Menu

Premium

Preekschets Lucas 2:20 – Kerst

Lucas 2:20

Zondag na kerst/Tweede Kerstdag

De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun gezegd was.

Schriftlezing: Lucas 2:15-21

Het eigene van de zondag

Deze zondag valt meteen na de eerste kerstdag. Als tweede kerstdag heeft hij het gewicht van de eerste dag van de week. Een dubbele feestdag. De dag waarop de gemeente naar vaste orde bijeenkomt en een dag waarop we ons nog midden in het feest van de geboortedag van Jezus bevinden. Het aantal kerstdiensten is hierdoor niet gering. Er is het gevaar om overvoerd te raken. Toch komt op deze zondag de gemeente samen om te bidden, te belijden, te spreken, te zien en te horen en niet in het minst om de lof van God te zingen.

Uitleg

Er hebben ingrijpende gebeurtenissen plaats gevonden, zo vertelt Lucas in zijn kerstevangelie. De tocht die Jozef en Maria in gehoorzaamheid aan het decreet van keizer Augustus naar Betlehem, de stad van voorvader, herder en koning David, hebben gemaakt. De geboorte van het Kerstkind in een stal. De nachtelijke verschijning van een engel die het goede nieuws van de komst van de Redder aan herders in het veld verkondigt. Het loflied van een groot hemels leger. Aan de ene kant laten ze het gewone bestaan zien: leven onder de Romeinse bezetter, op reis moeten, het baren van een (eerste) kind dat in doeken wordt gewikkeld, de wacht houden bij de schapen. En tegelijk buitengewoon: het speelt zich af in en rondom Betlehem, de stad waaraan messiaanse verwachtingen zijn gekoppeld, het kind ligt in een voederbak, er staat opeens een engel bij de herders die in een stralend licht worden gezet en uit diens mond horen dat de messias in de stad van David is geboren en in een kribbe ligt, een talrijk engelenkoor dat de nacht met een machtig lied doordringt, dat gewaagt van vrede op aarde in een tijd van onderdrukkende registratie en van ‘keizers wil is wet’.

Wat gebeurt er als de engelen zijn verdwenen en de herders van de heilige schrik zijn bekomen? Hoe reageren zij als het weer donker is met als enige licht de sterrenhemel en hun kampvuur? Voor de derde keer in dit hoofdstuk zet Lucas in met ‘en het geschiedde’ (vs. 15). De kerstgeschiedenis is niet afgelopen. Het grote heilsfeit van de geboorte van het Christuskind maakt het een en ander los en zet in beweging. Dit valt meteen op: het bewogen worden, het in beweging komen van de herders, van hun mond, hun benen, hun ogen. ‘Laten wij dan (de) naar Betlehem gaan’ (vs. 15). ‘Ze gingen meteen op weg’ (vs. 16; ‘zij gingen zich spoedend’, èlthan speusantes). Zij vertellen wat hun over dit kind gezegd was (vs. 17). ‘De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen’ (vs. 20). Een en al nieuwsgierige en opgetogen activiteit van deze mensen, wier namen we niet weten.

Dat treft ons ook. Terwijl anderen in de geboortegeschiedenis van Lucas 1 en 2, mannen en vrouwen, in meerdere of mindere mate uitvoerig worden voorgesteld, vernemen we van de herders alleen dat zij herders zijn (H. Mulder, 45). Daar komen aloude beelden uit de ‘heilige geschiedenis’ in mee, zoals die over de aartsvaders, over Davids jeugd, over leiderschap als herderschap, over de komst van de goede herder. Stonden de herders in de tijd van Lucas 2 al in een bedenkelijke reuk? Latere bronnen kunnen hun slechte faam naar voren brengen. Ze mochten daarom niet als getuige voor de rechtbank optreden. Van deze dingen horen we hier niets. De herders zullen tot de onderlaag van de bevolking hebben behoord. Hier wordt verteld, dat ze gewoon hun werk doen. Zij houden de wacht over hun kudde (eigenaars dus?) (vs. 8). Het gaat waarschijnlijk om schapen die bestemd zijn voor de offers in de tempel. Dat brengt bepaalde condities voor het hoeden mee.

Het meest worden we getroffen door de reactie van de herders op de kerstboodschap. Ze spreken herhaaldelijk tot elkaar (elaloun, imp. met duratief aspect, Nielsen, 78) en wekken elkaar op met eigen ogen te gaan zien het woord (rèma, ‘woord’, ‘Weisung’; ‘zaak’, ‘gebeurtenis’) dat geschied is. Waren zij door de engel, die gewaagde van verheugend nieuws voor het hele volk, ook niet persoonlijk aangesproken? ‘Voor jullie is geboren’ (vs. 11). ‘Dit zal voor jullie het teken zijn’ (vs. 12). Hen gold dit heerlijke nieuws! Uit hun samenspraak volgt dat zij haastig op weg gaan. Een tweede aspect aan hun antwoord op het grote nieuws is, dat zij bij het zien van het kind vertellen (egnoorisan, bekend maken; hetzelfde werkwoord dat in vers 15 gebruikt is) wat hun over dit kind gezegd was (vs. 17). Dat brengt bij de mensen in de stal wat teweeg: verwondering bij allen en stille overdenking bij Maria (vs. 18,19). Het derde aspect van de reactie van de herders op de blijde boodschap bestaat in het verheerlijken (doxazontes) en prijzen (ainountes) van God. Waarover? Over alles wat zij gehoord en gezien hebben zoals het hun gezegd was (vs. 20). Zo gaan de herders helemaal in het spoor van de engelen. In zeggen en zingen; in bekend maken en ‘ere zij God’ aanheffen. De herders keren terug naar het dagelijkse bestaan met dank in het hart en met een loflied op de lippen.

Aanwijzingen voor de prediking

De tweede kerstdag als zondag helpt ons op toonhoogte te blijven. We zijn opnieuw bijeen om te bidden, te spreken, te luisteren, te zingen al of niet met medewerking van een koor. We zijn ‘in hogere sferen’, ook al zijn er ook mensen voor wie deze hoogtijdagen laagtijdagen zijn, juist dan gemis ervaren of hun eenzaamheid nog sterker doorleven. Voor ons allen geldt dat als het feest voorbij is, het gewone leven met zijn ups en downs weer wacht. Wat moet je met het feest als de lichtjes gedoofd zijn, de muziekuitvoeringen afgelopen zijn en de kerstversiering wordt opgeborgen? Hebben we niet ook met de donkere dagen na Kerst te maken? Vallen de grote politieke werkelijkheid en de concrete besognes van het eigen leven je niet nog rauwer op het dak? We worden uitgenodigd ons te laten inspireren door de reactie van de herders als het hemelse licht verdwenen, het engelenkoor beëindigd en het nachtelijk donker de realiteit is.

De reactie van de herders is drieërlei. Ze gaan zien, spreken en zingen. Wie van een overzichtelijke, betogende preektrant houdt, kan deze drie aspecten naar voren brengen. In navolging van bijvoorbeeld Gottfried Voigt, Der schmale Weg: sehen, sagen, singen. Maar je kunt de herders en wat zij doen ook vertellend ten tonele voeren en zo de hoorders meenemen op de weg die zij gaan en die uitloopt op de lofprijzing. Daar begint het niet mee. We moeten niet denken dat de herders meteen juichend zijn vertrokken. Zonet heeft de engel hen eerst nog moeten kalmeren: vreest niet. ‘Het begon met vrees; het eindigde met een lofzang. En daar tussenin ligt méér dan wij denken. Als wij lezen “zij keerden terug en loofden God”, dan zeggen wij: allicht, natuurlijk, dat spreekt vanzelf, dat zingt vanzelf, zoals in het gedicht over de herder Jan: “En hij danste naar huis en zong: Wat een feest! Ik ben bij Jezus te gast geweest!”. Wij zouden ook gezongen hebben… Zou het waar zijn? Meer voor de hand ligt wat een Duitse dichter ervan maakte: “Het lampje flakkerde uit, het Kind ging slapen als een roos. Wij moesten weer door ijs en wind, alleen en machteloos”’ (Okke Jager, 466).

Wat de herders eerst doen, is: in gesprek met elkaar gaan. Dat is vast in een opgetogen geest gebeurd. Misschien zei een herder tegen zijn collega: ‘Knijp eens in mijn arm. Droom ik nu of niet?’ Ze doen echter meer dan in elkaars arm knijpen. Ze monteren elkaar op. Ze discussiëren niet vrijblijvend. Ze zeggen niet: ‘er is meer tussen hemel en aarde, dat blijkt maar weer’. Ook niet: fantastische uitvoering van een Weihnachtsoratorium gehoord daarnet, mooie stemmen! Nee, de een spoort de ander aan om met eigen ogen te gaan zien wat verkondigd is. De boodschap wil in beweging zetten en zoekt bevestiging. We hebben elkaar nodig om dat te doen. Opdat we samen en ieder persoonlijk zien en beamen wat is geboodschapt. Net zoals de Joden in Berea met belangstelling naar Paulus’ verkondiging luisterden en dan dagelijks de Schriften bestudeerden om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd (Hand. 17:11). Immers, de kribbe waarin wij Jezus kunnen vinden, is het bijbels getuigenis.

Bij het zien van het Kind in de voederbak vertellen de herders wat hun over dit kind verteld was. Op hun beurt worden zij angeloi, boodschappers. Als eerste hoorders worden zij getuigen. Eenvoudige mensen, herders van beroep, geven de blijde boodschap door. En daar hebben anderen, ‘allen die hen hoorden’, wat aan. De omstanders – anderen die ook niet een plaats in de herberg konden vinden? Mensen die uit de herberg waren gekomen omdat ze iets hadden vernomen? – verwonderen zich. Het getuigenis van de herders is ook een opsteker voor Maria en Jozef. Want ook al heb je bijzondere ervaringen gehad, zelfs een woord van Gabriël gekregen, je leeft wel in de realiteit en er is steeds weer aanvechting. Maria zal door het verhaal van de herders bemoedigd zijn. Ze bergt hun woorden als kostbare parels op en overdenkt ze in haar hart.

Dan keren de herders terug. Eerst van het veld naar de stal, naar het Kind. Nu van de stal naar het veld. Het is hetzelfde veld. Maar het is het veld met het Kind geworden. De herders bekijken het met andere, met ‘verlichte’ ogen. En ze zingen. Zo gaan ze helemaal in het spoor van de engelen. Die gingen terug naar de hemel om daar in samenzang verder te zingen. De herders keren terug naar het open veld van hun bestaan om samen de lofzang gaande te houden. Zingen: daarin uit ik mijzelf, voeg ik mijn stem bij het koor, word ik ook door het lied gedragen. Een lied kan door woord en melodie een zegenende uitwerking hebben, en verder reiken dan gesproken taal. Er mag op deze zondag dan ook veel gezongen worden. Daar hebben wij zelf, hebben anderen, daar heeft bovenal God wat aan. ‘U komt de lof toe, U het gezang, U alle glorie’. De gemeente is met name een zingende gemeente. In de eredienst en in het open veld.

‘Tot zich te laten doordringen, wat dat inhoudt: in de kerk, in de gemeente, voor Gods aangezicht een psalm te zingen! – dat is het, waar alles op aankomt. En dat dan natuurlijk met terugwerkende kracht. Wanneer men zo zijn kerkgang en de kerkdienst gaat verstaan en beleven, werkt dat onvermijdelijk terug op de wijze, waarop men zijn gehele bestaan gaat verstaan en beleven. Het krijgt dat uittredende en overschrijdende karakter. Alle bezigheid in de wereld krijgt iets van “liturgie”. Zij wordt over de hele linie lofzeggende dienst van Hem, die onze Schepper, Verlosser en Verheerlijker is’ (A.A. van Ruler, 47).

Liturgische aanwijzingen

Lezingen: Psalm 103; Filippenzen 2:5-11. Liederen: Psalm 78:1,2, 25; 113; 145:1,2,4,6; 149:1,3,5; Gezang 134; 140; 144; 145:1,2; 153:8,9,10; 255.

Geraadpleegde literatuur

O. Jager, Verademing. Bijbels dagboek nieuwe stijl, Ede/Antwerpen 1986, 466-476; H. Mulder, Lucas I. Een praktische bijbelverklaring (T&T), Kampen 1985; J.T. Nielsen, Het Evangelie naar Lucas deel 1(pnt), Nijkerk 1979; A.A. van Ruler, Waarom zou ik naar de kerk gaan?, Nijkerk 19713, 34-48. Ter meditatie noemen we ook nog: E.L. Smelik, Ongevraagde Postille, Den Haag 1961, 20-22; C. Möller, Der heilsame Riss. Impulse reformatorischer Spiritualität, Stuttgart 2003, 247-291 (over de spiritualiteit van het zingen); G. Voigt, Der schmale Weg. Homiletische Auslegung der Predigttexte. Neue Folge: Reihe I, Göttingen 19842, 44-50.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken