Menu

None

Moord bij Grieken en Romeinen

Extra bij Deel 1, hoofdstuk 2, uitgebreidere versie van ‘Moord bij Grieken en Romeinen’

Wat er na dit leven komt

Wie het ongeluk trof vermoord te zijn, werd gerekend onder de ‘rusteloze doden’. Er waren twee problemen: zij waren voor ‘hun tijd’ uit het leven weggerukt, maar zij waren ook beroofd van hun eer, en die moest hersteld worden. Het was begrijpelijk dat zij dus woedend waren en die woede richtte zich tegen hun moordenaars, maar ook tegen nabestaanden die nalieten hen te wreken. De moordenaar berechten was een belangrijke opdracht voor de nabestaanden, die moesten dat niet licht opnemen. Voor dit onderwerp bekijken we niet alleen de Griekse tijd maar ook de Romeinse periode. Plato herinnert ons aan een oud verhaal.

Dit verhaal wil dat wanneer mensen met een vrije geest een gewelddadige dood sterven, ze de eerste tijd woedend zijn op de dader. Ze zijn vervuld van angst door het ondergane geweld en dan zien ze wie hen doodde rondlopen in de streek waar zij gewoonlijk verbleven! In hun verwarring willen ze ook bij de dader – bij de man zelf en bij wat hij doet – uit alle macht voor verwarring zorgen door diens geheugen tot bondgenoot te nemen. Daarom is het noodzakelijk dat de dader een vol jaar uit de buurt van het slachtoffer blijft en hij alle vertrouwde plaatsen van het vaderland verlaat. […]1
Wanneer de naaste verwant nalaat vervolging in te stellen wegens de misdaad, gaat de bezoedeling door de smeekbeden van het slachtoffer als het ware op hém over. Iedereen mag hem voor de rechtbank brengen en op grond van de wet wordt hij gedwongen z’n vaderland vijf jaar te verlaten.2

In de ‘Wetten’ tekent Plato hoe de ideale gemeenschap volgens hem moet ingericht worden. We zien hier dus zijn opvattingen, niet noodzakelijk die van zijn tijdgenoten, al kunnen die wetten niet zo ver af staan van wat zij kenden dat het onbegrijpelijk werd.

Wie een moord gepleegd had, kon na de afschuwelijke daad behoorlijk lastiggevallen worden door de geest van de vermoorde. Ploutarchos vertelt het verhaal van Pausanias, een Spartaanse veldheer. Deze had Kleonike, een meisje van goeden huize, gevraagd ’s nachts bij hem te komen met de bedoeling haar te verkrachten:

Maar toen ze bij hem binnentrad, had hij haar in een vlaag van verbijstering en argwaan om het leven gebracht. Naderhand zag hij haar vaak in zijn dromen, terwijl ze tot hem sprak: “Kom jij maar steeds dichter bij je straf. Waarlijk, een ramp is de overmoed voor de mens.” Toen, naar het schijnt, het visioen zich bleef herhalen, voer hij naar Herakleia, naar de plek waar de zielen uit de onderwereld kunnen opstijgen en riep door gebeden en plengoffers de schim van het meisje op. Toen ze hem verscheen, zei ze dat zijn kwellingen een eind zouden nemen, als hij te Sparta kwam. Daar aangekomen stierf hij onmiddellijk.3

Aldus geschiedde gerechtigheid. We zien hier dat geesten uit eigen initiatief een boosdoener kunnen bezoeken, zoals in een droom, maar dat ze ook door necromantie kunnen worden opgeroepen. Zoals Herakleia waren er nog plaatsen waar men de doden kon bevragen; men noemt zo’n plaats een psychopompeion. Van dit meisje Kleonike weten we niet of ze goed begraven werd. Maar wie vermoord was kon toch altijd terugkomen om de moordenaar te sarren, zelfs als die dode keurig begraven was.

De Romeinse filosoof Cicero (1e eeuw v.Chr.) noemt een droom die blijkbaar algemeen bekend was destijds. Nu waren dromen niet een manifestatie van het onderbewuste, zoals moderne mensen denken, dromen waren verschijningen van goden of geesten die een boodschap uit de andere wereld brachten. De droom waar Cicero het over had ging over twee vrienden die aankwamen in de stad Megara. De ene trok in een herberg, de ander bij een vriend. Na het avondmaal gingen zij slapen, maar toen:

Midden in de nacht droomde de laatstgenoemde dat zijn reismakker om hulp riep, omdat de herbergier hem wilde doden. Aanvankelijk raakte hij in paniek van die stem en sprong uit bed. Toen de eerste schrik voorbij was, realiseerde hij zich: het is niets, het is maar een droom, en hij legde zich weer te rusten. In zijn slaap verscheen dezelfde droomgestalte. Nu zei hij: ‘Je wilde mij niet helpen toen ik nog leefde; zorg nu dat mijn dood niet ongewroken blijft. Ik ben vermoord door de herbergier, die mijn lijk op een wagen heeft gelegd en geheel overdekt heeft met mest. Ik verzoek je bij de stadspoort te zijn, morgenochtend, voordat de wagen de stad kan verlaten.’4

Deze keer nam hij de droom serieus, hij zorgde ervoor dat het lijk ontdekt werd. De herbergier werd gestraft.

Wie iemand had vermoord en later zelf stierf, werd door andere doden gemeden. De Griekse tragediedichter Aischylos (525-456) vertelt hoe Klytaimnestra samen met haar minnaar Aegisthos haar echtgenoot Agamemnon had vermoord. Zij had zichzelf namelijk beloofd wraak te nemen op haar man omdat die hun dochter Iphigenia had geofferd. Maar ook haar vreselijke daad kon niet ongewroken blijven. Daarom vermoordde haar zoon Orestes op zijn beurt de beide moordenaars. Als Klytaimnestra als schim in het dodenrijk ronddoolt klaagt zij: 

Zo blijf ik door jullie toedoen verstoken van aanzien onder
de andere doden, en komt er bij de gestorvenen
geen einde aan het geschimp van hen die ik vermoord heb –
in schande dool ik rond, maar ik zeg jullie ronduit
dat ik bijzonder zwaar door hen beschuldigd word.5

Er waren ook verhalen over Protesilaos. Die was wel gestorven, maar mocht toch het dodenrijk verlaten voor de wereld boven. Niet als geest maar als gezonde jongeman. Homeros had verteld dat Protesilaos als eerste Griek door een Troyaan werd gedood. “Nu dekte hem de donkere aarde. Zijn vrouw, in rouw zich de wangen openrijtend, was achtergebleven in Phylake in haar halfvoltooid huis.” Maar daar eindigde de historie niet, volgens de Latijnse schrijver Hyginus (1e eeuw n.Chr.). Die deelt in zijn Fabulae mee hoe Protesilaos’ vrouw Laodamia de goden smeekte dat zij hem nog eens zou kunnen ontmoeten, al was het maar voor drie uren. Het werd haar toegestaan, maar toen hij daarna een tweede keer stierf kon Laodamia haar verdriet niet verwerken. Loukianos vertelt meer. Bij hem is het Protesilaos zelf die Pluto (de Romeinse Hades), meester van de onderwereld, verzoekt om voor korte tijd naar het leven op aarde terug te keren. Pluto reageert dat alle doden dat wel willen. Maar Protesilaos zegt alleen naar zijn vrouw te verlangen: ”het is mijn wens om haar nog heel even onder ogen te mogen komen en daarna hier weer af te dalen.” Pluto vraagt of hij dan niet van het water van de Lethe gedronken heeft, dat hij zulke sterke herinneringen aan zijn vrouw heeft. Dat heeft hij zeker maar zijn verdriet om haar was groter. Pluto stelt voor te wachten tot ook zijn geliefde in het dodenrijk afdaalt, dat zal vast een keer gebeuren, maar Protesilaos verdraagt geen uitstel. Hij stelt – een beetje macaber – voor: “Ik kan haar, denk ik, er wel toe bewegen om mee te gaan naar u; dan krijgt u binnenkort twee doden in plaats van één.” Trouwens, had Pluto niet ook Orpheus toestemming gegeven zijn geliefde Eurydike mee te nemen naar het land der levenden? Pluto merkt nog op dat als Protesilaos “als ontvleesde en lelijke doodskop” naar zijn geliefde zal gaan, zij danig zal schrikken, maar Persephone, gemalin van Pluto, wil Hermes de opdracht geven hem met een tik van zijn staf weer tot een mooie jongeman te maken. Aldus geschiedde. Protesilaos krijgt één dag in de bovenwereld.6 Of nadien zijn geliefde hem heeft willen volgen naar de onderwereld is niet bekend.

Protesilaos was iemand die uit liefde naar de bovenwereld wilde. Maar liefde was lang niet altijd het motief. Het gebeurde ook wel dat sommige doden zich wilden wreken op nabestaanden en daartoe beroep deden op de Erinyen oftewel ‘Wraakgodinnen’ – ‘Furiën’ noemden de Romeinen hen. Ze waren uitgerust met vleugels en hadden slangenharen. Zij richtten hun wraak op degenen die ernstige misdaden hadden gepleegd door hen met hun gezangen tot waanzin te drijven tot ze stierven. Lang geleden, in 458 v.Chr., had de Griekse dichter Aischylos’ in het derde deel van zijn trilogie de titel Eumeniden meegegeven, ‘Goede geesten’, maar gaat over die Wraakgodinnen. Zij jagen op Orestes, die zijn moeder heeft vermoord. Zij had namelijk haar man, Orestes’ vader, vermoord, en van Orestes werd verwacht dat hij hem zou wreken. Vandaar. Maar moord is moord en de Erinyen jagen hem op, terwijl Orestes asiel zoekt bij een beeld van de godin Athene. De Erinyen:

Hé, hé, hier is een duidelijk teken van de man,
volg de aanwijzingen van de stemloze verklikker –
zoals een hond speuren wij naar het spoor van de
gewonde hinde, de neergevallen bloeddruppels. […]
En nu is hij hier ergens, weggedoken als
een haas: de geur van stervelingenbloed lacht mij toe.
Kijk, kijk nog eens goed, houd overal de plek in het oog,
dat niet ongemerkt de moedermoordenaar
er vluchtend vandoor gaat, ongestraft.
Daar is hij – bescherming genietend
van de onsterfelijke godin,
haar houten beeld omklemd houdend
wil hij de daden van zijn hand rechtvaardigen.
Onmogelijk is dat: moederlijk bloed, ter aarde gestort,
Is moeilijk terug te halen, papai –
Vocht, vergoten op de grond, verdwijnt.
Jij moet mij in ruil de rode brij uit je leden geven
om op te slurpen terwijl je nog leeft, van jou, hoop ik,
krijg ik mijn voedsel, drank ondrinkbaar.
Ik droog je levend uit en voer je weg naar beneden
om ter vergelding van moedermoordend leed te boeten.7

Men geloofde dat de geest van iemand die op een gewelddadige wijze aan zijn eind gekomen was een enorme kracht had. Het waren geesten die voor hun tijd gestorven waren door zelfmoord, terechtstelling of moord. Iemand die zulke gewelddadige dood had geleden werd biothanes genoemd. Voor een magiër was het bijzonder interessant om over zo’n geest controle te krijgen of er zich mee te identificeren. Zo werden in de 3e eeuw de christenen van de stad Smyrna ervan verdacht dat zij hun wonderen verrichten door op een necromantische wijze gebruik te maken van de geest van Jezus. De martelaar Pionius noemt dat Joden over Christus zeiden dat hij gestorven was “als iemand die een gewelddadige dood ondergaat,” vanwege zijn kruisiging. Pionius zegt spottend dat die Joden dan maar eens moeten zeggen welke ‘biothanes’ zoveel volgelingen heeft, en in naam van welke ‘biothanes’ zovele demonen werden uitgedreven en andere wonderen werden verricht. Dat laatste zal die Joden juist bevestigd hebben in hun donkere vermoedens. Maar vooral: “Ze weten niet dat het om een ‘biothanes’ gaat die door eigen keuze zijn leven beëindigt.” Dan kun je van een gewelddadige dood niet spreken, vindt Pionius.8

Daniël De Waele

Daniël De Waele was docent Protestantse Godsdienst en docent Nieuwe Testament aan het Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen (HIPGO) te Brussel. Hij publiceerde meerdere boeken met een cultuurhistorische insteek waarin hij zijn brede kennis over religiegeschiedenis deelt. Zijn nieuwste boek Wat er na dit leven komt gaat over het hiernamaals door de eeuwen heen. Op danieldewaele.com schrijft hij regelmatig blogs.


  1. Plato, Leg. 865 DE. Vert. M. Molegraaf, Plato: Wetten  , Amsterdam 2008. ↩︎
  2. Plato, Leg. 866 B. Vert. M. Molegraaf. ↩︎
  3. Ploutarchos, De sera 11, 555C. Vert. P.M.M. Geurts, Plutarchus van Chaeronea: Waarom God zo lang wacht met straffen – over godsdienstige angst, Kampen 1986. ↩︎
  4. Cicero, De Div. 1.57. Vert. W.A.M. Peters, Cicero: over het voorspellen van de toekomst, Baarn 1992. ↩︎
  5. Aischylos, Eum. 94-99. Vert. H. Altema, Aischylos: Oresteia, Zeist 2006, 117. ↩︎
  6. Homeros, ll. 2:695-710. Vert. M.A. Schwartz, Homerus: Ilias & Odyssee, Amsterdam 2021. Hyginus, Fabulae 103. Lukianos, Dodengesprekken, 23. Vert. H.L. van Dolen, Lucianus van Samosata: De droom & De gesprekken, Amsterdam 1992. ↩︎
  7. Aischylos, Eum. 244-275. Vert. H. Altena, Aischylos: Oresteia, Zeist 2006, 123-124. ↩︎
  8. M. Smith, Jesus the Magician, San Francisco 1978, 47. Het martelaarschap van Pionius, 13. Vert. J.N. Bremmer, J. den Boeft, Martelaren van de oude kerk: Bewaarde documenten van de christenvervolging tot circa 300 na Christus, Kampen 1988, 86-87. ↩︎

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken