Reactie op Reinier Sonneveld, Het einde van de hel
Mijn visie op het boek van Reinier Sonneveld is gemengd. Allereerst merk ik graag op dat ik mij in zijn intentie kan vinden. Het idee van een eeuwigdurende hel waarin grote zondaars en ongelovigen voor altijd en eeuwig worden gestraft, past inderdaad niet bij het geloof in God die ten diepste liefdevol en barmhartig is. Terecht brengt Sonneveld in dat, volgens de Bijbel, God onrecht en zonde wel kan en zal bestraffen. Maar het is inderdaad de vraag of we ons die straf per se als eeuwig moeten voorstellen. Er zijn immers veel Bijbelteksten die wijzen op een hoopvolle toekomst voor alle mensen, voor de hele wereld. Daar past dan geen eeuwige hel bij. Dat zou betekenen dat we ons de straf in het hiernamaals moeten voorstellen als tijdelijk en dat er ruimte zal zijn voor reiniging en bekering.
Ik kan mij ook vinden in Sonnevelds uitgangspunt dat wij per slot van rekening over het hiernamaals slechts weinig weten. De Bijbel spreekt erover, maar die getuigenissen moeten wel goed worden uitgelegd. Wat is de intentie van teksten over hel en verdoemenis? Zijn het dreigementen om mensen tijdens hun aardse leven tot inkeer en omkeer te brengen? Of zijn het welhaast objectieve beschrijvingen van hoe het er na dit leven aan toe zal gaan, en dan ook nog eens voor eeuwig, als je hebt geleefd zonder je van God en Christus iets aan te trekken?
Sonneveld is zich van de beperktheid van onze kennis en de daarom geboden voorzichtigheid bewust, maar hij heeft toch de moed opgevat een boek over de hel te schrijven. Blijkbaar kent hij in zijn omgeving mensen die het beeld van een eeuwigdurende hel met zich meedragen. Ik weet wel dat ze er zijn, maar ik kom ze weinig tegen. Of, als ik ze tegenkom, dan hebben we het er niet over.
Mijn algehele indruk van de intentie van dit boek is dus positief en welwillend. Maar ik heb er ook kritische gedachten bij. Ik begrijp dat Sonneveld zijn lezers wil overtuigen, maar zijn redeneertrant staat mij niet altijd aan. In het Nederlands Dagblad (15 maart 2025) schreef Reina Wiskerke snedig: hij ‘redeneert zich bijna een ongeluk’. In zijn redeneertrant mist zij de ‘bescheidenheid en geloofshouding’ die nu eenmaal bij zulke zaken hoort. Zo’n gevoel kreeg ik ook. Sonneveld weet wel dat hij in de bespreking van zijn onderwerp voorzichtig zou moeten zijn, maar zijn rationele stijl en al te grote zekerheid voeren toch vaak de boventoon.
Heb ik dan bezwaar tegen rationaliteit en zekerheid? In zekere zin wel, ja, tenminste, als het zulke onderwerpen betreft. We moeten ervoor beducht zijn, Gods handelen langs de meetlat van onze rationaliteit te leggen. God is altijd weer anders dan wij denken en laat zich niet in onze categorieën opsluiten.
Mijn algehele indruk van de intentie van dit boek is dus positief en welwillend
Mij is gevraagd in het bijzonder op hoofdstuk 9 te reageren, dat handelt over het vroege christendom. De bijlagen 5, 6 en 7, over de bijbelse gegevens en de kerkvaders, horen daarbij. Een belangrijk argument in Sonnevelds redeneringen is dat het Griekse woord aiônios, traditioneel via het Latijnse aeternus als ‘eeuwig’ vertaald, niet verwijst naar iets dat altijd in stand blijft. Hij wijst erop dat aiônios is afgeleid van aiôn, hetgeen duidt op een lange periode en ook wel op de wereld. ‘De komende aiôn’ en ‘aiônios leven’ duiden dan niet op een altijddurend leven, maar op de totaal andere tijd en het totaal andere leven in Gods koninkrijk. De traditionele vertaling ‘eeuwig’ zou dus verkeerd zijn.
Vermoedelijk heeft Sonneveld deze visie ontleend aan het dikke boek van Ilaria Ramelli, The Christian Doctrine of Apokatastasis, van 2013, want zij betoogt daarin hetzelfde. In de eindnoten verwijst hij enkele keren naar dit boek. Daarin zet Ramelli uiteen hoe volgens haar de leer van het universalisme, de apokatástasis ofwel de ‘wederoprichting van alle dingen’ (Handelingen 3:21) of ‘alverzoening’, in de loop van de kerkgeschiedenis tot de negende eeuw is aangehangen. Dit boek is echter niet altijd betrouwbaar omdat het vanuit een sterk vooringenomen standpunt is geschreven. Het is dan ook kritisch ontvangen, hetgeen niet betekent dat critici haar universalistische visie afwijzen; het bezwaar is echter dat we die niet overal teruglezen waar zij die denkt te vinden. Zelf heb ik er een kritische recensie (in het Engels) over geschreven waarin ik mijn bezwaren tegen dit boek uiteengezet heb, lees deze hier.
Wat betreft de betekenis van aiônios is het frappant dat twee recente lexica onbekommerd stellen dat deze term ‘eeuwig’ betekent. Het grote wetenschappelijke Grieks-Engelse woordenboek van Montanari (2015) geeft: ‘eternal, perpetual, immortal’ met correcte verwijzingen naar de filosofen Plato en Epicurus (ik heb ze nagekeken!). Het eerste deel van het Historical and Theological Lexicon of the Septuagint (2020) vermeldt in een uitvoerig artikel ‘enduring, eternal’ en ‘everlasting’ als belangrijkste betekenissen, al meent de auteur (Diego Sánchez Alcolea) met Ramelli dat de term ook kan verwijzen naar transcendentie in plaats van een tijdsduur; dus naar het totaal andere karakter van het leven in gemeenschap met God.
Maar toch: de betekenis ‘eeuwig’ voor aiônios moeten we niet afschrijven, ook niet als die in de Bijbel voorkomt. Zonder die term te gebruiken zegt Jezus in Marcus 9:47-48 over de gehenna (de ‘hel’): ‘waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft’. Dat betekent voor mij niet dat wij er nu ook zo over moeten denken, maar wel dat Jezus met een altijddurende straf dreigde, of wij dat nu geloofwaardig vinden of niet. Sonneveld noemt deze tekst alleen terloops op p. 234.
Dat de oosters-orthodoxe kerken de apokatastasis ofwel het universalisme altijd hebben aangehangen, zoals Sonneveld stelt, klopt misschien niet helemaal, maar wel in belangrijke mate. Dat is dus een opmerkelijk verschil met het westerse christendom. De grote, Griekstalige geleerde Origenes van Alexandrië (ca 185-254) ging een heel eind in de richting van wat nu onder meer ‘alverzoening’ heet, maar hij is op een cruciaal punt voorzichtiger dan Sonneveld. Origenes ontwierp geen christelijke leer, maar hij verkende de mogelijkheden en liet de keuze regelmatig aan de lezer over. Ook hij was zich ervan bewust dat wij stervelingen niet alles over God kunnen weten, maar hij hield consequenter aan dit uitgangspunt vast dan Sonneveld. Zo leerde Origenes niet dat na een tijdelijke straf in het hiernamaals alles en iedereen weer met God verzoend zal worden, maar dat die mogelijkheid bestaat.
Voor hem stond vast dat schepselen een vrije wil hadden. Als mensen met hun vrije wil in het hiernamaals tot berouw komen, dan zal God hen in genade aannemen, meende hij. Maar tonen de van God afgevallen schepselen ook na hun aardse leven geen berouw van hun misdaden, dan blijven zij in de duisternis ronddolen. Aldus Origenes. Hij werd ervan beschuldigd te leren dat ook de duivel uiteindelijk ‘behouden’ zou worden. Hij verzet zich echter fel tegen deze voorstelling van zijn opvattingen, hij legt uit dat het aan God toekomt, over het lot van de duivel te beslissen. Op de achtergrond van deze discussie staat ongetwijfeld Origenes’ overtuiging dat als de duivel, als afgevallen engel, ooit tot inkeer zou komen, God hem weer in zijn Rijk zou kunnen opnemen. Maar daarover wilde Origenes geen uitspraak doen. Voor wie Duits leest, is in dit verband dit artikel van mijn hand relevant.
Latere Griekstalige auteurs, de gezaghebbende bisschop Gregorius van Nyssa (vierde eeuw) voorop, getuigden echter onbeschroomd van hun verwachting dat God uiteindelijk alles zal herstellen. Toch kunnen we niet zomaar van de hele ‘oosterse’ orthodoxie zeggen dat die de hel als tijdelijk beschouwt. Het populaire boek van de priester-monnik Seraphim Rose, The Soul after Death (1980), laat op diverse plaatsen merken dat volgens hem de kwellingen in de hel ‘eeuwig’ en ‘altijddurend’ zijn.
De Latijnstalige, westerse kerk kwam sterk onder invloed van Augustinus van Hippo (354 -430) te staan. Augustinus legde in de loop van zijn werkzaamheid als bisschop meer en meer de nadruk op Gods uitverkiezing, hetzij tot de verlossing hetzij tot het ongeloof. Hij wees een algehele verzoening dus af, al was hij wel met deze visie bekend. Voor de westerse kerken, rooms-katholiek en orthodox-protestant, is het van groot belang te beseffen dat niet de gehele christenheid Augustinus’ visies deelt, en dus is het goed dat Sonneveld dit verschil onder de aandacht van zijn westerse lezers brengt.
Afgezien van deze overwegingen doen diverse onjuiste beweringen afbreuk aan de kwaliteit van het boek. Het zijn weliswaar details, maar ze getuigen mijns inziens van een gebrek aan kritische zin bij de auteur. Bijvoorbeeld:
– Sonneveld stelt het sola fide (gerechtvaardigd of verlost worden ‘door geloof alleen’) voor als ‘een reformatorische uitvinding’ (p. 143). Sorry, dat is onzin, deze gedachte kwam al voor in de tweede eeuw en precies die Latijnse woorden zijn in de uitleg van de brieven van Paulus vanaf de vierde eeuw váák gebruikt. Ook al voor de Reformatie zijn er heel wat discussies over dit thema geweest (zie dit om te beginnen).
– Naïef leidt hij uit Jezus’ formulering ‘de dag van het oordeel’ (Matteüs 10:15) af dat Gods oordeel slechts één dag lijkt te duren (p. 174). En de uitvoering van het oordeel dan?
– In zijn uitleg van de bijbelse term ‘verloren’ leidt hij het Engelse woord pollution (dat hij vertaalt als ‘afval’) af van het Griekse werkwoord apollumi (vernietigen) en het zelfstandig naamwoord apôleia (vernietiging) (p. 235, 254). Dat is onjuist; pollution komt van het Latijnse werkwoord polluo, ‘bezoedelen, vuil maken’. Het heeft niets met apollumi en apôleia te maken.
De Latijnstalige, westerse kerk kwam sterk onder invloed van Augustinus van Hippo (354 -430) te staan
– Zonder enige twijfel leidt hij de Franse en Nederlandse woorden gêne en gênant af van de term gehenna (p. 168). Inderdaad wordt wel verondersteld dat dit bijbelse woord mede heeft bijgedragen aan de betekenis van die woorden, maar taalkundigen wijzen in de eerste plaats op een Frankisch (Germaans) woord dat eraan ten grondslag ligt: jehhan, ‘toegeven’ (dat je iets moet toegeven, brengt dan gêne met zich mee).
Zo zou ik schoolmeesterachtig meer details kunnen noemen die net niet kloppen. Tenslotte: Sonneveld verwijst in zijn uiteenzettingen en in zijn eindnoten naar allerlei boeken van anderen, waarvan vele in het Engels zijn geschreven. Dat is goed en vanzelfsprekend; het laat zien dat hij zich breed op zijn onderwerp heeft willen oriënteren. Maar waarom noemt hij de twee boeken van ds. Jan Bonda niet? In 1989 publiceerde Bonda Het heil van de velen. Over de vraag ‘Hoe is God?’ en de leer van de eeuwige straf, en in 1993 Het ene doel van God. Een antwoord op de leer van de eeuwige straf.
Zijn hele leven is Bonda met dit onderwerp bezig geweest, en zijn publicaties getuigen van een grote diepgang. Anders dan Sonneveld gedaan heeft, heeft Bonda de eerste versie van zijn tweede boek aan allerlei deskundigen laten lezen en heeft hij hun kritisch commentaar in de uiteindelijke tekst verwerkt. Volgens mij had Sonneveld dat beter ook kunnen doen. Maar ruim 30 jaar later lijkt Bonda alweer vergeten te zijn, terwijl Sonneveld toch veel van diens boeken had kunnen leren.
Riemer Roukema is emeritus hoogleraar Nieuwe Testament en vroeg christendom aan de Protestantse Theologische Universiteit te Utrecht (voorheen Amsterdam en Groningen).
Reinier Sonneveld, Het einde van de hel. Waarom niemand wordt afgeschreven. Uitgeverij Kokboekencentrum, Utrecht. €23,99. 288 pp. ISBN 9789043542326
