Menu

Premium

Preekschets Johannes 1:51 – Epifanie

Johannes 1:51

Epifanie

Omdat Ik tot u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, gelooft gij? Gij zult grotere dingen zien dan deze.

Schriftlezing: Johannes 1:35(43)-51

Het eigene van de zondag

Het is een week na kerst en vier dagen voor 6 januari (Epifanie of Driekoningen), maar in de meeste gemeenten zal het wel vooral opvallen dat het één dag na nieuwjaar is. Wat zal het jaar brengen? Wat zullen we te zien krijgen?

Liturgische aanwijzingen

Genesis 28:10-(19)22 met als antwoordpsalm een keuze uit LvdK Psalm 24, 84, 99, 135 of 146. Verder Gezang 283, 289, 295, 477.

Geraadpleegde literatuur

De standaardcommentaren van Barrett, Brown en Schnackenburg.

Uitleg

In dit intrigerende gedeelte zet de evangelist lijntjes uit met het oog op het vervolg. De tekst zelf zegt dat ook expliciet door in vers 51 met de woorden ‘jullie zullen zien’ te verwijzen naar wat komen gaat. Impliciet zijn er echter veel meer vooruitwijzingen. Er zijn twee thema’s: de verzameling der eerste discipelen en de vraag naar de identiteit van Jezus. De nadruk in mijn uitleg ligt op het tweede thema.

Synoptici onder ons zullen geneigd zijn te spreken over ‘de roeping der discipelen’, maar hier kunnen we dit gedeelte beter ‘Jezus ontvangt zijn discipelen’ noemen. Hij krijgt ze namelijk via Johannes ‘de Doper’, die de eerste getuige is, en via Andreas en Filippus. Hij roept zelf alleen Filippus, maar ook dat slechts nadat Hij deze ‘gevonden’ heeft (1:43). Zo begint de christelijke gemeente en het is betekenisvol dat het zo begint. De discipelen worden voorbeelden voor elkaar van getuigen van het heil dat in Jezus verschenen is en Jezus ontvangt op zijn beurt de eerste leerlingen. Later vertelt de evangelist dat dit zo is, omdat Hij alles van zijn Vader ontvangt (6: 37-39; 10:28-30; 18:9). De volgende details wijzen ook reeds vooruit: de termen ‘zoeken’, ‘blijven’, ‘komen’ en ‘zien’ uit 1:38v zullen alle geloofstermen blijken te zijn, de vraag waar Jezus woont en vanwaar Hij komt zal de sleutel tot zijn identiteit blijken te zijn (7:28; 78:14; 13:3; 14:2v; 17:5) en de naamgeving van Petrus wijst vooruit op zijn rol in de kerk (21:15-19).

Jezus’ identiteit komt in de titels die voor Hem genoemd worden tot uitdrukking en ook deze wijzen vooruit. Het zijn er veel: ‘lam van God’, ‘Messias’, ‘van wie Mozes in de wet en de profeten gesproken hebben’, ‘Zoon van God’, ‘koning van Israël’ en ‘Mensenzoon’. Vanwege het noemen van ‘het lam Gods’ (1:36) kan Andreas zijn broer vertellen dat ze ‘de Messias’ gevonden hebben. Inderdaad, Jezus kan Messias genoemd worden, de vervulling der Joodse verwachtingen, maar we zullen in de loop van het evangelie merken dat er wel een complicatie is. Er dient namelijk een correctie van die verwachtingen plaats te vinden, omdat Jezus een Messias is, die weliswaar aan Israël geopenbaard wordt (1:31; 4:22), maar er niet slechts voor Israël zal zijn. Hij komt voor de hele wereld (1:29; 4:42). En Hij is een Messias, een koning, die als een lam gedood zal worden (1:29, 36 ‘zie het lam Gods’; 19:14 ‘zie uw koning’; 19:36) en wiens macht slechts sub specie contrario gezien wordt: zijn heerlijkheid bestaat erin dat Hij leeft in gemeenschap met en in afhankelijkheid van zijn Vader en dat Hij zijn leven aflegt ten bate van de zijnen (vgl. Joh. 10; 12:20-26).

Het is de relatie tussen Natanaël en Jezus die de meeste aandacht krijgt en ook hier vinden we diepere lagen. De discrepantie die Natanaël ervaart tussen de voorzeggingen van Mozes en de profeten en de gewone man uit Nazaret, wijst vooruit op soortgelijke discussies in Johannes 6:42; 7:27-29, 41 en 52, waar eveneens de aardse tegenover de hemelse afkomst gezet wordt. Daar klinken die woorden onvriendelijk, hier nog niet. Het verschil zit erin, dat Natanaël ‘een ware Israëliet’ genoemd wordt. Dat is niet uit zijn woorden af te leiden, maar slechts uit Jezus’ voorkennis. Het betekent dat hij een ware en oprechte Israëliet is, een rechtvaardige die niet bedrieglijk is (vgl. Ps. 32:2; Zef. 3:13; Opb. 14:5). Binnen het evangelie naar Johannes betekent dat, dat hij bereid is naar Mozes te luisteren (5:46) en door God geleerd te worden (6:44v; 18:37). Jezus kent hem dus reeds als (aspirant-)gelovige (10:14). Hij is met andere woorden door God aan zijn Zoon gegeven, zoals zijn naam al suggereerde (Natanaël = ‘door God gegeven’). Daarom blijft hij niet in zijn aardse tegenwerpingen hangen. Hij wordt hier over de streep getrokken, omdat hij onder de indruk is van Jezus’ bovenmenselijke inzicht. Dat inzicht heeft Jezus inderdaad (vgl. 2:24v; 13:3), maar Hij geeft hiermee niet zozeer een staaltje van zijn kunnen weg, als wel dat Hij laat doorschemeren dat Hij Natanaël op een dieper niveau kent (10:14, 26v). Natanaëls aanvankelijke wondergeloof zal zich kunnen ontwikkelen en hij zal zien wie Jezus ten diepste is. Hiermee is Natanaël meer dan een privé-persoon. Hij is de gestalte van elke ware discipel die Jezus in de nabije of verre toekomst zal krijgen.

We blijven nog even bij Natanaël. Na de aanvankelijke verbazing komt hij tot een geloofsbelijdenis: ‘Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël. ’ Beide titels, ‘Zoon van God’ en ‘koning van Israël’, geven hetzelfde aan als ‘U bent de Messias’ (vgl. 2 Sam. 7:14; Ps. 2:7; Rom. 1:3v; Mat. 16:16; 26:63; Luc. 4:41; Joh. 1:41 e.a.). Jezus wordt hier welkom geheten als de koning van het volk van God. Dit wordt door Hem zelf uitdrukkelijk geaccepteerd (1:50). Inderdaad, Hij ïs de Messias. Maar daarbij blijft het niet. Hij belooft Natanaël, dat hij grotere dingen zal zien, een geopende hemel en engelen die opstijgen en afdalen op de Mensenzoon (1:51). Hier ligt de kern van dit gedeelte, maar wat wordt er bedoeld?

Nu Jezus voor het eerst zichzelf met een titel aanduidt, noemt Hij zich ‘de Mensenzoon’ en Hij verwijst naar een verhaal over Jakobs droom te Betel uit Genesis 28:10-22. De frappante volgorde van opstijgen en afdalen maakt dat duidelijk. We lezen daar dat Jakobs conclusie is: ‘Waarlijk, de Here is aan deze plaats […] dit is de poort des hemels’(28:16v). Jezus gebruikt de beeldtaal uit dit verhaal om deze goddelijke presentie uit te drukken (engelen komen er in het evangelie nauwelijks meer aan te pas). Dat is het ook wat de discipelen zullen leren zien, namelijk dat Hij in een ononderbroken gemeenschap staat met de hemel (5:19; 6:46; 8:29) en dat Hij in eigen persoon de plaats is van Gods aanwezigheid onder de mensen (vgl. 2:18-22; 14:9). ‘Ik en de Vader zijn één,’ en ‘wie Mij heeft gezien heeft de Vader gezien’ (10:30; 14:9). Dat is het wat Natanaël en zijn vrienden zullen gaan ontdekken. Dat is inderdaad groter en belangrijker dan een wonder, maar het wonder kan je wel op de goede weg helpen (14:10v). In feite was de goede lezer van deze hoge identiteit van Jezus reeds op de hoogte, want uit de proloog bleek al dat Hij Gods openbaring op aarde brengt en is. Hier horen we het opnieuw. Het ‘jullie zullen zien’ (1:51) wordt dus niet op een bepaald moment vervuld, maar in het geheel van Jezus’ optreden.

Rest nog de titel ‘Mensenzoon’. Waar deze term ook vandaan komt (vgl. Dan. 7:13v), bij Johannes is de Mensenzoon een hemelse figuur. Het is de gezant, die uit de hemel gekomen is en naar de hemel zal terugkeren, Hij kwam bij God vandaan en zal weerkeren naar zijn Vader als zijn uur gekomen is. Hij heeft Gods voorrechten ontvangen om in diens naam leven te geven en te oordelen (5:27; 6:27; 9:35). De titel ‘Zoon van God’ benadrukt de relatie tussen Jezus en God, de titel ‘Mensenzoon’ meer zijn macht en gezag. De beide titels vormen geen tegenstelling, maar vullen elkaar aan. Jezus wordt door de Vader uit de hemel gezonden als de gevolmachtigde Zoon en aan het eind van zijn leven, als Hij zijn taak vervuld heeft, keert Hij weer terug naar de heerlijkheid, die Hem, als preëxistente eigen is (vgl. 1:30; 3:13v, 31; 5:27; 6:62; 8:58; 13:1-3; 17:24; 20:17 etc.). Wanneer in 1:51 dus voor deze titel gekozen wordt, dan wordt hiermee vooruit gewezen op Jezus’ goddelijke origine, zijn van Godswege gegeven macht en gezag om leven te geven en te oordelen, en op zijn ongebroken band met de hemel terwijl Hij op aarde zijn werken doet. Wanneer er gesproken wordt over verhoging van de Mensenzoon (3:14; 8:28; 12:23, 34) of over zijn verheerlijking (13:31), dan blijkt dat de weg waarlangs Hij terugkeert naar zijn hemelse Vaderhuis, namelijk zijn dood aan het kruis, geen afgang of vernedering betekent, maar eer en glorie. Het is immers zijn eer om altijd Gods wil te doen en om zijn leven te geven voor zijn vrienden (8:29; 10:11, 17v; 15:13). Dit alles is inderdaad ‘meer’ dan Natanaël vermoed kon hebben!

Aanwijzingen voor de prediking

Het gaat hier over hoop en verwachting, die tegelijk bevestigd en overstegen worden. Er is zowel acceptatie als correctie. Het is daarom mogelijk aan het begin van het nieuwe jaar te spreken over hopen als waagstuk. De discipelen zullen tot een herziening van hun verwachtingen moeten komen. Zij zullen bijvoorbeeld moeten leren dat grootsheid niet gelegen is in machtsuitoefening, maar in de bereidheid om het leven te geven. Jezus geeft niet gewoon wat ze hopen, maar neemt ze mee in zijn leven. En dan gaat het hoger en dieper en wijder dan ze verwacht hadden. Wie met de God van Jezus te maken krijgt, moet daarom rekenen op verwijding van de eigen horizon. Dat is weliswaar prachtig, maar toch niet alleen maar prachtig. Het is ook beangstigend en je wordt ook geconfronteerd met je eigen beperkingen, je innerlijke kleine behuizing, of met je geliefde ideeën die te nauw blijken te zijn.

Een andere vraag hoort hier bij: is het mogelijk de vreemdheid van het verhaal te benutten? Als we niet in herinneringen willen blijven steken over een mooi verleden, hoe kunnen we Jezus hier dan bij ons krijgen? We kunnen wellicht óver Hem praten, hetzij heel hoog hetzij heel laag, maar kan Hij ook aanwézig zijn? Zeker, we kunnen zijn aanwezigheid (in de Geest) niet afdwingen, maar we kunnen wel het pad bereiden, door zoveel mogelijk de belemmeringen voor zijn komen uit de weg te ruimen in onszelf en in onze context. Deze belemmeringen zijn alles wat heling en verzoening in de weg staat. Als we bij Hem willen verblijven, zullen we onze angst moeten overwinnen en uit onze oude behuizingen moeten stappen. En wanneer we oprecht zijn, zonder bedrog, zowel jegens anderen alsook jegens onszelf, dan verzwijgen we onze scepsis niet (1:46). Ja, om hoopvol te kunnen leven is het juist geboden om onze scepsis niet te verzwijgen. Maar tegelijk is die scepsis dan ook niet een ironische pose, die geboren is uit angst om het avontuur aan te gaan en onszelf te geven of te ontvangen. God is, als Jezus, ‘wijkend aanwezig’ en blijft dat ook. Onze levenshouding is die van aandachtig wachten op ‘de grotere dingen’.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken