Menu

Premium

Preekschets Marcus 8:2

Marcus 8:2

Vijfentwintigste zondag na Pinksteren

‘Ik heb medelijden met al die mensen,
want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets meer te eten.’

Schriftlezing: Marcus 8:1-9

Het eigene van de zondag

De komende drie zondagen volgen we enkele weinig behandelde gedeelten uit Marcus 8. Ze vormen de voorbereiding van de centrale vraag van Jezus in het Marcusevangelie: wie zeggen jullie dat Ik ben (Marc. 8:29). Het komt er nu op aan! Overigens kunnen de perikopen ook goed op andere ‘groene’ zondagen gelezen worden.

Uitleg

De tweede wonderbare spijziging hangt er vaak een beetje bij. De eerste (Marc. 6:30-44) is uitgebreider en kleurrijker verteld; wat moeten we nog met een herhaling van dit verhaal? Matteüs heeft ook twee spijzigingen (Mat. 14:13-21 en Mat. 15:32-39), Lucas heeft maar één versie (Luc. 9:10-17). Ook Johannes verhaalt van de spijziging van de vijfduizend (Joh. 6). Algemeen wordt aangenomen dat de twee versies van Marcus en Matteüs teruggaan op één gebeurtenis.

Vergeleken met de eerste spijziging in het Marcusevangelie valt allereerst het verschil in getal op. De eerste keer worden met vijf broden en twee vissen vijfduizend mensen gevoed. Er blijven dan twaalf manden over. Bij de tweede keer zijn er zeven broden en enkele visjes, waarmee er genoeg is voor vierduizend. Zeven manden blijven er dan over.

De getallen schreeuwen om speculatie. Zeven als getal van de volheid, twaalf als getal van Israël enzovoort. Vooral dat er de eerste keer vijfduizend mensen gevoed worden en de tweede keer slechts vierduizend, roept vragen op. Waarom wordt het minder? Een uitleg zegt: vierduizend staat voor de volken (de vier windstreken) en vijfduizend staat voor Israël, want Israël heeft Eén meer dan de volken (vier plus één) of: Israël heeft de vijf boeken van Mozes. Zo is Jezus er eerst voor Israël (het eerste teken) en dan voor de volken (het tweede teken).

Deze uitleg is aantrekkelijk door de verbinding naar dezelfde thematiek in Marcus 7:24-30, waar het ook om brood voor Israël en de volken gaat. Een extra argument is de opmerking in Marcus 8:3, dat sommigen ‘van ver’ (apo makrotheri) zijn gekomen. ‘Zij die ver zijn’ is in het vroegchristelijke idioom een bekende aanduiding voor de heidenen (Hand. 22:21, Ef. 2:17).

Toch blijft het met deze getallensymboliek gokken. Mij dunkt dat Marcus het dan wel wat duidelijker had kunnen zeggen (zoals hij in Marc. 7:24-30 ook daadwerkelijk doet). Marcus heeft een duidelijk doel om deze tweede geschiedenis ook op te nemen. De verbinding naar het eerste spijzigingsverhaal is bewust: opnieuw (palm) is er een grote schare bijeen. Ook in Marcus 8:19-20 worden de beide spijzigingen genoemd.

Naast het verschil in getal met de eerste spijziging vallen nog twee dingen hier op. Allereerst de tijdsspanne van het geheel: drie dagen. Dat is door heel de bijbel heen de aanduiding dat er nu echt iets zal veranderen, dat Gods hulp zal aanbreken. Drie dagen zijn de mensen nu bij Jezus geweest en er is niets meer te eten. Maar na drie dagen zal God helpen.

Het tweede opmerkeüjke van deze perikoop is wel dat Jezus zélf zich druk gaat maken of de mensen wel te eten en te drinken hebben. Dat is een heel andere Jezus dan de Jezus die zei dat de mensen zich niet druk moesten maken om eten of drinken (Mat. 5:25). Het is ook heel anders dan bij de eerste spijziging, in Marcus 6. Daar zijn het de discipelen die Jezus erop wijzen dat de mensen nog moeten eten (Marc. 6:36). Daar voelt Jezus zich blijkbaar niet geroepen om hen te voeden: ‘Geven jullie hun maar te eten,’ zegt Hij wat korzelig.

In Marcus 8 is het daarentegen opvallend dat Jezus zich persoonlijk om het lichamelijk welzijn van de mensen bekommert. ‘Ik heb medelijden’ vertalen NBV en NBG, de StV heeft ‘Ik word innerlijk met ontferming bewogen.’ Medelijden kan de connotatie van ‘zieligheid’ oproepen, maar het Grieks splagchnizomai is sterker dan enkel medelijden. Het woord is afgeleid van het woord voor ‘ingewanden’. Jezus vindt de mensen niet ‘zielig’, nee zijn maag draait om als Hij die massa’s ziet, Hij wordt vanbinnen bewogen, Hij wordt er beroerd van! Ook onze lichamelijke nood grijpt de Heer aan, niet alleen de geestelijke nood. Jezus maakt zich er druk om dat de mensen honger hebben, en dat ze onderweg misschien wel zullen bezwijken (ekluoo, zwak worden, moe worden).

Daar doet Hij wat aan. Dat maakt Marcus duidelijk. Op de derde dag openbaart Jezus zich als de mede-lijder, als de ontfermer, die weet wat zijn mensen nodig hebben. Na alle goede woorden die Hij waarschijnlijk gesproken heeft die drie dagen, moet er voedsel komen: een mens kan niet leven bij het woord alleen, maar ook bij het brood.

Het nemen, danken, zegenen, breken en delen lijkt te verwijzen naar de eucharistie, waarin Christus zelf het brood is (vs. 6: eucharistèsas, vs. 7: eulogèsas).

Jezus is de barmhartige, goddelijke helper, die na drie dagen ingrijpt en de mensen geeft wat zij concreet en fysiek behoeven. En Hij is niet te beroerd om dat te herhalen. Of liever: steeds weer wordt Hij bewogen (beroerd) om zijn volgelingen het nodige te geven. Uiteindelijk geeft Hij zichzelf, als losprijs voor velen (Marc. 10:45). Dat is immers brood in de woestenij (vs. 4): leven in de dood – óók concreet! Het Anliegen van Marcus is christologisch: hij wil laten zien wie Jezus is.

Aanwijzingen voor de prediking

De uitdaging voor de predikant ligt hierin dat dit verhaal zo concreet is – en zich zo voor spiritualisering leent. Toch gaat het niet allereerst over Israël en de volken, of over het avondmaal, maar het gaat Marcus erom te laten zien, bij herhaling, wie Jezus is en hoe Hij concreet zijn volgelingen helpt.

In gesprekken over de spijzigingswonderen blijkt dat veel gemeenteleden vooral worstelen met de vraag of dit wel kan, en hoe het dan gegaan is. De sympathiekste oplossingen doen dan ook de ronde: toen bleek dat één iemand brood bij zich had, toen haalden de anderen ook hun broodtrommeltjes tevoorschijn. Sympathiek, maar bezijden de bedoeling van Marcus.

Hoe dan met de concreetheid van dit wonder om te gaan? Ik zou het gewoon laten staan. Marcus zegt: Jezus deed dit. Dat is duidelijk. Zo is Jezus. Hij zag de mensen en hun noden en hielp hen daarbij. Zo ziet Hij ook onze nood. Hij kent onze honger, onze dorst, onze zoektocht naar verzadiging, Hij ziet onze gebreken en onze gebrokenheid. En Hij kijkt er niet alleen naar: Hij doet er ook wat aan.

Jezus wordt echt geraakt door wat Hij ziet. God zweeft niet hoog boven ons uit op zijn wolk om zich te verkneukelen over ons geploeter in de modder. Hij is niet onaanraakbaar en onbereikbaar verheven, nee, Hij bemoeit zich met ons. Hij laat ons niet verkwijnen (vs. 3). Hij kan het niet laten. Hij maakt zich druk om ons, ook om ons lichamelijk welzijn. Hij heeft medelijden, dat is: Hij lijdt mede en Hij grijpt in. De zegen die God geeft is concreet. In het Oude Testament word je gezegend met land en vee en kinderen. Hier is niets spiritueels aan. En ook in het Nieuwe Testament is er de concreetheid van Gods zegen: genezing van zieken, bevrijding van gevangenen, spijziging van hongerigen. En natuurlijk zitten daar wel ‘spirituele’ kanten aan, het gaat er niet om het concrete en spirituele tegen elkaar uit te spelen. Alleen ditmaal zal de preek meer het concrete mogen benoemen. Gods woord is daad! Zo mogen wij ook onze zegeningen heel concreet zien. Het brood en de vis van Marcus 8 zijn niet alleen de verwijzing naar Christus en het avondmaal, het is ook, heel concreet: de broodjes, de krentenbollen en de slagroomsoezen. Heel concreet: de haring, de kibbeling en de tilapiafilet op onze borden. We preken in de kerk vaak genoeg over onze kwalen en gebreken, laat het deze zondag eens gaan over al het goede dat de Heer ons geeft – en of we wel zien dat Hij het is!

Jezus helpt, concreet. Brood in de woestijn, dat is leven in de dood. Dat is wat Hij ons schenkt: Hij geeft zichzelf als brood voor de wereld. Concreet droeg Hij onze honger, onze pijn, droeg Hij ónze dood – en geeft het leven.

Liturgische aanwijzingen

Liederen: Psalm 107:2, 3; 145:2, 5; Gezang 14; 75:2; 169; 465:2, 3.

Geraadpleegde literatuur

M.H. Bolkestein, Het evangelie naar Marcus (PNT), Nijkerk 19855; Robert Guelich, Mark (WBC), Dallas 1989; Joachim Gnilka, Das Evangelium nach Markus (EKK), Zürich – Düsseldorf, 19985.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken