Pasen en Pinksteren op één dag
Bij Johannes 20:19-23 en Johannes 20:24-31
Op de eerste zondag na Pasen, acht dagen na de eerste verschijningen aan Maria van Magdala en aan de leerlingen in het gesloten huis, verschijnt Jezus aan Tomas. Over de hoofden van de leerlingen heen richt Johannes zich ten slotte tot hen die moeten geloven zonder gezien te hebben (20,29-31). Zij staan aan het slot van het Paasfeest.
Ook al is de Heer verschenen aan Maria, ook al gelooft één van de twee leerlingen die in het graf gekeken heeft, toch zitten de leerlingen de eerste avond angstig bij elkaar. Ze hebben zichzelf opgesloten als doden in een graf. Plotseling staat Jezus in hun midden. Hij wenst hun: ‘Vrede.’ Hij is het echt: Hij toont zijn handen en zijn zij en de leerlingen herkennen Hem. Ze zijn blij (vgl. Joh. 16,22).
Een nieuwe schepping
Dan blaast de Heer over hen (20,22). Hij brengt de leerlingen tot leven, zoals de adem van de Vader Adam tot leven brengt (Gen. 2,7). En zoals de dorre doodsbeenderen die tot dode lichamen hersteld waren, tot nieuw leven worden gewekt (Ez. 37,9-10). Zo zal het tot leven gewekte volk beseffen, dat de Heer hun God is en niet de koning van Babel die het volk in ballingschap heeft gevoerd. De koning van Babel speelt in het Oude Testament vaak dezelfde rol als de heerser van de wereld bij Johannes. Hij is voor de Israëlieten niet minder oppermachtig dan de heerser van de wereld voor de volgelingen van Jezus.
Weer groet Jezus de leerlingen: ‘Vrede.’ Ze zijn nieuwe mensen, ‘geboren uit de Geest’ (vgl. Joh. 1,11-12; 3,3-8). Nu kunnen ze de opdracht waar Jezus al eerder van gesproken heeft, daadwerkelijk gaan uitvoeren. Ze worden nu namens Jezus uitgezonden in de wereld, zoals de Vader Jezus heeft gezonden. Ze hoeven die weg niet alleen te gaan: de Geest zal in hen werken. Hij zal hun alles in herinnering brengen en duidelijk maken wat Jezus heeft gezegd (Joh. 14,26). Hij zal in de wereld werken en duidelijk maken wat zonde, gerechtigheid en oordeel is (Joh. 16,8vv).
Tomas de tweeling
Hij was er niet bij geweest, die eerste avond. En hij wil niet van horen zeggen aannemen dat de Heer is opgestaan. Tomas heet hij, Didymus. Dat betekent tweeling: het eerste in het Aramees, het tweede in het Grieks. In het evangelie van Johannes is hij een leerling met twee kanten. Hier en in Johannes 14,5 is hij degene die meer wil weten dan de anderen om te kunnen geloven. Het is goed dat hij die vragen stelt. Het zijn vragen die vroeg of laat bij ieder opkomen die in Jezus wil geloven. Tomas krijgt antwoord – en daarmee ook al die latere volgelingen van Jezus. In Johannes 11,16 zien we een andere kant van hem, als hij zegt: ‘Laten ook wij maar gaan om met Hem te sterven.’ Net zo boud als zijn woorden: ‘Mijn Heer en mijn God!’ (20,28). Vertoont Tomas zo niet bij uitstek de twee gezichten van alle leden van de gemeente, de eeuwen door? Aan de ene kant boud belijden en de Heer willen volgen tot in de dood, aan de andere kant het niet allemaal kunnen bevatten wat Hij zegt en doet. Tomas kan ons aansporen om de Heer te volgen en tegelijk te blijven vragen naar dingen die voor ons te wonderlijk zijn. Zo helpt hij ons het geloof niet te verliezen, maar het te vinden.
De achtste dag
Op de achtste dag is er niets veranderd. De leerlingen zitten nog steeds binnen, de deuren gesloten. Als ze een poging doen te getuigen van de levende Heer, stuiten ze binnen eigen kring op ongeloof. Tomas wil hun getuigenis pas geloven als hij alles heeft kunnen zien en aanraken. Weer breekt de Heer door al hun grendels en deuren heen. Weer groet Hij hen: ‘Vrede.’ Weer laat Hij zijn littekens zien, nu aan Tomas. Die mag ze allemaal aanraken. Maar dat heeft hij niet nodig: ‘Mijn Heer en mijn God!’ roept hij uit. Daarmee is hij de eerste die de belijdenis uitspreekt die in de vroege kerk gangbaar was. Dan zegt Jezus: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’ Een verwijtende blik naar Tomas? Of een bemoediging over het hoofd van Tomas heen voor ons, al die leden van de gemeente die het moeten hebben van het getuigenis van de apostelen, die alleen maar kunnen geloven zonder gezien te hebben?
Gaan de deuren open?
Gingen de deuren die avond open? Gingen de leerlingen de straat op om te doen zoals Jezus hun opgedragen had? Met bijstand van de Geest en met de volmacht van de Heer verkondigen dat Jezus is de Christus, de Zoon van God? We lezen het niet. Maar we weten dat de deuren zijn opengegaan, dat de leerlingen naar buiten zijn gegaan en getuigd hebben: ‘Wij hebben Heer gezien.’ Hoe had het evangelie anders ook ons kunnen bereiken? Hoe dat gebeurde, laat Handelingen 5,12-20 zien. De apostelen gaan de straat op en steeds meer mensen gaan in de Heer geloven. Als de apostelen opgesloten zijn door hun tegenstanders, opent een engel de deuren van de gevangenis. Ze gaan naar buiten, ze gaan door met hun werk.
Na de episode met Tomas besluit de schrijver van het evangelie zijn werk. Hij kijkt kort terug op alle wondertekenen die de leerlingen van Jezus hebben gezien. Hij heeft daarvan genoeg opgeschreven om de lezer de weg te wijzen naar het leven door te geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God.
Is het Johannesevangelie bedoeld als het meest intieme boek van de gemeente, slechts bedoeld voor ingewijden? Of lezen we hier dat het de wegwijzer is naar de intiemste omgang met de Heer voor belangstellenden en buitenstaanders van elke levenswandel, die het moeten hebben van niet zien en toch geloven, die allemaal welkom zijn en alles mogen weten wat nodig is om te leven? Dan is het allerminst esoterisch.