naar buiten de stad leiden, daarna kruisigen. Dit wijst er op dat de gelijkenis niet naderhand in analogie tot de gang van zijn lijden gevormd is.
In het laatste gedeelte kondigt Jezus het oordeel van God over het ondankbare volk aan, dat door de verwerping van de Messias toonde, Gods recht op de wijngaard niet te erkennen en zichzelf niet te gedragen op een wijze, die God van zijn knechten verwachtte. Het oordeel wordt omschreven als het doden van de pachters en het geven van de wijngaard aan anderen. Matteüs voegt er dan, geheel in overeenstemming met hetgeen Jezus bedoelde, aan toe: die Hem de vrucht op tijd zullen afleveren. Er bestaat bij God ondanks verkiezing en belofte geen monopolie mbt. het heil en ook geen automatisme in het deelhebben eraan.
De steen, die de bouwlieden verworpen hadden… De aangehaalde woorden uit Ps. 118 zijn juist daarom van zo groot belang, omdat daarin niet slechts gezegd wordt, hoe afkeurenswaardig de handelwijze van de bouwlieden is, die een goede steen afkeuren; de nadruk ligt daarop, dat die steen tot hoeksteen gemaakt zal worden, tot een nieuw fundament voor allen, die gevolg geven aan die uitnodiging, om in zijn wijngaard te werken, ervan te genieten en de rechten van de Here op hun leven metterdaad te erkennen.
Het recht van de keizer 12:13-17
Strikvragen speelden in de discussies tussen Jezus en zijn tegenstanders een vooraanstaande rol. In het onderhavige geval tracht men Hem in een moeilijke positie te brengen. Door de vraag naar het recht van de romeinse keizer op belastingen daagt men Jezus uit, öf aan de zijde van de farizeeën en Zeloten te treden, die dit recht weigeren te erkennen en zover het de Zeloten betreft, zich als opstandelingen tegen deze aanmatiging verzetten, öf zich zelf ongeloofwaardig te maken in het oog van elke recht geaarde Jood, voor wie collaboratie met de bezetter verfoeilijk was. Alleen de Sadduceeën, mn. de priesteradel van Jeruzalem, werkten met de Romeinen samen. Het bijzondere van Jezus’ antwoord bestaat daarin, dat Hij zijn tegenstanders hun zin niet geeft. Niet op hun niveau zal Hij hun antwoorden, maar op zijn niveau, op een wijze, die overeenkomt met zijn messiaanse zending. Of zij dat nu apprecieerden of niet, Hij maakte hun duidelijk, dat de Messias geen politieke en nationale bevrijder kon en mocht zijn, ook al was herhaaldelijk in termen van een koning en zijn Koninkrijk over Hem gesproken.
Breng Mij een schelling. Door zich een munt te laten geven, waarop de beeltenis van de keizer stond, liet Jezus hen beseffen dat zij toch elke dag leefden in deze politieke orde, waarin zelfs handel en nijverheid onder diens gezag en bescherming stonden. Geef dan de keizer, wat van de keizer is. Dat is geen instemming betuigen met de politieke orde, het is anderzijds ook geen aansporing, om zich te onthouden van elke omgang met dit keizerlijk geld. Tegenover een poging in onze tijd, om deze oproep te verklaren als aansporing tot boycot (geef aan de keizer dat smerige geld terug) wijzen wij er op, dat het werkwoord, dat hier voor ‘geven’ gebruikt wordt, in alle gevallen in de evangeliën voorkomt in de zin van geven van iets, waarop de ontvanger in een bepaald opzicht recht heeft (vgl. Mat. 5:33; 6:4,18; 16:27; 18:34; 20:8; 27:58). Overigens zou het tegen het gehele optreden van Jezus indruisen, wanneer deze woorden op een zelotische, na-tionaal-revolutionaire wijze verklaard zouden worden. Evenals in de vorige perikoop (11:27-33) brengt Jezus zijn opponenten daarheen, waar die beslissingen vallen, die met zijn zending samenhangen: Geef aan God, wat van God is. Dat is: de prediking van Jezus aanvaarden, ootmoedig zijn, wanneer God ook de zonde van vrome mensen zonde noemt, dankbaar zijn, wanneer God genade schenkt, liefde, waarop de mens ten enenmale geen recht heeft en bereid zijn tot luisteren, wanneer Jezus aan hen de inhoud en bedoeling van Gods wil duidelijk maakt. Dit antwoord verwondert de tegenstanders ten zeerste; het stelt hen teleur, omdat de gehoopte verlegenheid bij Jezus uitblijft; en het klaagt hen aan, omdat het hen mbt. de belangrijkste levensvragen in gebreke stelt.
De opstanding 12:18-27
In geheel het evangelie komt maar één gesprek tussen Jezus en Sadduceeën voor, nl. dat over de opstanding. De Sadduceeën vormden één van de religieuze richtingen binnen het jodendom ten tijde van Jezus. Men kon hen conservatief noemen, want zij erkenden alleen de vijf boéken van Mozes als openbaring Gods. Wat niet duidelijk in de tora werd geleerd, verwierpen zij. Ten gevolge daarvan wezen zij het geloof aan de opstanding der doden af. De meeste priesters behoorden tot deze richting. Terwijl er tussen Jezus en de vroomheid van de farizeeën ondanks alle conflicten veel punten van overeenstemming waren, was zijn verhouding tot de Sadduceeën zeer afstandelijk. Hier wordt ons één voorbeeld verteld. In een gesprek met Jezus pogen zij de onhoudbaarheid van de leer der opstanding te bewijzen. Nu waren er zeven broers. Met verwijzing naar het zgn. zwagerhuwelijk, het huwelijk met een kinderloos gebleven weduwe door een broer van de overleden man (vgl. Deut. 25:5v), proberen zij aan te tonen, dat deze leer grote moeilijkheden tot gevolg zou hebben. Wie van die zeven broers zou bij de opstanding haar wettige man zijn? Men kan zich discussies van die aard tussen vertegenwoordigers der diverse richtingen zeer goed voorstellen.
Het antwoord van Jezus is tweeledig. Dwaalt niet. In eerste instantie wijst Hij erop, dat het leven na de opstanding niet een hervatting van dit aardse leven in huwelijk en gezin is. Nergens in de Bijbel wordt een poging gedaan, het eeuwige leven na de opstanding nader te beschrijven. Het behoort tot datgene, wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft en in geen mensenhart opgekomen is, wat God bereid heeft voor degenen, die Hem liefhebben (1 Kor. 2:9; vgl. Jes. 64:4). Het eeuwige leven heeft dit met de schoonste en intiemste aspecten van ons leven hier gemeen, dat men beter kan zeggen hoe het niet is dan hoe het wel is. Het enige, wat niet negatief gesteld is, is de uitspraak, dat zij als engelen zullen zijn. Maar ook dat is niet bedoeld als een definitie van het menselijk bestaan na de opstanding. Het doelt alleen maar op het feit dat er ook vanuit de tora, waarin engelen herhaaldelijk voorkomen, volmaaktheid en eeuwige vreugde voorstelbaar zijn zonder die kaders, waarin het leven hier op aarde zich afspeelt. In tweede instantie argumenteert Jezus met een belangrijk citaat uit de boeken van Mozes. Ik ben de God van Abraham … Iedereen kende het verhaal van de roeping van Mozes in de woestijn bij de braamstruik. Wanneer God zich de God van Abraham en Isaäk en Jakob noemt, moeten zij voor Hem bestaan, want Hij is de God van de levenden. Dit antwoord is allesbehalve spitsvondig. Het argumenteert vanuit de diepste wortels van Israels geloof –
Abraham leeft niet vanwege een ingeschapen onsterfelijkheid, maar hij leeft, omdat God blijvend zijn God wil zijn. Dit is juist de enige deugdelijke gedachtengang; vanuit en vanwege de eeuwige kracht, liefde en trouw van God tot mensen, die Hij één keer met zich verbonden heeft, mogen dezen in de hoop op de opstanding leven. Daarom kan Jezus dan ook zeggen, dat zij, de Sadduceeën, zeer dwalen.
Het eerste gebod 12:28-34
Kenmerkend is dat deze schriftgeleerde instemt met het antwoord, dat Jezus aan de Sadduceeën heeft gegeven. Zo ongeveer zou hij ook hebben kunnen antwoorden. Zijn eigen vraag, waarmee hij tot Jezus komt, is oprecht; Welk gebod is het eerste van allen? Temidden van de talloze geboden en verboden in de tora en in de overlevering zoekt hij naar een zwaartepunt, naar concentratie, naar geestelijke oriëntatie. Jezus antwoordt hem door te wijzen op het z.g. Shema (= Hoor!), een collectie citaten uit de tora, die dagelijks twee keer gereciteerd werden. Het begon met de woorden uit Deut. 6:4v: Hoor Israel: de Here is onze God, de Here is één. En daarop volgde het grote gebod van de liefde tot God met geheel het hart enz. Geloof en gehoorzaamheid horen bij elkaar. Dat kunnen wij samen met deze schriftgeleerde en door het onderwijs van Jezus uit de tora van het O.T. leren. Jezus voegt er het gebod van de liefde tot de naaste (Lev. 19: 18) aan toe. Dit antwoord heeft blijkbaar de volle instemming van de schriftgeleerde gesprekspartner. Hij herhaalt de woorden van het begin tot het eind. Van Jezus leren, dat is discipelschap. Hij beschaamt daarin de twaalf discipelen, die veel trager waren in het aanvaarden van Jezus’ prediking. Zo ontvangt men deel aan het Koninkrijk van God.
Het geheim van de Messias 12:35-37a
Hoe zeggen de schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is? Hier stelt Jezus zelf een vraag; en zij heeft betrekking tot Hem zelf, tot het geheim van zijn messiasschap. Enerzijds zeggen de schriftgeleerden terecht – want zij hebben het uit de Schrift – dat de Messias de Zoon van David is. Anderzijds staat in de messiaanse Psalm 110 de uitspraak van David:De Here heeft gezegd tot mijn Heer: Zet u aan mijn rechterhand… Hoe is dat mogelijk? Men zou zeggen: Het één of het ander is waar. Davids Zoon of Davids Heer. De vraag wordt hier nog niet beantwoord. Voor een èn …èn kan Jezus nu nog geen begrip verwachten. Het antwoord zal na Pasen gegeven worden, vgl. Rom. l:3v.
Waarschuwingen voor de schriftgeleerden 12:37b-40 Reeds in 2:6 stonden de schriftgeleerden tegenover Jezus en veroordeelden zijn handelen. In 7:1-13 volgt een twistgesprek met hen over rein en onrein; en toegespitst op hen: een veroordeling van de geveinsdheid en veruiterlijking van hun religie. Hier waarschuwt Jezus zijn discipelen nog één keer en voor het laatst voor deze invloedrijke en gezaghebbende groep. Matteüs heeft dergelijke waarschuwingen veel breder en uitvoeriger opgenomen; zie Mat. 5:21 – 6:18; 23:1-39. Het door Jezus gelaakte gedrag is ons ook uit andere bronnen bekend.
Het voorbeeld van de weduwe 12:41-44
Terwijl aan de schriftgeleerden eerzucht en geldzucht verweten wordt (vgl. ook Luc. 16:14), wijst Jezus zijn discipelen op een weduwe, die hoegenaamd niets bezit en haar laatste koperen munten in de offerkist werpt. Dat Marcus dit bericht hier heeft opgenomen, is vanuit deze tegenstelling te verklaren. Afgezien daarvan is het één van de vele voorbeelden, waarin Jezus voor het gevaar van rijkdom en mammonsdienst gewaarschuwd heeft (vgl. behalve Mat. 6:24 vooral plaatsen bij Lucas, zoals 10:25-37; 12:13-21; 16:1-9, 10-14, 19-31; 18:18-27).
Derde thema: De rede over de toekomst 13:1-37
Kenmerken van de komende tijd 13:1-23
Het ligt voor de hand dat Jezus tijdens zijn laatste dagen in Jeruzalem uitvoeriger met zijn discipelen over de toekomst zal hebben gesproken, en wel onder het aspect, hoe zij als zijn volgelingen deze komende tijd zouden beleven. Uitgangspunt is de voorzegging, dat de tempel en de stad Jeruzalem zullen ondergaan. Hier wordt die aankondiging, die ons ook uit andere verbanden bekend is, gegeven als antwoord op hun roemende woorden: welke stenen en welke gebouwen. Hoe vaak zullen pelgrims op het ogenblik, dat zij deze indrukwekkende stad naderden, zich op soortgelijke wijze geuit hebben. Nog vandaag is het een onbeantwoorde vraag, hoe men het in de tijd van Herodes gepresteerd heeft, die vele tonnen zware stenen te transporteren en op hun plaats ergens in de muur van stad en tempel te brengen. Ook voor de discipelen moest Jeruzalem het zinnebeeld van onvergankelijke schoonheid zijn. Jezus kondigt de ondergang van deze stad aan; op andere plaatsen (Luc. 13:34v en 19:44) wordt deze ondergang uitdrukkelijk met het oordeel van God in verband gebracht (zie ook Mar. 12:9). Ook in de tijd van het O.T. hadden de profeten herhaalde keren de ondergang van Jeruzalem als gericht Gods over land en volk aangekondigd. Overigens hebben ook de Joden de val van Jeruzalem in het jaar 70 n.Chr. steeds als oordeel van God over hen beschouwd en de vraag gesteld naar de diepere oorzaak ervan.
Vlg. vs 3 zet Jezus zijn spreken over de toekomst voort, nadat zij naar de helling van de Olijfberg zijn gegaan. Daar stellen de discipelen eerst de vraag naar het tijdstip van deze verwoesting van Jeruzalem; daar sluit zich echter een tweede vraag bij aan, die een ruimere strekking heeft; zij vragen naar het voorteken voor de vervulling van al deze dingen. Deze twee gebeurtenissen, de ondergang van Jeruzalem en de vervulling of voleinding van alle dingen, bepalen het gehele verdere hoofdstuk. Er is reden om te vermoeden, dat hier juist een poging gedaan wordt om antwoord te geven op de vraag, hoe die gebeurtenissen, die in Jezus’ tijd beide nog in de toekomst lagen, zich tot elkaar verhouden. Deze vraag werd echter bijzonder actueel, toen de gemeente de tijd van de ondergang van Jeruzalem (de joodse oorlog) beleefde. Voor haar was het van groot belang te weten, of daarmee nu ook de voleinding van alle dingen ophanden was.
Marcus 13 laat aan de lezers zien, dat er volgens het onderwijs van Jezus nog een wezenlijk verschil bestaat tussen hetgeen rondom de val van Jeruzalem gebeurt, en wat mbt. de grote toekomst in de zin van de voleinding voorspeld wordt. In de verzen 5-23 noemt Jezus enkele trekken, die wezenlijk zijn voor die tijd, die aan de voleinding voorafgaat en waarin ook de val van Jeruzalem een plaats heeft. Achtereenvolgens noemt Hij verleiders (vs 6), oorlogen en rampen (vs 7v) en vervolgingen van de gemeente (vs 9). In omgekeerde volgorde komen deze gebeurtenissen vanaf vss 11-23 nog een tweede keer voor: vss 11-13 spreekt over de vervolgingen en geeft aanwijzingen, hoe de gelovigen zich daaronder zullen gedragen. In vss 14-20 komen voor een tweede keer oorlogen en, daarmee verbonden, noden ter sprake. De taal is echter anders, ontleend aan de joodse geschiedenis en literatuur. Gruwel der verwoesting herinnert aan een altaar voor afgoden, dat een syrische koning in de tweede eeuw v.Chr. in het voorhof van de tempel oprichtte. Daarmee was de tempel ontwijd, al stonden de muren nog. Sindsdien was deze uitdrukking herhaalde keren gebruikt, om de handelingen van heidense legers aan te geven, die de heilige plaats niet ontzagen, de tempel ontheiligden en in het geval van de komende ondergang deze ook zouden verwoesten. Jezus wekt de gemeente op, dan de stad te verlaten en in de bergen te vluchten. Volgens oude berichten is dat ook gebeurd; de christelijke gemeente schijnt vóór de val van Jeruzalem naar het oostjordaanse Pella te zijn uitgeweken. De gelovigen mogen overigens weten, dat God ook in tijden van grootste rampen regeert; hier wordt dat daarin aangewezen, dat God die tijden van grootste rampen zal inkorten. In de verzen 21-23 wordt voor de tweede keer op de verleiders gewezen, die aan het begin reeds genoemd waren. Alle troost ligt hier in de woorden ware het mogelijk; maar het zal niet gelukken, de uitverkorenen te verleiden. Overigens is het reeds belangrijk, dat zij er door deze profetie van Jezus op voorbereid worden; zij zullen niet meer kunnen worden overrompeld: zie, Ik heb u alles voorzegd.
Midden in dit gedeelte staat dan in vs 10 de uitspraak, die niet toevallig het centrum van heel deze voorzeggingvormt: Eerst (dwz. voordat het einde en de voleinding van de wereld komt) zal (en moet) het evangelie aan alle volken verkondigd worden. Dit is voorzegging en opdracht ineen, de spil waar alles om draait; hier ontdekken we iets van de zin der geschiedenis.
De wederkomst van Christus 13:24-27
Na dit vertroostend en vermanend gedeelte wordt in grote soberheid over het grote gebeuren aan het einde van de geschiedenis gesproken: de wederkomst èn de voleinding. Tegenover het voorafgaande is dat een nieuw thema. De afstand tussen het ene en het andere was aangegeven door woorden als maar het einde is het nog niet (vs 7), begin van de weeën (vs 8), eerst (vs 10), volharden tot het einde (vs 13); en van de ontzettende nood wordt gezegd, dat zulke verdrukking er nog nooit eerder geweest is en ook in toekomst nooit weer zal komen (vs 19); God moet die moeitevolle tijden zelfs beperken en inkorten. Voor de lezers van dit evangelie zal het een welkome oriëntering voor hun geloof geweest zijn te weten, dat ook na de val van Jeruzalem de geschiedenis verder zou gaan. Zo konden zij hun hoop richten op de voleinding, die op Gods tijd zou komen. Zij wordt ingeluid door natuurrampen van ongekende afmetingen; alles zal in elkaar storten. De nieuwe wereld ligt niet zo maar in het verlengde van de huidige wereld en van wat wij daarop hebben bereikt; zij zal veelmeer door Gods scheppend woord uit het puin van deze wereld verrijzen. Jezus geeft daar hier geen nieuwe en nadere informatie over. Hij beperkt Zich ertoe, dat schrikwekkend einde, dat tegelijk het heerlijke begin van de nieuwe wereld is, in overgeleverde termen aan te duiden. Over zijn eigen wederkomst spreekt Jezus in de taal en de beelden van Dan. 7. Dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op de wolken. Dan zal Hij alle macht uitoefenen en alle heerlijkheid ten toon spreiden. Dan zullen alle engelen Hem ten dienste staan, om de gelovigen, of, wat hetzelfde is: de uitverkorenen, te verzamelen. Niet het laatste oordeel wordt hier genoemd, maar de heerlijkheid, waarin de gelovigen dan zullen delen. Ook deze verzen staan dus geheel in het teken van het ‘blij vooruitzicht, dat ons streelt’. Met dit vooruitzicht moeten en kunnen wij het doen. De nieuwsgierige heeft nauwelijks een antwoord gekregen, maar de gelovige weet alles wat hij weten moet.
Nabijheid en onbekendheid van die dag 13:28-32
Leert van de vijgeboom deze les. Deze beide perspectieven, enerzijds de nabijheid van de voleinding, anderzijds de onbekendheid van de tijd, schijnen met elkaar in een ondragelijke spanning te staan. In de geschiedenis van de kerk was dat vaak ook zo: wie van de nabijheid uitging, begon tegelijk te rekenen; en er zijn heel wat jaartallen genoemd; mensen zaten in spanning, totdat de ontgoocheling kwam. Wie van de onbekendheid van de jongste dag uitgaat, kan vaak met de gedachte aan de nabijheid niet veel beginnen. De kunst van het geloof is, om met beide gedachten te leven. In deze woorden van Jezus vormen ze een geheel, zonder dat zulk een spanning te bespeuren is. Maar wij zullen daar wel nooit aan kunnen ontkomen; wij zijn ook niet aan Hem gelijk.
Ook al hoeft de term dit geslacht niet stringent uitgelegd te worden in de zin van ‘deze generatie’, we krijgen wel de indruk, dat Jezus in zijn profetisch spreken niet van eeuwenlange tijden uitgaat. Maar dat is reeds in het O.T. vaak kenmerkend voor het profetisch spreken. Wij moeten overigens ook serieus nemen dat Jezus zegt, dat noch Hij noch de engelen inzage hebben in de agenda Gods, maar alleen de Vader. Dat geldt in elk geval voor zijn tijd op aarde voor Pasen. Misschien helpt ons de formulering van Filp. 2:6v een stap verder. Hij, die in de gestalte van God was, heeft zichzelf ontledigd en is aan ons mensen gelijk geworden. Juist van deze consequente zelfvernedering hangt ons heil af.
Oproep tot waakzaamheid 13:33-37
Wie het gehele hoofdstuk overziet, zal tot de conclusie komen, dat ivm. de toekomst niet zo zeer informatie gegeven wordt als veel meer bemoediging en vermaan. Het hoofdstuk eindigt ook met een vermaan, waakzaam te zijn. Heel beknopt wordt het thema van een elders (Mat. 25:14-30; Luc. 19:11-27) uitvoerig vertelde gelijkenis genoemd over iemand, die naar het buitenland ging en zijn bezit in beheer gaf aan zijn knechten. Maar hier wordt alleen één gegeven uitgewerkt: de deurwachter kreeg de opdracht om te waken, maar nu niet vanwege mogelijke rovers, maar ivm. de wederkomst van Christus. Waarin die waakzaamheid bestaat, wordt niet nader uitgewerkt. Uiteraard is de waakzaamheid van het geloof bedoeld. Wie zich bij zijn vragen aangaande heden en toekomst aan deze rede van Jezus oriënteert, die is waakzaam.
Lijden, sterven en opwekking van Jezus 14:1-16:20
Jezus staat gereed voor de lijdensweg 14:1-42
De zalving temidden van het beraad der vijanden 14:1-11.
Wat in3:19 mbt. Judas en in 8:31 en 10:33 mbt. de overpriesters en schriftgeleerden aangekondigd was, begint zich nu te realiseren. De plannen worden concreet; het besluit, Jezus te doden, staat voor hen allen vast. Van nu af aan hebben de hogepriesters de leiding; dat zal ook zo blijven tot aan de kruisiging. Zij hebben ook de leiding in het Sanhedrin en onderhouden goede relaties tot de Romeinen. De motieven van Judas blijven in het duister. Was het frustratie, omdat hij zelotische idealen koesterde en nu merkte, dat Jezus die consequent afwees? In scherp contrast hiertegen staat de vrouw, die Jezus zalfde. Het huis vanSimon de melaatse, die wij verder niet kennen, was misschien de overnachtingsplaats van Jezus en zijn discipelen tijdens de paasweek, want Jeruzalem was dan meer dan vol.
Wat wij zalving noemen, was een besproeien met duur parfum. De hier genoemde prijs, nl. driehonderd schellingen, die bijna even groot was als het jaarloon van een arbeider, is ook uit andere bronnen bekend en onderstreept de liefde en overgave van deze vrouw. In het jodendom onderscheidde men tussen aalmoezen, die men altijd kon geven, en goede werken, die van de situatie afhingen en een spontane instelling vereisten. Het zalven van een dode werd daartoe gerekend. In het licht van deze onderscheiding wordt het antwoord van Jezus op deingebrachte bedenkingen begrijpelijk: Zij heeft een goede daad aan mij gedaan. Hij beschouwt haar handelwijze als een profetische daad met het oog op zijn spoedig sterven. Of zij dat beseft had, is een andere zaak. Maar Jezus wist wel, wat Hem wachtte. Door deze gebeurtenis op te nemen in zijn evangelie, zorgt Marcus er op zijn beurt voor, dat Jezus’ woorden van vs vervulling gaan. Maar zij waren reeds eerder vervuld, want Marcus putte uit de overlevering en de missionaire prediking van de apostelen.
De instelling van het avondmaal 14:12-31
De dag, waarop de paschalammeren geslacht werden, viel in het sterfjaar van Jezus op een donderdag. Na zonsondergang begon de 14e Nisan, het eigenlijke Pa-schafeest, dat aan de nacht van de uittocht uit Egypte herinnerde, en dat als feest der ongezuurde broden een week duurde. Ook al overnachtte men in die week buiten de muren van Jeruzalem, het feest zelf moest in de stad gevierd worden; vandaar dat Jezus twee van zijn discipelen uitzond om een bekende, die in Jeruzalem een ruim huis bezat te vragen, de opperzaal te mogen gebruiken voor de feestmaaltijd. Het sprak vanzelf dat men aanwezige ruimte daarvoor beschikbaar stelde. De voorbereiding bestond uit het laten slachten van het lam door de priesters in het voorhof van de tempel en het klaarmaken van de feestmaaltijd, bestaande uit gebraden lamsvlees, ongezuurd brood, bittere kruiden en wijn.
Bij een feestmaaltijd lag men aan; daarvoor lagen rondom een lage tafel dikke ligkussens gereed. Terwijl zij zo aanlagen, kondigde Jezus aan dat één uit hun midden Hem zou verraden. Uit hun vragen Ben ik het? blijkt, dat niemand van hen daarbij aan Judas dacht. Het antwoord van Jezus is algemeen, een verzuchting zoals in Ps. 41:10, waarop Hij duidelijk zinspeelt: ‘Zelfs een vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.’ In vs 21 worden naast elkaar genoemd het verfoeilijk handelen van de verrader (Wee dien mens...) èn de voorgeschreven weg van het lijden (De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat). Ook al is in laatste instantie de Vader het, die zijn Zoon overlevert tot het verzoenend sterven, dat neemt de ongeëvenaarde schuld van de verrader niet weg. Er wordt niet gezegd dat deze schuld zo zwaar is, dat zij daarom niet vergeven zou kunnen worden; maar een mens kan zichzelf zodanig tot handlanger van de boze maken, dat hij die weg niet meer vindt.
Tijdens de feestmaaltijd stelde Jezus een nieuwe maaltijd in, die evenals het Pascha tot blijvende herinnering zou strekken aan het bevrijdend en verzoenend handelen Gods. Terwijl zij aten, nam Hij het brood… Tot nog toe was de herinnering aan de paschalammeren in Egypte en aan de daarmee verbonden wonderbare uittocht van Israel het centrale thema van dit grootste van alle jaarlijkse feesten. Nu wijst Jezus hen op zijn sterven als offer voor het heil van de wereld. Tijdens de paschamaaltijd werd ongezuurd brood gegeten als herinnering aan het plotse vertrek; men had geen tijd gehad het deeg te laten zuren. Nu legt Jezus een nieuwe relatie: tussen dit brood en zijn lichaam, dat weldra geofferd zal worden; vgl. 10:45. Omdat het een feestmaaltijd was, zouden zelfs de armen bij de paschamaaltijd wijn nuttigen. De beker deed enige malen de ronde; de laatste was nauw verbonden met de dankzegging tot besluit van het feestmaal (vgl. Luc. 21:20 en 1 Kor. 11:25). Jezus legt een nauwe verbinding tussen de wijn en zijn bloed, dat voor velen vergoten zou worden. De term bloed van het verbond stamt uit Ex. 24:8. De volgorde was daar: het offer voor het herstel van de verbondsrelatie, in de meest algemene zin ook: de verzoening (vs 5v), het besprenkelen van het volk met het bloed als teken van het deelhebben aan het offer (vs 8), dan de maaltijd met de vertegenwoordigers van het volk (vs 11). Deze volgorde keert terug in het hier ingestelde avondmaal: het offer van Jezus ter verzoening, het deelhebben aan dit offer, en tenslotte het vieren van de verzoening op grond van het offer. Het avondmaal heeft enerzijds het Pascha tot achtergrond; het wijst voorts op de vervulling van de verbondssluiting; tegelijk dient geheel de oudtestamentische offerdienst als ver-staanshorizon; en eindelijk herinneren de woorden van Jezus over zijn bloed, dat voor velen vergoten wordt, ook aan hetgeen in Jes. 53 over de lijdende Knecht gezegd was. Het avondmaal is dus op een veelzijdige wijze de maaltijd van de vervulling. Dan past daarbij ook het uitzicht op de voleinding (vs 25), die ook elders (bv. Jes. 25:6) als vreugdemaaltijd was aangeduid.
Getrouw aan de overgeleverde paschaliturgie zingen Jezus en zijn discipelen de lofzang, nl. de Psalmen 114 tot 118. Omdat de opperzaal (men wijst nog vandaag de plaats daarvan aan op de Sionsberg) geen plaats voor de overnachting was, gingen zij daarna naar de tuin Gethsemane aan de voet van de Olijfberg; mogelijk was deze het eigendom van de gastheer.
Nadat Jezus reeds eerder het verraad van Judas had aangekondigd, voorzegt Hij nu dat zij allen aanstoot aan Hem zullen nemen en vluchten, wanneer Hij gevangen genomen zal worden. Evenwel zal dat niet het einde zijn. Evenals in zijn eerdere lijdensaankondigingen spreekt Jezus ook hier over zijn opwekking en de daarop volgende ontmoeting in Galilea (over verschijningen in en om Jeruzalem lezen wij bij Marcus niets). Ook nu overschatten Petrus en de anderen zichzelf. Dat zal omslaan in verloochening, nog voor het krieken van de dageraad.
De worsteling te Gethsemane 14:31-42
In deze tuin aan de helling van de Olijfberg vindt de nachtelijke worsteling van Jezus plaats. Zijn eenzaamheid wordt nog daardoor vergroot dat de drie discipelen, die Hem hier evenals op de berg (9:2vv) vergezellen, in slaap vallen. Jezus is in zijn benauwdheid alleen en doorworstelt alles op een wijze, die tot in de woorden herinnert aan de lijdende vromen, die in de psalmen aan het woord zijn; men vergelijke vs 34v met Ps. 31:10; 22:15; 42:6 en andere plaatsen. Evenals Abraham (Gen. 22:5) en Mozes (Ex. 19:3) bidt Jezus in de eenzaamheid tot God. De aanspraak Abba = Vader is typerend voor Jezus. Terwijl de zinswending alles is U mogelijk met een beroep op Gods almacht de intensiteit van zijn gebed onderstreept, dat de lijdensbeker van Hem weggenomen moge worden, getuigen de daarop volgende woorden van volledige onderwerping: doch niet wat Ik wil, maar watGij wilt. Dat Jezus drie keer met deze bede tot de Vader komt, is een blijk van de echte worsteling. Daar staan dan de discipelen tegenover als toonbeeld van zwakheid, niet in staat, de verzoeking te weerstaan. De geest, dwz. de door Gods Geest geleide mens, is gewillig, maar het vlees, dwz. de mens zoals hij nu bestaat, is zwak, ook al spreekt hij zoals Petrus een kjoeke taal. De laatste woorden aan hen in dit verband zijn geen oproep tot navolging; zij worden slechts opgeroepen om te zien, wat nu gaat gebeuren. Wat Hij herhaaldelijk in zijn lijdensvoorzeggingen heeft voorspeld, gaat zich nu voltrekken. De woorden van 9:31 worden hier herhaald. De passieve vorm wijst daar en hier op God, die de lijdensweg voor Hem heeft bepaald; tegelijk is het Judas, die als de over-leveraar voor de poort van de hof staat.
Gevangenneming en veroordeling 14:43-15:21
Gevangenneming en verhoor 14:43-65
De vertelling wordt bepaald door de uitvoerige beschrijving van de eerloze wijze, waarop Judas zijn voornemen uitvoert: een kus, het teken van de nauwe band; verder door het noemen van alle groepen van het Sanhedrin, dat de soldaten zond; en tenslotte door het wijzen op hun bewapening: als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken. Daar staat dan nog iemand tegenover, die zich een ogenblik te weer stelt; maar het maakt niets meer uit. Ook de vraag van Jezus in vs 48v sterft ahw. weg; Hij moet zelf het antwoord geven en dit trieste uur in het perspectief plaatsen van de Schriften. Hoe erg het ook voor Jezus was, voor de discipelen was het op een andere wijze ook heel erg triest; wegvluchten betekende voor hen tegelijk radeloos zijn, er niets meer van begrijpen, geen houvast meer hebben. De jonge man eindelijk, die in de slotverzen voorkomt, stelt ons voor vragen. Wie was dat, wat wilde hij, en waarom wordt hij hier genoemd? Sommigen vermoeden dat het een persoonlijke herinnering is van de evangelist; het zou ook een notitie kunnen zijn van degene, die in een eerder stadium de lijdensgeschiedenis op schrift heeft gesteld.
Marcus vertelt alleen maar van één adres, waar Jezus verhoord wordt: in het huis van de Hogepriester, waar het gehele Sanhedrin bijeenkwam. Hun voornemen, Hem te doden, staat vast; zij zoeken alleen nog naar een steekhoudende beschuldiging. Zelfs valse getuigen hebben het moeilijk, want anderen spreken hen tegen. Eén motief, dat steeds weer naar voren komt, is het afbreken van de tempel, waarover Jezus in bepaalde verbanden gesproken heeft (vgl. Mat. 26:60v; Joh. 2:19; maar ook bij Stefanus in Hand. 6:13v). Uit het Marcus-evangelie weten wij dat Jezus de ondergang van de tempel had voorzegd; maar het is begrijpelijk dat de kritiek, waarmee Jezus in zijn prediking en in zijn handelen ook de tempel en de cultus aldaar niet had ontzien (evenmin als de profeten uit het O.T. dat hadden gedaan) voor zijn vijanden aanleiding was, om onder dit trefwoord alle mogelijke beschuldigingen van godslastering te bundelen. Wanneer zij echter op deze weg niet verderkomen en Jezus zelf hen geen antwoord waardigt keurt, gaat de hogepriester als voorzitter tot die andere vraag over, die op alle mogelijke wijzen reeds herhaaldelijk een rol had gespeeld: Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Geprezene? Het is de vraag naar zijn zending en volmacht. Op zichzelf kon in het jodendom niemand aangeklaagd worden omdat hij zich als Messias uitgaf. Ook hier ging het niet om het messiasschap zonder meer, maar in verbinding met zijn handelwijze en zijn uitspraken, die steeds weer door hen als godslasterlijk waren afgewezen. Op deze vraag zwijgt Jezus niet. Nu het om de kern van de zaak gaat, antwoordt Hij in duidelijke bewoordingen: Ik ben het. Uit de daarop volgende zin (vs 62) blijkt echter, dat Hij op souvereine wijze zijn lijdensweg gaat, wetende dat Hij, die nu onder hun oordeel staat, eens als Zoon des mensen over hen zal oordelen. In de diverse lijdensaankondigingen lag de nadruk op het lijden van Hem, die eens als Zoon des mensen in heerlijkheid zou verschijnen. Nu komt de nadruk omgekeerd te liggen op de komende heerlijkheid van Hem, die nu de weg van het lijden aanvaardt en zich niet verzet, wanneer mensen in blind fanatisme Hem slaan en over Hem spotten.
De verloochening door Petrus 14:66-72
Wat Jezus onderweg van de opperzaal naar Gethsemane had aangekondigd, gebeurt reeds in dezelfde nacht. Voordat de haan door zijn kraaien de nieuwe ochtend aankondigt, loochent Petrus drie keer achter elkaar, ook maar iets met Jezus te maken te hebben, de derde keer zelfs met een eed. Daarbij wordt van enig direct gevaar niet gerept. Eerst wordt hij door een bediende aangesproken, dan vertelt deze het aan de omstanders, en ten slotte spreken die hem er op aan. Was dat de lafheid van iemand, die zich even tevoren nog zo dapper voordeed? In elk geval was het ook de grote teleurstelling van iemand, die bereid geweest was, zijn leven voor Jezus in te zetten, maar die nu generlei motivatie overgehouden had, nu Jezus de weerloosheid zelf was. Wanneer de kraaiende haan hem tenslotte aan de voorzegging van Jezus herinnert, huilt hij zich uit; maar er is niemand, die zijn tranen droogt en hem uit deze trieste situatie bevrijdt. Hij moet het doorstaan, totdat de Opgestane aan hem zal verschijnen.
Jezus voor Pilatus ter dood veroordeeld 15:1-21
Het verhoor voor de hogepriester, waarbij Marcus uitdrukkelijk vertelt, dat de gehele Raad daarbij aanwezig was, had in de nacht plaats gehad. Tegen de ochtend werd het besluit vastgesteld, dat bij de uitlevering aan Pilatus overhandigd zou worden en dat uiteraard de beschuldiging en de eis van de doodstraf bevatte. Alle andere straffen mochten in die tijd door de joodse instanties voltrokken worden; alleen de doodstraf hield de romeinse bezetter in eigen handen. Omdat de procurator, die in Caesarea resideerde, in de woelige dagen rondom het Paschafeest in Jeruzalem aanwezig was, om wet en orde te handhaven, was het maar een korte weg vanuit het hogepriesterlijke paleis op de Sionsberg naar het paleis van Herodes, waar Pilatus naar alle waarschijnlijkheid verblijf hield. Blijkbaar had men het punt van het messiasschap aangegrepen als primaire beschuldiging, want dit had zowel in hun eigen verwachting als ook blijkens de ervaringen van de laatste decennia een duidelijke politieke dimensie. De Romeinen waren beducht voor messiaanse bewegingen en schroomden niet, deze methardheid te lijf te gaan. Daarom de vraag van Pilatus: Zijt Gij de koning der Joden? Pilatus wantrouwt blijkbaar de beschuldigers. Jezus maakt op hem niet de indruk, een revolutionaire vrijheidsstrijder te zijn. Dat blijkt uit zijn vragen, uit zijn poging, Hem een antwoord te ontlokken op diverse beschuldigingen, en tenslotte uit de slinkse poging, hen te laten kiezen tussen Jezus en de oproermaker en moordenaar Barabbas, die ivm. de gewoonte, bij gelegenheid van het feest aan een gevangene gratie te verlenen. Zij kiezen voor Barabbas, hoewel noch de Sadduceeën noch de farizees gezinde schriftgeleerden sympathie voor de gewelddadige Zeloten hadden.
Jezus doet er het zwijgen toe, gaat ook niet in op de gelegenheid, die Pilatus Hem geeft, om zich tegen de beschuldigingen te verdedigen. Alleen op de vraag van Pilatus, antwoord Hij; de vraag, of Hij de koning der Joden was, verdiende een bevestigend antwoord; de zelfvernedering neemt toe: eerst rijdend op een ezel, nu geboeid voor de vierschaar der wereld, straks met een doornenkroon.
Pilatus speelt in dit alles een tweeslachtige rol. Enerzijds wil hij de normen van het recht handhaven tegenover een geëmotioneerde menigte; anderzijds durft hij hen niet te weerstaan. Hij had blijkbaar boter op zijn hoofd, was om zijn bruut optreden gehaat, werd vlgs. Joh. 19:12 zelfs tijdens dit proces onder druk gezet en volgens andere bronnen later ook metterdaad voor het keizerlijk hof in Rome beschuldigd, daarna afgezet en bestraft. Daarom oordeelde Pilatus het geraden, de schare haar zin te geven… gaf Jezus, na Hem gegeseld te hebben, over om gekruisigd te worden.
De soldaten reageren op hun ruwe wijze, maar ook in hun spot onderstrepen zij zonder dat te beseffen de diepe waarheid van Jezus’ lijden. Purpermantel en kroon (Mat. voegt daar nog de scepter aan toe) waren de insignia van een koning. Knieval en huldiging door het volk hoorden daarbij; maar dit alles gebeurt hier in een sfeer van diepste verachting; zoiets belachelijks hebben zij lang niet meer meegemaakt. Veracht, bespot, geslagen en bespuwd laat Jezus Zich wegvoeren naar de plaats van de kruisiging even buiten de toenmalige stadsmuur, op een plaats, die blijkbaar vanwege zijn ietwat verhoogde en ronde vorm Golgotha, di. schedelplaats genoemd werd.
Simon van Cyrene, wiens zonen blijkbaar in Rome woonden en daarom aan de lezers bekend waren, was een Jood uit de diaspora, die zoals vele anderen nu in Jeruzalem woonde. Blijkbaar was Jezus door alles, wat Hij had ondergaan, reeds zo zeer verzwakt, dat Hij onder de dwarsbalk van het kruis, die een veroordeelde zelf moest dragen, bezweek.
Kruisiging, dood en opwekking van Jezus 15:22-16:20
De kruisiging 15:22-41
De kruisstraf was de meest wrede doodstraf, ingevoerd door de Romeinen en naar vele getuigenissen ook in Palestina dikwijls voltrokken. De gestrafte bleef aan hetkruis hangen, totdat hij na uren van martelingen en koortsige pijn te hebben doorleden, eindelijk was gestorven. Ook in het geval van Jezus duurt dat bijna zes uren, tot drie uur in de namiddag. Daarbij weigert Hij zelfs een bedwelmende drank, wijn met mirre gemengd, die gegeven werd, om de pijn iets minder ondraaglijk te maken. Over zulke details bericht de evangelist, omdat hij het sterven van Jezus vertelt als verzoenend offer, als ‘losprijs voor velen’ (10:45), als ‘bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt’ (14:24). Daarbij dragen ook bijkomende dingen vanwege hun herinnering aan de Schrift vervullingskarakter: de soldaten, die het lot over zijn kleren werpen (vgl. Ps. 22:19) en de beide rovers, die links en rechts van Hem worden gekruisigd (vgl. Jes. 53: 12).
De grond voor de doodstraf werd tot afschrikking en vermaning van de menigte door de Romeinen op een bord geschreven en aan het kruis bevestigd, in dit geval, geheel in overeenstemming met hun beschuldiging en met Jezus’ eigen belijdenis (14:61v; 15:2): De Koning der Joden. God zorgt ervoor dat door alles heen deze paradoxe waarheid bekend gemaakt wordt, en wel door de officiële vertegenwoordiger van de hoogste rechterlijke macht op aarde.
De uren van het onuitsprekelijke lijden worden nog verzwaard door de beschimpingen en de spot van de voorbijgangers en medegekruisigden: Laat de Christus …nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven. Maar het was ook een laatste verzoeking voor Hem, die aansloot bij de verzoekingen aan het begin van zijn optreden (vgl. bv. Mat. 4:1-11). Wanneer Hij bij machte was, door een machtswoord aan zijn lijden een einde te maken, moet het onder die helse pijn (Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?) een grote verzoeking geweest zijn, dat niet te doen. Alleen de verblinde voorbijgangers vergissen zich, als zij zeggen, dat zij in dat geval in Hem zouden geloven. Geloof in de Messias, die voor Zichzelf zorgt, zou de benaming ‘geloof niet verdienen. Wat geloof is, wordt op Golgotha enigszins doorzichtig in de reactie van de heidense (!) hoofdman: Waarlijk, deze mens was een Zoon van God. Hoe deze dat ook bedoeld mag hebben, de evangelist laat ons zien dat echt geloof niet buiten het kruis om ontstaat, maar juist onder het kruis.
De duisternis van het zesde tot het negende uur, dus van twaalf tot drie uur, duidde het gebeuren aan als gericht van God en plaatste het in het perspectief van het laatste oordeel. Het scheuren van het voorhangsel in de tempel moet als teken van de voorzegde ondergang beschouwd worden. Ook de joodse geschiedschrijver Josephus vertelt van soortgelijke voortekenen in en bij de tempel; en in de Talmoed wordt zelfs gezegd dat dergelijke voortekenen van de komende verwoesting van de tempel veertig jaar voor de ondergang in het jaar 70, dus in het sterfjaar van Jezus, waren geconstateerd.
De begrafenis 15:42-47
Omdat het vrijdagnamiddag was en met zonsondergang de sabbat begon, was haast geboden, om Jezus nog tekunnen begraven. Een tot nog toe aan de lezers onbekende man, Josef uit de plaats Arimathea, openbaart zich als een vrome en rechtvaardige, die het Koninkrijk van God verwacht en op zijn minst deernis, zo niet verering voor Jezus heeft. Mat. en Joh. voegen er aan toe, dat hij althans in zijn hart een discipel van Jezus was. Had hij dat voordien uit vrees verborgen gehouden (Joh. 19:38), nu waagt hij het,Pilatus om het lichaam van Jezus te vragen. Als raadslid en edele kon hij het zich blijkbaar veroorloven een nabij gelegen graf hiervoor in elk geval voorlopig te gebruiken. Alleen Mat. spreekt over zijn graf. De zorg, die hij aan de wat haastige begrafenis besteedde, wordt door Marcus met enkele woorden geschetst. Graven, die in de rotsen uitgehouwen en met een zware, schijfvormige steen gesloten konden worden, kwamen bij Jeruzalem veel voor en zijn uit die tijd nog bewaard gebleven.
De opwekking 16:1-20
Wie het evangelie naar Marcus leest, zal zich verbaasd afvragen, hoe het komt dat juist het bericht over de opwekking van Jezus zo kort is; alle mogelijke details, verschijningen, ontmoetingen en gesprekken van de Opgestane ontbreken hier. Het evangelie eindigde oorspronkelijk nl. bij vs 8; de daarop volgende verzen 9-20 komen in een aantal oude en betrouwbare handschriften niet voor en geven de indruk, dat zij een samenvatting vormen van hetgeen in de andere evangeliën bericht wordt of uit andere bron bekend is, dus een latere toevoeging zijn, kennelijk op grond van de mening dat er toch iets aan ontbrak, wanneer de lezer alleen over de eerste-acht verzen van dit hoofdstuk beschikte. Toch schijnt het juist de bedoeling van Marcus geweest te zijn, zo beknopt over Jezus’ opwekking te berichten.
Wat vertelt hij? Dat de vrouwen, die volgens 15:47 getuigen geweest waren van de provisorische begrafenis, het lichaam van Jezus wilden zalven, zodra dat mogelijk was: na afloop van de sabbat, meteen toen het licht werd; verder dat zij, bij het graf gekomen, verbaasd constateerden dat het graf leeg was; en eindelijk dat een jongeling in een wit gewaad, een engel van God, hen inlichtte: De Gekruisigde is opgewekt. Dit is de kernzin. Verder wordt aan de vrouwen opgedragen, de discipelen in te lichten en hen te herinneren aan Jezus’ woorden (vgl. 14: 28), waarin Hij hen in uitzicht had gesteld, dat zij Hem na zijn opstanding in Galilea weer zouden ontmoeten. Overigens is hier steeds van opwekking en niet van opstanding sprake, om op Gods handelen aan zijn Zoon te wijzen. God, die Hem had overgeleverd, wekte Hem uit de dood op, bevestigde op deze wijze zijn welbehagen in Hem (vgl. 1:11) en verklaarde zijn sterven als volbrachte verzoening.
Dat de opwekking van Jezus niet beschreven maar verkondigd wordt en het lege graf alleen maar indirect als ‘bewijs’ dient, hebben alle evangeliën met elkaar gemeen. Het onbeschrijfelijke blijft onbeschreven; het kan alleen als voldongen feit en in zijn heilsbetekenis verkondigd worden; want dat is het evangelie: de verkondiging dat de Gekruisigde opgewekt is. Marcus heeft in zijn geschrift alles willen vertellen, wat aan deze pas op grond van Pasen mogelijke en ook pas na Pasen beginnende prediking van het evangelie voorafging, wat tot de kruisiging zou leiden en waarover tot Pasen nog een waas van het geheimzinnige en onbegrepene hing, en waarover pas na de opwekking van de Gekruisigde (vgl. 9:9) zinvol gesproken kon worden.
Wanneer deze overwinning van de Gekruisigde – en dat is tegelijk de werkelijkheid van de verzoening – tot de mensen zou doordringen, dan zou ook de vrees verdwijnen, waarvan in 16:8 nog een laatste keer sprake is en waarmee dit ‘begin van het evangelie’ (vgl. 1:1) eindigt. Daarop kon alleen nog maar het met overtuiging, inzicht en blijdschap verkondigde evangelie van kruis en opstanding volgen, zoals de lezers dat in hun gemeenten wekelijks of dagelijks hoorden en zingend vertolkten (vgl. 1 Kor. 15:3-5; Filp. 2:5-11).
Voor de toegevoegde perikoop verwijzen wij vooral naar de andere evangeliën. In vss 9-11 wordt conform Mat. 28:9v en Joh. 20:14-18 over de verschijning van Jezus aan Maria Magdalena en andere vrouwen verteld; vs 12v zinspeelt op de ontmoeting met de Emmaüsgangers in Luc. 24:13-35; vs 14 herinnert aan Luc. 24:36-43 en Joh. 20:19-23. Het zendingsbevel in vs 15 heeft zijn parallel in Mat. 28:16-20, maar de bewoording ervan en de beloften, die ermee verbonden zijn, zijn als zelfstandige verwerking daarvan resp. als samenvatting van diverse motieven uit eerdere uitzendingen door Jezus (Mat. 9:18; Luc. 10:19) en uit de ervaringen in de apostolische tijd (vgl. 1 Kor. 14:2vv; Hand. 8:7; 16:18; 19:6; 28:3-6; Jak. 5:14v) te beschouwen. Het gedeelte eindigt met een belijdenisachtige vermelding van de hemelvaart van Jezus (vgl. Mat. 26:64; Luc. 24:50v; Ps. 110:1) en de verklaring, dat de discipelen de zendingsopdracht hebben uitgevoerd en de werkelijkheid van de wonderen hebben beleefd, die hun getuigenis begeleidden.
Dit samenvattende slotgedeelte moet in elk geval in de loop van de eerste eeuwen aan het oorspronkelijke slot van 16:8 zijn toegevoegd. Het geeft overigens precies weer, wat ook volgens de strekking van het geheel van het geschrift van Marcus in het verlengde ligt van hetgeen hij wilde berichten. Daar, waar het ‘begin van het evangelie’ eindigt, daar houden onbegrip en vrees op; daar begint de verkondiging van het evangelie, die in 1:15 reeds vooraf in een samenvattende uitspraak geformuleerd was, in 14:9 voor de toekomst verondersteld werd en vlg. 13:10 tot de zin van de voortgaande geschiedenis behoort. De begeleidende tekenen, die hier bij wijze van voorbeelden ter sprake komen en op de een of andere wijze steeds door de kerk zijn – en worden – ervaren, zijn geschikt, om de lezers van alle tijden te bemoedigen, deel te nemen aan de verkondiging van deze goede tijding, de boodschap van Gods overwinning in deze wereld door de volbrachte verzoening in de opwekking van de Gekruisigde.