Menu

Premium

Preekschets Johannes 5:19

Johannes 5:19

Eerste zondag van Epifanie

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen; want wat deze doet, dat doet ook de Zoon evenzo.

Schriftlezing: Johannes 5:1-30

Het eigene van de zondag

Wat roept de ‘verschijning’ (Epifanie) van de Zoon in het centrum van de wereld (Jeruzalem) op?

Liturgische aanwijzingen

Uit het Oude Testament zou men Genesis 1 met het culminatiepunt in Gods rust op de sabbat kunnen lezen. Als antwoordpsalm is LvdK Psalm 95 mogelijk, die ook een prelude vormt op het conflict dat in Johannes 5 aan de orde komt. Verder passen liederen van Epifanie, bijvoorbeeld Gezang 157, 167, 169.

Uitleg

Het gaat bij Johannes steeds om de zelfopenbaring van de Zoon. In elke perikoop keert dit thema weer terug, met steeds wisselende uitwerkingen. Het is dus telkens epifanie bij hem. Primair is daar ‘leven en overvloed’ mee verbonden (1:16; 10:10), maar vanaf Johannes 5 wordt steeds scherper zichtbaar dat Jezus’ zelfonthulling niet alleen positieve reacties oproept, maar ook negatieve. Vanaf 5:18 vinden we steeds vermeldingen dat ‘de Joden’ in Jeruzalem, het centrum van Israëls bestaan, Jezus willen ombrengen. Het is 1:11 in verhaalvorm.

De aard van het conflict betreft Jezus’ aanspraken, die blasfemisch en arrogant geacht worden (5:18). Johannes wil dit niet verdoezelen, integendeel, hij haalt het zo scherp mogelijk naar voren. Hij heeft het voor hem ook al oude verhaal over een genezingswonder van Jezus (5:1-9) zó gehanteerd, dat het een conflictverhaal werd. Hiertoe heeft hij het sabbatsmotief toegevoegd (5:9c) en onderstreept dat het Jezus’ gewoonte was de sabbat te breken om te kunnen genezen (5:18 het ipf. eluen – luoo betekent losmaken, ontbinden, wat zowel bevrijden als vernietigen kan inhouden – heeft herhalende betekenis). Nu kon hij Jezus immers laten zeggen dat zijn handelen met dezelfde maatstaven beoordeeld moet worden als Gods handelen (5:17). Dat is natuurlijk een ongehoorde claim voor een mens en de joodse leiders kunnen dat niet over hun kant laten gaan. Als Hij de Messias was, zou Hij de sabbat niet verbreken, maar die in acht nemen en onderwijzen. Nog erger is het verwijt dat Hij de majesteit van God aantast en ‘de hand naar de hoofdzaak (= God) uitstrekt’ (Sifre Deut. 21:22 par.), dus ‘zichzelf tot God maakt’ (5:18). Dit is de zwaarste aanklacht tegen Jezus bij Johannes en dit keert op essentiële momenten terug in het verhaal: deze mens maakt zichzelf tot God (10:33; 19:7; cf. 8:53). Hij moet er dus wel op ingaan. Hieraan kunnen we zien dat de ontwikkeling van de christologie al behoorlijk op gang is gekomen.

Hebben zij het verkeerd begrepen? Ja en nee. Johannes wil geenszins ontkennen dat Jezus ‘gelijk aan God’ is. Johannes 1:1, 18; 8:58; 10:30; 20:28 spreken daarover duidelijke taal. Maar dat wil nog niet zeggen dat Jezus zich aan God gelijk zou maken en zich dus de goddelijke voorrechten wederrechtelijk zou aanmeten. Daarom wordt in 5:19-30, waar het punt voor het eerst ter sprake komt, zo sterk de nadruk gelegd op de afhankelijkheid van de Zoon. De woorden ‘Ik kan niets van mijzelf doen’ omramen de discussie (5:19 en 30). Jezus doet weliswaar dat wat alleen aan God voorbehouden is, namelijk leven geven en oordelen, maar deze voorrechten zijn Hem door de Vader verléénd (5:22, 26, 27; vgl. 3:35). Hij doet niet zijn eigen wil, maar slechts dat wat Hem door zijn zender is opgedragen (5:30; 4:34; 6:38; 7:16,18; 8: 28-29; 12:49-50). De Vader blijft groter dan alles (10:29), ook groter dan de Zoon (14:28). Jezus concurreert dus niet met God en Hij is niet blasfemisch bezig. Als men dat denkt, begrijpt men werkelijk niet waar het om gaat. Hij stelt zich niet tegenover God op, maar Hij is diens unieke gezant, die met het oog op zijn zendingsopdracht door zijn zender met diens eigen gezag is bekleed.

Er zijn diverse tradities in deze tekst vervat. Allereerst begint vers 19 met het alledaagse beeld van een zoon die het vak van zijn vader leert. De relatie tussen deze vader en zoon is er een van liefde en vertrouwen. Daarom laat Hij Hem alles zien. Vervolgens lijkt er een gedachtegang over het rusten van God verwerkt te zijn. God rust weliswaar op de sabbat, zei men, want zo spreekt de Schrift (Gen. 2:2), maar dat kan toch niet in omvattende zin bedoeld zijn, want dan zou de wereld instorten. Zijn basale werk van leven geven en oordelen geschiedt altijd, ook op de sabbat. Verder zijn er apocalyptische motieven over de opstanding der doden bij het eind der tijden verwerkt. Het bijzondere is dat dit moment er ‘nu’ al is (5:25). Dit impliceert een vergeestelijking van het motief. ‘Opstanding’ is niet iets voor na de dood, maar een existentiële belevenis.

Aanwijzingen voor de prediking

Hoe kun je de heftigheid van het debat duidelijk maken aan de hoorders? Hoe kun je wat er op het spel staat zo verwoorden, dat je luisteraars zowel de aversie van de joodse leiders als de redenering van Jezus volgen? Het lijkt me, dat het in principe voor ons eenvoudiger is om met Jezus’ tegenstanders mee te gaan dan met Hem. Als wij iemand dergelijke dingen over zichzelf hoorden verkondigen, zouden wij net als de joden evenmin geneigd zijn er gehoor aan te geven. Jezus’ wijze van argumenteren heeft als dwingende vooronderstelling dat Hij niet een gewoon mens is, maar dat Hij ‘van boven’ komt en werkelijk van God gehoord heeft wat Hij moet doen. Slechts wie hiervan overtuigd is zal erin mee kunnen komen. We kunnen als voorgangers dit dilemma niet voor onze hoorders verzwijgen. Om fair te blijven dienen we dus ook vanuit het gezichtspunt van de joden te kijken.

Aan de andere kant worden we ook uitgedaagd om niet te gewoon en niet te huiselijk over Jezus te denken. Wat Hij deed (genezingen op sabbat) riep de vraag op wie Hij eigenlijk was en met welk recht Hij de sabbat brak en mensen genas naar lichaam en ziel. Reeds bij Marcus begrijpen we, dat Jezus dat doet wat eigenlijk aan God voorbehouden is en dat Hij hiervoor ‘gezag’ ontvangen had (Marc.1:22, 27; 2: 1-12). Bij Johannes wordt dit element scherper aangezet om ons tot een keus te brengen: is deze man een charlatan of heeft Hij gelijk? Spreekt Hij inderdaad woorden van eeuwig leven of is Hij een religieuze verleider? Ook wij als lezers worden uitgedaagd tot een keuze.

De taal en de denkpatronen hoeven de onze niet meer te zijn om de klem te kunnen voelen. Voor ons is de keuze niet precies dezelfde als in de tijd van Johannes. Het helpt ons echter wel om steeds opnieuw de vraag te stellen: wij pretenderen als kerk de vriendenkring van Jezus te vormen, maar is waar wij het over hebben ook van ultieme betekenis? Spreken wij woorden van eeuwig leven? Wanneer hier op existentiële wijze over opstanding gesproken wordt, kunnen wij dan onze eigen ervaringen van nieuw leven, van opkrabbelen na mislukking, van vergeving na zonde, zien als opstandingservaringen waarin we leven van de Zoon ontvangen? Dat moet wel wanneer Hij nog steeds werkt en dichtbij is (14:17). En hoe weerstaan wij vervolgens de verleiding om terug te zakken in religieuze burgerlijkheid? Hoe kunnen wij op het scherpst van de snede denken, leven en handelen, zonder in gezapigheid of in fanatisme te vervallen? Bij Jezus gaat het om leven geven en oordelen. Ons leven als gemeente wordt hiermee onder hoogspanning gezet. Zijn claim riep conflicten op. Als wij in zijn gevolg leven, moeten ook wij bedacht zijn op conflicten. Laten we er samen op letten dat het dan niet onnodige conflicten zijn, conflicten waar bij er iets anders op het spel staat dan het scheppende werk van God.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken