Preekschets Genesis 5:1
Genesis 5:1
Vijfde zondag na Pinksteren
Dit is het geslachtsregister van Adam.
Schriftlezing: Genesis 5
Het eigene van de zondag
Zomaar een zondag in de zomer.
Liturgische aanwijzingen
De lezing uit Genesis 5 (of eventueel een gedeelte daarvan) wordt des te interessanter naast de lezing van Matteüs 1:1-16. Liederen: LvdK Psalm 89:2, 9; 147:7; Gezang 1; 151.
Geraadpleegde literatuur
F.H. Breukelman, Bijbelse theologie, het eerstelingschap van Israël, Kampen 1992.
Uitleg
De NBG-vertaling ‘ geslachtsregister’ brengt ons, zij het indirect, bij de kern van de zaak. Dit woord suggereert immers dat we nu zullen horen over het verleden, over de voorouders van Adam. Het tegendeel is het geval; we horen juist over zijn nakomelingen. De vertaling ‘geslachtsregister’ is dan ook niet adequaat. Wil iemand daar toch aan vasthouden, dan zal hij (ver in de toekomst) moeten zoeken wie dan wel die Adam is wiens voorgeslacht hier wordt vermeld. Dat wil nog niet zeggen dat die zoektocht niet heel interessant kan zijn. Een christen komt dan waarschijnlijk via Genesis 11:10-26 en Matteüs 1:1-16 bij Jezus uit, als ware Adam. Zij het dat die Adam dan overigens juist niet uit al deze geslachten blijkt voort te komen! Dat laatste heeft weer te maken met het feit dat Matteüs – die zijn verwekkingsgeschiedenis vertelt naar analogie van Genesis 5 – wil laten merken dat Jezus weliswaar in dit voorgeslacht (het volk Israël) als in een huis zijn woning heeft, maar dat dit huis Hem ten diepste niet heeft verwekt. Nee, juist andersom: Hij verwekt met zijn komen naar de wereld dit huis. Met een andere metafoor: Jezus is in Matteüs’ gedachtegang de bron van al het geluid dat van Genesis 5 tot en met Matteüs 1:16 (en daarna) verwekt wordt. En het is – uiteraard – niet al het geluid (nominatief) dat de bron (accusatief) verwekt. Niettemin is uit deze gegevens een prachtige preek over Adam-Jezus te destilleren.
Beter is het echter om in Genesis 5:1 niet ‘geslachtsregister’ te vertalen, maar: boek van de wording (toledot) van de mens. Dan is namelijk van meet af aan duidelijk dat ‘de mens’ nog in de toekomst verborgen ligt. Adam moet nog komen! Zijn wording, zijn genesis, wordt beschreven. En die wording van Adam blijkt te liggen in de wording van Set. De wording van Set echter ligt op haar beurt in de wording van Enos. En diens wording ligt weer in de wording van Kenan; enzovoort. Op deze manier gelezen is dit voor ons gevoel droge ‘register’ ook direct spannend: wie is de mens dan uiteindelijk, hoe is hij aan het ‘worden’, wanneer zullen we hem eindelijk zien? Zo staan de eerste woorden van Genesis 5 als een thema boven een spannend boek en vormen ze tegelijk het begin en thema van heel de bijbel. En op dezelfde manier borduurt het Nieuwe Testament op dit thema voort: boek van de wording van de mens, casu quo Jezus. Er is iets voor te zeggen om te stellen dat het boek Genesis met dit ‘geslachtsregister’ pas echt begint; hier begint deel I, om zo te zeggen. Kiezen we daarvoor, dan zijn de hoofdstukken één tot en met vier te lezen als een proloog (Gen. 2:4-4:26) die dan nog voorafgegaan wordt door een belijdenis (Gen. 1:1-2:3).
Daarmee is het buitengewone belang van Genesis 5 aangegeven. Waarom dit begin? Wie zich hierin verdiept, merkt dat hij met deze tekst werkelijk meteen in het diepe springt. Bij nadere beschouwing blijkt hier al in nuance te worden verteld wat in de loop van het hele boek Genesis en de rest van de bijbel – en onze wereldgeschiedenis – een centraal thema zal zijn: de rol en de betekenis van ‘de eerstgeborene’ in de wording van de mens; de rol en de betekenis van ‘de eerstgeborene’ tussen God en mensen en tussen de mensen onderling. Immers van alle mensen die in Genesis vijf (en Gen. 11:10-26) genoemd worden, geldt dat van hun leven vooral één ding wordt verteld, namelijk hoe lang zij leefden vóór hun eerstgeboren zoon verwekt werd, en hoe lang zij leefden na hun eerstgeboren zoon; de rest van hun leven is bij wijze van spreken bijzaak. Het totaal van hun aantal levensdagen wordt gevormd door een optelling van hun dagen voor en na de komst van hun eerstgeborene. Hun leven draait dus letterlijk om de eerstgeborene als centrum van hun bestaan. Alleen van Noach wordt in de eerstvolgende hoofdstukken meer verteld. Zijn leven blijkt niet alleen een leven te zijn voor en na zijn eerstgeborene, maar ook een leven voor en na de vloed (Gen. 7:6 en 9:28, 29). Zó worden zijn dagen geteld. Daarmee is het leven van alle ‘oudvaders’ te kenschetsen als een leven voor en na de eerstgeborene en voor of na de vloed. Dat er ook leven na de vloed is, redding voor de wereld, komt alleen door die ene eerstgeborene die door de vloed heen met zijn acht zielen wordt behouden en bewaard.
Waarom is die eersteling in Genesis 5 zo belangrijk? Waarom worden de namen van de vele andere ‘zonen en dochters’ niet eens genoemd? Doen hun levens er dan niet toe? Het antwoord blijven we nog even schuldig. Wat we al wel signaleren is dat wie de lijn van de namen in Genesis volgt, bij Jakob uitkomt. Deze Jakob wordt op een gegeven moment Israël genoemd. En die laatste naam wordt vanaf het begin van het boek Exodus gebruikt voor Jakobs zaad: het volk Israël. Zo bezien, vertelt het boek Genesis als het ware prenataal het verhaal van het volk dat met ingang van het boek Exodus ‘de eerstgeborene’ zal heten. En die term wil zeggen: dit volk is de eerstgeborene in het gezin der volkeren dat God als Vader heeft. Kennelijk kan het verhaal van de ‘wording van de mens’ niet worden verteld zonder dat we meteen stuiten op de cruciale rol die dit volk in dat proces speelt. Genesis 5 en verder mag in eerste instantie wellicht donker klinken, maar we krijgen allengs in de gaten: we bevinden ons in het donker van een baarmoeder. En elke stap die we verder zetten, brengt meer (aan het) licht.
Aanwijzingen voor de prediking
Deze preek is de eerste in een serie van vier over de betekenis en inhoud van het eerstelingschap. Omdat dit thema in de christelijke theologie nauwelijks een rol speelt, kan het al verrassend zijn om in deze preek te ontdekken hoe centraal dit begrip in de bijbel staat. Daarvoor moeten we wel op een bijbels-theologische manier gaan lezen. Zeker als het dan over Genesis gaat, kan dat – afhankelijk van de gemeente waarvoor we staan – enige uitleg vergen. In een dogmatische omgeving zijn bijna alle teerlingen al geworpen in de eerste vier hoofdstukken van Genesis. Daar is immers – zoals dan gezegd wordt – sprake van ‘schepping’ en ‘zondeval’. Wat daarna komt is in die traditie eigenlijk alleen maar bevestiging van de ernst van de zonde en staat in het teken van het wachten op de ‘verlossing’ die dan in Jezus zijn beslag krijgt. Precies op het moment dat het Oude Testament dus – zoals boven uiteengezet en bijbels-theologisch is besproken – echt begint, in Genesis 5, heeft men in deze traditie al afgehaakt en springt men gemakkelijk over naar het Nieuwe Testament. Daardoor krijgt de hele notie van de geschiedenis (het ‘geschieden’; de töledöt) in het bijzonder de Tenach en de plaats van Israël in de wereld, in die dogmatiek niet de aandacht die deze verdient; en dat is zacht uitgedrukt.
Heel de Tenach, het boek Genesis, de geschiedenis van de mensheid, begint pas echt in hoofdstuk 5. Het is een verhaal dat via Israël naar de volkeren toe komt, in het Hebreeuws. Wat wordt ons verteld? Het blijkt om niets meer of minder te gaan dan de wording van de mens. Wie wij zijn. Hoe wij zijn bedoeld. Wat wij zijn zullen. En: zijn wij inmiddels al ‘af’? Is Adam nu een gestalte uit het verleden of uit de toekomst? Vanuit die spannende vraag willen we lezen en exegetiseren. We horen over iets fundamenteels in het ‘worden van de mens’. In ieder leven dat genoemd wordt, draait het om de eerstgeborene. Dat zegt ons voorlopig misschien nog niet veel. Dat moet ons in de drie volgende preken duidelijk worden. Maar het roept al wel allerlei vragen op. Hoe is het – ook vandaag de dag – om de eerstgeborene te zijn? Heb je dan een andere plek in het gezin dan de anderen? Is dat winst? Is dat last? Is er jaloezie bij de broers en zussen richting de oudste? Als Israël – zoals in het lezen van Genesis zal blijken – zich beschouwt als de eerstgeborene in het gezin van de volkeren, wat zou dat dan voor dit volk betekenen? Hoe zullen de broertjes en zusjes van deze oudste daarmee omgaan?
Waarom klinken alleen namen van mannen? Doen de vrouwen er niet toe? Is het niet eng om de eerstgeborene te zijn als alles om jouw bestaan draait? Via de verwekking van de eerstgeborenen is er in elk geval iets ophanden. God zelf zit daar achter. Hij stuwt de geschiedenis ergens naartoe. De töledöt van Adam is uiteindelijk zijn werk. Maar wat voor relatie heeft Hij dan met de eerstgeborene? Wat voor relatie heeft Hij met de ‘broertjes en zusjes’ van die eersteling? Met jou en mij die niet tot Israël behoren?
Als de nevenlezing uit Matteüs 1 is gebruikt, kan gesproken worden over de geweldige impact van het komen van Jezus in het midden van de tijd, de geschiedenis. Door de komst van Hem die de eerstgeborene is te midden van het eerstgeboren volk, wordt dit volk verwekt. Zoals wanneer een geweldige steen in het midden van een vijver valt, zo gaan de golven van zijn komst in de tijd naar zowel verleden als toekomst.