Eleusische mysteriën
Extra bij Deel 1, hoofdstuk 2, paragraaf ‘Nieuwe Griekse ideeën’. Uitgebreidere versie van ‘Eleusische mysteriën.
Ik heb het grensgebied van de dood betreden, ik heb op Proserpina’s drempel gestaan [Persephone, godin van het dodenrijk], ik ben langs alle elementen meegevoerd en teruggekomen. Midden in de nacht heb ik de zon zien stralen met een helder licht. Ik heb oog in oog gestaan met de goden van de werelden onder en boven, ik heb hen van dichtbij aanbeden. – Voilà, nu heb ik het u verteld. U hebt het wel aanhoord maar begrijpt het niet, dat kan niet anders.1
Dit komt uit een roman van Apuleius, waarin we een paar kenmerken vinden van de mysterieculten. We begrijpen inderdaad niet goed wat Apuleius (2e eeuw n.Chr.) precies ervaren heeft tijdens zijn inwijding in de mysteriecultus van de godin Isis. Maar indrukwekkend, aangrijpend, moet het wel geweest zijn. Oog in oog te staan met de goden, een persoonlijke ontmoeting, dat was niet gebruikelijk in de Griekse of Romeinse wereld. Men ‘kende’ de goden niet, men zag wel wat ze teweegbrachten in de wereld, rijke oogsten of natuurrampen, en men kon middels divinatie wel hun wil of goede raad te weten komen, maar de goden zelf bleven voor de mensen verborgen. Behalve in de mysterieculten, lijkt het. Alleen dienden de geïnitieerden geheim te houden hoe die initiatie verlopen was, wat ze daar ontdekt hadden.
Wat waren die mysteriereligies? Wat gebeurde daar? In de oudheid waren de Eleusische mysteriën de bekendste van de mysterieculten. Deze hebben ook een bepalende invloed gehad op alle andere, zoals die van Dionysos en in de Romeinse tijd die van Isis, de Magna Mater en Mithras. In Eleusis, nabij Athene, kon iedereen de godin Demeter aanbidden, en wie meer wilde, kon deelnemen aan de mysteriën die aan haar gewijd waren. De Eleusische mysteriën stamden uit de 6e eeuw v.Chr., al werden zij nog populairder in de 1e eeuw v.Chr. tot de 2e eeuw v.Chr. Vanaf de 4e eeuw v.Chr. meende men dat ze door Orpheus waren gesticht.
We zagen eerder al dat een verblijf in het dodenrijk geen prettig vooruitzicht was. Maar men kon er wel wat aan doen, men kon zich laten inwijden in een mysteriereligie, wat alleen maar voordelen had, zowel voor dit leven als voor wat daarna kwam. Later, in de 1e eeuw n.Chr., was de Romeinse redenaar en politicus Cicero er vol lof over. Over de Eleusische mysteriën zegt hij:
Want ik geloof dat jouw geliefde Athene veel uitzonderlijke en goddelijke gaven heeft voortgebracht en in het menselijke leven heeft geïntroduceerd. Vooral deze mysteriën. Hieraan danken wij dat we vanuit een ruw en wreed leven menselijk en mild geworden zijn. En wij hebben de initiaties – een veelzeggende naam – echt leren kennen als de beginselen van het leven. We hebben niet alleen een fundament ontvangen om te leven in vreugde, maar ook om te sterven in een betere hoop.2
“Om te sterven in een betere hoop,” dat was naast “een leven in vreugde” een bijkomend doel dat men nastreefde door de inwijding te ondergaan. Sommigen lieten ook hun kinderen zo vroeg mogelijk deel hebben aan een inwijding, waardoor zij bij een eventuele vroege dood toch een gelukkig leven in het dodenrijk zouden genieten. Mogelijk werden zelfs baby’s bij de geboorte aan de godheid gewijd.
De mythe die bij de Eleusische mysteriën hoorde was die van Demeter – godin van graan en landbouw, wier dochter Persephone (of Kore) door Hades, de god van de onderwereld, was geschaakt. Hij wilde een koningin naast zich, vandaar. Ontroostbaar zwierf Demeter over de aarde, zoekend naar haar dochter, maar nergens vond zij haar. Ondertussen verdorden de gewassen op het land, misschien omdat Demeter er niet meer voor zorgde. Wanhoop greep de mensen aan, zonder voedsel zouden zij sterven. Ook de goden waren er niet gerust op, want zonder mensen geen offers, en zij beraadslaagden met elkaar: Hades moest Persephone teruggeven. Hermes, de boodschapper van de goden, werd afgevaardigd om het besluit van de goden mee te delen aan Hades, die toegaf aan de eis van de goden. Maar in het geniep wist hij Persephone toch enkele zaden van de granaatappel te eten te geven, drie of vier. En het was algemeen bekend dat wie in de onderwereld van de granaatappel at, daar moest blijven. Naar het aantal zaden dat Persephone had gegeten diende zij drie of vier maanden per jaar in de onderwereld te verblijven. Elk jaar opnieuw zouden voortaan de seizoenen, met de telkens terugkerende dood en leven, hun kringloop volbrengen. De mythe besluit met Demeter die haar dochter Persephone terugvindt, wat te zien was aan het ontluiken van de natuur in de lente. Hier spelen duidelijk Mesopotamische invloeden. In de droge hete zomers groeide daar nauwelijks iets en dat was omdat de goden die voor vruchtbaarheid zorgden in dat gedeelte van het jaar in het dodenrijk vertoefden. In Mesopotamië treffen we de verhalen over de afdaling van Isjtar en ook van Inanna in de onderwereld.3
De mythe van Demeter vertelt dat zij, vermomd als een oude vrouw, op haar zoektocht naar haar dochter bij Eleusis kwam. Hier werd een link gelegd met de mysteriën.
Daarop zette ze zich neer en ze trok de sluier over haar gelaat. Lang bleef ze zo op die zetel zitten, zwijgend en mismoedig, zonder door woord of daad jegens iemand vriendelijkheid te betonen. Zonder te lachen, zonder voedsel of drank aan te raken, zat ze daar, verteerd door verlangen naar haar laaggegordelde dochter.4
Toen maakte ze zich bekend als de godin. Als men voor haar in Eleusis een tempel zou oprichten, zei ze, zal “Ikzelf daar mijn erediensten stichten, zodat jullie me genadig kunnen stemmen door vroom de rituelen te vieren.” Zodoende werd in Eleusis voor haar een tempel opgericht, en daar onderwees zij de mysteriën die de geïnitieerde een gelukkig leven na de dood in de onderwereld beloofden. “Drievoudig gezegend zijn de stervelingen die deze riten gezien hebben en zo Hades binnentreden: voor hen alleen is er leven, voor de anderen is het al ellende,” beweerde tragediedichter Sophokles in de 5e eeuw v.Chr. Wie geïnitieerd waren in de rites van een mysteriecultus – mysteria betekent inwijding – zou het goed gaan in Hades. Ook Plato alludeerde daarop: “In hun verhaal [van Mousaios en zijn zoon] worden de rechtvaardigen de Hades binnengeleid, ze kunnen aanschuiven bij een feestmaal voor fatsoenlijke mensen, en bekranst en wel kunnen ze zich voor altijd aan dronkenschap overgeven.” In ‘Faidon’ schreef Plato: “Alle kans dat zij die bij ons de mysteriën in hebben gesteld niet de eersten de besten waren, en er waarheid schuilt in hun aloude spreuk dat wie oningewijd en onzuiver in de Hades komt, in de modderpoel zal liggen, maar dat wie gezuiverd en ingewijd komt, bij de goden zal verblijven.” Ook Adeimantos, Plato’s broer, zegt in Plato’s ‘De Staat’: “Maar wie onfatsoenlijk en onrechtvaardig zijn, begraven ze in een of andere modderpoel in de Hades en ze dwingen hen water in een zeef te dragen.”5 In Aristophanes’ (446-386 v.Chr.) komedie ‘De kikkers’ volgen we een gesprek tussen Dionysos en Herakles over wat die laatste gezien heeft in Hades. Hij vertelt van twee heel verschillende plekken aldaar – dat is dus anders dan bij Homeros, die zag het hele dodenrijk als één gebied.
Herakles
En dan, daarna,
Een eeuwig-modderborrelende poel.
Daarin zit iedereen die onrecht deed:
zijn gast beledigde, een lichtekooi
te kooi heeft opgelicht, zijn moeder sloeg,
zijn vader stompte op de kaak, zijn eed
meinedig zwoer, en verder iedereen
die verzen overschrijft van Morsimos.
Dionysos
Ach bij de goden, dan dus ook degeen
die met Kinesias de vuurdans danst.
Herakles
En daarna word je door muziek omringd,
door fluitmuziek. Je ziet een helder licht,
zo licht als hier en myrte zul je zien
en groepjes mannen, vrouwen, vol geluk,
je hoort hun handgeklap.
Dionysos
Wie zijn dat dan?
Herakles
De ingewijden.6
Gelukkig waren dus zij die in een mysteriecultus geïnitieerd waren. Reeds vóór Plato werd de lof gezongen van de geïnitieerde in de ‘Eerste lofzang op Demeter’ (7e eeuw v.Chr.).’ Deze maakt deel uit van de Homerische hymnen.
Zalig de mens op aarde, die deze mysteriën aanschouwd heeft! Maar wie niet ingewijd is in de geheimen, wie er niet aan deelneemt, krijgt niet eenzelfde lot, ook niet in het nevelige duister na de dood!7
In deze berichten treffen we een onderscheid aan in het lot dat mensen in het dodenrijk wordt toebedeeld. Belangrijk is dat in al de hierboven geciteerde teksten, het onderscheid wordt gemaakt op basis van het al dan niet ingewijd zijn. Dat was ook de enige voorwaarde: het ging erom het ritueel correct uit te voeren, de juiste woorden te reciteren, zich te laten meevoeren in het hele ritueel en de aanwezigheid van de godheid te ervaren. Wij weten niet hoe de inwijding precies verliep – zij was geheim – maar duidelijk is dat de deelnemer extremen van verschrikking en geluk ervoer. Daardoor trad een verandering in het bewustzijn op, in sommige culten ervoer men een extase, een catharsis of emotionele zuivering van de ziel. Men werd dan geconfronteerd met het heilige. Het ging niet langer om weten maar om ervaren. “Er staat iets te gebeuren in de ziel,” verwachtte in de 1e eeuw n.Chr. de Griekse filosoof Dio van Prusa; “Ik kwam uit de mysteriehal en voelde me als een vreemdeling voor mezelf,” schreef iemand die de mysteriën van Eleusis had bijgewoond.8 Wat in beschrijvingen telkens terugkomt, is een gaan door het donker en dan de plotse overgang naar het licht, dat een sterk bevrijdende ervaring geeft. De Griekse filosoof Ploutarchos (46-120 n.Chr.) vergeleek de toestand van de ziel bij het sterven met de mysteriën, hij schreef daarover:
Dan krijgt ze [de ziel] een ervaring zoals diegenen krijgen die in de grote mysteriën worden ingewijd […]. Er is een soort dwaaltocht, een afmattende doolhof en een doelloos en angstaanjagende reis door het duister, en dan vlak vóór het einddoel allemaal vreselijke beelden, huivering, trilling, zweet en paniek. Daarna straalt hem een wonderbaarlijk licht tegemoet en wordt hij ontvangen op heldere plaatsen en weiden vol met stemmen, danskoren en de plechtige sfeer van gewijde muziek en heilige verschijningen. Hij die nu volmaakt en volledig is ingewijd stapt daar bevrijd en ontspannen midden in rond, doet met een krans op het hoofd mee aan de heilige riten en verkeert temidden van reine en heilige mensen, terwijl hij neerkijkt op de niet ingewijde en niet verloste massa van levende mensen hier op aarde, die temidden van een hoop vuiligheid en stofwolken samenklitten […].9
Door deze inwijding zou de gelovige beschermd worden door de godheid. Zowel in dit leven als na de dood, dan zou hij een gezegend bestaan genieten in de onderwereld. Ploutarchos zei daar nog over dat vele mensen “denken dat sommige initiaties en purificaties zullen helpen: eens gereinigd, geloven ze, zullen zij doorgaan met spelen en dansen in Hades in plaatsen vol van helderheid, zuivere lucht en licht.”10
Mysteriën reinigden de ziel, toch betekende dat niet dat van de participanten nu een moreel hoogstaand leven werd geëist, in ieder geval niet in de begintijd van de mysteriën. Dat deed Diogenes de Cynicus (4e eeuw v.Chr.) uitroepen: “Wat zeg je daar? Zal de dief Pataikion na zijn dood een beter lot wachten dan Epameinondas, alleen omdat hij ingewijd is?” En Aristophanes verhaalt in zijn ‘Vrede’ hoe de god Hermes de held Trygaios meedeelt dat hij moet sterven. “Het staat dus vast?” zei Trygaios, en Hermes bevestigde: “Je weet: het vonnis is geveld.” Waarop Trygaios zegt: “Kun u mij dan iets lenen? ‘k ben erop gesteld mij voor ik sterf nog even in te laten wijden.”11 Dan zou hem een beter lot in de onderwereld wachten. Weliswaar zingt de koorleider in Aristophanes’ ‘Kikkers’ dat onreinen, ruziemakers, bedriegers en dergelijke geen plaats hebben onder zij die worden ingewijd, maar zo hekelt Aristophanes op humoristische wijze de mysteriën. Alleen wie een moord gepleegd had kwam niet in aanmerking tot toetreding tot de mysteriën, niet op morele gronden, maar omdat het vergieten van bloed hen ritueel onrein maakte.12
Anderen zouden later toch aandacht geven aan de daden van de mens in deze ondermaanse wereld. Naar zijn goede of boosaardige levenswandel zou de mens beloond of bestraft worden in het leven hierna.

Daniël De Waele was docent Protestantse Godsdienst en docent Nieuwe Testament aan het Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen (HIPGO) te Brussel. Hij publiceerde meerdere boeken met een cultuurhistorische insteek waarin hij zijn brede kennis over religiegeschiedenis deelt. Zijn nieuwste boek Wat er na dit leven komt gaat over het hiernamaals door de eeuwen heen. Op danieldewaele.com schrijft hij regelmatig blogs.
- Apuleius, Met. 11:18-26, vert. V. Hunink, Apuleius: De gouden ezel, Amsterdam 2012, 334. Over mysteriereligies: D. De Waele, Ontluikend christendom: Cultuurgeschiedenis van een nieuwe religie in de Grieks-Romeinse wereld, Utrecht 2021, 288-297. ↩︎
- Cicero, Leg. 2:14:36. Vert. M. Klink, Cicero: Wet en rechtvaardigheid, Eindhoven 2023, 87. ↩︎
- Zie D. De Waele, Ontwakend Jodendom: Cultuurgeschiedenis van een nieuwe religie in de oude Oriënt, Utrecht 2024, 431-436. ↩︎
- Eerste lofzang op Demeter, 197-201, Vert. H. Verbruggen, Homerische hymnen,Amsterdam 1995. ↩︎
- ‘Rituelen te vieren’: Eerste lofzang op Demeter, 272-274. Vert. Verbruggen. ‘Voor anderen is het al ellende’: Sophokles, Frag. 719. In: J.N. Bremmer, The Rise and Fall of the Afterlife, London New York 2002, 6. ‘Aan dronkenschap overgeven’: Plato, Resp. 363 C, D. Vert. H. Warren & M. Molegraaf, Plato: Het bestel, Amsterdam 2000. ‘Bij de goden verblijven’: Plato, Phd, 69 C. Vert. H. Warren & M. Molegraaf, Plato: Faidon, Amsterdam 1995. ‘Water in een zeef dragen’: Plato, Resp. 363 D. Vert. Warren & Molegraaf. ↩︎
- Aristophanes, Ran. 145-158. Vert. M. d’Hane-Scheltema, Aristophanes: De kikkers, De wolken, Bussum 1971, 18-19. ↩︎
- Eerste lofzang op Demeter, 480-482. Vert. H. Verbruggen, Homerische Hymnen, Amsterdam 1995. ↩︎
- Dio Chrisostomos, Or.12.33, Sopatros, Rhet. Gr. 8:114, in: W. Burkert, Ancient Mystery Cults, Cambridge London 1987, 19, 90. ↩︎
- Ploutarchos, Fr. 178. (Stobaeus Anthologium 4:52:49). Vert. G. Janssen, Plutarchus: Maralia X, Leeuwarden 2011, 399. ↩︎
- Ploutarchos, Non posse, 1105b, in Burkert, Ancient Mystery Cults, 23. ↩︎
- Diogenes: Ploutarchos, de Aud. Poet. 21F, Vert. G. Janssen, Plutarchus: Moralia II, Leeuwarden 2013, 60. Aristophanes: Eir. 1:372. E. De Waele en H.M. Wertheim, Aristophanes: De Vrede, Amsterdam Antwerpen 1952. ↩︎
- R. Garland, The Greek Way of Death, London 1985, 62. ↩︎