Menu

Premium

Prediker

INLEIDING

1.Naam en ontstaanstijd

Het boek, dat wij nu kennen als ‘Prediker’ heet in het Hebreeuws Qohèlet. De vertaling ‘Prediker’ danken we aan Luther. Wie of wat Qohèlet precies was, is onbekend. Waarschijnlijk hangt de naam samen met het hebr. woord voor ‘gemeente’ (hebr. gahal); Qohèlet zou dan een soort officieel ambt kunnen hebben in het godsdienstige leven: zijn opdracht was het de woorden van wijsheid te verkondigen, te prediken in het midden van de gemeente, in de samenkomst van het volk van God. Maar nogmaals: dit is een veronderstelling, die niet met zekerheid te bewijzen valt.

In 1:1 en 1:12 wordt de Prediker geïdentificeerd met koning Salomo. Heel het boek toont echter zonneklaar, dat Salomo niet de schrijver zijn kan. Om maar een paar dingen te noemen: Pr. 1:12 past eigenlijk niet in de mond van Salomo. In diens leven is geen plaats te vinden, waar hij zo teruggekeken kan hebben: Tk was koning over Israël’. Voorts vergelijkt hij zich een paar maal met ‘allen, die vóór mij over Jeruzalem geregeerd hebben’ (1:16; 2: 7,9). Na hoofdstuk 2 wordt de identificatie met Salomo losgelaten; de beschrijving van sociale omstandigheden duidt op een heel andere tijd dan die van Salomo, zie bv. 3:16; de auteur tekent zichzelf als onderdaan, niet als koning, 8:1-9. Tenslotte verraden ook de (vooral) perzische leenwoorden in het Hebreeuws van Pr., dat dit boek in veel later tijd is geschreven. Pr. is één van de jongste boeken uit het Oude Testament.

Prediker is dus niet Salomo; wie is hij dan wel? Hij is, zo kun je zeggen, een leerling van Salomo. De wijsheidsbe-oefening in Israel begon met deze koning, die zijn wijsheid van God zelf ontving. En iedere wijsheidsleraar in Israel staat nu in die traditielijn, die begon bij Salomo. Pr. staat dicht bij de drempel van het Oude naar het Nieuwe Testament. Wat hij nu doet, dat is: als het ware achteromkijkend de balans opmaken, van die hele ontwikkeling van de wijsheid vanaf Salomo tot zijn eigen tijd toe. Wat heeft het opgeleverd, waar heeft de wijsheid ons gebracht? Is het leven er beter door geworden, hebben we de gang van zaken in deze wereld in onze greep gekregen?

2.Thema

Daarmee zijn we gekomen bij het thema van dit boek. Om dat goed in het zicht te krijgen moeten we eerst iets meer zeggen over de wijsheid als zodanig.

a. Wijsheid en openbaring

Het woord van Gods openbaring vraagt om het menselijke antwoord. Dat antwoord kan op vele manieren gegeven worden: ieder is op zijn of haar eigen plaats en wijze geroepen tot dat antwoord. De wijsheid is nu één van de wegen om dit antwoord te geven. De gelovige doordenking van datgene wat er is, en wat er gebeurt in deze wereld, is tot eer van God.

De wijsheid ligt in de üjn van Gods scheppingsopdracht, Gen. 1:26,28. Om die opdracht uit te kunnen voeren, heb je namelijk wijsheid nodig: je moet weten, hoe de dingen in elkaar zitten, welke gevolgen met welke oorzaken verbonden zijn, wat je kunt verwachten als je bepaalde dingen doet, enz. De wijsheid brengt deze ordening aan in het normale, dagelijkse leven, zodat een mens een plaats heeft om te leven en te werken; een plaats om optimaal te functioneren als schepsel van God. Samenvattend: de wijsheid heeft naar haar wezen het karakter van een antwoord op Gods openbaring. De wijsheid is er niet om haars zelfs wil, maar ze is er, omdat Gods Woord en openbaring voorafgaan. Anders gezegd: de wijsheid is niet autonoom, maar heteronoom.

b. De wijsheid in Predikers tijd

In de tijd van Pr. is het karakter van de wijsheid veranderd. De wijsheid is niet meer heteronoom, maar autonoom.

Om duidelijk te maken, wat ik daarmee bedoel, zou ik een parallel willen trekken met de wet, en dan met name met Paulus’ positie tov. de wet. Ook het onderhouden van de wet heeft oorspronkelijk in Israel het karakter van een antwoord op Gods Woord (zie vooral de aanhef van de Tien Geboden, Ex. 20). Gods verbondsopenba-ring vraagt om het geloofsantwoord van de mens in het onderhouden van de geboden. De wet is heilig, rechtvaardig en goed (Rom. 7:12). Hetzelfde kan gezegd worden van de wijsheid.

Wat is er nu gebeurd? Het antwoordkarakter van wet en wijsheid is vergeten; ze werden steeds meer gezien als manieren om van de mens uit bij God te komen, tot Hem op te klimmen (alsof niet altijd God de eerste is in het verbond: Hij komt naar de mens toe!). En dan loopt de mens met zijn wet en zijn wijsheid vast. Wet en wijsheid – wegen om het menselijk geloofsantwoord te geven op Gods openbaringswoord – worden tot dwaalwegen, wanneer ze buiten de haar gestelde perken treden.

c. Het antwoord van Prediker

Er is, bij de hierboven aangeduide overeenkomst, ook een diep verschil tussen Paulus en Prediker: Paulus kent Christus als het einde der wet (Rom. 10:4); Prediker kent Hem nog niet als ‘het einde der wijsheid’. Paulus weet van de gerechtigheid Gods, die buiten de wet om openbaar geworden is (Rom. 3:21, waar hij wel direct bij opmerkt, dat in Christus juist de diepste en de oorspronkelijke bedoeling van de wet weer tot haar recht komt); Prediker kan nog niet op een soortgelijke manier buiten de wijsheid om spreken. Hij strijdt tegen de veel te grotepretenties van de ontspoorde wijsheid, maar blijft intussen zelf een wijze. Dat maakt ook voor een belangrijk deel de spanning uit van zijn geschrift (zie 2:13-15; 8:1). Prediker, de wijsheidsleraar in het verre voetspoor van Salomo, worstelt met en verzet zich tegen een autonoom geworden wijsheidsleer.

Hét antwoord geeft hij dan ook niet. Dat zal pas later klinken, als Hij gekomen is, die zelf de Wijsheid is, 1 Kor. 1:30. Om deze reden heb ik het noodzakelijk gevonden in het hiernavolgende commentaar telkens aan het eind van een stukje in een Terugblik en uitzicht niet alleen een samenvatting te geven van het besproken gedeelte, maar dan ook de lijn door te trekken naar het Nieuwe Testament.

Algemeen noemt men tegenwoordig drie dingen, die voor Pr. absoluut vast staan.

1.Het bestaan van God. Wäär hij ook zijn kritiek op richt, waar hij zijn vraagtekens ook bij zet, God is een onaantastbare realiteit voor Pr. God staat nimmer ter discussie.

2.De ijdelheid van het aardse. Het leven op aarde is in , zichzelf, alle mooie verhalen ten spijt, ijdel, zinloos.

Pr. ontmaskert alle schone schijn (zie vooral 1:2-11).

3.De enige mogelijkheid, die er bij deze stand van zaken voor de mens overblijft, is: het leven uit Gods hand ontvangen (2:24,25; 3:12; 3:22; 5:17,18; 8:15; 9:7-9; 11:7-10). . .

Bij deze drie punten blijft Pr. staan. En van hieruit maakt hij in nuchtere eerlijkheid de balans op van het menselijk leven. Alles wat ondeugdelijk is om het leven zin te geven, valt onder zijn oordeel. Juist zo is Pr., met zijn onbedrieglijke ernst, een indrukwekkende wegbereider voor Christus; heel zijn geschrift roept om Gods definitieve en hoogste openbaring: in, zijn Zoon Jezus Christus. . «

Het donkere gordijn, waar Pr. voor stond, is in Christus opengetrokken. Het licht van de nieuwe dag valt in brede banen over onze werkelijkheid.

Dat betekent niet, dat Pr. voor ons afgedaan zou hebben. Integendeel: ook voor ons kent de werkelijkheid nog vele vragen en raadsels. Het definitieve einde van tranen en dood, van rouw, geklaag en moeite is nog niet gekomen (Op. 21:4). Een paar voorbeelden van de blijvende actualiteit van Pr.: over het vooruitgangsgeloof (1:9,10); over het vertrouwen op de wetenschap (1:18); over de lol (2:2,11); over jezelf afbeulen en een hartinfarct krijgen (2:22,23); enzovoort, enzovoort.

Prediker houdt aan ieder mens en aan iedere samenleving de spiegel voor; hij blijft de mens oproepen zich niet te gemakkelijk af te maken van de weerbarstige werkelijkheid, en geen genoegen te nemen met te goedkope antwoorden.

3.Indeling

Op grond van wat boven gezegd werd is het niet verwonderlijk, dat een indeling van dit boekje nauwelijks te geven is. De enige grotere (literaire) eenheid is 1:12-2:26. Kleinere eenheden vinden we in 1:2-11; 3:1-8 en 11:7-12:7. Verder komen we steeds min of meer losse opmerkingen tegen, of een over een paar verzen uitgesponnen gedachte. Het onderlinge verband is ons soms niet duidelijk, en dikwijls bestaat er gewoon geen verband. Typerend daarvoor zijn ook de vele herhalingen, die we tegenkomen.

Wat hieronder volgt is dus niet een indeling, die op een overzichtelijke manier de voortgang van de gedachten-ontwikkeling toont (een voortgang is er immers nauwelijks), maar een overzicht van de inhoud, aan de hand van de door mij gekozen opschriften in het hierna volgende commentaar.

Inhoud:

Opschrift 1:1
Alles is ijdelheid 1:2-11
Twee wegén 1:12-2:26
De ongrijpbare tijd .’ 3:1-15
Recht en onrecht I 3:16-22
Lijden 4:1-3
Arbeid 4:4-6
De alleenstaande en zijn arbeid 4:7-12
Populariteit 4.13-16
Godsdienstigheid 4:17-5:6
Politiek onrecht 5:7, 8
Rijkdom 5:9-6:12
Leven en dood I 7:1-14
Recht en onrecht II 7:15-22
Een slotsom? 7:23-29
Revolutie 8:1-9
Recht en onrecht III 8:10-17
Leven en dood II 9:1-12
De falende wijsheid I 9:13-10:1
De falende wijsheid II 10:2-11
Gepraat 10:12-15
Koningen 10:16-20
Werken… 11:1-6
… en leven 11:7-12:7
Conclusie 12:8
Epiloog 12:9-14

VERKLARING

Opschrift 1:1

Het boek Prediker begint (1:1) en eindigt (12:9-14) met verzen, die niet door Pr. zelf geschreven zijn. Ongetwijfeld moeten we denken aan een leerling van Pr., die de overwegingen van zijn leermeester ‘gepubliceerd’ heeft; daarbij voorzag hij de spreukenverzameling van een opschrift en een slotwoord.

De gegevens in dit opschrift zijn ontleend aan 1:12; alleen de zoon van David ontbreekt in vs 12. Misschien is het in vs 1 toegevoegd, om een (sterkere) herinnering op te roepen aan het opschrift van het boek Spreuken (zie Spr. 1:1). Zie voor de naam Prediker de Inleiding. ,

Alles is ijdelheid 1:2-11

2.Prediker valt met de deur in huis. Hij vertelt onmiddellijk, tot welke conclusie hij gekomen is: alles is ijdelheid. Dat is het resultaat van zijn naspeuringen. Wij zijn een andere volgorde gewend: eerst verslag doen van het gehouden onderzoek, en daarna pas conclusies trekken. Het is typerend voor Pr., dat hij enkele malen begint met de conclusie, en dan pas gaat vertellen, hoe hij daartoe gekomen is; zie 1:13b, 14; 2:2.

IJdelheid is één van de kernwoorden van Pr.; het komt 37 keer voor in zijn boek. Hij begint ermee, hij eindigt er ook mee (12:8). Het is het belangrijkste thema van heel dit boek (vgl. de Inleiding). Het hebreeuwse woord, hè-bèl (vgl. de naam Abel [Hebr.: hèbèl] en ons woord ‘heibel’), duidt oorspronkelijk aan: de lucht, die je uitblaast, een ademtocht. IJdelheid der ijdelheden: door de verdubbeling geeft het Hebreeuws de overtreffende trap aan: het toppunt van ijdelheid (vgl. ‘de hemel der hemelen’, ‘het lied der liederen’ [= Hooglied], e.d.). Dat is dus de uitkomst van Predikers onderzoekingen: het is allemaal lucht, het is niets, zinloos. Zie verder bij 12:8.

3.Hier krijgen we te horen, wat eigenlijk de vraag van Pr. was: Welk voordeel…, eigenlijk: wat is de rest, wat schiet er over? Waar doe je ‘t allemaal voor? Nog scherper geformuleerd, en heel modern klinkend: Wat is de zin van het leven? Pr. wil, heel nuchter en eerlijk, de balans opmaken van het menselijk leven. In dit vs vinden we opnieuw een aantal kernwoorden van Pr.: voordeel (10 keer), zwoegen en aftobben (in het Hebr. van dezelfde stam; in totaal 35 keer), onder de zon (29 keer). In het telkens gebruiken van dezelfde woorden zit een zekere monotonie, stellig met opzet: de woordkeus weerspiegelt de monotonie van het mensenleven, de ijdelheid.

4-7. Pr. schetst een somber beeld: alles in deze wereld loopt als het ware in cirkels. Hij tekent de kringloop van de geslachten, van de zon, de wind en het water. Het leven is doelloos. De aarde blijft altoos staan (vs 4): niet bedoeld als troost, maar als extra onderstreping van de vluchtigheid van de mens. De mens is als een filmbeeldje, geprojecteerd op het onaandoenlijk scherm van de aarde. Het scherm blijft; de filmbeelden, de mensen zijn zo weer weg. De zee wordt niet vol (vs 7): vooral de Dode Zee is een volstrekt onbegrijpelijk en zinloos verschijnsel. Elke dag stroomt er zo’n 13 miljoen ton water in; toch wordt de Dode Zee nooit vol.

8.Misschien moet het eerste zinsdeel vertaald worden met: alle dingen zijn vermoeiend; niemand raakt ooit uitgesproken. Dan zou het goed passen bij de tweede vershelft: niet alleen oog en oor, maar ook de mond is nooit klaar met zijn werk. De zintuigen bereiken hun doel nooit; altijd blijven er dingen, die nog niet gezegd, gezien of gehoord waren.

9-11. Iets, dat werkelijk nieuw is, bestaat niet. Alles gaat in dezelfde, zinloze cirkels voort. En mocht iemand al denken, dat er iets nieuws is, dan vergist hij zich: de mens vergeet immers zo snel, wat er gebeurd is. De herinnering aan vroeger ontglipt je; alles zakt weg in de grijze schemer van het verleden (alle prachtige beweringen in rouwadvertenties ten spijt). De mensheid is gedoemd zichzelf steeds weer te herhalen.

In deze eerste perikoop laat Pr. met een onbedrieglijke ernst zien, hoe de zaken er werkelijk voorstaan. Hij stoot door naar de diepte, naar de bodem van ons bestaan, en hij ontmaskert het oppervlakkige optimisme van de mens. Pr. schopt alle illusies, alle kaartenhuizen en luchtkastelen met een daverende klap ondersteboven. Hij drukt de mens met de neus op de feiten; en, of je wilt of niet: die feiten zul je onder ogen moeten zien. Dat is, wat Pr. wil bereiken: dat ieder mens de balans opmaakt van zijn leven, en dan eerlijk die vraag beantwoordt: Wat schiet er over, wat is je voordeeP. Weg met de uitvluchten, weg met de schijnoplossingen!

Nieuwtestamentisch kan en mag er meer gezegd worden, dan Pr. hier doet. God heeft van bovenaf in deze wereld ingegrepen; in Christus is iets volstrekt nieuws onder de zon geschied; in Hem is niet meer alles ijdelheid. Meer nog: we mogen weten, dat onze arbeid niet vergeefs (SV: ijdel) is in de Here (1 Kor. 15:58). Zie ook de Inleiding.

Twee wegen 1:12-2:26

Dit hele gedeelte (ten onrechte in de vertaling in tweeën geknipt) beschrijft één onderzoek van Pr. De eenheid blijkt, behalve uit de thematiek, ook uit het feit, dat Pr. zich hier kleedt in het gewaad van koning Salomo (zie vooral 1:12,16; 2:7,9). Pr. heeft ahw. de koningsmantel van Salomo om zijn schouders geslagen, en gebruikt in de beschrijving van zijn onderzoek allerlei dingen uit het leven van Salomo. De ik, die hier aan het woord is, heeft dus ook niet alles zelf meegemaakt, wat hij beschrijft; Pr. heeft zijn eigen ervaringen ingedacht in het leven van Salomo. Zie ook de Inleiding.

13a. Wijsheid heeft hier een iets andere betekenis dan meestal bij Pr.; het betekent hier zoveel als: de (verborgen) zin (vgl. nog 7:23). Waarom zijn de dingen zo, zoals ze zijn? Waarom gebeuren de dingen zo, zoals ze gebeuren? Pr. doet in dit onderzoek een greep naar de totaliteit, hij probeert een alomvattende visie te krijgen op het hele leven.

13b, 14. Evenals in 1:2 laat Pr. de conclusie van zijn onderzoek onmiddellijk horen: een kwade bezigheid, ijdelheid, najagen van wind. (Dat laatste is ook weer een typische Prediker-uitdrukking: 9 keer in zijn boek. Zie bij 1: 2,3). Aan God twijfelt Pr. niet: het zoeken naar de zin van het leven is weliswaar een kwade bezigheid, maar Pr. is er van overtuigd, dat het God is, die deze bezigheid aan de mens gegeven heeft. God staat voor Pr. nimmer ter discussie. Vgl. de Inleiding.

15. Een spreekwoord, ter afsluiting van de vorige verzen. Pr. bedoelt opnieuw: het heeft geen zin; wat je ook doet, het haalt niets uit. Vgl. nog 7:13. 1:16-2:11. Pr. beschrijft twee wegen, die hij bewandeld heeft in zijn onderzoek. Allereerst de weg van de wijsheid (1:16-18) en daarna de weg van de dwaasheid (2:111).

1:16-18. Ondanks de grote wijsheid van Pr. (vs 16), heeft hij moeten inzien, dat je er langs de weg van de wijsheid toch niet komt. De zin van het leven ontsnapt je; je krijgt het niet in je vingers. Sterker nog: hoe meer wijsheid, des te meer verdriet. Een ontnuchterende constatering, als je al je heil verwacht van menselijke hersens en van de vooruitgang der wetenschap.

2:1-11. Brengt de weg van de dwaasheid en van het plezier een mens dan verder? Bereik je daar meer mee? En onmiddellijk geeft Pr. weer het antwoord, 1b,2: ijdelheid, dwaas, het werkt niets uit. Wat Pr. zoal gedaan heeft, vertelt hij in vss 3-10; hij heeft het zich aan nietslaten ontbreken. Alle mogelijke genietingen (vs 8): zeer onzekere vertaling. Bedoeld zal zijn, dat Pr. zich een goed voorziene harem aanschafte.

Ondertussen bleef mijn wijsheid mij bij (vs 9, vgl. vs 3): Pr. bedoelt niet te zeggen, dat hij in zijn dwaasheid toch binnen de perken van het fatsoen gebleven is, maar dat zijn wijsheid nauwkeurig registreerde, wat hij zoal voelde en meemaakte. Terwijl Pr. zich in de dwaasheid stort, is zijn wijsheid steeds bezig te noteren: wat is het allemaal waard? Wat levert het op? En onveranderlijk luidt dan de conclusie: Zie, alles – ook de dwaasheid – was ijdelheid en najagen van wind (vs 11). Het levert uiteindelijk niets op. De lol kan je een poosje verdoven, maar vroeg of laat komt de realiteit van het leven weer keihard op je af.

12-16. Het onderzoek is dus mislukt. Wijsheid noch dwaasheid bereikt het doel. De zin van het leven ontdek je niet. Maar, zo vraagt Pr. zich nu af: waarmee kom je dan het verst: met de wijsheid of met de dwaasheid (vs 12a)? Op die vraag geeft hij twee antwoorden. Eerst een korte-termijn-antwoord: de wijsheid heeft een voordeel boven de dwaasheid; en opnieuw citeert Pr. een spreekwoord (vs 14a). Maar dan geeft hij zijn tweede antwoord: het relatieve voordeel van de wijsheid helpt je op de lange termijn niets. Aan het eind van ieder leven staat immers de grote gelijkmaker: de dood. Uiteindelijk baat je wijsheid je niets; en als je dood bent, vergeten ze je toch, of je wijs was of dwaas.

Immers, hoe staat de mens… (vs 12b): een moeilijk te verklaren zin. Ik zie twee mogelijkheden: in vs 12b slaat Pr. al even het thema aan, dat hij in vss 18-23 nader uitwerkt, terwijl hij in vs 13-16 ingaat op het in vs 12a genoemde thema; of: vs 12b is verdwaald, het hoort hier niet, en is, op de één of andere manier, per ongeluk in dit verband terechtgekomen.

17-23. Nu alles mislukt is en de zin van het leven niet te ontdekken bleek, is Pr. de wanhoop nabij; hij staat aan de rand van de vertwijfeling. Hij heeft door de schone schijn heengekeken en is zich bewust geworden van de diepe zinloosheid van het bestaan. Dat onderstreept hij hier nog eens extra door de verwijzing naar de opvolger: alles, waarvoor een mens zich heeft uitgesloofd, valt tenslotte toe aan iemand anders. Ongetwijfeld staat hier op de achtergrond het raadsel van de wijze koning Salomo en zijn dwaze opvolger Rehabeam (1 Kon. 12).

24-26. Pr. staat op de rand van de wanhoop; maar hij stapt niet óver die rand. Wat houdt hem tegen? Het is zijn geloof in God. Gods Naam kwam tot nu toe slechts één keer voor (1:13); hiér kan Hij niet gemist worden. Het leven in zijn greep krijgen: dat kan Pr. niet; dat is duidelijk gebleken. Het enige, wat hem nu overblijft is: het leven ontvangen als een gave uit Gods hand. En dan komen ook wijsheid, kennis en vreugde weer op hun plaats te staan: ze bleken te falen als instrumenten in mensenhand, als wegen om het leven in je greep te krijgen; maar een mens mag ze ontvingen als geschenken van God.

Ook dit is ijdelheid… (vs 26): slaat niet op het geheel van vss 24-26, maar alleen op het direct voorafgaande (hetzelfde in 6:9 en 7:6).

Met een verbijsterende eerlijkheid laat Pr. zien, dat alle menselijke wegen om het leven onder controle te krijgen dood lopen. In zijn onderzoek houdt hij niet halverwege halt, maar hij gaat door, stap voor stap, tot aan de rand van de afgrond. Daar wordt hij tegengehouden door zijn God, uit wiens hand hij het leven ontving. Zo aanvaardt hij het leven, als gegeven door God. En dan blijven er vragen en problemen, maar de wanhoop, de vertwijfeling is geweken.

De nieuwtestamentische gemeente mag ook hier weer meer zeggen dan Pr. Hij zag nog alleen Gods hand (2: 24); wij hebben Gods hart mogen zien. In Jezus Christus is Gods Vaderhart voor ons opengegaan. En als Hij het zó duidelijk gemaakt heeft, dat God vóór ons is, wie zal er dan tegen ons zijn?

De ongrijpbare tijd 3:1-15

1-8. Het is geen vreugdevolle constatering, waar Pr. dit nieuwe gedeelte mee begint. Het leven is een permanente afwisseling van velerlei tegenstellingen. En ieder ding onder de hemel mag dan zijn tijd, zijn passend moment hebben, maar het probleem is juist, dat de mens de tijd zelf niet in zijn vingers krijgt. Het ongrijpbare van de tijd zet Pr. in vs 2 haast programmatisch voorop, in de eerste tegenstelling: baren en sterven.

Ondanks de dichterlijkheid is het een sombere beschrijving: de onverbiddelijke trein van de tijd raast in starre monotonie steeds voort; de mens rijdt mee in die trein -je kunt er niet uit, je kunt de trein niet stoppen.

Stenen wegwerpen en stenen bijeenzamelen (vs 5): de betekenis is niet geheel duidelijk. Misschien moeten we bij het eerste denken aan het onbruikbaar maken van een akker (vgl. 2 Kon. 3:19,25), en bij het tweede aan de voorbereiding voor het in cultuur brengen van een stuk land (vgl. Jes. 5:2).

9.Dit vers vormt de overgang van de situatie-tekening in vss 1-8 naar de conclusies in vss

10-15. De vraag van Pr. is stereotiep: wat heeft de mens aan al zijn inspanningen, als hij in deze wereld zo kwetsbaar is, en de tijd voor hem tenslotte toch onbeheersbaar blijft? 10-15. De kern van wat Pr. te zeggen heeft, vinden we in vs 11. Hij zegt daar twee dingen, die hij in de volgende verzen nader toelicht. Het eerste is: God heeft alles voortreffelijk gemaakt op zijn tijd. Opnieuw: geen spoor van twijfel aan God; de zekerheid van de goede schepping (Gen. 1:31) blijft voluit staan. De controle over de tijd ontglipt de mens (vss 1-8), maar God is Heer, ook over de tijd. Daarom kan Pr. in vss 12 en 13 de conclusie uit 2: 24-26 herhalen. Ondanks de onbeheersbaarheid van de tijd, mag de mens het leven en het goede ontvangen als een gave Gods.

Daarnaast zegt Pr. in vs 11 nog iets anders: ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd. De eeuw: verlegenheidsvertaling. Normale vertaling: eeuwig(heid) (zo in vs 14). De eeuw staat tegenover de tijd, die duizelingwekkende wisseling van momenten, waar de mens aan onderworpen is. God heeft de mens het verlangen gegeven naar iets anders, naar iets dat uitgaat boven de tijd, iets definitiefs. De mens leeft weliswaar in het heden, onder het regime van de tijd, maar in het mensenhart heeft God de hunkering gelegd naar de voltooiing van de tijd.

Pr. zegt er onmiddellijk bij, dat de mens van Gods werk niets kan ontdekken. Het verlangen naar iets definitiefswordt niet vervuld. Een uitwerking daarvan geeft hij in vss 14 en 15. De eeuwigheid blijft Gods domein.

De mens ontdekt telkens slechts momenten van de tijd. De blik op het totaal ontgaat hem; hij is gebonden aan het heden, en mist het overzicht over de tijd, van het begin tot het einde. Dat heeft God aan Zich gehouden. Nieuw-testamentisch mogen we opnieuw meer zeggen: God is begonnen het menselijk verlangen te vervullen. Er is iets definitiefs gekomen; er is Iemand, die boven de tijden staat (vgl. Heb. 13:8). Van het werk dat God doet mogen wij in Christus heel wat ontdekken.

Recht en onrecht 13:16-22

16. Een nieuw probleem: het onrecht wint het zo vaak van het recht. Opnieuw (vgl. 2:13-15 en 3:11) geeft Pr. twee antwoorden: het eerste in vs 17, het tweede in vss 18,22.

17. De onrechtvaardige schijnt weliswaar een tijdlang voordeel te hebben van zijn onrecht, maar tenslotte komt het gericht (= de dood) en dan worden de rechtvaardige en de onrechtvaardige weer precies gelijk. Pr. denkt nog niet aan een oordeel van God over de dood heen (Mat. 25:31-46). De dood zelf is het gericht. Vgl. de uitleg van vs 21.

18-20. Onmiddellijk relativeert Pr. het zojuist gegeven antwoord: het moge dan een zekere troost lijken, dat de onrechtvaardige in de dood niet beter af is dan de rechtvaardige, maar de keerzijde van die waarheid is schokkend en verbijsterend: de mensen zelf zijn in de dood niet méér, niet hoger dan de dieren. Mens en dier worden weer tot eenzelfde stof (vgl. Gen. 2:7 en 3:19).

21. De tekst moet, met een kleine wijziging in het Hebr., aldus vertaald worden: Wie weet, of de adem der mensenkinderen opstijgt naar boven en of de adem der dieren neerdaalt… Een hard woord van Pr., alleen te begrijpen tegen de achtergrond van de optimistische wijsheidsleer uit zijn dagen. Ongetwijfeld werd daar soms de mening verkondigd: ‘De dood is voor de mens geen probleem; want kijk maar: de adem, de levensgeest van de mens, stijgt bij het sterven omhoog. Daaruit kun je weten, dat er een leven na de dood is’. Tegen dit optimisme keert Pr. zich; hij zegt: ‘Pas op! Maak je niet te gemakkelijk af van het probleem van de dood. Er is in de mens geen enkel aanknopingspunt voor een leven na de dood’. Van ons uit is er geen weg door de dood. Een garantie voor een voortbestaan vinden we in de mens niet: niet in zijn adem, niet in een ‘eeuwige ziel’.

Pr. weet nog niets te zeggen over het eeuwige leven. Gods volle openbaring daaromtrent moet nog wachten tot het Nieuwe Testament. Slechts op een enkele plaats in het Oude Testament wordt een tipje van die sluier opgelicht (Ps. 73:23,24; Dan. 12:2). Pr. stelt zich intussen tevreden met wat hij zegt in 12:7: de geest (in het Hebr. hetzelfde woord als wat in 3:21 met ‘adem’ vertaald is) keert terug tot God. Zo verankert hij de vastheid van zijn leven alleen in God, niet in iets van de mens.

22. Opnieuw kan Pr. als conclusie niet anders doen, dan herhalen wat hij eerder zei (2:24-26; 3:12,13): aanvaard het deel, dat God je geeft. Het is sléchts een deel, nooit het geheel; maar omdat het Gód is, die de mens dit deel toebedeelt, mag het aanvaard en genoten worden.

Terugblik en uitzicht

De dood heft het gewin van het onrecht op, maar stelt tegelijk de mens voor een kolossaal probleem. Pr. waarschuwt de mens ervoor te lichtvaardig over de doodskloof heen te springen. Vgl. 3:11,14: de eeuwigheid blijft Gods domein.

Het Nieuwe Testament zegt meer. Christus is door de dood heengegaan. Toch kent ook het Nieuwe Testament die doodskloof, die van de mens uit onoverbrugbaar is, 1 Kor. 15:50. Leven over de grens van de dood heen blijft, ook voor het Nieuwe Testament, een wonder van God, dat nooit als een vanzelfsprekendheid binnen handbereik van de mens komt.

Lijden 4:1-3

Kort, maar indrukwekkend tekent Pr. de toestand van de onderdrukten: en zij hadden geen trooster. De herhaling benadrukt de triestheid. Het lijden in de wereld brengt hem tot de conclusie van vs 2 en 3; vgl. Job 3 en Jer. 20:14-18. Pr. neemt niet principieel afscheid van het leven (vgl. 9:4,5), maar oog in oog met het lijden schijnt de last van het moeten leven en van het moeten aanzien van alle lijden hem te zwaar te worden.

Dat het leven een zware last is, weet ook het Nieuwe Testament. Het nieuwe van het Nieuwe Testament is: er is een werkelijke Trooster, die de troosteloosheid van het menselijk bestaan tot in het diepst van zijn ziel doorleden heeft (Mat. 27:46). Dat heft de bitterheid van het nog altijd bestaande lijden stellig niet op, maar doet ons temeer verlangen naar de voltooiing aller dingen en naar het einde van het lijden (Rom. 8:18-23).

Arbeid 4:4-6

Arbeid staat hoog aangeschreven (‘Arbeid adelt’!). Pr. zet er zijn vraagteken bij: de arbeid blijkt bij nader toezien veel minder nobel te zijn, dan het ideaal suggereerde: het is ellebogenwerk en een harde strijd om het bestaan. Pr. prijst als alternatief niet de luiheid van de dwaas aan (vs 5; vgl. 9:10; 11:6); wel relativeert hij het belang van de arbeid door tegenover de krampachtigheid van beide vuisten vol zwoegen de ontspannenheid van één handvol rust te plaatsen.

Pr. verwijdert het mythisch waas van heldhaftigheid, dat voor veel mensen en in veel culturen rond de arbeid hangt. Stellig mag de arbeid met een zekere onbevangenheid worden aangevat, maar nooit als iets, dat in zichzelf waarde heeft (1 Kor. 15:58).

De alleenstaande en zijn arbeid 4:7-12

8.Vervolg op vss 4 en 6. Het toppunt van zinloosheid: een alleenstaande, die zich uitslooft voor… Ja, waarvoor? Zonder metgezel: in de breedste zin op te vatten; ‘t gaat niet alleen om gezin en familie, maar ook om vrienden en collega’s. Ook worden zijn ogen niet verzadigd van rijkdom: niet omdat hij een dwaas is, die nooit genoeg heeft en telkens meer wil, maar omdat hij geen voldoening in zijn arbeid vindt, doordat er niemand is, die naast hem staat en hem waardering schenkt. De overgang naar de eerste persoon in vs 8b (ik) is een stijlfiguur; Pr. identificeert zich met degene die hij beschrijft.

9.Conclusie uit het voorgaande, nader toegelicht in drie specifieke gevallen, vss 10-12.

koude winternachten geeft de deken niet genoeg warmte (vgl. Ex. 22:26,27 en Jes. 28:20).

12. Een drievoudig snoer: Pr. citeert weer een spreekwoord. De betekenis is eenvoudig: met zijn drieën sta je zo sterk tegenover een aanvaller, dat je vrijwel onkwetsbaar bent. Aan een vergeestelijking (de Derde is: God) heeft Pr. zeker niet gedacht.

Terugblik en uitzicht

Opnieuw confronteert Pr. de mens (de alleenstaande mens) met zijn niet aflatende vraag: Waar doe je het allemaal voor? Leef je alleen voor jezelf? Deze vraag blijft ten volle zijn kracht houden, ook al wijst het Nieuwe Testament nog heel andere facetten aan van het alleenzijn: Luc. 18:28-30; 1 Kor. 7:32.

Populariteit 4:13-16

13. Pr. gaat uit van een algemeen aanvaarde waarheid: armoede mét wijsheid is beter dan het koningschap zónder wijsheid, zelfs als de wijze nog een jongeling is, terwijl de koning oud (en dus eerbiedwaardig, Lev. 19:32) is.

14-16. Pr. lijkt zich volledig aan te sluiten bij de gangbare opvattingen: met wijsheid kom je ver. Maar in 16b laat hij zijn nuchtere kritiek horen; vertrouw niet te zeer op die wijsheid, het succes kan zomaar omslaan, en je populariteit verdwijnt als sneeuw voor de zon. Pr. heeft niet speciaal één historisch gebeuren op het oog. Toch zijn er herkenningspunten in Israels geschiedenis. Zie Gen. 41:14, 39-45; Ex. 1:8; 1 Sam. 18:7,8; 2 Sam. 15:13.

Dit woord van Pr., over de ijdelheid van populariteit, is actueel in alle tijden. Het meest schokkend blijkt dat bij Jezus: op het massale ‘Hosanna’ volgt het even massale ‘Kruisig Hem!’

Godsdienstigheid 4:17 – 5:6

In het voorgaande sprak Pr. over allerlei verschijnselen in de wereld; nu richt hij zich op de godsdienstigheid.

17. Wees je ervan bewust, wat je doet, als je naar de tempel gaat. Je kunt namelijk op een heel verkeerde manier bij God aankomen: als de dwazen, die denken, dat ze door hun offer God kunnen manipuleren (vgl. 1 Sam. 15:22 en Hos. 6:6). Centraal in de omgang met de Here staat het horen; en dat betekent in de Bijbel altijd: horen én doen, horen én gehoorzamen.

5:1,2. Over het gebed. Wees niet zo brutaal tegen God, zet niet zo’n grote mond op; Hij laat Zich door een mens niet ter verantwoording roepen (vs 1). Laat je gebed ook niet in woordenkramerij ontaarden. Het gebed is niet iets magisch om God in je greep te krijgen: Hij laat Zich met door een ellenlange omhaal van woorden voor jouw karretje spannen (vs 2).

3,4. Als je de Here wat beloofd hebt, moet je het ook doen. Een gelofte mag geen leeg woord blijven. 5,6. Spreek niet te snel. Vrome woorden zijn mooi; maar als je later moet zeggen, dat het een vergissing was, en dat je het niet waar kunt maken, dan had je beter helemaal niets kunnen zeggen. De Godsgezant: de priester. Pr. eindigt met de oproep om God te vrezen (vgl. 3:14). Dat is de rechte houding. Dien God met eerbied, op de manier, zoals Hij dat wil, en niet naar eigen inzicht engoeddunken.

Terugblik en uitzicht

God is in de hemel en gij zijt op de aarde: er is een geweldig grote afstand tussen God en mens. Het weten omtrent die afstand zal nooit mogen verdwijnen. Tegelijk weet het Nieuwe Testament meer: God heeft Zich neergebogen tot de mens in Christus (Filp. 2:6,7); Jezus leert het ons om ‘Onze Vader’ te zeggen tegen Hem, die in de hemel is (Mat. 6:9). Bij wat Pr. zegt over het inlossen van geloften kunnen we vandaag heel concreet denken aan de doopbeloften en aan de beloften bij de openbare geloofsbelijdenis.

Politiek onrecht 5:7,8

7.Een moeilijk vertaalbaar vers. Als we ons houden aan de vertaling van het NBG, tekent Pr. hier de corruptie van politici, die door onderdrukking en intriges proberen hun positie te verbeteren.

8.Wat is het dan goed, als er een koning is, die zich niets* aantrekt van heel die corrupte kliek, en die zelf de economische belangen behartigt. Waarschijnlijk denkt Pr. er achteraan: helaas, zo’n koning vind je niet vaak.

Terugblik en uitzicht

Ook het Nieuwe Testament kent de gangbare praktijk in de jungle van de macht. Toch wordt de overheid op een onverwachte hoogte geplaatst (Rom. 13). Daarnaast leert Jezus echter de zijnen onder elkaar een andere stijl te hanteren (Mar. 10:42-45).

Rijkdom 5:9-6:12

9.Rijkdom maakt de mens niet gelukkig. Pr. werkt dat in de volgende verzen uit.

10. De mensen hebben er een fijne neus voor, als er ergens wat te halen valt; iedereen komt een graantje meepikken. Toezien: hij heeft het nakijken.

11. Na gedane arbeid is het goed slapen; maar niets-doen en veel eten ontaardt in slapeloosheid. De rijke vindt niet genoeg voldoening en bevrediging in zijn dagelijkse bezigheid.

12,13. Rijkdom kun je zomaar verliezen (vgl. Job 1).

14-16. De ijdelheid van de rijkdom blijkt pas goed in het zicht van de dood. De dood: de grote gelijkmaker (vgl. 2: 15,16; 3.19-21). Naakt (vs 14): vgl. Job 1:21. Zijn spijze in duisternis nuttigen: wie steeds zwoegt, houdt geen tijd over om te eten; vgl. Ps. 127:2.

17-19. Opnieuw gebruikt Pr. het woord deel: het van God geschonkene. Zijn raad: geniet onbevangen van dat deel. Pr. verwerpt de rijkdom niet principieel: er is ook rijkdom als gave Gods. Wanneer bezit ontvangen wordt uit Gods hand, komt het op de juiste plaats te staan in het mensenleven (vgl. de uitleg van 2:24-26).

6:1-6. Rijkdom zonder Gods zegen; Pr. beschrijft het tegenbeeld van 5:18. Wat heb je aan rijkdom, een lang leven en veel kinderen (hét levensideaal in het Oude Testament!), als God je niet in staat stelt daarvan te genieten! Al zou iemand twee keer zo oud worden als Metusalem (Gen. 5:27), het is ijdelheid, wanneer de zegen van God eraan ontbreekt. Dan is een misgeboorte er nog beter aan toe; alles gaat immers naar één plaats, en een doodgebö-rén kindje heeft tenminste alle zorg en moeite van het leven niet mee hoeven maken (vgl. 4:3 en Job 3:16).

7.Conclusie: De mens is steeds in de weer om te zorgenvoor levensonderhoud; maar je komt er nooit mee klaar, het levert uiteindelijk geen resultaat op: want morgen moet je wéér eten. De mond wordt niet verzadigd van eten (zie 1:8; vgl. ook Joh. 4:13).

8.Ieder mens staat gelijkelijk onder dit regime van de honger; wijzen en dwazen, armen en rijken zijn daarin volledig gelijk. (8b is moeilijk te vertalen; de betekenis is derhalve ook niet geheel duidelijk).

9.Het zien der ogen: datgene wat je kunt zien, wat er is en wat je hebt. De uitdrukking heeft hier geen negatieve klank (vgl. bv. 1 Joh. 2:16), maar wordt in neutrale zin gebruikt. Het is ons spreekwoord: Eén vogel in de hand is beter dan tien in de lucht. Geniet van het gegevene (5: 17-19. Vgl. Ps. 131). De kwalificatie ijdelheid (vs 9b) heeft alleen betrekking op het jagen der begeerte (vgl. 2: 26).

10. Hoe het ook gaat in je leven, bedenk wie je bent: slechts een mens. God heeft je levensgang bepaald; hoe zou een mens Hem ter verantwoording roepen? Opnieuw (vgl. 5:12-14 en 6:3) krijg je de indruk, dat Pr. bij het beschrijven van de ijdelheid van de rijkdom gedacht moet hebben aan het leven van Job; zie wat 6:10 betreft Job 9: 3 en vooral 39:34-38.

Velen vertalen vs 10a anders: Wat er ook is, reeds lang is de naam ervan genoemd, dat wil zeggen: wat er ook gebeurt, het was al lang bepaald. De betekenis wordt dan breder, maar niet wezenlijk anders.

11. Vele woorden, namelijk tegen de manier waarop God regeert. Tegenover de almacht van God staat de onmacht van de mens; hem past slechts onvoorwaardelijke onderwerping (vgl. 5:5,6; Jes. 45:9).

12. De mens mist immers de visie op het geheel, zoals alleen God die heeft; wij kunnen niet over de grenzen van de tijd heenkijken (vgl. 3:10-15).

Terugblik en uitzicht

Alles draaide om het thema van de rijkdom. Vanuit verschillende hoeken benaderde Pr. dit thema. Zijn conclusie is monotoon: het is ijdelheid en najagen van wind. Het Nieuwe Testament zegt niet iets wezenlijk anders, zie Luc. 18:22-25; 1 Tim. 6, enz. Tegelijk weet het Nieuwe Testament meer te zeggen dan Pr. over de liefde van God als het fundament onder zijn plan met het mensenleven (Rom. 8:28-39).

Leven en dood I 7:1-14

Over indeling en opbouw van dit gedeelte bestaat veel verschil van mening. Mi. vormen vss 1-6 een eenheid, waaraan dan in vss 7-14 een aantal spreuken is toegevoegd; het onderlinge verband is niet geheel afwezig, maar toch tamelijk los.

1.Pr. citeert een ongetwijfeld bekend spreekwoord (vgl. Spr. 22:1), maar geeft daar in de tweede vershelft een onverwachte en schokkende wending aan (vgl. 4:2 en 6:3). Daarmee is het thema van vss 1-6 aangegeven. Olie: belangrijk voor voeding en lichaamsverzorging (vgl. 9:8).

2-5. Pr. veroordeelt niet elke vreugde en ieder lachen (zie 2:24-26; 9:7-9). Hij wijst slechts dié vrolijkheid af, die een vlucht is voor de ernst van het leven en voor de realiteit van de dood. Pr. wil ontmaskeren, wakker schudden; de mens mag zich niet verstoppen, maar hij moet nuchter en eerlijk de realiteit van het mensenleven onder ogen zien. Op een radicale manier stoot Pr. door naar de diepte; hij vraagt naar het fundament onder de vrolijkheid, naar het fundament onder het mensenleven.

6.Geknetter van dorens: het vuur vlamt hoog op; het gaat met veel lawaai gepaard – maar er komt weinig warmte van, en het vuur is snel gedoofd. Het lijkt heel wat, maar het stelt niets voor. Ook dit is ijdelheid: slaat weer alleen op het direct voorafgaande (vgl. 2:26).

7.Door velen wordt verondersteld, dat dit vers hier per ongeluk is terechtgekomen, ofwel, dat er iets uit weggevallen is. Inderdaad valt moeilijk te begrijpen, waarom in dit verband de financiële corruptie en haar gevolgen ter sprake gebracht worden. Afpersing: bedoeld is de situatie, waarin een wijze langs niet helemaal eerlijke weg zijn bezit vermeerdert. Als je daar eenmaal de smaak van te pakken hebt, zegt Pr., gaat het snel bergafwaarts.

8-10. De mens moet niet te snel zijn mond opendoen om te protesteren, als niet alles zo loopt, als hij had gewild. Wacht eerst maar eens af, waar de zaak op uit loopt. Betracht geduld; het is dwaas en hoogmoedig om de menselijke beperktheid niet te erkennen. Pr. zegt hier dus niét, dat het onmogelijk is, dat de vroegere tijden beter waren dan deze; hij waarschuwt er wél voor, dat te snel te zeggen. Weet je ‘t wel zeker? Heb je werkelijk een volledig beeld van het verleden en het heden? Of kijk je er scheef tegen aan, en zie je in het verleden alleen de mooie dingen, en in het heden alleen de vervelende?

11,12. Met een erfdeel en met geld ben je bevoorrecht en geniet je bescherming – Pr. geeft daar geen beoordeling van, maar hij constateert het als een feit: zo is het in de wereld. Maar Pr. zegt er wel iets bij: met wijsheid kom je verder, wijsheid geeft leven. Hier blijkt dus opnieuw, dat Pr. het leven als zodanig niet verwerpt; vgl. de uitleg van 4:1-3.

13,14. Sluiten aan bij vss 8-10; vgl. 1:15 en 6:10-12. Pr. raadt de mens (opnieuw) zijn leven telkens weer te ontvangen uit Gods hand. Vanuit de menselijke beperktheid blij ft er geen andere mogelij kheid o ver. Wat Hij gebogen heeft: staat niet tegenover 3:11. Pr. spreekt hier vanuit de menselijke ervaring: wij begrijpen zo vaak niet wat er gebeurt, en waarom het gebeurt; vgl. 3:16; 4:1.

Memento mori: gedenk te sterven. De mens leeft in het aangezicht van de dood. Is dit leven dan inderdaad niet anders dan een gestadige dood, zoals het klassieke doopformulier het zegt? Toch wel. In Christus hebben we de dood niet meer vóór ons, maar achter ons; het nieuwe, echte leven is begonnen (Rom. 6:1-11; Kol. 3:1-4).

Rechten onrecht II 7:15-22

15. De wijsheid kent altijd het grote gevaar zichzelf op te sluiten in een gesloten systeem: de rechtvaardige moet het goed gaan, de goddeloze slecht (vgl. de vrienden van Job). Pr. verzet zich tegen dit oppervlakkig automatisme: je ziet om je heen, dat het gewoon niet klopt (vgl. Job, Ps. 73). Hoe reageer je daar nu op, als je ziet, dat de werkelijkheid niet overeenkomt met jouw systeem? Je kunt, zegt Pr. in de volgende verzen (16 en 17) op twee manieren verkeerd reageren op onrecht en lijden in de wereld.

16. Je kunt jezelf boven God plaatsen: de mens weet het beter, hij is wijzer en rechtvaardiger dan God. Maar je loopt vast, en tenslotte sta je verbijsterd in deze wereld.Daarom: wees nederig; probeer God niet na te rekenen. Hoe zou een mens dat kunnen?

17. De mens kan ook heel anders reageren: hij kan afscheid nemen van God (Job 2:9). De mens zet God aan de kant, omdat het toch niets uit lijkt te maken, of je nu als rechtvaardige leeft, of niet. Maar dat is een goddeloze en dwaze reactie (vgl. 7:13,14). Wie zo reageert, loopt het risico te sterven vóór zijn tijd. Wij kennen de troostend bedoelde uitdrukking: ‘Niemand sterft vóór zijn tijd’. Waarschijnlijk zou Pr. daar wel een kanttekening bij maken.

18. Laat je, in het besef van je menselijke beperktheid, niet meeslepen op de wegen van enerzijds hoogmoed en anderzijds opstand tegenover God. Met de vreze des Heren – eerbied en ontzag, gedragen door een diep vertrouwen – heb je het goede fundament om niet in verkeerde reacties te verdwalen.

19. Wijsheid: Pr. bedoelt hier natuurlijk niet de wijsheid uit vs 16, maar de vreze des Heren uit vs 18.

20. Een extra argument tegen al te extreme reacties. Wat Pr. hier zegt, is geen goedkoop excuus (op de manier van: ‘Je moet maar zo denken: niemand is volmaakt’), maar het is de erkenning van de afschuwelijke realiteit van de zonde. Pr. vervalt niet in dwaze oppervlakkigheid; integendeel: hij kent de ernst van de menselijke situatie, hij peilt de diepte van het menselijk falen (vgl. Ps. 14:3; Rom. 3:10-18). Echter: wie zo spreekt, weet ook van een God, die ons niet doet naar onze zonden. Door dit diep-ernstige woord heen tintelt reeds het evangelie van de vergeving der zonden.

21,22. Een concreet voorbeeld als toelichting bij het vorige vers. Nu gaat het dus niet meer om de verhouding van de mens tot God, maar van mensen onder elkaar. In die verhouding komt het aan op barmhartigheid.

Nederigheid tegenover God, barmhartigheid tegenover, de mensen: dat is de levensstijl, die Pr. wil aanbevelen in een wereld vol onbegrijpelijk onrecht en lijden. Het is zo oneerlijk verdeeld in de wereld. Van de grootste oneer- ■ lijkheid wist Pr. nog niet: Er is een Rechtvaardige, die op Golgotha te gronde gaat; en nu zijn er talloos vele goddelozen, die ondanks hun boosheid het leven ontvangen.

Een slotsom? 7:23-29

23,24. Pr. kijkt achterom; hij gaat de balans opmaken (vgl. 1:13). Het resultaat is triest.

25. Door een opvallende opeenstapeling van woorden wil Pr. laten uitkomen, hQe intensief hij gezocht heeft naar de wijsheid, de verborgen zin. Pr. heeft werkelijk zijn uiterste best gedaan; dat het resultaat van al zijn naspeuringen zo mager is, ligt. stellig niet aan een te geringe inzet van Pr. (vgl. 3:11).

het verloop van zijn onderzoekingen ontdekte Pr. iets verschrikkelijks: het grote gevaar van de slechte vrouw. Hij spreekt hier dus niet over de vrouw als zodanig, iedere vrouw (vgl. 9:9), maar over een bepaald type: de vrouw, die erop uit is om te verleiden. Het is aan God te danken, als iemand tegenover die verleiding standhoudt (vgl. 2:26).

27,28. Dit zijn welhaast de moeilijkste verzen van heel dit boekje. Waarschijnlijk trekt Pr. hier de lijn door van vs 26; en tegelijk komt hij daarmee op het bredere terrein van de menselijke relaties in het algemeen. Zijn woorden zouden dan als volgt geparafraseerd kunnen worden: ‘Als ik er nu nog eens goed over nadenk’, zegt Pr., ‘en alles bij elkaar optel – ik wil immers tot een slotsom komen, en die heb ik nog steeds niet gevonden – dan kom ik tot de conclusie, dat er maar heel weinig mensen zijn, die werkelijk die naam ‘mens’ ten volle verdienen. Je wordt zo verschrikkelijk vaak teleurgesteld in mensen. Echte mensen, in de volle zin van het woord (Gen. 1:27), die vind je nauwelijks: één op duizend; en die ene is geen vrouw’.

29. En dan toch nog een slotsom, zij het een negatieve: het ligt niet aan God; Hij heeft de mensen niet zo gemaakt (zie opnieuw Gen. 1:27). Het is de schuld van de mens, dat alles zó verward en kapot is, en dat de wijsheid, de zin, niet te ontdekken is. Zo vormt dit vs dubbele zin een afsluiting: van vss 26-28, en tegelijk ook van het hele gedeelte vanaf vs 23.

Pr. kan niet anders dan (opnieuw) constateren, dat zijn pogen geen resultaat heeft. De wijze loopt vast met zijn wijsheid. Pas Gods nieuwe, hoogste openbaring zal het antwoord geven op de eerlijke, indringende vragen van Pr.: 1 Kor. 1:18- Christus mag ieder – man of vrouw – kind van God heten, dat wil zeggen: werkelijk in de volle zin mens zijn (Kol. 3:10,11; Gal. 3:28).

Revolutie 8:1-9

1.Een moeilijk vers. Sommigen beschouwen het als slotvers van het vorige gedeelte. Waarschijnlijk is het toch wel de inleiding op het volgende: Pr. wil vertellen, hoe een mens zich wijs gedraagt tegenover de (slechte) koning. In dit vers blijkt dan duidelijk, dat Pr. – hoezeer hij zich ook verzet tegen een ontspoorde wijsheidsleer – toch zélf een wijze is; hij verwerpt de wijsheid als zodanig niet. Zie de Inleiding.

2-4. Wees gehoorzaam aan de koning, laat je niet in met een kwade zaak, dat wil zeggen: met revolutie (kwaad hier in de zin van: gevaarlijk). De bij God gezworen eed: de eed van gehoorzaamheid. Het koningschap is een religieuze instelling; de gehoorzaamheid aan God en de gehoorzaamheid aan de overheid hebben rechtstreeks met elkaar te maken (vgl. 2 Sam. 5:3; 2 Kon. 11:17; ook Rom. 13:1 en 1 Petr. 2:13).

5.Het gebod: van de koning. Tijd en wijze, misschien beter te vertalen: tijd en gericht. De wijze weet van het gericht; hij weet, dat de (slechte) koning plotseling ten val kan komen. Revolutie is niet verstandig; je weet nooit zeker, of het het juiste moment is; je hebt immers de tijd niet onder controle (vgl. 3:1-15). Daarom: gehoorzamen en afwachten.

6.Het moment van de verandering komt wel; de zonde van de mens (de koning) vraagt om vergelding.

7,8. Maar wanneer het precies zover is, weet niemand. Je krijgt geen vat op de tijd. Met vier beelden licht Pr. dat toe: de wind is ongrijpbaar, de dood onbeheersbaar; in de oorlog kan niemand met verlof gaan, en de goddeloosheid kapselt de zondaar zó in, dat hij er niet meer uit los komt.

9.Slotwoord. Hier wordt ten volle duidelijk, dat Pr. sprak over de houding tegenover een slechte koning: hij heeft macht over de ander tot diens onheil.

Terugblik en uitzicht

Geen revolutie! De tijd voor verandering is in Gods hand. Pr. verwerpt een illusionistisch idealisme: hoe dikwijls vervangt een revolutie immers slechts het ene kwaad door het andere. Alleen God kent de juiste tijd; daarom faalt de grote omwenteling, die Hij tot stand brengt, niet (Gal. 4:4,5; 2 Kor. 5:17).

Rechten onrecht III 8:10-17

10. De bedoeling van dit vers is – hoewel de vertaling onzeker is – duidelijk: de mens krijgt niet altijd, wat hij naar onze maatstaven verdient.

11,12a. Omdat Gods gerechtigheid verborgen is en zijn straf uitblijft, schijnt het de mensen aanlokkelijk om kwaad te doen.

12b,13. Nochtans: te sterk vertaald; beter: weliswaar, of: ik weet wel… Pr. ontkent niet, dat God rechtvaardig is; maar zijn probleem is, dat hij daar zo weinig van ziet. Als de schaduw: de NBG-vertaling is hier zeer onwaarschijnlijk. De schaduw is immers geen beeld van bestendigheid, maar juist van vluchtigheid (vgl. 6:12). Beter is de SV: hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw.

14. Opnieuw formuleert Pr. het probleem (vgl. 7:15).

15-17. En weer, zoals al zoveel keren (vgl. de Inleiding, 2.c), concludeert hij: het totaal-overzicht ontgaat de mens; aanvaard dan het deel, dat God je schenkt.

Het probleem van onrecht en lijden houdt niet alleen Pr. telkens weer bezig, maar ieder mens, van alle tijden. Steeds opnieuw stuiten we, uiterst pijnlijk, op de vloek van de zonde: het leven op aarde is een ondoorzichtige wirwar geworden. Het Nieuwe Testament wijst ons, sterker nog dan het Oude Testament, op Hem die komt om de gerechtigheid definitief te vestigen op aarde (2 Petr. 3: 13). Wij wachten op onze Here (Luc. 12:35-48).

Leven en dood II 9.1-12

1.In Gods hand, dat wil zeggen: voor de mens verborgen; de mens kan immers niets ontdekken van het werk Gods (8:17). In vss 2-6 werkt Pr. dit thema uit, waarna hij in vss 7-10 opnieuw zijn raad geeft: geniet het deel, dat God je schenkt. Zowel liefde als haat: zelfs over zulke typisch menselijke dingen als liefde en haat heeft de mens geen controle; laat staan, dat de mens dan zulke grote zaken als verleden en toekomst, leven en dood in eigen beheer zou kunnen nemen.

2.De dood breekt alle grenzen af: zedelijke en religieuze kwaliteiten veranderen niets aan het lot, dat ieder mens treft.

3.Dezelfde gedachte als in 8:11,12a. Allen treft eenzelfde lot. Het lijkt erop, dat God geen verschil maakt tussen rechtvaardigen en goddelozen. Waarom zou je het er dan niet van nemen en er vrolijk op los leven? Pluk de dag (vgl. 1 Kor. 15:32).

4.Hoop: zeer relatief. Het enige, dat de levende zeker weet, is… dat hij moet sterven (vs 5). Hond: in Israel een veracht dier.

7-10. Breder dan tevoren formuleert Pr. hoe de mens te leven heeft in het aangezicht van de dood: aanvaard je deel; het komt immers uit Gods hand (vgl. vs 1). N.B.: De zeer positieve uitleg, die deze verzen soms tendeel valt, is niet terecht. Pr. biedt in deze verzen geen ‘happy end’; hij opent niet toch nog, op het allerlaatste moment, een ontsnappingsmogelijkheid. Ook hier is de grondtoon die van het: Alles is ijdelheid. Zie vooral vs 9 en 10; vgl. ook de Inleiding, 2.c.

8.Wit: de kleur van de vreugde. Olie: gebruikt als parfum, vgl. Ps. 23:5; Ps. 133:2; Jes. 61:3.

11,12. Wederom zag ik: een nieuwe waarneming van Pr., die voortreffelijk aansluit bij het voorgaande. Menselijke vaardigheden bereiken lang niet altijd het doel; je krijgt immers de tijd (vooral de tijd van de dood) nooit in je macht.

Terugblik en uitzicht

Het hangt niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt (Rom. 9:16); Paulus zegt het Pr. na. Tegelijk weet hij meer te zeggen: als fundament onder het leven ligt niet alleen Gods verborgen wil, maar bovenal zijn ontferming en genade. Wit (vs 8) is daarom, behalve de kleur van de vreugde, vooral ook de kleur van de vergeving (Ps. 51:9; Op. 7:14).

De falende wijsheid 19:13 – 10:1

13. Als wijsheid: als les van wijsheid. Natuurlijk is het hier verhaalde bepaald geen staaltje van wijsheid. Maar Pr. heeft – juist uit het falen van de wijsheid – een wijs-heidsles geleerd: vss 16-18.

14,15. De situatie is duidelijk. Die arme man: Pr. schrijft niet: die wijze man. De man stond bekend als arm, niet als wijs. Armoede loopt nu eenmaal meer in het oog dan wijsheid.

16- parallelle stijl schetst Pr. twee maal het falen van de wijsheid: weliswaar is de wijsheid een groot goed – daar twijfelt Pr. niet aan – maar door bijkomende omstandigheden komt de wijsheid zo vaak niet aan haar doel. Vs 1″8 brengt daarbij nog een verscherping: een beetje dwaasheid (één zondaar) is al voldoende om de wijsheid van haar effect te beroven.

10:1. Met een beeld onderstreept Pr. dit nog eens. Zalf-bereider: apotheker.

Wat hij in 9:11,12 gezegd heeft – menselijke vaardigheden missen soms het doel – past Pr. hier toe op de wijsheid zelf. Hij gaat nadrukkelijk de confrontatie aan met de optimistische wijsheidsleer. De wijsheid is geen nimmer falend middel om het leven in je greep te krijgen. Het Nieuwe Testament vult aan: er is maar één wijsheid, die het doel werkelijk bereikt: het Evangelie van het kruis – dwaasheid in de ogen der wijzen (1 Kor. 1:21). Want wie had gedacht, dat deze ene Man de wereld kon redden?

De falende wijsheid II 10:2-11

2.Pr. erkent het (relatieve, zie 2:14) voordeel van de wijsheid. Rechts gold als de kant van het goede en het geluk, links van het kwade en het onheil.

3.Hij zegt tot ieder: aan heel zijn doen en laten kan iedereen direct merken, dat hij een dwaas is; hij bazuint het als het ware voor zich uit. Het is dus eigenlijk onmogelijk, dat iemand zich daarin vergist. En toch gebeurt dat!

4.De heerser kan, zonder reden, boos op je worden. Wees dan geen dwaas, maar onderwerp je (vgl. 8:3).

5-7. Een nog ernstiger situatie: de koning stelt dwazen aan op verantwoordelijke posten, en wijzen worden gedegradeerd. Onbegrijpelijk. Een koning zou toch moeten weten, dat hij geen dwazen aan moet stellen? Maar opnieuw faalt de wijsheid.

8,9. Pr. richt zijn blik op een ander gebied: het vakmanschap (ook een vorm van wijsheid, zie Ex. 31:3,6). In deze verzen moet vier keer kan vertaald worden, in plaats van zal (Wie een kuil graaft, kan er in vallen, etc). Pr. bedoelt niet, dat het altijd verkeerd moet aflopen, als iemand graaft, breekt of hakt, maar het kan wel. Hoe knap je ook bent in je vak, het is geen garantie tegen mislukkingen (vgl. 9:11,12).

10. Opnieuw (vgl. vs 2) een positieve vermelding van de wijsheid (als dit vers tenminste goed vertaald is).

11. Onmiddellijk volgt weer een correctie: ook al is iemand een meester in het bezweren van slangen, als de slang te vroeg bijt, faalt de kundigheid, de wijsheid van de bezweerder.

Terugblik en uitzicht

Pr. zet een reeks betrekkelijk los van elkaar staande spreuken op een rij; bijeengehouden worden ze door het thema van de falende wijsheid. Pr. verwerpt de wijsheid niet, maar keer op keer toont hij de kwetsbaarheid ervan. De wijsheid kan niet op eigen benen staan. Wijsheid zonder openbaring – Nieuw-testamentisch: wijsheid zonder Christus – bereikt het doel niet (vgl. Kol. 2:3). Zie ook de Inleiding.

Gepraat 10:12-15

12. Opnieuw laat Pr. blijken de wijsheid toch boven de dwaasheid te stellen. Echter: niet op de wijsheid valt de nadruk in dit vers (en de volgende verzen), maar op de dwaasheid.

13. Van begin tot eind spreekt de dwaas onzin.

14. Het is mogelijk, dat Pr. zich hier richt tegen de zogenaamde ‘wijzen’ uit zijn tijd: die praten steeds maar door, op alles hebben ze een antwoord. Maar juist doordat ze zoveel praten, blijkt, dat ze niet wijs, maar dwaas zijn. Ze mogen dan doorgaan voor wijs, maar door hun vele gepraat tonen ze juist dwaas te zijn. De werkelijke wijze kent zijn beperktheid – en zwijgt.

15b. Letterlijk opgevat is dit onbegrijpelijk. Misschien is het een spreekwoord.

Pr. blijft erbij, dat wijsheid te verkiezen valt boven dwaasheid. Alleen: omdat je maar zo weinig weet, moet je niet zoveel praten. Het Nieuwe Testament kent ook het gevaar van te veel menselijke woorden (Jak. 1:19) en weet bovendien, dat het geloof voortkomt niet uit praten, maar uit horen; horen naar het woord van een Ander (Rom. 10:17).

Koningen 10:16-20

16. Een kind: een onzelfstandig iemand, die geen goede leiding kan geven; met zo iemand als koning gaan de ministers (vorsten) hun plicht verzaken en het er lekker van nemen.

17. Pr. verwerpt het maaltijd houden niet, als het maar gebeurt te rechter tijd.

18. Anders komt het land terecht in de situatie, die aangeduid wordt in dit spreekwoord.

19. Vermoedelijk een beschrijving, die betrekking heeft op vs 16b: Zo gaat het nou in de wereld van de hoge heren; als je maar geld hebt kun je alles doen.

20. Opnieuw waarschuwt Pr. voor kritiek (vgl. 8:3 en 10: 4). Ook al leven ze in overdaad en verspilling, vervloek de koning en de rijke niet; zelfs niet op een plaats, waar je denkt, dat niemand je hoort.

Terugblik en uitzicht

Hoe houdt een mens zich staande in een wereld, die een jungle is, en waarin zelfs de koning een dwaas kan blijken te zijn? Onderwerp je, zegt Pr. Ook het Nieuwe Testament kent het ideaal van een stil en rustig leven, maar roept daarbij op tot de voorbede voor koningen en alle hooggeplaatsten (1 Tim. 2:1,2).

Werken… 11:1-6

1,2. De vertaling met want past hier mi. niet; beter: en toch. Pr. tekent hier twee mensentypen: in de eerste plaats de verspiller, die toch niet van honger omkomt, ondanks zijn zorgeloosheid; en in de tweede plaats de overbezorgde, die op haast neurotische wijze aan risico-spreiding doet, en die dan toch slagen te verduren krijgt, ondanks zijn grote voorzichtigheid. Twee levenshoudingen in een wereld, waarin het onverwachte soms zomaar gebeurt: je vindt terug wat je weggegooid had, of je wordt getroffen door het ene risico, dat je over het hoofd gezien had. Werp, verdeel: niet op te vatten als bevel, maar als introductie-formule: Neem nu eens een man, die…

3.Als de wolken vol zijn, komt de regen; als de boom oud is, valt hij. Wanneer? Welke kant op? Dat weet de mens niet; wij krijgen geen greep op de toekomst. 4-6. Hoewel je het werk van God dus niet kent (vs 5), omdat je als mens ingeklemd lijkt te zitten tussen het domme toeval (vs 1 en 2) en de ijzeren noodzakelijkheid (vs 3), mag je toch je arbeid aanvatten, en de uitkomst ervan vol vertrouwen in Gods hand leggen (vs 6). Onbevangen, zonder angstvalligheid, mag je zaaien en maaien (vs 4).

Terugblik en uitzicht

Ondanks vragen en onbegrijpelijkheden mag je toch werken, als mens op Gods aarde; met een diep vertrouwen in Hem en in zijn liefde. Paulus zingt later zelfs het loflied op datgene, wat menselijk totaal onbegrijpelijk is (Rom. 11:33-36).

… en leven 11:7-12:7

7,8. Zoals een mens mag werken (vs 4-6), zo mag hij ook leven. Het leven, dat ontvangen wordt als een geschenk van God, is goed; je mag er van genieten. Tegelijk is het helemaal in de stijl van Pr. om direct daarbij zijn waarschuwing te plaatsen: vergeet niet de dagen der duisternis, dat wil zeggen: de ouderdom, en vooral: de dood. In het volgende werkt Pr. dit thema breed uit.

9,10. Nergens anders riep Pr. de mens zó nadrukkelijk op om van het leven te genieten. In het gericht: Pr. wil niet misverstaan worden, alsof hij nu de houding uit 2:111 (zie vooral 2:10) zou aanprijzen. Het menselijk leven speelt zich af tegen het decor van het komende gericht. Wat bedoelt Pr. met het gericht”! Ongetwijfeld denkt hij in de eerste plaats aan de dood (vgl. 3:17); wellicht heeft hij daarnaast ook een bepaalde vergelding tijdens het leven op het oog (vgl. 8:5,6 en 8:11-13, met de daarbij gegeven verklaring). Jongeling: dit woord moet in de breedste zin opgevat worden: iemand, die in de kracht van zijn leven is (vgl. Mat. 19:20,22).

12:1. In het hart van dit gedeelte noemt Pr. de Schepper, Hem, die het leven gegeven heeft, en die als Souverein boven dat leven staat. Tegenover de oproep om het leven te genieten, schetst hij nu een indrukwekkend beeld van de kwade dagen, de ouderdom.

2.Pr. gebruikt beelden, die ontleend zijn aan de Palestijnse winter: het regenseizoen, waarin telkens weer nieuwe, zware regenwolken het licht van zon, maan en sterren tegenhouden. De winter verbeeldt hier de ouderdom. Ook de westerse mens kent de vier seizoenen als beeld van het mensenleven.

3-4a. Een allegorie, waarin het (verouderende) leven wordt vergeleken met een (bouwvallig) huis. Wachters: armen. Sterke mannen: benen. Maalsters: tanden. Zij, die uit de vensters zien: ogen. Deuren: oren. Molen: het spreken.

4b-5a. Haast ongemerkt eindigt de allegorie; zonder beelden spreekt Pr. verder over de moeiten van het oud worden. De stem van de oude mens wordt hoog en zacht, hij heeft moeite met een omhoog lopende weg (of met een trap), ja zelfs gewoon de straat opgaan wordt tenslotte een probleem: er zijn verschrikkingen op de weg; de oude mens ziet er tegen op om naar buiten te gaan. 5b. Moeilijk te verstaan. Als de NBG-vertaling correct is, vinden we ook hier beelden voor het oud worden. Een andere vertaling lijkt aanlokkelijk: De amandelboom bloeit weer, de sprinkhaan eet zich weer rond, de kapperbes geeft weer zijn vrucht – maar de mens gaat... etc., De betekenis is dan: het leven gaat door, het wordt weer voorjaar en zomer, de tijd van bloeien en rijpen in de natuur – maar de oude mens heeft daar niets meer aan, zijn tijd is voorbij: hij sterft.

6.Zilveren koord: onderdeel van de lamp. Licht en water worden gewoonlijk gebruikt als beelden voor het leven; hier gebruikt Pr. deze twee als beelden voor het sterven: het licht dooft, het water stroomt niet meer.

7.Stof en geest: zie bij 3:20,21. Aan zoiets als een ‘onsterfelijke ziel’ heeft Pr. stellig niet gedacht. God, die de levensadem gaf (Gen. 2:7), neemt bij het sterven die adem, die geest, weg (vgl. Job 34:14,15), en dan is de mens – helemaal – dood.

Terugblik en uitzicht

Het leven mag geleefd en genoten worden; het is het deel, dat God de mens schenkt. Maar altijd staat de dood aan de einder van het menselijke leven. Pr. houdt halt voor die laatste grens. Straks zal het niemand minder dan Gods eigen Zoon zijn, die de mens het Evangelie verkondigt: Tk ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven’ (Joh. 11:25).

Conclusie 12:8

Pr. komt terug, waar hij begonnen was: alles is ijdelheid. Wat is nu de inhoud van dit alles! Het omvat al datgene, waarmee en waarin de gangbare wijsheidsleer meende de zin van het leven te kunnen ontdekken. Elk middel, dat de mens hanteert om het leven in zijn greep te krijgen, faalt; het is: ijdel. Toch bleek voor Pr. niet helemaal alles onder dit oordeel te vallen. God zelf staat boven de ijdelheid; zijn werk is goed. En daarom klonk telkens de raad van Pr.: aanvaard het deel, dat God je geeft. Juist omdat het Gód is, die het je geeft, is het niet ijdel. Zie de Inleiding.

Epiloog 12:9-14

9,10. Dit slotwoord is, evenals het opschrift (zie bij 1:1), niet door Pr. zelf toegevoegd. In de derde persoon schrijft hier een leerling van Pr. over zijn meester. .

11. Prikkelen: de ossestok, waarmee de ossen (voor de ploeg) worden aangedreven en gestuurd. Nagelen: vermoedelijk de afzonderlijke spijkers van de ossestok. Eén herder: God. De echte wijsheid is dus geen puur menselijke bezigheid, maar heeft haar diepste fundament in (de openbaring van) God. Zie de Inleiding, 2.a..

12. Vgl. 10:12-14.

13. Vrees God: vgl. 3:14; 5:6; 8:12,13. Over Gods geboden had Pr. zelf nergens gesproken. De schrijver van de epiloog wil de lessen van de Pr. tegen misverstanden beschermen: je kunt je niet op Pr. beroepen om de geboden van God te veronachtzamen. Predikers kritiek op de wijsheid is geen kritiek op Gods openbaring.

14. Gericht: vgl. 3:17; 8:5,6; 8:11-13; 11:9.

Dit slotwoord maakt nog eens extra duidelijk, dat het boekje Prediker een onderdeel is van de hele Bijbel. In dat grote geheel van Gods Woord functioneert Pr. als de wachter bij de grens van de wijsheid. Waar de wijsheid zelfstandig dreigde te worden stond de .waakzame Pr. met zijn prikkels en nagels: pijnlijk maar heilzaam. Juist zo is Pr. een wegbereider voor de Messias (vgl. Mat. 3:3; 1 Kor. 3:18-20).

Wellicht ook interessant

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken