Paashuisje
Bij Johannes 20:19-23 en Johannes 20:24-31
Op de avond van de eerste dag in het paashuisje zaten de kinderen alleen bij elkaar. Er was iets doms gebeurd. Ze waren die middag met de auto gekomen, papa, mama, Simon, Andrea en Tommy. Alles hadden ze meegenomen: kleren, spelletjes, twee fietsen achterop. Maar ze waren de doos met het eten vergeten. Brood en appels, spaghetti en vla, alles thuis laten staan. Niks te eten. Het werd al donker. Toen zei mama: ‘Ik ga kijken of er een dorp is, met een winkel.’ Weg was ze, met de fiets van Andrea. Papa werd ongeduldig: ‘Ik rij terug naar huis, om alles te halen.’ Daar ging hij, dat hele eind. Zo zaten de kinderen alleen in een vreemd huisje. Het was helemaal niet leuk. Simon begon te zingen: ‘We hebben overwonnen, hiep, hiep, hoera!’ ‘Hou op!’ riep Andrea. Tommy begon bijna te huilen, hij wilde naar huis. Hij was bang dat papa en mama nooit meer terug zouden komen. ‘Hou op,’ zei Andrea, ‘je moet niet bang zijn, ze zijn zo terug.’ Ze hadden honger en het was ook koud in het huisje. Het duurde zo lang! Ze waren een beetje bang. Daar kwam mama weer terug. ‘Alles was dicht,’ hijgde ze. Tommy bleef maar snikken dat hij naar huis wilde. Waar bleef papa? Het was al tien uur toen hij kwam. Tommy sloeg zijn armpjes om papa’s benen heen en liet niet meer los. Hij huilde nog steeds. ‘Kom op,’ zei mama, ‘ik ga koken.’ ‘Hoeft niet,’ bromde papa, ‘ik ben maar even langs de chinees gegaan.’ Tafel dekken, gezellig maken, glaasje fris erbij. In vijf minuten zaten ze aan tafel. ‘Ik vind het hier toch wel heel leuk,’ zei Tommy, ‘met jullie.’