Menu

Premium

Preekschets 1 Johannes 2:28

1 Johannes 2:28

Drieëntwintigste zondag na Pinksteren

Blijf dus in hem, kinderen. Dan kunnen we vol vertrouwen zijn wanneer hij verschijnt…

Schriftlezing: 1 Johannes 2:18-29

Het eigene van de zondag

Zie vorige zondag. Doorgaans wordt in deze periode van het kerkelijk jaar – of in de adventsperiode erna – het avondmaal gevierd. Deze tekstwoorden passen daar goed bij. De ernst die klinkt in 1 Johannes 2:18 (‘Kinderen, het laatste uur is aangebroken’) herinnert aan de ernst rondom het Laatste Avondmaal van Jezus en de discipelen. Ook hier is de ernst niet zonder perspectief, er is zelfs sprake van ‘vol vertrouwen’. Het verdient overweging ook eens vanachter de tafel, mogelijk zelfs tijdens de viering of aan de tafels, deze tekstwoorden te overdenken.

Uitleg

Wat opvalt én in de gehele brief én in onze tekst is de zes keer terugkerende aanspreekvorm (eigenlijk een verkleinwoord!) tekma: kinderen. Vergelijk 1 Johannes 2:1, 12, (18: paidia), 28; 3:7, 18; 4:4; 5:21. Soms wordt dit woord voorafgegaan door het bezittelijk voornaamwoord ‘mijn’ (1 Joh. 2:1; 3 Joh. 4), ‘haar’ (2 Joh. 1) of ‘uw’ (2 Joh. 4). Het zegt iets over de vertrouwelijke, haast vaderlijke omgang van de auteur met de gemeenteleden. Sommige commentaren beweren dat de schrijver op deze wijze autoriteit claimt, andere wijzen erop dat het gebruiken van dit woord mogelijk teruggaat op een oudtestamentische en joodse wijze van spreken over de kinderen van het verbond (bijv. Deut. 14:1) of de kinderen van Abraham (Joh. 8:39). De brief kan doorgaan voor ‘een herderlijk schrijven’ (A.F.J. Klijn).

18-19. Waar in 1 Johannes 1 en 2:1-17 het antagonisme tussen licht en duisternis, deze wereld en de toekomende, dood en leven is getekend, zet de auteur in 1 Johannes 2:18-29 nieuw in. Met een uitdrukking die verder nergens in de Bijbel voorkomt, maar wel herinnert aan allerlei profetische en apocalyptische passages als Daniël 10:14, Marcus 13:32, Handelingen 2:17 en 2 Timoteüs 3:1 en mogelijk inspeelt op de in de kring van Johannes levende ‘Naherwartung’, stelt de auteur: ‘Het laatste uur is aangebroken.’ Deze uitspraak fungeert, waar de historiserende benadering van de wederkomst eind eerste eeuw steeds meer verlaten wordt, vooral als actualisering en wake-upcall: het allesbeslissende optreden van Jezus Christus, zijn opstanding en uitstaande wederkomst zetten de zaak op scherp. Dat bij dit tijdsgewricht scheuringen en het optreden van de antichrist horen, wordt – op basis van Matteüs 24:11, 24 en 2 Tessalonicenzen 2:1-12 – bekend verondersteld. Vers 19 geeft een inkijkje in de vroegste kerkgeschiedenis van Klein-Azië. De antichrist krijgt hier een concrete gestalte. Het zijn antichristenen ‘uit ons midden’; de bedreiging kwam van binnenuit! Er wordt een scherp contrast gemaakt tussen hen die zijn weggegaan en ons. John Stott merkt bij dit vers op dat er twee veronderstellingen aan ten grondslag liggen: 1. niemand die werkelijk bij de kerk hoort zal haar ooit verlaten, en 2. in de kerk is er niet voor elk denkbeeld ruimte. Pas in vers 22 onthult de schrijver van deze brief waarover het geschil is gerezen, eerst richt hij zich tot zijn lezers – alsof je proeft hoe pijnlijk het conflict is.

20-23. 1 Johannes 2:20 is met 2 Korintiërs 1:21-22 de enige plaats in de Bijbel waar de zalving van christenen ter sprake komt; verder wordt het werkwoord in het Nieuwe Testament alleen overdrachtelijk gebruikt. Tertullianus (eind 2e eeuw) maakt voor het eerst melding van een ritueel voltrokken zalving na de doop; het is onwaarschijnlijk dat dit ritueel al in de kring van de adressanten bekend was. Wat betekent die verwijzing naar de zalving dan? Gaat het hier en in vers 27b om een toespitsing van de naam christianoi tegenover de antichrist, of wordt hier gezinspeeld op de gave van de Heilige Geest? Klauck stelt dat de tegenstanders de ware zalving voor zich claimen en daartegenover benadrukt de briefschrijver dan dat de gelovigen allemaal de zalving ontvangen hebben, en de waarheid, waaruit geen leugen kan voortkomen, kennen. In vers 22-23 volgt een van de weinige concrete aanwijzingen over wat de dwaalleer inhoudt: ze loochent dat Jezus de Christus is. Gaat het om gnostiek, judaïsme, docetisme? Voor alle opvattingen zijn er argumenten en verdedigers, al wint de laatste terrein. Op verschillende plaatsen in de brieven van Johannes – 1 Johannes 4:2, 3 en 1 Johannes 5:1-5, en vooral 2 Johannes 7 – komt naar voren dat het om de ontkenning van Jezus’ menswording gaat – en daarmee, zo stelt vers 23, ook om de ontkenning van het geheimenis van de Vader en de Zoon.

24-27. Opnieuw richt de auteur zich direct tot zijn lezers, en om hen te laten merken dat zij er niet alleen voor staan, wijst hij hun op wat zij – naast de zalving/geest, vers 20 – vanaf het begin onderwezen gekregen hebben én op de belofte van eeuwig leven. In vers 26 lijkt het alsof de schrijver zijn woorden terugleest en in vers 27, hoe ondoorzichtig de grammaticale structuur daarvan ook is, lijkt de schrijver nog eens samen te vatten waarop het aankomt: blijf in hem.

28-29. In vers 28 wordt de imperatief ‘blijf in hem’ opnieuw herhaald, maar nu geplaatst in het tijdsgewricht waarmee vers 18 al inzette. De openingswoorden kai nun onderstrepen de lading van de woorden. Dat ménein betreft blijkbaar zowel de juiste christologie (24-27) als het doen van de gerechtigheid (29). In de oorspronkelijke tekst rijmt vrijmoedigheid (parresía) fraai op wederkomst (parousia). Hoewel de verschillende persoonlijke voornaamwoorden niet nader worden toegelicht, is duidelijk verondersteld dat Jezus Christus de Rechter is. Voor de ‘blijvers’ (letterlijk en figuurlijk hier: zij die blijven bij de gemeente en die blijven in Hem) is Gods rechtvaardigheid niet bedreigend. Vers 29 vormt de overgang en opmaat naar hoofdstuk 3, waarin op het kindschap, het ‘uit God geboren zijn’, waarbij vertrouwen, ja vrijmoedigheid hoort, nader wordt ingegaan.

Aanwijzingen voor de prediking

  • Begonnen zou kunnen worden met de verlegenheid rondom het spreken over het laatste oordeel. In een tijd ‘dat de hemel niet meer verkwikt en de hel niet meer verschrikt’, maar er wel vele beelden en reminiscenties in de kunst, op het internet én op de bodem van onze ziel te vinden zijn, is de vraag: hoe spreken we vandaag op een zinnige wijze over het laatste oordeel?

  • Eventueel zouden twee bijbelse tegenstemmen aan het woord gelaten kunnen worden: Johannes de Doper in Lucas 3:7-9 (‘wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel?’) en Johannes de apostel in onze tekst. Uit de vergelijking tussen beide teksten kan naar voren komen hoe de menswording van Christus verschil maakt.

  • Vervolgens kan nader ingegaan worden op de gekozen woorden uit dit herderlijk schrijven en op het tijdsgewricht en de situatie van de adressanten van de brief. De tekst klinkt geruststellend, maar is die dat wel? De context van de strijd met de antichristen, het besef van ‘de laatste ure’, het thema van het doen van de gerechtigheid.

  • Het is zaak hier stappen te wagen naar het heden. Behulpzaam voor mij waren onder andere de prikkelende woorden van A. van de Beek, waar hij het paradigma van de geborgenheid wraakt en stelt: ‘Een theologie die geen raad weet met het laatste oordeel, is een theologie die niet geïnteresseerd is in de gerechtigheid of een theologie die geen weet heeft van de werkelijke wereld’ (282).

  • De briefschrijver hamert op één ding: blijf in hem. Dit woord is, net als in Johannes 15:1-16 te verstaan als gave én (daarna ook) opgave.

  • Hoe doe je dat: blijven in Hem? Luther helpt in zijn commentaar op 1 Johannes met dit haast plastische beeld: ‘Was ist ein einzelner Mensch vor dem Teufel, der 100.000 Menschen in einem Stündlein umbringen könnte! Ich bin für Satan so viel, wie wenn ein Glas voll Bier vor ihm stünde und er hätte großen Dürst, und Gott setzt’s ihm vor die Nase, dennoch soll er’s nicht anrühren, weil Gott seine Gnade hineingegossen hat.’

  • De tekenen van brood en wijn vertolken voor de gemeente op aarde op unieke wijze het ‘Hij in ons en wij in Hem’.

Liturgische aanwijzingen

Bij deze opzet en als tegengeluid is als evangelielezing aan te bevelen Lucas 3:1-9. Johannes de Doper treedt met zijn oordeelsprediking immers op vóór, Johannes de apostel na kruis en opstanding. (Sprekend is ook Luc. 3:10, waar de mensen in reactie op de prediking van Johannes vragen: wat moeten we doen?)

Mogelijke liederen: Psalm 43, 82, 126; Gezang 75, 78, 280, 298. Verder Tussentijds 50 en uit Liederen & gebeden uit Iona & Glasgow: Lied 40.

Geraadpleegde literatuur

J.R.W. Stott, The epistels of John, Grand Rapids, 1960; A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie, Zoetermeer, 2008; K. Berger, D. van Brederode e.a., De dood leeft! Denken over na de dood en ons leven vóór de dood, Kampen, 2010, 35-47.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken