Menu

Premium

Preekschets 2 Petrus 3:13 – Viering Heilig Avondmaal

2 Petrus 3:13

Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.

Schriftlezing: 2 Petrus 3:1-13

Het eigene van de zondag

Bij de Maaltijd van de Heer gaat het om gedachtenis, gemeenschap en verwachting. In deze schets wordt het aspect van de verwachting naar voren gehaald. Het is de grote vreugde van het Messiaanse Rijk waarnaar we uitzien bij de viering van het Heilig Avondmaal. De Maaltijd is een voorproefje van de toekomst van God, om ons verlangen op te wekken en wakker te houden. Daar is het Petrus in onze perikoop ook om te doen. Deze tekst leent zich goed voor een Avondmaalsviering op één van de voleindingszondagen.

Liturgische aanwijzingen

Lezing Oude Testament: Jesaja 65:17-25. Liederen: LvdK Psalm 32:3 en 4; 111: 1, 5 en 6; 130:3 en 4; 145; Gezang 63; 115; 288; 300:6; Evangelische Liedbundel, 405; ZG I en II, 88.

Geraadpleegde literatuur

Zie de literatuur bij de eerste schets in deze reeks. Verder: L. Schellevis, Postille 1981-1982, ’s-Gravenhage 1981; W. Barnard, Stille omgang, Brasschaat 1992; J.T. Bakker, Gezongen evangelie, Kampen 1990; G.G. de Kruijf, Totdat Hij komt, Baarn 1995; C.H. Peisker, Texte zur Predigt 5, Wuppertal 1975.

Uitleg

In de schets over de doop is een inleiding opgenomen over 2 Petrus. ‘De onzekere tijd van een wereld die in krampen naar de voleinding gaat te waarderen als blijk van lankmoedigheid, dat is apostolische leer, katholieke waarheid, orthodox besef. Wij leven niet in ‘blessure-tijd’ en zelfs ‘tussentijd’ is te zwak gezegd’ (Barnard, 361). We leven in ‘genadetijd’.

In hoofdstuk 3 pakt de schrijver het thema van de toekomstverwachting weer op. Na het geding met de dwaalleraars in hoofdstuk 2 is het als het ware een doorstart (‘geliefden’). Hij wil niet anders dan de boodschap van de apostelen actueel maken met het oog op de huidige situatie (waarbij hij overigens impliciet aangeeft zelf niet tot die apostelkring te behoren).

In de gemeente zijn spotters actief. De auteur doelt op de dwaalleraars die elke toekomstverwachting principieel ontkennen én op twijfelende gelovigen die nauwelijks verwachting meer hebben: de eerste generatie christenen (‘de vaderen’) is al ontslapen. De spottende dwaalleraars zeggen wat velen in de gemeente denken. Het is het probleem van de ‘Naherwartung’ (vgl. Ez. 12:22; 1 Tess. 4:13 vv).

Petrus neemt het op voor de ‘oude verwachting’, zoals Bolkestein het noemt (Bolkestein, 291). Hij gebruikt vier argumenten:

  • De eerste wereld is ook al vergaan (vs. 5-7). Hij doelt op de zondvloed. Wat toen door het water is gebeurd, zal nu door vuur geschieden. Het motief van de periodieke vernietiging van de wereld door vuur en water is bekend uit de Griekse mythologie en het volksgeloof, zij het dat de schrijver cyclische schema’s heeft omgezet naar een lineair schema.

  • Gods tijd is een andere dan de menselijke tijd (vs. 8). Nu spreekt Petrus de twijfelende gemeente aan (bij a. de dwaalleraars). De toon is pastoraal (vgl. Ps. 90:4; Hos. 6:2).

  • Gods uitstel heeft een genadige bedoeling (vs. 9). De Heer toeft niet. Hij is juist sterk in geduld, lankmoedigheid (vgl. Luc.13:8). Er is bij God heel veel ruimte. Gods bedoelingen omvatten alle mensen, zonder uitzondering. Zo worden mensen aangesproken en tot verantwoordelijkheid geroepen.

  • De dag des Heren zal onverwacht komen (vgl. 1 Tess. 5:3). Vers 10b is complex. Er zijn heel wat tekstvarianten voorhanden. De schrijver kondigt in ieder geval het komende gericht aan als een allen en alles omvattend gericht. Het strekt zich uit over de mensen en hun werken (vgl. 1 Kor. 3:13-15). Naar aanleiding van vers 10 merkt Barnard nog op: ‘Wat in deze brief staat is eerder psalmentaal uit de liturgie (bijv. Ps. 97:3) dan journalistiek rampenproza’ (Barnard, 361).

Vanaf vers 11 volgt een zogenaamde eschatologische parenese (vgl. Rom. 13: 11v). Petrus wil zijn lezers wakker houden (vgl. Mat. 25:1-13) en oproepen tot een oprecht christelijk leven. De verwachting van zijn belofte moet tot bezinning brengen (vgl. 1 Petr. 4:7-11). Voor de gemeente wordt de verwachting van dé dag de kracht van het heden. Zij kunnen zelfs de dag van de Heer door hun gedrag, hun houding, dichterbij brengen. Dat kan duiden op een veranderende ervaring van de tijd (de tijd gaat sneller wanneer je actief bent). Maar het kan ook letterlijk bedoeld zijn. Een joods gezegde luidt: ‘Als de joden ook maar één dag daadwerkelijk boete zouden doen, zou de Messias dadelijk komen’.

De inzet van vers 13 is radicaal: ‘Maar, nieuw de hemelen en nieuw de aarde!’ De tegenstelling met de voorgaande verzen, waar juist sprake is van het voorbijgaan van de hemelen en de aarde, wordt daardoor aangescherpt. Tegenover de donkere woorden over het naderende einde, staan deze hoopvolle woorden over een nieuw begin. Dat nieuwe begin is er omdat Hij het heeft beloofd. ‘De belofte is daarom onaantastbaar voor spot en twijfel, omdat het zijn belofte is, die Hij gestand doet en volbrengen zal. De garantie daarvoor is gegeven in de verschijning van Jezus Christus’ (Schellevis, 32). Gods neen klinkt tegen de vervalverschijnselen, niet tegen de wereld als zodanig. Het gaat niet om wereldvernietiging maar om wereldvernieuwing. En wat is dat nieuwe dan? Dat er gerechtigheid zal wonen op aarde (vgl. Jes. 9: 6; 11:4-5; Jer. 23:5; Rom. 14:7). Katoikei (woont), een durativum, heeft ook iets van thuis-zijn. Gerechtigheid is thuis op de nieuwe aarde. ‘De nieuwe aarde is bedoeld als een bodem van gerechtigheid, een platform waarop een nieuwe samenleving wordt opgebouwd’ (Van Houwelingen, 264).

Aanwijzingen voor de prediking

Wachten op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, wachten op Jezus Christus. Augustinus zegt ergens: ‘God houdt die ene dag voor ons verborgen, opdat we alle dagen zullen blijven wachten’ (geciteerd bij Peisker, 106). Het is een moeilijke opgave. De spotters en twijfelaars uit 2 Petrus 3:3-4 staan dicht bij ons. Bij het Heilig Avondmaal gedenken we wat is geschied, we vieren de gemeenschap met de levende Heer en elkaar én we zien vooruit naar wat komen gaat, naar wat is beloofd. En juist dat is lastig. We hebben namelijk niets in handen. Maar we hebben wel zijn belofte! Daarom zijn we geroepen om de verwachting gaande te houden. Bakker schrijft in een meditatie over Gezang 130: ‘Het is zoals één van de diepzinnigste uitleggers van de bijbel, Johann Bengel, eens schreef: “Elke generatie, of ze eens, lang geleden, leefde of vandaag de dag, of straks, elke generatie neemt, zolang ze leeft, de plek in van hen, die zullen leven bij de komst van de Heer.” Ik vind dat zo’n diepzinnig woord! Dat is dus niet iets in de verte, maar die plek is hier en dat wachten gebeurt nu. Zolang wij leven is dat onze plek en is dat onze taak: op die plek te zijn waar gewacht wordt; zelf die plek te zijn, waar verwacht wordt; de trouwe slaaf te zijn, waarvan Jezus sprak: de slaaf die wacht op de komst van de Heer. En de rest is voor God, werkelijk voor Hem alleen.’(Bakker, 50). Jezus Christus zelf zal onze harten brandende houden, onder andere bij brood en wijn.

Als ons leven in het perspectief van de verwachting staat, heeft dat ingrijpende gevolgen voor onze houding. We hoeven geen passieve toeschouwers te zijn, maar actief bij zijn Rijk betrokken zijn. Petrus kan dat niet genoeg benadrukken. Wees waakzaam én werkzaam! De verwachting van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde maakt ons weerbaar, strijdbaar en opstandig tegen de machten die de wereld nog in hun greep houden. We mogen er alles aan doen om hier en nu tekenen van gerechtigheid op te richten. Aan de tafel van de Heer mogen we rusten maar worden we ook uitgedaagd de moed niet op te geven en dienstbaar in de wereld aanwezig te zijn. De diakenen die dienen aan de avondmaalstafel herinneren ons aan deze opdracht wanneer zij brood en beker doen rondgaan. We kunnen zelfs de komst van zijn Rijk bespoedigen door onze houding. Het is ongehoord.

Petrus beschrijft de nieuwe hemel en de nieuwe aarde als een plek waar gerechtigheid woont. Het klinkt nuchter en eenvoudig. Maar het is onvoorstelbaar. In een gesprek over het Rijk van God, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, zei een jongere: ‘Ik stel me eigenlijk voor dat het net zoiets zal zijn als nu, geen heel andere wereld of zo. Alleen, er is één verschil: er zal helemaal geen kwaad meer zijn, nergens.’ En dat maakt alles anders, toch wel. Gerechtigheid is er thuis, heeft alle ruimte, wordt niet bedreigd door onrecht. In Jesaja 65:17-25 wordt beschreven hoe het er op die nieuwe aarde aan toe zal gaan.

In een bundel met discussieartikelen over de wederkomst schrijft De Kruijf: ‘Die wederkomst kan ik mij ruimtelijk net zomin voorstellen als de maagdelijke geboorte biologisch. Ik kan ook niet verklaren waar de stem die Abraham roept, plotseling vandaan komt. Maar zoals ik geloof dat God tot Abraham en in Jezus heeft gesproken (Hebr. 1:1-4), zo verwacht ik ook de dag waarop God ‘de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken’ (De Kruijf, 74).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken