Niet een God van doden, maar van levenden
Bij Job 19,23-27a en Marcus 12,18-27
Het is zonder meer een curieuze keuze, dit ensemble van lezingen! Het lijkt een beetje op een poging om de Schriften tegen elkaar op te zetten, een beetje zoals de Sadduceeën en andere groeperingen in het evangelie pogingen doen om Jezus uit zijn tent te lokken, om zijn tegenstanders voldoende kruit aan te reiken waarmee ze Hem onderuit kunnen halen. De overbekende en veel gebruikte tekst uit Job (‘ik weet dat mijn verlosser leeft’) – die vaak geïnterpreteerd wordt als een oudtestamentisch ‘bewijs’ voor een lichamelijk opstanding – combineren met een passage uit Marcus waarin de opstanding uit de doden ter discussie wordt gesteld, ja, zelfs ontkend! En vervolgens weer wordt ‘bewezen’. Je moet maar durven.
Hoe lang nog?
Met die vraag opent het negentiende hoofdstuk van Job, waaruit we vandaag enige verzen horen. Het zou zomaar de klacht, het verzuchtende weerwoord van Jezus kunnen zijn op de vele kwesties of onzinkwesties die Hem worden voorgehouden: ‘Hoe lang nog zult ge mijn ziel grieven, en Mij met woorden verbrijzelen?’ In ieder geval zijn zijn woorden in een boek gekomen! En die van Job ook. En dat was net Jobs hoop! Job bevraagt zijn vriend Bildad waarom hij hem vervolgt, zoals God ook al doet (19,22). En als om zijn gelijk te krijgen of voorgoed vast te leggen, verzucht hij dat zijn woorden – waarmee hij voortdurend uitdrukt dat hij niet wijkt van zijn overtuiging dat God trouw is, hoewel Deze hem ook onder grote druk zet – als bewijs opgeschreven zouden worden in een boek, met een ijzeren stift in lood geschreven, zodat ze nooit meer kunnen worden uitgewist. Daarna volgt Jobs overtuiging dat zijn Bevrijder leeft. En aangezien Job aan Hem vasthoudt, leeft hij met Hem. Veel meer valt er mijns inziens niet over dit kleine stukje tekst te melden. Misschien is het vandaag een idee, om als onderdeel van de prediking, of als muzikale uitdrukking van de lezing, de aria I know that my Redeemer liveth uit de Messiah (G.F. Handel) te laten horen of een gedeelte uit cantate 160 van J.S. Bach (of G.P. Telemann), getiteld Ich weiss dass mein Erlöser lebt?
Openbaar debat
Voorafgaande aan de evangelielezing kijken we eerst even naar de context. Want er is veel beweging in het verhaal. Het is een in- en uitgaan, zowel in Jeruzalem als in de tempel. En dat alles binnen een korte tijd. Na de laatste aankondiging over de opgang naar Jeruzalem (Mar. 10,33), onderweg Jericho aandoend (10,46), begint de tocht naar boven, via Betfage en Betanië (11,1). Jeruzalem en het tempelgebied worden betreden (11,11) en vrij snel verlaten. De volgende dag wordt de gang opnieuw gemaakt, vanuit Betanië. Het centrum, het godsdienstige handelscentrum wordt in één beweging door betreden (‘ze komen Jeruzalem in en Hij ging de tempel binnen’ – 11,15).
Tegen de avond verlaten zij het terrein (11,19) opnieuw, om direct in het volgende vers weer op te gaan (met een korte onderbreking rond de al eerder besproken vijgenboom, als teken van wankel vertrouwen – 11,2025). Opnieuw komen ze in Jeruzalem en in die stad gaat het Jezus, nogmaals, om de tempel. Daar wordt Hij door verschillende groeperingen (of afgevaardigden daarvan) bevraagd. Debat volgt. Aansluitend spreekt Hij zijn mesjalim: zijn gelijkenissen. Hij is voortdurend in gesprek (11,27-12,44), met overpriesters, met de kenners der Schriften, met oudsten, mensen uit de kring van de Farizeeën, en uit de Herodespartij, met Sadduceeën ook. Hij is een rabbi met vele gesprekspartners. Een grote aaneenschakeling van gesprekken en thema’s volgt elkaar op, sprekend over de Schriften aan de ene kant, en ingaand op wel of niet Schriftgerelateerde vragen aan de andere kant, waarbij het opvalt dat een talrijke menigte gretig naar Hem luistert, in de buurt van de offerkist. Pas in 13,1 verlaat Jezus het tempelterrein eindelijk en gaat zitten op de Olijfberg. Nog een keer gebruikt Hij daar het beeld van de vijgenboom, tijdens een lange toespraak (de zogenaamde eschatologische rede – 13,28-37). Dit alles, deze hele verzameling debatten, dit op- en neergaan naar de tempel geschiedde, zo lijkt Marcus ons voor te houden, twee dagen voor het Paasfeest (14,1). Dus met veel rumoer in de stad en in de omgeving.
Opstaan uit de doden
Zijn ze van Powned, die Sadduceeën? Met de bedoeling om Hem tot onverstandige, weinig doordachte, spontane maar karakterloze uitspraken te verleiden, komen ze tot Hem. Zij stellen een vraag over iets wat ze zelf belachelijk vinden. De opstanding, die loochenen zij. Nu, reken er dan maar op, bij Jezus dan, dat je van repliek gediend wordt. ‘Jullie zitten op een dwaalspoor.’ Het staat er twee keer (12,24.27). Ze hadden Hem een natuurlijk volkomen uit de lucht gegrepen fictieve situatie voorgelegd.
Nu wisten de leerlingen van Jezus er ook niet goed raad mee, met de opstanding, want eerder hadden die zich ook al afgevraagd, ‘wat dat zeggen wou: opstaan uit de doden?’ (9,9). Maar niet weten wat het zeggen wil, of het geheel ontkennen, is nog iets anders.
Nu staan de Sadduceeën in het algemeen bekend als een gemeenschap die toentertijd weinig ophad met nieuwe theologische inzichten. Wel deelden ze de opvatting dat een mens toch op enigerlei wijze voortbestaat, maar dan in zijn kinderen. Daarom was nageslacht wezenlijk. Maar zélf na de dood leven? Nee, daar kon men zich weinig bij denken. Toch was in de tijd van Jezus het opstandingsgeloof groeiende. Maar hoe kan dat dan, vragen ze zich af, dat is toch onmogelijk?! En dat willen ze met een absurde voorstelling van zaken aan Jezus voorleggen. Het antwoord van Jezus, waarin Hij God zelf ter sprake brengt, is een Schriftcitaat uit de Tora (12,26) – waar de Sadduceeën gevoelig voor waren, want zij erkenden alleen de Tora! Jezus’ bewijs is ook uit het ongerijmde, maar in ieder geval ligt daar een kracht Gods in, een levend geloof in plaats van een dode letter.
Bij Job 19:23-27a en Marcus 12:18-27