Menu

None

Zelfmoord bij Grieken en Romeinen

Extra bij Deel 1, hoofdstuk 2, ‘Zelfmoord bij Grieken en Romeinen

Wat er na dit leven komt

In deze paragraaf hebben we het over zelfdoding bij Grieken, Romeinen, en de latere neoplatoonse filosofen.

Zelfmoord is verboden door de goden

Een mens mocht zich niet zomaar van het leven benemen, vonden alvast orphici en pythagoreeërs. In ‘Faidon’ verwijst Plato naar een geheime leer van de orphici:

De geheime leer die hieromtrent wordt verkondigd – als zouden wij mensen ons in een soort gevangenis bevinden waaruit we niet mogen weglopen of ons bevrijden – lijk me nogal zwaarwichtig en moeilijk te doorgronden. Maar, Kebes, dat de goden onze oppassers zijn en dat wij mensen voor de goden tot hun kudde behoren, lijkt me een juiste opvatting. Vind je ook niet?1

De mens behoort de goden toe, en die hebben verordend dat de mens een bepaalde tijd in zijn lichaam gevangen moet zitten. Je mag daar niet zomaar uit weglopen. Plato zegt dat wel een zwaarwichtig idee te vinden, maar accepteert dit toch – zo zal nog blijken. De pythagoreeër Euxitheos (5e eeuw v.Chr.) zou onderwezen hebben dat alle zielen in een lichaam opgesloten waren en dat dat een straf was die moest worden uitgeboet: “De goden verordenden dat als zij weigerden in het lichaam te blijven tot zij hen bevrijdden, zij zullen worden ondergedompeld in verdere en verschrikkelijkere kwellingen.” Clemens van Alexandrië haalt de pythagoreeër Philolaos (5e eeuw v.Chr.) aan, die bevestigde dat het verblijf in het lichaam een straf was: “De oude godgeleerden en wichelaars getuigen ook, hoe ter wille van zekere tuchtigingen de zielen met het soma (lichaam) onder het juk gaan en als het ware in dit sèma (graf) begraven zijn.” Pythagoreeërs veroordeelden zelfmoord en christelijke apologeten maakten graag gebruik van wat die daarover hadden geschreven.2

In ‘Wetten’ vindt Plato dat wie de hand aan zichzelf heeft geslagen uit lafheid en lamlendigheid – dus zonder daartoe door een gerechtelijk bevel te worden gedwongen – een mooie begrafenis moet worden ontzegd. Hij zal begraven worden in eenzaamheid, op een ongebruikt stuk grond, roemloos en naamloos: “Geen gedenkteken, geen opschrift zal hun graf markeren.” En ook Aristoteles had opgemerkt over de zelfmoordenaar: “Daarom straft de stadstaat hem ook, en zij treft degene die zelfmoord heeft gepleegd met een zekere smaad vanuit de gedachte dat hij de stadstaat onrecht aandoet.” Die smaad bestond erin dat zijn rechterhand werd afgehakt en apart werd begraven. Ook in het latere Romeinse keizerrijk werd zelfmoordenaars een rituele begrafenis geweigerd. Begrafenisverenigingen, waarbij men mits een maandelijkse contributie kon aansluiten om zich van een waardige begrafenis te verzekeren, stipuleerden dat wie de hand aan zichzelf sloeg zijn rechten op een begrafenis verspeelde. De Griekse droomuitlegger Artemidoros (2e eeuw n.Chr.) vertelt over iemand die, geplaagd door ellende, zichzelf ophing, en daarom “ook in de dood geen naam had. Want de zelfmoordenaars zijn de enigen die bij het dodenmaal door hun verwanten niet bij name worden geroepen.” In de 1e eeuw zei de Joodse historicus Josephus over zelfmoord: “Maar de zielen van hen die zo dwaas zijn om zelf een einde aan hun leven te maken, komen terecht in de donkere Hades […].”3

Neoplatoonse filosofen (een latere ontwikkeling in het platonisme) stonden in de pythagorese traditie die zelfmoord verbood. Het lichaam was een middel om het heil te beërven, door het lichaam kon de ziel haar fouten uitboeten en men diende de ziel ook de nodige tijd daartoe te bieden en dus het leven niet voortijdig te beëindigen. Reeds de vader van het neoplatonisme, Plotinos (204-270), was niet gewonnen voor zelfmoord: “U mag de ziel niet dwingen het lichaam te verlaten; dan zou ze niet echt gaan.”4 Het viel te vrezen dat als de ziel gedwongen was te gaan, zij toch iets van het lichaam zou meenemen, legt hij uit. Wat doet denken aan Plato’s woorden over degene die al te zeer in de ban was van lichamelijke genoegens, die werd na zijn heengaan weer naar beneden getrokken.5 Ook de neoplatonist Porphyrios (234-305) waarschuwde:

Want omdat een verdorven en irrationele ziel, wanneer zij het lichaam verlaat, nog steeds gedwongen is om aan het lichaam te blijven kleven, zoals ook de zielen van die mensen die door geweld omkomen door het lichaam worden vastgehouden – deze omstandigheid zou een mens ervan moeten weerhouden om zijn ziel met geweld uit het lichaam te verdrijven.6

Deze neoplatonisten namen een pythagorese theorie over volgens dewelke het aardse leven van de mens gebonden was aan mysterieuze getallen. Macrobius (rond 400 n.Chr.): “De ziel is verbonden met het lichaam door vaste en onveranderlijke numerieke verhoudingen […] Dat is wat men het lot noemt en de vaste duur van het leven.”7 Je kon daar niet zomaar aan morrelen.

Zelfmoord toegestaan (of verplicht) in sommige gevallen

De dichters van treurspelen vonden zelfmoord soms een aanvaardbare uitweg uit onmogelijke situaties. En ook filosofen meenden dat suïcide in sommige gevallen juist prijzenswaardig was. Het was een blijk van de vrijheid van de wijze, die zich zo kon terugtrekken uit een ondraaglijke situatie. Plotinos had dan wel beweerd dat men die ziel niet mocht dwingen het lichaam te verlaten, elders beweerde hij over de wijze: “hij ondervindt geen beletsel om dat aardse leven te verlaten. Bovendien kan hij het verlaten als het uur, dat de natuur heeft bepaald, slaat en zelf heeft hij het ook in zijn macht om daar een beslissing over te nemen.”8 Stoïcijnen (een filosofische school uit de oudheid) vonden dat als het leven voor een filosoof ondraaglijk werd, hij eruit mocht stappen, weliswaar na een beredeneerde beschouwing van de omstandigheden, niet door subjectieve impulsen. Diogenes Laërtius schreef over de stoïcijnen:

Ze zeggen dat de wijze op redelijke gronden zelf het leven zal verlaten zowel ter wille van zijn vaderland als van zijn vrienden of omdat hij ondraaglijke pijn lijdt, verminkt is of ongeneeslijk ziek.9

Natuurlijk kon er van overheidswege een bevel uitgevaardigd worden dat iemand zelfmoord moest plegen. Hij zal dan “ongetwijfeld vol vreugde uit de duisternis hier naar het licht van ginds verhuizen; hij zal niet de ketenen van zijn gevangenschap verbreken – want dat verbieden de wetten – maar alsof hij door een magistraat of door een wettige macht was opgeroepen, zo zal hij, door god opgeroepen en uit de gevangenis ontslagen, uit het leven weggaan,” zei Cicero.10 Het goddelijke licht tegemoet dus. Het bevel van de overheid werd gezien als een oproep van de godheid. Sokrates ondervond het aan den lijve, hij werd officieel ter dood veroordeeld op beschuldiging van het bederven van de jeugd en het ontkennen van het bestaan van de goden. Hij had kunnen vluchtten voor dergelijk vonnis. Toen Aristoteles beschuldigd werd van goddeloosheid ontvluchtte hij Athene, zodat de Atheners “niet een tweede keer zouden zondigen tegen de filosofie”; hij voelde er niets voor als een tweede Sokrates tot de dood te worden veroordeeld. Maar toen Sokrates de gifbeker kreeg aangereikt, nam hij die aan om blijmoedig, zonder te beven of te verbleken, de vraag te stellen of van de drank ook iets aan de goden mocht worden geplengd. Dat bleek niet te kunnen want er zat precies genoeg gif in. Dus dronk Sokrates de beker rustig leeg. Zijn vrienden braken in tranen uit, maar Sokrates berispte hen. Hij had vernomen dat men in aandachtige stilte hoorde te sterven, zij moesten zich dus beheersen en rustig blijven.11 De Romeinse filosoof Cicero (1e eeuw v.Chr.) doet het verhaal van Theramenes, die op bevel van de dertig tirannen (dertig antidemocratische Atheense burgers) ook tot de gifbeker was veroordeeld. Cicero vindt het een ontroerend verhaal waarbij men de tranen in de ogen krijgt:

Toch blijkt de dood van deze roemruchte figuur niet iets om over te jammeren. Toen hij op bevel van de dertig tirannen in de gevangenis was gezet en de gifbeker naar de mond had gebracht alsof hij dorst had, smeet hij het overschot zo hard uit de beker dat het duidelijk te horen was en zei bij dat geluid: ‘Dit is voor de mooie Critias’.

Critias was zijn ergste tegenstander en door diens naam te roepen zou hij die beker overnemen.

Zo gebruikte deze bijzondere man nog zijn laatste adem om te spotten, toen hij de dood al naar binnen had gedronken. Hij voorspelde de dood van degene op wie hij met de gifbeker toostte, en die liet inderdaad niet lang op zich wachten.12

In de 1e eeuw n.Chr. kreeg ook de stoïcijnse filosoof Seneca van keizer Nero het bevel de hand aan zichzelf te slaan. De keizer verdacht hem van deelname aan een samenzwering tegen hem. ‘Stoïcijns’ sneed Seneca zijn aderen open, maar zijn bloed was te dik. Hij nam gif, maar ook dat had onvoldoende uitwerking op zijn sterke gestel. Uiteindelijk is hij gestikt in de hete dampen van zijn bad.13 Seneca had in zijn leven al gereflecteerd over het onderwerp van zelfdoding. Verspreid over zijn geschriften vinden we daar informatie over. Voor hem was het leven op zich niet ‘heilig’:

Je zult ook mensen vinden die de wijsheid in pacht menen te hebben en toch zeggen dat men geen geweld tegen het eigen leven mag gebruiken. Naar hun oordeel is het absoluut verkeerd jezelf te doden, ja, we moeten wachten op het einde dat de natuur voor ons heeft beschikt. Wie dat zegt ziet niet dat hij zichzelf de weg naar de vrijheid verspert. Het beste wat de eeuwige wet heeft gedaan, is dat zij ons één ingang tot het leven heeft gegeven, en vele uitgangen.14

Met dat laatste duidt Seneca op allerlei mogelijkheden om er een eind aan te maken. Toch vond Seneca het verkeerd te “vluchten uit het leven” uit verveling, om te ontkomen aan vele verplichtingen of zelfs uit angst voor chronische pijn. Maar je moest je ook weer niet wanhopig vastklampen aan het leven tegen elke prijs, soms was het verstandig uit het leven te stappen. “Arme ziel, je bent slaaf van de mensen, slaaf van de dingen, slaaf van het leven! Want leven zonder de moed te hebben te sterven, dat is slavernij!”15 Belangrijk was wel het juiste moment te kennen en dat moest iedereen voor zichzelf uitzoeken. Maar voor wie de tijd gekomen was had Seneca wel enkele suggesties:

We zullen tonen dat in iedere slavernij een weg naar de vrijheid openstaat. Als je geestelijk ziek bent en door je zwakheid ongelukkig, kun je deze ellende beëindigen gelijk met jezelf. […] Waar je ook maar kijkt, biedt zich een einde van jouw ongeluk aan. Zie je die steile top? Daar daalt men naar de vrijheid omlaag. Zie je die zee, die rivier, die put? Op de bodem zetelt de vrijheid! Zie je die korte, verdorde, onvruchtbare boom? Daar hangt je vrijheid. Zie je je hals, je keel, je hart? Het zijn vluchtwegen uit je slavernij. Toon ik je uitwegen die te moeizaam zijn en veel moed en kracht eisen? Vraag je wat de wet naar de vrijheid is? Iedere ader van je lichaam!16

Een andere aanvaardbare reden op uit het leven te stappen was de liefde, de echtelijke liefde. Seneca, tot zelfmoord verplicht, probeerde zijn vrouw te troosten over zijn heengaan, hij smeekte en bezwoer haar “dat zij haar verdriet zou weten te beheersen en dat zij niet tot in lengte van dagen zou toegeven aan haar smart.” Maar dat was zij ook niet van plan. “Zij daarentegen verklaarde plechtig ‘dat ook zij voor zichzelf besloten was te sterven’ en eiste nadrukkelijk een helper om haar te doden.” Seneca apprecieerde dat zij de “glorie van de dood” verkoos boven het leven. “Moge bij ieder van ons beiden een even onwrikbare wil tot dit zo moedig verscheiden aanwezig zijn, maar moge er van uw levenseinde meer roem afstralen,” zei hij nobel. Hierna lieten zij beiden met één haal van een mes de aderen van de armen openen. Het baatte Seneca’s vrouw echter niet. Nero hoorde ervan en gaf bevel te verhinderen dat zij stierf. Door het geleden bloedverlies bleef zij nog slechts een paar jaren leven “met zo’n vaal gezicht, met ledematen die zo doorschijnend werden van bleekheid, dat men het haar aanzag dat veel van haar vitale kracht was weggeëbd.”17 Een vrouw kon dus de trouw aan haar ene man betuigen door hem, als hij overleden was, in de dood te volgen. Zeker als hij slachtoffer was van politieke strubbelingen, vonden sommigen dat wel gepast. Arria, vrouw van de Romeinse senator Caecina Paetus (1e eeuw n.Chr.), verweet de vrouw van een lid van haar mans politieke fractie dat zij zomaar durfde verder te leven nadat haar echtgenoot nota bene in haar eigen armen vermoord werd. Zij beval ook haar eigen dochter aan zelfmoord te plegen als haar gade eerder zou sterven. Toen Arria’s eigen man werd verzocht zich van het leven te benemen op bevel van keizer Claudius stootte zij de dolk in haar eigen borst en sprak de beroemd geworden woorden: Non dolet, Paete, “het doet geen pijn, Paetus.”18

De Griekse filosoof Ploutarchos wil in zijn werkje ‘Gesprek over liefde’, het verhaal van Kamma uit Galatië niet onvermeld laten. Kamma was een zeer knappe vrouw, gehuwd met de viervorst Sinatos – een vazalvorst van de Romeinen. Het ongeluk wilde dat ene Sinorex, de machtigste man van heel Galatië, op haar verliefd werd en daarom doodde hij Sinatos. Kamma trok zich terug in het heiligdom van de godin Artemis, waar zij als priesteres de godin diende. Velen zochten haar op om haar een aanzoek te doen, maar daar ging zij niet op in. Tot ook Sinorex, de moordenaar van haar man, het waagde om met haar over een huwelijk te komen praten. Wonderlijk was dat zij zijn avances niet afwees en met geen woord repte over zijn vreselijke daad.

Zij kwam hem tegemoet, nam hem bij de hand, leidde hem naar het altaar van de godin en bracht een plengoffer uit een schaal met een honingmengsel, dat kennelijk was vergiftigd. Vervolgens dronk ze zelf als eerste ongeveer de helft op om de rest aan de Galatiër te geven. Toen zij zag dat hij het op had, stiet zij een heldere vreugdekreet uit, riep de naam van haar gestorven man en zei: “Liefste, dit is de dag waarop ik heel die vreselijke tijd zonder jou gewacht heb. Kom me halen alsjeblieft! Want nu ik die afschuwelijke misdadiger als wraak voor jou gestraft heb, zal ik met plezier zijn doodsgezel zijn, zoals ik jouw levensgezel ben geweest.”19

Daarop werd Sinorex op een draagbaar weggevoerd, hij stierf kort daarna, terwijl Kamma nog een dag en een nacht leefde, alvorens zij zich blijmoedig bij haar wettige echtgenoot vervoegde.

Het kan tenslotte niet ontkend worden dat er voor het plegen van zelfmoord toch enige moed nodig was. Toen keizer Nero, die Seneca bevolen had zelfmoord te plegen, zelf na een opstand door de senaat tot staatsvijand werd uitgeroepen, sloeg hij op de vlucht. Maar eigenlijk was de enige manier om aan een vernederende dood te ontsnappen, zelf uit het leven te stappen. Alleen kon hij zichzelf daar niet toe brengen, als begenadigd lierspeler riep hij uit: “Welk een kunstenaar gaat in mij verloren!” alvorens zijn secretaris hem hielp de dolk aan de keel te zetten.20

Zelfmoord als de godheid je een wenk daartoe geeft

Zelfmoord was dus in principe verboden. Zich van het leven – van het lichaam – te bevrijden, was opstand plegen tegen de godheid. Men diende te wachten tot de godheid de mens vrijzette. Sokrates beaamde dat, maar maakte een belangrijke nuance (ik cursiveer):

Misschien is het in dit licht dan ook niet onredelijk te zeggen dat men geen zelfmoord mag plegen eer god iets onontkoombaars heeft gezonden, zoals ons dat nu treft.21

Alleen als de godheid een duidelijk teken gaf, mocht men zich van het leven beroven – of beter: laten beroven. In de veroordeling tot de gifbeker, waarover we het al hadden, herkende Sokrates dit teken van de godheid. In zijn ‘Apologie’ zegt hij: “Ook wat mij nu overkwam, is niet zomaar gebeurd. Ik zie duidelijk dat het voor mij beter is om dood te zijn en van alle zorgen te zijn bevrijd. Dat is ook de reden dat het teken mij nergens van weerhield en dat ik hen die mij veroordeelden en hen die mij aanklaagden in het geheel niets kwalijk neem.”22 Eeuwen later treffen we deze gedachte ook aan bij de Romeinse filosoof en politicus Cicero (1e eeuw v.Chr.):

Maar als ons iets overkomt waardoor de god ons als het ware het teken geeft dat wij uit het leven moeten heengaan, willen wij blij en dankbaar gehoorzamen en ons voorstellen dat we uit een gevangenis worden losgelaten en van boeien bevrijd om terug te gaan naar onze eeuwige woning waar wij echt thuis zijn, of om voortaan verlost te zijn van alle gevoel en pijn.23

Cicero vertelde nog over Publius Scipio Aemilianus, die Carthago had veroverd, en die een wonderlijke droom kreeg waarin hij de hemelen had geschouwd. Je kon daar echter alleen terecht als God je uit dit leven wegnam of wegriep.

Deze plaats is voor jou alleen toegankelijk, als de god, aan wie deze hele heilige ruimte die je ziet toebehoort, je uit die gevangenschap van het lichaam heeft bevrijd. […] Daarom dien jij, Publius, en ieder ander die vroom is, je ziel in het lichaam opgesloten te houden. Jullie mogen niet uit het leven van de mensen vertrekken zonder opdracht van degene door wie die ziel aan jullie geschonken is, om niet de indruk te wekken, dat jullie je willen onttrekken aan de taak die de godheid jullie als mensen heeft toegewezen.24

De stoïcijn Epiktetos (1e eeuw n.Chr.) bevestigde deze ideeën. Stel, zo hield hij zijn leerlingen voor, dat zij naar hem toekwamen met de vraag of zij dit zinloze en ellendige leven niet beter konden verlaten door zich van het leven te benemen, dan zou zijn antwoord zijn:

Mensen, wacht op God! Wanneer hij eenmaal het teken heeft gegeven en jullie uit die slavernij bevrijdt, dan kunnen jullie pas naar hem ontsnappen. Tot die tijd moeten jullie je erbij neerleggen op de plek te blijven waar hij jullie heeft opgesteld.”25

Epiktetos herinnert daarbij aan Sokrates; je mag uit het leven stappen, doch niet zomaar:

Alleen moet ik dat niet zonder de rede doen, niet uit zwakheid, niet onder het eerste het beste voorwendsel, want dat wil God ook niet. Hij heeft behoefte aan zo’n wereld, aan zulke mensen. Maar als hij het signaal geeft voor de aftocht, zoals hij dat aan Socrates gaf, dan moet ik aan zijn bevel gehoorzamen, zoals aan dat van een generaal.26

Sokrates had een teken van de godheid herkend in het oordeel van het rechterlijke vonnis over hem. Maar welke tekenen gaf de godheid dan nog? Zeno, de stichter van het stoïcisme (ca. 335–262 v.Chr.) kwam volgens een bepaalde overlevering als volgt aan zijn einde. Eens, bij het verlaten van zijn school, struikelde hij en brak daarbij zijn een teen. Hij klopte toen op de grond en citeerde een vers van een dichter: “Ik kom er al aan, waarom roep je mij?” Blijkbaar vatte hij het gebeuren op als een wenk van de godheid om het leven te verlaten, want hij hield zijn adem in en stierf. Van Kleanthes, een leerling van Zeno, wordt iets soortgelijks verteld. Hij kreeg een gezwel in zijn tandvlees en de dokters schreven hem voor twee dagen te vasten. Dat had een goed resultaat en hij mocht weer gewoon eten. “Hij had daar evenwel geen zin in en zei dat hij alle voorbereidingen voor de reis getroffen had; de rest van zijn dagen nam hij ook geen voedsel meer tot zich en zo stierf hij.” Waarschijnlijk interpreteerde hij de kwaal als een uitnodiging van de godheid het leven te verlaten. We zullen nog zien dat sommige christelijke martelaren zich ook afstemden op de hemel om te vernemen of daar een roep tot martelaarschap te horen viel.27

Daniël De Waele

Daniël De Waele was docent Protestantse Godsdienst en docent Nieuwe Testament aan het Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen (HIPGO) te Brussel. Hij publiceerde meerdere boeken met een cultuurhistorische insteek waarin hij zijn brede kennis over religiegeschiedenis deelt. Zijn nieuwste boek Wat er na dit leven komt gaat over het hiernamaals door de eeuwen heen. Op danieldewaele.com schrijft hij regelmatig blogs.


  1. Plato, Phd. 62 B. Vert. H. Warren & M. Molegraaf, Plato: Faidon, Amsterdam 1995. ↩︎
  2. ‘Verschrikkelijkere kwellingen’: Athenaeus 4.157 C. In: R. Garland, The Greek Way of Death, London 1985, 98. ‘In sèma (graf) begraven’: Clemens van Alexandrië, Strom. 3:17:1. Vert. H.U. Meyboom, Oud-Christelijke Geschriften in Nederlandse Vertaling: Clemens Alexandrinus VII, Leiden 1914. ‘Christelijke apologeten’: R. Turcan, ‘La catabase orphique du papyrus de Bologne’, Revue de l’histoire des religions 150-2 (1956), 136-172, i.h.b. 144-145. ↩︎
  3. ‘Geen opschrift zal hun graf markeren’: Plato, Leg. 873 D. Vert. M. Molegraaf, Plato: Wetten, Amsterdam 2008. ‘Rechterhand apart begraven’: Aristoteles, Eth. Nic. 5:11:3. Vert. Ch. Hupperts, B. Poortman, Aristoteles: Ethica Nicomachea, Budel 2013, 186, 347, n.90. Vgl. Plato, Leg. 873C. ‘Zelfmoordenaars niet bij dodenmaal’: Artemidoros, On. 1:4. Vert. S. Mooij-Valk, Artemidoros van Daldis: Droomboek, ’s Hertogenbosch 2003. ‘In donkere Hades’: Josephus, BJ. 3:375. F.A.M. Meyer en M.A. Wes, Flavius Josephus: De Joodse Oorlog & Uit mijn leven, Baarn 1992. ↩︎
  4. Plotinos, Enn. 1:19. Vert. R. Ferwerda, Plotinus: Enneaden. Porphyrius: Over het leven van Plotinus en de indeling van zijn traktaten, Amsterdam 1984, 146. ↩︎
  5. Plato, Phd. 81 B-D. ↩︎
  6. Porphyrios, Abst. 2:47. D. Ch. Lane, Porphyry’s On the Abstinence from Animal Food, Walnut 2017. ↩︎
  7. Macrobius, In Somn. 1:17. In: R. Turcan, ‘La catabase orphique du papyrus de Bologne’, Revue de l’histoire des religions 150-2 (1956), 136-172, 148. ↩︎
  8. Plotinos, Enn. 1:4:16. Vert. Ferwerda, Plotinus: Enneaden. Uitgebreider: A. Kalogiratou, ‘Plotinus’ Views on Soul, Suicide and Incarnation’, Schole, Centre for Ancient Philosophy and the Classical Tradition, Novosibirsk (2009), 387–400. ↩︎
  9. Diog. Laert. 7:130. Vert. R. Ferwerda, Diogenes Laërtius: Leven en leer van beroemde filosofen, Amsterdam 2000. ↩︎
  10. Cicero, Tusc. 74. Vert. C. Verhoeven, Cicero: Gesprekken in Tusculum, Baarn 1980. ↩︎
  11. Plato, Phd. 116-117. ↩︎
  12. Cicero, Tusc. 1:96. Vert. C. Verhoeven, Gesprekken in Tusculum, Baarn 1980. ↩︎
  13. Volgens de Romeinse auteur Cornelius Tacitus, Ann. 15:62-64. ↩︎
  14. Seneca, Ep. 70, Vert. V. Hunink, Seneca de goede dood, Amsterdam 2015. ↩︎
  15. Seneca, Ep. 77, Vert. V. Hunink. ↩︎
  16. Seneca, Moed, 3:15. Vert. P. Schrijvers, Seneca: Woede & clementie, Groningen 2020, 186. ↩︎
  17. Tacitus, Ann. 15:63-64. Vert. J.W. Meijer, Tacitus: Jaarboeken, Baarn 1990, 479-480. ↩︎
  18. Plinius, Ep. 3:16. S.B. Pomeroy, Goddesses, Whores, Wives, and Slaves: Woman in Classical Antiquity, New York 1995, 161. Zie D. De Waele, Betoverd door begeerte: Liefde en lust in de wereld van Bijbel en oudheid, Utrecht 2025, 63. ↩︎
  19. Ploutarchos, Amat. 22. G. Janssen, Plutarchus: Moralia III, Leeuwarden 2011, 66-67. ↩︎
  20. Suetonius, Keizers van Rome, Nero 49, vert. D. Den Hengst, Suetonius: Keizers van Rome, Amsterdam 2003. Meer over zelfmoord in de Oudheid: A. van Hooff, Sterven in stijl: Leven met de dood in de klassieke oudheid, Amsterdam Antwerpen 2015, 138-163, 219-241. ↩︎
  21. Plato, Phd. 62 C. Visie pythagoreeërs: 62B. Ik cursiveer. ↩︎
  22. Plato, Ap. 41D. Vert. H. Warren & M. Molegraaf, Euthyfron, Apologie, Kriton, Amsterdam 1995. Ik cursiveer. ↩︎
  23. Cicero, Tusc. 1:118. Verhoeven, Cicero: Gesprekken in Tusculum. Ik cursiveer. ↩︎
  24. Cicero, Somn. 6. In: A.D. Leeman, H.W.A. van Rooijen-Dijkman, ‘Scipio’s droom’, in: Hermeneus (1987), 1-7. ↩︎
  25. Epiktetos, Dia. 1:9:16. G. Boter en R. Brouwer, Epictetus: Verzameld werk, Amsterdam 2018, 62. Ik cursiveer. ↩︎
  26. Epiktetos, Dia. 1:29:29. Verhoeven, Cicero ↩︎
  27. ‘Hij hield zijn adem in en stierf’: Diog. Laert. 8:28. Vert. Ferwerda. ‘Uitnodiging van godheid het leven te verlaten’: Diog. Laert. 7:176. A.J. Droge, J.D. Tabor, A Noble Death: Suicide and Martyrdom Among Christians and Jews in Antiquity, San Francisco 1992, 31-33, 37. Zie ook D. De Waele, Heilige woorden: Een rondleiding door de geschriften van het Nieuwe Testament & het vroege christendom, Utrecht 2024, 317-321 en over christelijke martelaren die dit principe kennen: 357-362. ‘Roep tot martelaarschap’: Zie Extra ‘Martelaarschap of zelfmoord?’ ↩︎

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken