Op God leren vertrouwen
Alternatief bij 8e zondag van de zomer (1 Koningen 17:8-16 en Johannes 6:22-29)
Elia is aan het begin van 1 Koningen 17 zomaar bij koning Achab komen binnenvallen om hem te verkondigen dat er twee jaar lang regen noch dauw zal vallen. Voor deze profetische uitspraak horen we geen opdrachtgeving van God of verklaring voor dit verschrikkelijke oordeel.
Op de achtergrond speelt een al generaties durende fascinatie voor de West-Semitische god van weer, donder, bliksem en regen: Ba‘al. Koning Achab werpt zich voor Ba‘al neer en maakt het erger dan zijn voorgangers (1 Koningen 16:30-33). Hij is getrouwd met Izebel, een Fenicische prinses die Ba‘al en Asjera – een vruchtbaarheids- en moedergodin – heeft geïntroduceerd. Izebel heeft het heft in handen. Zij beheerst haar man en daarmee ook het volk. Aan haar handen kleeft bloed (18:4; 21:8-10).[1]
Elia bestrijdt de Ba‘al-cultus
Elia is een felle tegenstander van deze Ba‘al-cultus. Hij ageert heel zelfstandig, zelfbewust, gezaghebbend: ‘Er valt geen regen tenzij op mijn woord’ (17:1). In de Talmoed wordt verhaald dat Achab enerzijds Elia uitdaagt: ‘Ik buig voor iedere bekende afgod, en de vloek van Mozes (namelijk dat God de hemel zal toesluiten als het volk afgodendienst bedrijft – Deuteronomium 11:16-17) werd tot dusver niet vervuld, dus waarom zou dat nu wél gebeuren?’ Anderzijds ontstaat een conflict tussen God en Elia. God weet van niets, en Elia dwingt God om zijn woorden te vervullen (Talmoed Bavli 113a). Maar God wil ondanks alles niet dat de mensen lijden, en wil graag van zijn belofte ontheven worden. Hij laat de beek opdrogen om Elia zover te krijgen toe te geven en weer op pad te gaan.[2] Maar Elia gaat pas op pad wanneer hij daartoe opdracht krijgt (1 Koningen 17:9).
De weduwe, tegendeel van de koningin
God stuurt Elia, die met de droogte zijn eigen volk tot vertrouwen in God wil bewegen, de grens over om te overleven, naar het land waar Izebel vandaan komt. Elia zal er een Fenicische weduwe ontmoeten, zonder invloed en gezag. Zij is hulpvaardig, en uit haar eerste woorden blijkt dat zij Elia’s God kent. Tot nu toe wisten we van de levendige, vertrouwde relatie van Elia met God. Maar hier blijkt dat ook de weduwe de Godsnaam, die een intieme relatie aanduidt, gebruikt: ‘Bij het leven van de Eeuwige’ (17:12). Elia vindt zij haar het vertrouwen dat hij bij zijn eigen volk mist. Zij vertrouwt op Elia’s woorden en handelt ernaar (17:15). Als zij geen vertrouwen had gehad, waren zij, haar zoon en Elia verhongerd.
De weduwe is wel landgenote van, maar tegengesteld aan de machtige koningin Izebel. Over de twee verhalen met de weduwe en haar zoon zegt Klaas Smelik: ‘De episode met de Fenicische weduwe bereidt het optreden van de Fenicische koningin in die zin voor, dat wat de weduwe meemaakt, het omgekeerde is van wat in het vervolg Izebel zal overkomen.’[3] Elia vecht voor het vertrouwen van het volk in God, dat zo bitter afwezig is, door hen op de harde toer te proberen te leren dat God ook de macht heeft over het agrarische levensgebied dat volkomen wordt beheerst door de ba‘alim.[4]
Vertrouwen en de werken van Gods wil
In Johannes gaat het ook over vertrouwen. De mensen trekken massaal achter Jezus aan; volgens Hem niet omdat zij Hem wonderen hebben zien doen en daardoor zijn gaan vertrouwen op Hem en waar Hij voor staat, maar simpel omdat zij brood hebben gegeten (6:26). Dat is ook belangrijk ‒ Jezus is de eerste die zich er zorgen over maakt hoe de menigte gevoed kan worden (6:5). Maar dat is alleen de basis. Het gaat niet om de wonderen, maar om de houding die zij moeten teweegbrengen. De Mechilta verhaalt: ‘en het volk vreesde de Eeuwige’ (Exodus 14:31). Eerder in Egypte vreesden zij de Eeuwige niet. De midrasj suggereert dat de voorafgaande wonderen, de plagen, hoe indrukwekkend ook, niet voldoende waren geweest om de diepe huiver (Hebr.: jir’ah) op te roepen. Zij leefden in de ban van de wanhoop. Toen de slavendrijver voorgoed verdwenen was, kon het volk het zich veroorloven onder de indruk te raken van de macht die groter was dan die van de tiran.[5]
Gods wil leren doen
Vrees, in de zin van diepe huiver, krijgt door wanhoop over existentiële noden geen ruimte om op te bloeien. Maar zij is het begin van het vertrouwen waarmee iemand zich overgeeft, inlaat met iemand of iets, of zelfs levensbedreigende risico’s neemt. Het vertrouwen dat de weduwe de moed geeft om tegen haar instincten in te handelen. En dat het volk Israël en de menigte die Jezus volgt kennelijk missen. Jezus roept de mensen op om naar Hem te luisteren en te vertrouwen op Hem die Hem gezonden heeft (Johannes 5:24). Het vertrouwen begint met horen. Jezus houdt hun voor dat zij de liefde voor God niet in zich hebben, dat zij de glorie van mensen aannemen, maar het vertrouwen missen om Gods glorie te zoeken (5:42.44).
Het antwoord op hun vraag naar de werken van Gods wil bestaat uit de oproep om te vertrouwen op degene die de wijsheid en kennis heeft van Gods wil (6:29). Luisteren leidt tot vertrouwen, en vertrouwen tot leren en adequaat handelen. Voor het niet-joodse publiek van Johannes dat niet is opgegroeid met de Tora, vormt vertrouwen in Jezus’ leer het begin van hun relatie met God en zijn wil.
Deze exegese is opgesteld door Kristin Ritsert.
Voetnoten
[1] E. Wiesel, Von Gott gepackt, Freiburg 1983, 49.
[2] L. Ginzburg, Legend of the Jews, Philadelphia 1968, IV, 196.
[3] K. Smelik, 1 Koningen, ’s Hertogenbosch 1993, 107.
[4] Zie: Tenachon op de Profeten, 6, 67.
[5] Mechilta Besjallach, deWajehi 6 (vert. Lauterbach), Vol. 1, 251, geciteerd in: Tenachon over Bijbelse en Rabbijnse Concepten, 16, 304.